Vissen naar God

citaten uit ¿ God en de kunst van het vissen (M.A. Ouaknin)

‘Schrijven heeft iets ongelofelijk moeilijks omwille van de finesse, het subtiele, de complexiteit van de bewerkingen die je moet uitvoeren. Ik voel me dikwijls de reiziger die vruchteloos de nacht bevraagt die hem omringt; hoe zwak is het licht van zijn reislantaarn: hij verlicht amper de plek waar ik me bevind. Het kan ook niet anders, want de weg van het schrijven ontdek je slechts stap voor stap. De redding van de schrijver zijn de nachten waarin het onweert.
Plots is er een bliksem die de nacht openbreekt en alles wordt helder. De weg, het landschap. Het werk wordt hem dan als het ware in zijn volheid aangeboden. Maar een ogenblik later is alles weer nacht.’

Los van dit alles is er nog iets anders dat me aanmoedigt in mijn zoektocht: de titels.

Bij elke etappe tijdens het schrijven komt er een nieuwe titel bij me op en daarna lijkt het alsof al mijn energie gebruikt wordt om die titel te rechtvaardigen. Het is de titel die het denken op een wezenlijke manier oriënteert. De titel is de essentie van een boek. Het boek zelf is dan slechts nog commentaar. Ongetwijfeld behoor ik tot die categorie van mensen, zoals Giraudoux ironisch zegt, die zodra ze hun titel hebben, zich verplicht voelen om dan ook maar de roman zelf te schrijven.

‘De enige echte reis, het echte bad van de eeuwige jeugd, is niet nieuwe landschappen opzoeken, maar andere ogen hebben, het universum zien met de ogen van een ander, van honderd anderen’, de honderd universums zien die elk van hen ziet, die elk van hen is…’

Het plezier om een bekende zin terug te vinden zoals wanneer je een mooi gedicht, mooie muziek opnieuw hoort, en tegelijkertijd zintuigen die ontwaken, hernieuwde nieuwsgierigheid die uitnodigt om niet tevreden te zijn met die paar regels, maar ook de hele schatkist te willen ontdekken. De bladzijde in haar geheel. Op zoek naar de verloren tijd, in haar geheel, nooit echt gelezen. Je ontdekt dat het over de kunstvraag gaat, over haar functie, over haar roeping. Een kleine sonate, een schilderij. Vinteuil, Elstir.

‘Ik herinner me graag uiterst kleine feitjes:
ze bewijzen niets, maar zijn het leven zelf.’

Maurice Merleau-Ponty

De Talmoed leert: kol ha’omer davar besjem omero mevi ge’oela la’olam, wat wil zeggen: ‘iedereen die een woord spreekt in naam van de auteur, brengt de verlossing in de wereld.’
In andere woorden betekent dit dat de praktijk van het citeren een eigen strikte deontologie heeft. Als je een citaat aanreikt aan de lezer, dan meet je altijd ook aangeven waar het vandaan komt, de auteur, het situeren in het werk, kortom, de lezer alle elementen geven zodat die naar de bron kan terugkeren en zo, misschien, door dit terugkeren, nieuwe landschappen kan ontdekken en tekstuele horizonten die voor hem betekenis kunnen hebben.

Het grote werk’, schrijft Georges Steiner, ‘is datgene wat bij het einde van de lectuur altijd en op een geheimzinnige manier zegt: je moet opnieuw beginnen. Eerste poging. Laten we opnieuw proberen. Het is Beckett, Beckett die erin slaagt alles te zeggen – je wordt gek van afgunst tegenover Beckett- die schrijft: je moet beter falen (fail better). Bij elke nieuwe poging zal ik de volgende keer beter mislukken.
Het is wat ik altijd meegeef aan mijn studenten: laten we bij de volgende lezing beter mislukken.’

‘De beste leeshandelingen’, voegt Steiner eraan toe, ‘zijn onvoltooide handelingen, fragmentaire intuïties, van wat de parafrase, de metafrase weigert, die eindigen met te zeggen: ik was niet in staat het meest interessante in dit alles te beroeren. Maar verre van een vernederende nederlaag of een vorm van mysticisme, wordt dat onvermogen een soort vrolijke uitnodiging om te herlezen.’

‘Sommigen geloven stellig in een algemeen erkende waarheid, terwijl deze die mij fascineert zich nooit zorgen heeft gemaakt over erkenning.’

Edmond Jabès

Herlezen (Frans: relire) verwijst altijd naar de etymologie van het woord religie dat volgens sommigen afgeleid is van religere, het feit van zich te verbinden aan…, maar dat anderen dan weer in verband brengen met de stam relegere: ‘herlezen’.
In die zin is het jodendom een religie van het onophoudelijk lezen en herlezen van de teksten, een herkauwen dat zich transformeert in een hermeneutiek waarbij de hand van de geest zich nooit sluit over de Waarheid, maar een liefkozing wordt voor de tekst.

Het is uitbundig lezen over de waarheid in een waaier van voorstellen en wegen. Het is het werk bevrijden voor zijn roeping: de lezer, de wereld en het leven openen voor een hernieuwde uitvinding van nieuwe vormen van bestaan, om op die manier aan de toekomst van het werkwoord ‘zijn’ geen achterhaald bestaan te geven!

Het is in die zin dat mijn vriend Jacques Neuburger mij op een dag schreef: ‘Het Latijnse religio is door onze moderne “symbolistische Meesters” foutief verbonden met het werkwoord religare (op de rug geknoopt) met als betekenis “dat wat verbindt”. Laat ons zeggen dat het een woordspel is. Het heeft zin, we aanvaarden het en het geeft ons stof tot nadenken. Het is trouwens aannemelijk. Maar laat ons ook zeggen dat religio misschien eerder van het werkwoord relegere komt (met respect plukken, opnieuw verzamelen, het nog eens doornemen door te lezen en te denken, zoeken om opnieuw een betekenis te geven aan… ): het is reeds de betekenis die Cicero gaf aan het woord: religie is een zaak van afwegen (zo moet een rechter religio hebben en een getuige nog meer), van respect en geweten, van lezen en herlezen, van het interpreteren van de wereld. Dit alles is wat de taal van Cicero en van Virgilius zegt.’ (Fragment uit een briefwisseling met Jacques Neuburger van 20 december 2007)

Woorden

Er bestaan verlegen woorden die nooit het woordenboek verlaten…
Zelfs niet ’s nachts!

Er bestaan woorden die met altijd wijs zijn,
die balanceren op de rand van de wereld,
woorden die nog geen woorden zijn,
woorden van verdriet en woorden van zachtheid.
Woorden van stilte om beter het branden van de
nacht door te komen…

Er bestaan woorden die nog nooit werden
uitgesproken.
Woorden die wachten op een mond.
Woorden die wachten op een adem.
Woorden die misschien nooit de dag zullen zien.

Mijn Meester zegt: ‘Weet je dat een vraag die zichzelf oneindig bevraagt in het antwoord dat ze uitlokt, dat die vraag joods is?

Weet je dat als je je een vraag stelt, je dan op een bepaalde manier joods bent, omdat de jood zich diezelfde vraag al meer dan eens heeft gesteld?

Weet je dat, wanneer je jezelf een andere vraag stelt dan deze die je je had willen stellen, om zo indirect, via die vraag, daarna ook de eerste te kunnen stellen, dat je dan zo joods bent als een jood maar kan zijn?

Weet je, zei hij nog, dat als je niet meer de kracht, noch de wil hebt om je vragen te stellen, uitkijkend om te genieten van een welverdiende rust, dat je dan nog joods bent, omdat dat bewijst dat je, even sterk als een jood, de rilling van de vraag hebt gevoeld?’

Het ‘zoeken’ of het ‘geloven’ is een paradox, zegt rabbi Nachman van Bratslav: het tegelijkertijd aannemen van ‘er is’ en ‘er is geen’; hyperdialectiek van een
eeuwige spanning tussen twee tegengestelden die zich niet laten opgaan in een derde synthese begrip.
De positieve term heft nooit de negatieve term op en het gaat niet om een stabiel evenwicht tussen die twee, maar om een continu over-en-weer, nu eens de een, dan weer de ander accentuerend.
Voor de talmid-chakham zijn er altijd gevechten te leveren, kansen tot mislukken onder ogen te zien. Situaties om te kiezen, zonder ophouden.
De talmid-chakham kent geen comfortabele uiterlijke zekerheid, voor eens en altijd.
In het ‘geloven’ dat nog ‘zoeken’ blijft, is er altijd een voor en een -tegen’. En zodra je het ‘voor’ kiest, weet je heel goed dat een ogenblik later de twijfel je het ‘tegen’ Iaat ontdekken.
‘Het is de beweging van onzekerheid die het teken is van onze relatie met God; die onzekerheid is het teken zelf van het geloven. Het is wanneer het individu met verzekerd is van zijn relatie met God, dat hij een relatie heeft met God. Ongelukkig diegenen die geloven dat ze in relatie zijn met Hem, want die zijn het zeker niet. ‘ (Commentaire de Jean Wahl, Études kierkegaardiennes, Vrin, 1974, p. 301)

We hebben eerder gezegd dat de Wijsheid in de eerste plaats geduld is.
Laten we dat nader verklaren!

De letter lamed gaf het woord Talmoed. Studietekst bij uitstek.
De Talmoed als vraagteken gedragen door de lamed, leert ons dat een tekst onbepaald is, open voor altijd nieuwe interpretaties, die door geen enkele encyclopedie gewaarborgd worden.

De meest diverse interpretaties – filosofische, sociologische, politieke, taalkundige, historische enzovoort – putten elk maar een deel van de mogelijkheden van de tekst en van het leven uit; die blijven onuitputtelijk en oneindig open.
De essentiële vraag is niet ‘Wat is de interpretatie?’ maar wel ‘Waarom is er interpretatie?’
Er is interpretatie om te tonen dat ‘in tegenstelling tot de beweringen van de ideologie, betekenis zich geduldig opbouwt, dat de betekenis zich niet identificeert met een vaststaande waarheid, waarvan het zou volstaan je die eens en voor altijd eigen te maken en ze aan de anderen op te leggen. ‘ (Catherine Chalier)

Als dat vraagteken van de studie ook het werktuig is van onze visser, die geduldig wacht, dan betekent dat ook dat er een fundamenteel verband bestaat tussen de interpretatie en het geduld…

uit: Ouaknin, Marc-Alain, God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)

 

bijbellezer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website