DSCN8278

 

 

Nietige grootheid

 

“Ik ben niets,

ik zal nooit iets zijn.

Ik kan ook niets willen zijn.

Afgezien daarvan, draag ik in mij alle dromen van de wereld.”

 

Deze woorden van Alvaro de Campos (een pseudoniem van de Portugese dichter Fernando Pessoa) doen mij denken aan het kerstverhaal. Dichters zijn vaak als geen ander in staat om tegenstellingen bij elkaar te verwoorden. Met schijnbaar vanzelfsprekend gemak schrijven zij over de grote dingen in het leven en als lezer wordt je soms meegesleept in hun prachtige beeldspraak. Mij overkomt dat vaker dat ik lezend in een dichtbundel ontdek hoe de woorden voor mij een eigen leven gaan leiden en dat ik houvast kan vinden in de beelden die de dichter ontwerpt. Misschien zult u zeggen ‘hoe kunnen beelden nou houvast geven’ of ‘hoe zijn beelden nou in staat om je de weg te wijzen in dit leven?’ Deze twijfel is begrijpelijk, we worden dagelijks overspoeld met beelden en gewaarwordingen. En vaak kunnen we er geen touw aan vast knopen en vallen er weinig levenslessen te trekken uit die stroom van beelden. De dingen van de dag vallen eerder over je heen dan dat je er bewust bij stil staat. En dat is nou ook precies het verschil met po‰zie. Als je een gedicht leest doe je dat meestal met aandacht, geconcentreerd en in stilte. Je probeert te begrijpen en te voelen wat de schrijver bedoelt, daarin probeer je mee te gaan, daarin kun je worden opgenomen, daarin kunnen ook je eigen ervaringen een plaats krijgen. En als er dan zoiets als herkenning is, dan is je inspanning en je moeite niet tevergeefs.

 

In de beginregel van het gedicht de ‘Tabakswinkel’ die boven staat afgedrukt be schrijft de dichter twee uitersten: een mens nietig, sterfelijk ‚n toch een vat vol dromen. Of in deze kersttijd: ‘het kindje in de kribbe, een k  lein volslagen afhankelijk mensje, aan de borst van de moeder, en zo vol belofte, blijkt een verlosser voor velen, een mens die dromen kan laten uitkomen omdat hij zelf zo vol is van dromen.’

De ‘uitkomst van die droom’ beschrijft de evangelist Lucas in zijn Blijde Boodschap: ‘als het toch eens waar mocht worden…eindelijk vrede, géén oorlog meer, geen lijden en geen geweld, geen ziekte en geen dood…’

Met de komst van de ‘ver-losser’, de mens die ons vrij-maakt, die de banden ‘lost’ waarmee wij gebonden zijn aan het leven en het lijden, komt er hoop in de harten van de mensen. En het mooiste is, die verlosser komt in alle zwakheid, in de meest menselijke gedaante, als kleine mens ter wereld; een kind geboren uit een vrouw. Daarin lijkt hij op ons. Daarin kunnen wij ons met hem vereenzelvigen, en kunnen wij, wat nog belangrijker is, zijn droom voortzetten.

Want wij zijn ons bewust dat die droom van Jezus nog niet helemaal is uitgedroomd, de wereld is nog geen aards paradijs, er wordt door velen nog veel teveel geleden.  Maar durven wij ons wel over te geven aan die grote droom van vrede, die droom die een einde wil aan alle menselijke geweld? Met al onze onmacht en ons besef van sterfelijkheid? Opnieuw wil ik bij een dichter te rade gaan. Juan Ram¢n Jimënez, een Spaanse dichter schrijft over de dood die elk van ons wacht, de volgende melancholieke woorden:

 

“De allerlaatste reis.

 

En ik zal gaan.

En de vogels zullen blijven en zingen;

en blijven zal mijn tuin, met zijn groene boom

en zijn witte bron.

 

Elke avond zal de hemel blauw en vredig zijn.

en luiden zullen, net als vanavond,

de klokken van de kerktoren.

 

Sterven zullen zij die van mij hielden;

en het dorp wordt elk jaar weer nieuw;

en in elke hoek van mijn tuin met witte bloesems

zal mijn geest dronken van heimwee ronddwalen…

 

En ik zal gaan; en ik zal alleen zijn, zonder thuis,

zonder groene boom, zonder witte bron,

zonder blauwe en vredige hemel…

en de vogels zullen blijven en zingen.”

 

Dit gedicht heeft iets heel weemoedigs. Misschien wel door het besef dat het allemaal door zal gaan, ook als je er zelf niet meer bent. Alles waar je in je leven met volle teugen van hebt genoten is er ook na je dood, maar je hebt er zelf geen deel meer aan. Dat doet pijn, dat beeld kan verdriet bij je losmaken, heimwee, verlangen.

Maar toch is dat slechts ‚‚n kant van de zaak. Er is nog een ander gedicht van hem, een gedicht waar het onderscheid tussen leven en sterven langzaam vervaagt. En hoe vaker ik dit gedicht lees, hoe meer ik moet denken aan het lot van Jezus, en aan de beschrijvingen van mystieke ervaringen van onze grote mystici.

 

“Mijn hart is nu zo zuiver,

dat het om het even is, of het sterft

of zingt.

 

Het kan het boek van het leven vullen of het boek van de dood.

Beiden zijn onbeschreven voor mijn hart, dat denkt en droomt.

 

Evenveel eeuwigheid zal het in beiden vinden.

 

Hart, het is om het even: sterf of zing.”

 

‘Sterf of zing’ – het lijkt bijna een bevel, aan ons, de levenden. Het kindje in de

houten kribbe zal eindigen aan de houten balken van het kruis. Leven en dood zijn

onverbrekelijk met elkaar verbonden. Ook voor ons. En misschien beseffen wij

het niet altijd, ‘maar elke nieuwe geboorte maakt een sterven pas mogelijk en elk

sterven is een nieuwe geboorte’. Zoals een mens ongevraagd en buiten zijn wil

geboren wordt in dit leven,  zo wordt dit leven ook weer van ons afgenomen, en

worden wij opnieuw geboren in een ‘bestaan’ na de dood: een nieuwe geboorte.

Deze droom heeft Jezus met zijn leven en sterven zichtbaar gemaakt. Het is een

droom die verder reikt dan ons leven en ook verder dan onze dood. En als ik dan

boven vraag of wij ons nog durven over te geven aan die grote droom van vrede,

dan moet de nadruk liggen op het woordje ‘overgeven’, of zo u wilt op het werkwoord ‘toe-vertrouwen’. Want dat is geloven, dat is een hemel vol van engelen die zingen “Eer aan God in den Hoge – Gloria in excelcis Deo” – al het andere komt daarna; dat zal ook blijken in het leven van Jezus zelf.

 

John Hacking

Geef een reactie