Treblinka

Vasili Grossman, De hel van Treblinka
In: Een klein leven. Korte verhalen en essays, Zutphen 2014, Uitgeverij Balans p. 115-163, 329-342

 
1
Ten oosten van Warschau, langs de Westelijke Boeg, strekken zich zandgronden en moerassen uit en dichte dennen- en loofbossen. Het is een desolate, troosteloze streek; dorpen zijn er nauwelijks. Voetreizigers en wagens mijden de smalle zandpaden, waar voeten blijven steken en wielen tot de as wegzakken in het diepe zand. Hier, aan het zijspoor naar Siedlce, ligt het kleine, afgelegen station Treblinka, iets meer dan zestig kilometer van Warschau, niet ver van het station Malkinia, waar de spoorlijnen uit Warschau, Bialystok, Siedlce en Lomza samenkomen.
Waarschijnlijk waren veel mensen die in 1942 naar Treblinka werden gebracht hier in vredestijd wel eens voorbijgereden, terwijl ze hun afwezige blik lieten dwalen over het saaie landschap: dennen, zand, zand en weer dennen, heide, droog struikgewas, sombere stationsgebouwen, spoorwegknooppunten … En misschien bleef de verveelde blik van de reizigers nu en dan hangen aan het dicht met dennenbomen omzoomde enkelspoor dat van het station het bos in loopt. Dat zijspoor leidt naar een groeve waar kiezelzand werd gewonnen voor de industrie en de stedelijke bouw.
De groeve ligt op ongeveer vier kilometer afstand van het station, in een woest gebied, aan alle kanten omringd door dennenbossen. De bodem is hier karig en onvruchtbaar, onontgonnen door de hoeren. De woestenij is woestenij gebleven. De grond is deels begroeid met mos; hier en daar staan dunne dennenboompjes. Af en toe vliegt er een kauw over, of een bonte, gekuifde hop. Deze schrale woestenij werd uitgekozen en goedgekeurd door de Duitse Reichsführer-ss Heinrich Himmler voor de bouw van een schavot van wereldformaat, een schavot zoals het menselijk ras, van de vroegste barbaarse tijden tot ons huidige wrede tijdperk, niet eerder had gekend. Ja, waarschijnlijk was een dergelijk schavot in het hele universum ongekend. Hier werd het belangrijkste executieterrein van de ss aangelegd, dat Sobibór, Majdanek, Belzec en Auschwitz overtrof.*
* Belzec en Auschwitz – De Dictionnaire de la Shoah schat het totale aantal Joden vermoord in Treblinka op 900.000. Timothy Snyder noemt in Bloodlands (New York, Basic Books, 2010, p. 408) het cijfer 780.863. Dat is ontleend aan een studie door Peter Witte en Stephen Tyas (‘A New Document on the Deportation and Murder of Jews during “Einsatz Reinhard” 1942’, Holocaust and Genocide Studies, vol. 15, nr. 3, 2001, p. 468~486). Hersjl Poljanker, een minder bekende Russische journalist, geeft dezelfde onjuiste schatting van drie miljoen doden in een artikel dat, net als dat van Grossman, werd geschreven in september 1944· Zijn ‘Treblinka- hel op aarde’, waarschijnlijk oorspronkelijk geschreven in het Jiddisj, werd vertaald in het Spaans en door het Joods antifascistisch comité opgestuurd aan kranten in Cuba, Mexico en Uruguay ( G.A. R. E., fond 8n4 [Joods antifascistisch comité], opis I, delo 346, p. 162-172).
Er waren twee kampen in Treblinka: Treblinka I, een werkkamp voor gevangenen van verschillende nationaliteiten, vooral Polen, en Treblinka II, het Joodse kamp. Treblinka I, het werk- of strafkamp, lag vlak naast de zandgroeve, niet ver van de bosrand. Het was een gewoon kamp, zoals de Gestapo er honderden, duizenden had aangelegd in de bezette gebieden van Oost-Europa. Het was ingericht in 1941. Dit kamp toont in kort bestek de misvorming van de Duitse karaktertrekken in de verschrikkelijke spiegel van het naziregime. Zo worden in een koortsdroom de gedachten en gevoelens die een patiënt voor zijn ziekte had monsterlijk vervormd. Zo is het gedrag van een gek in een moment van verstandsverbijstering een vertekende afspiegeling van de redelijke gedragingen en bedoelingen van een normaal mens. Zo begaat een misdadiger zijn daden: de hamerslag op de neusbrug van zijn slachtoffer vereist zowel een geoefend timmermansoog en de vaste hand van een smid als de koelbloedigheid van een onmens. Zuinigheid, nauwkeurigheid, berekening en angstvallige properheid, dat zijn allemaal op zich geen slechte eigenschappen, kenmerkend voor veel Duitsers. Toegepast op de landbouw of de industrie werpen ze hun vruchten af. Maar het nazisme wendde deze karaktertrekken aan voor een misdaad tegen de mensheid, en de ss ging in dit Poolse kamp te werk alsof het om de teelt van bloemkool en aardappelen ging.
Het kampterrein was verdeeld in gelijkmatige rechthoeken, de barakken vormden kaarsrechte rijen, de paden waren bestrooid met zand en omzoomd met berken. Er waren betonnen vijvers aangelegd voor de tamme watervogels, bassins met handige traptreden voor het doen van de was en allerlei voorzieningen voor het Duitse personeel: een voortreffelijke bakkerij, een kapper, een garage, een benzinepomp met een glazen bol, magazijnen. Het kamp Majdanek bij Lublin was volgens ongeveer dezelfde principes aangelegd, met tuintjes, drinkfonteinen en betonnen wegen, net als tientallen andere werkkampen in Oost-Polen waar de Gestapo en de ss serieus van plan waren zich voor langere tijd te vestigen. In de organisatie van de kampen kwamen al die Duitse karaktertrekken tot uiting: nauwgezetheid, precieze berekening, een angstvallige hang naar orde, een liefde voor roosters en schema’s, uitgewerkt tot in de kleinste details.
Mensen werden naar het werkkamp gestuurd voor een bepaalde termijn, soms helemaal niet lang: vier, vijf, zes maanden. Het waren vooral Polen die de wetten van het Gouvernement-Generaal(1) hadden overtreden – meestal ging het om onbeduidende overtredingen, want op ernstige overtredingen stond de onmiddellijke doodstraf. Een aangifte, een valse beschuldiging, een onvoorzichtige uitspraak op straat, een niet-afgeleverde bestelling, een weigering om een kar of een paard af te staan aan een Duitser, de brutaliteit van een meisje dat de avances van een ss’ er had afgeslagen, de minste verdenking van mogelijke sabotage van het werk op een fabriek- daarvoor werden honderden, duizenden Polen – arbeiders, boeren, intellectuelen, mannen en meisjes, huismoeders, tieners en bejaarden- afgevoerd naar het strafkamp. In totaal zijn er ongeveer vijftigduizend mensen gepasseerd. (2) Van de Joden kwamen alleen prominente, vermaarde vaklieden in dit kamp terecht: bakkers, schoenmakers, kabinetmakers, metselaars, kleermakers. Er waren hier allerlei werkplaatsen, waaronder een hoog aangeslagen meubelwerkplaats, die de hoofdkwartieren van het Duitse leger voorzag van stoelen, tafels en fauteuils. Treblinka I heeft bestaan van de herfst van 1941 tot 23 juli I944. Het werd pas volledig opgebroken toen de gevangenen het doffe geronk van de Sovjetartillerie al konden horen. Vroeg op de ochtend van 23 juli begonnen de ss’ers en de Wachmänner,'(3) nadat ze zich moed hadden ingedronken met een schnaps, aan de vernietiging van de sporen van het kamp. Tegen de avond waren alle gevangenen vermoord en begraven. Max Levit, een meubelmaker uit Warschau, wist te ontkomen: hij bleef tot het donker werd gewond onder de lijken van zijn kameraden liggen en kroop daarna het bos in. Hij vertelt hoe hij, liggend in de kuil, dertig jongetjes hoorde zingen: vlak voor hun executie hieven ze ‘Weids is mijn vaderland'(4) aan. Hij hoorde een van de jongetjes schreeuwen: ‘Stalin zal zich wreken!’, en hij hoorde hoe Leib, de kamplieveling en de gangmaker onder de jongens, die na het salvo op hem viel in de kuil, zich oprichtte en vroeg: ‘Niet gelukt, panie Wachmann,(5) nog één schot graag, nog één!’
Inmiddels is het mogelijk de inrichting van het werkkamp exact te beschrijven; we beschikken over tientallen getuigenverklaringen van Poolse mannen en vrouwen die zijn ontsnapt of op een eerder tijdstip vrijgelaten. We weten hoe het werk in de zandgroeve verliep, dat wie de norm niet haalde naar beneden werd gegooid, in de bouwputten, we kennen het voedselrantsoen: 170-200 gram brood en een liter van een brouwsel dat voor soep moest doorgaan. We weten van de doden door de honger, de opgezwollen gevangenen die op kruiwagens het kamp uit gereden werden en overhoopgeschoten. We weten van de wilde orgieën die de Duitsers aanrichtten, hoe ze meisjes verkrachtten en hun gedwongen minnaressen meteen daarna doodschoten, hoe ze mensen van een zes meter hoge wachttoren gooiden, hoe een dronken gezelschap ’s nachts tien, vijftien gevangenen uit een barak haalde en kalm de verschillende methodes van terdoodbrenging op hen begon te demonstreren: een nekschot, een schot in het hart, de ogen, de mond, de slaap. We kennen de namen van de ss’ers in het kamp, hun karakters en eigenaardigheden. We kennen de kampcommandant, de Nederlandse Duitser Van Euppen, een onverzadigbare moordenaar en wellusteling die van goede paarden en snelle ritten hield. We kennen de lijvige, jonge Stumpfe, die een onbedwingbare lachbui kreeg elke keer dat hij een gevangene vermoordde of een executie bijwoonde. Hij werd ‘de Lachende Dood’ genoemd. De laatste die hem hoorde lachen was Max Levit, op 23 juli van dit jaar, toen de Wachmänner op Stumpfes bevel de jongetjes doodschoten, terwijl Levit nog levend op de bodem van de kuil lag. We kennen Sviderski, een eenogige Duitser uit Odessa, die ‘de Meester van de Hamer’ werd genoemd. Hij gold als een onovertroffen specialist in de ‘koude’ moord: met een hamer doodde hij binnen een paar minuten vijftien arbeidsongeschikt verklaarde kinderen in de leeftijd van acht tot dertien jaar. We kennen Preifi, een magere ss’er die op een zigeuner leek en wiens bijnaam ‘de Oude’ was, een sombere, zwijgzame man. Hij verdreef zijn melancholie door zittend op de vuilnisbelt van het kamp te loeren op gevangenen die stiekem aardappelschillen kwamen eten; die dwong hij hun mond open te doen, waarna hij ze in hun geopende mond schoot. We kennen de namen van de professionele moordenaars Schwarz en Ledeke, die zich vermaakten met schieten op de gevangenen als ze in de schemering terugkwamen van het werk. Elke dag vermoordden ze zo twintig, dertig, veertig mensen.
Die wezens hadden niets menselijks meer. Hun verwrongen hersenen, harten en zielen, hun woorden, daden en gewoonten waren als een verschrikkelijke karikatuur, een vage herinnering aan menselijke karaktertrekken, gedachten, gevoelens, gewoonten en daden. De ordelijkheid van het kamp, de documentatie van de moorden, de liefde van de bewakers voor monsterlijke grappen die deden denken aan de ruige grappen van dronken Duitse corpsstudenten, de sentimentele liederen die ze eenstemmig zongen te midden van de plassen bloed, de toespraken die ze voortdurend afstaken tegenover hun slachtoffers, de keurig op speciale papiertjes gedrukte vermaningen en vrome spreuken – dat waren allemaal monsterlijke draken en reptielen, ontsproten aan het traditionele Duitse chauvinisme. Dat alles kwam voort uit de hoogmoed van de Duitsers, hun egoïsme, hun arrogante zelfverzekerdheid, hun pietluttige, angstvallige zorg voor eigen huis en haard, en hun stalen, kille onverschilligheid voor het lot van al het andere leven, uit hun vurige, blinde overtuiging dat de Duitse wetenschap, muziek, dichtkunst, taal, gazons, wc-potten, hemel, bier en huizen de meest hoogstaande en de mooiste van het universum waren.
Zo leefde het kamp, als een Majdanek in het !dein, en je zou kunnen denken dat er niets gruwelijker was op de wereld. Maar de gevangenen in Treblinka I wisten heel goed dat er iets ergers bestond, iets honderdmaal gruwelijkers dan hun kamp. In mei 1942 waren de Duitsers op drie kilometer afstand van het werkkamp begonnen aan de bouw van een Joods kamp, een schavot. De bouw vorderde snel, met meer dan duizend arbeiders.(6) In dit kamp was niets aangepast aan het leven, alles was aangepast aan de dood. Himmlers bedoeling was het bestaan van dit kamp volledig geheim te houden; geen mens mocht het levend verlaten en niemand mocht in de buurt komen. Toevallige voorbijgangers die dichter dan een kilometer naderden werden zonder waarschuwing beschoten. Het was verboden voor Duitse vliegtuigen over het gebied heen te vliegen. De slachtoffers, die in transporttreinen over een speciale aftakking van het zijspoor werden aangevoerd, wisten tot het laatste moment niet wat hun te wachten stond. De bewakers die de transporten begeleidden werden niet in het kamp toegelaten, zelfs niet binnen de buitenste omheining. Als de wagons vlakbij waren, namen de kamp-ss’ers de bewaking over. De treinen, die meestal uit zestig wagons bestonden, werden in het bos voor het kamp in drieën gesplitst, waarna de locomotief steeds twintig wagons tegelijk naar het kampperron bracht. De locomotief duwde de wagons van achteren voort en stopte bij het
prikkeldraad, zodat noch de machinist, noch de stoker de grens van het kamp overschreed. Als de wagons waren uitgeladen, gaf de dienstdoende onderofficier van de ss een fluitsignaal aan de volgende twintig wagons, die tweehonderd meter verderop stonden te wachten. Als alle zestig wagons helemaal waren uitgeladen, telefoneerde de kampcommandant naar het station om een nieuwe transporttrein te laten komen, terwijl de nu lege trein verder reed over het zijspoor naar de groeve, waar de wagons werden volgeladen met kiezelzand. Met die nieuwe lading reed de trein weg naar de stations van Treblinka en Malkinia. Hier bleek hoe voordelig Treblinka was gelegen: de treinen met slachtoffers kwamen uit alle windrichtingen aanrijden, uit het westen en het oosten, het noorden en het zuiden. De treinen kwamen uit de Poolse steden Warschau, Miedzyrzecz, Czestochowa, Siedlce en Radom; uit Lomza, Bialystok, Grodno en vele andere Wit-Russische steden;(7) uit Duitsland, Tsjecho-Slowakije, Oostenrijk, Bulgarije en Bessarabië.(8)
Dertien maanden lang reden de transporttreinen naar Treblinka. Elke trein had zestig wagons, en op elke wagon was met krijt een cijfer geschreven: 150-180-200. Dat cijfer duidde het aantal mensen in de wagon aan. De spoorwegbeambten en de boeren hielden heimelijk de tel bij van die treinen. Kazimir Skarzuriski, een tweeënzestigjarige boer uit het dorp Wólka (de dichtst bij het kamp gelegen bewoonde plaats), vertelde me dat er op sommige dagen wel zes treinen langsreden, alleen al uit de richting Siedlce, en dat er haast geen dagen waren gedurende die dertien maanden waarop er niet ten minste één trein passeerde. En de Siedlce-lijn was slechts een van de vier aanvoerlijnen naar het kamp Treblinka. De spoorwegarbeider Lucjan Zukowa, die door de Duitsers was gemobiliseerd om reparatiewerkzaamheden te verrichten aan het spoor van het dorp Treblinka naar kamp nr. II, vertelt dat er in de periode dat hij aan die lijn werkte, van 15 juni 1942 tot augustus 1943, elke dag één tot drie treinen naar het kamp reden. Eén trein had ongeveer zestig wagons, en in elke wagon zaten tenminste 150 mensen. We hebben tientallen vergelijkbare getuigenissen opgetekend. Zelfs als we de door getuigen van de transporten verschafte cijfers halveren, komen we nog steeds uit op ongeveer drie miljoen mensen(9) die in die dertien maanden naar Treblinka zijn gebracht. Maar over dat cijfer later meer.
Het omheinde kampterrein zelf was heel klein: met het perron, de depots voor de bezittingen van de terdoodgebrachten en alle andere bijbehorende gebouwen, besloeg het niet meer dan 780 bij 600 meter. Als je ook maar even zou twijfelen aan het lot van de miljoenen hierheen gebrachte mensen en zou veronderstellen dat de Duitsers hen niet onmiddellijk na hun aankomst vermoordden, dan moet je je afvragen waar ze bleven, al die mensen, genoeg om de bevolking van een kleine staat of een grote Europese hoofdstad te vormen. Het kampterrein is zo klein dat er, als de nieuwaangekomenen ook maar een paar dagen in leven waren gebleven, na anderhalve week al geen ruimte meer geweest zou zijn achter het prikkeldraad voor de stroom mensen uit Polen, uit Wit-Rusland en uit heel Europa. Gedurende dertien maanden, 396 dagen, reden de treinen leeg of beladen met kiezelzand weg; niet één van de mensen die naar Treblinka II waren gebracht, reisde terug. Het is tijd om de verschrikkelijke vraag te stellen: ‘Waar zijn ze, Kaïn, de mensen die je hierheen gebracht hebt?’
Het fascisme is er niet in geslaagd zijn grootste misdaad geheim te houden. En dat was niet omdat er duizenden ongewilde getuigen waren. In de zomer van 1942, toen de fascistische troepen hun belangrijkste successen behaalden en Hitler zeker was van zijn straffeloosheid, nam hij de beslissing om miljoenen onschuldige mensen uit te moorden.(10) Achteraf kan worden aangetoond dat de Duitsers de meeste slachtoffers hebben gemaakt in 1942. Overtuigd van hun straffeloosheid, lieten de fascisten zien waartoe ze in staat waren. En als Adolf Hitler de overwinning had behaald, zou hij alle sporen van zijn misdaden hebben uitgewist; hij zou alle getuigen het zwijgen hebben opgelegd, al waren het er geen duizenden maar tienduizenden geweest. Geen van hen zou een woord hebben gezegd. En onwillekeurig zou je nog eens willen buigen voor de mannen die in de herfst van 1942, toen de hele nu zo luidruchtig zegevierende wereld zich stilhield, strijd voerden op de steile Wolga-oever in Stalingrad, tegen het Duitse leger, waarachter dampende, kolkende rivieren van onschuldig bloed schuilgingen. Het was het Rode Leger dat Himmler heeft belet Treblinka geheim te houden.
Nu hebben de getuigen gesproken, de stenen en de aarde hebben geroepen. En nu kunnen we voor het collectieve geweten van de wereld, voor de ogen van de mensheid, stap voor stap de kringen van de hel van Treblinka doorlopen, in vergelijking waarmee de hel van Dante een leeg en onschuldig spel van de satan lijkt. Alles wat hieronder wordt beschreven is gebaseerd op de verhalen van levende getuigen, op de verklaringen van mensen die in Treblinka hebben gewerkt vanaf de eerste dag van het bestaan van het kamp tot 2 augustus 1943, toen de terdoodveroordeelden in opstand kwamen, het kamp in brand staken en het bos in vluchtten, en op de getuigenissen van gearresteerde Wachmänner, die de verhalen van de overlevenden woord voor woord bevestigden en in veel opzichten aanvulden. Ik heb deze mensen persoonlijk ontmoet en lang en uitgebreid met hen gesproken; hun schriftelijke verslagen liggen voor me op mijn bureau. En al die uit uiteenlopende bronnen afkomstige getuigenissen komen tot in detail overeen, of ze nu de gewoonten van Barja, de hond van de commandant, beschrijven of de technische bijzonderheden van de moord aan de lopende band.
Laten we de hellekringen van Treblinka doorlopen. Wie waren de mensen die hier in transporttreinen heen gevoerd werden? Voor het merendeel Joden, en verder Polen en zigeuners. Tegen de herfst van 1942 was bijna de volledige Joodse bevolking van Polen, Duitsland en het westelijke deel van Wit-Rusland bijeengedreven in getto’s. In de getto’s van Warschau, Radom, Czçstochowa, Lublin, Bialystok, Grodno, en tientallen andere, kleinere steden, waren miljoenen Joodse mensen samengebracht: arbeiders, ambachtslieden, artsen, professoren, architecten, ingenieurs, onderwijzers,kunstenaars en intellectuelen met hun gezinnen, vrouwen, dochters, zonen, moeders en vaders. Alleen al in het getto van Warschau bevonden zich ongeveer vijfhonderdduizend mensen.
Opsluiting in het getto was kennelijk de eerste, voorbereidende fase van Hitlers plan voor het uitroeien van de Joden.(11) De zomer van 1942, een periode van militair succes voor de fascisten, werd beschouwd als een geschikt moment om over te gaan tot de tweede fase van het plan: fysieke vernietiging. Het is bekend dat Himmler rond die tijd naar Warschau reisde en orders van dien aard gaf. Dag en nacht werd gebouwd aan het schavot van Treblinka. In juli reden de eerste transporttreinen uit Warschau en Czestochowa al naar Treblinka. De mensen kregen te horen dat ze naar de Oekraïne werden gebracht, om in de landbouw te werken. Ze mochten twintig kilo bagage en etenswaren meebrengen. In veel gevallen dwongen de Duitsers hun slachtoffers om treinkaartjes te kopen naar het station ‘Ober-Majdan’, een Duitse codenaam voor Treblinka. De geruchten over een oord van verschrikking hadden zich namelijk snel door heel Polen verspreid, en de ss’ers vermeden nu de naam Treblinka als ze mensen op transport stelden. De manier waarop ze daarbij behandeld werden liet echter geen twijfel bestaan over het lot dat de passagiers wachtte. Mensen werden met ten minste honderdvijftig, maar eerder honderdtachtig tot tweehonderd tegelijk in een goederenwagon gestouwd. Tijdens de reis, die soms twee, drie dagen duurde, kregen ze geen water. Hun dorst was zo vreselijk dat ze hun eigen urine dronken. De bewakers vroegen honderd zloty voor een slok water, en meestal namen ze het geld in ontvangst zonder water te brengen. De mensen reisden dicht opeengepakt, soms zelfs staande, en in elke wagon stierven er tegen het einde van de reis oude mensen en hartpatiënten, (12) vooral op zwoele zomerdagen. Omdat de deuren niet één keer opengingen voor het einddoel was bereikt, begonnen de lijken te ontbinden en vergiftigden de lucht in de wagons. En iemand hoefde maar een lucifer aan te steken ’s nachts, of de bewakers openden het vuur op de zijkanten van de wagon. De kapper Abram Kon vertelt dat er in zijn wagon veel gewonden en vijf doden (13) vielen als gevolg van zo’n beschieting door de bewakers.
De omstandigheden op de treinen afkomstig uit West-Europese landen waren heel anders. Daar hadden de mensen nooit van Treblinka gehoord; tot het laatste moment geloofden ze dat ze ergens tewerkgesteld werden. De Duitsers hadden de landverhuizers bovendien een heerlijk, comfortabel nieuw leven voorgespiegeld. Op sommige treinen waren de passagiers ervan overtuigd dat ze naar een neutraal land gebracht werden: ze hadden de Duitse autoriteiten grote sommen geld betaald voor uitreisvisa en buitenlandse paspoorten. (14) Eén keer kwam er een trein aan met Engelse, Canadese, Amerikaanse en Australische burgers, (15) die bij het uitbreken van de oorlog waren gestrand in West-Europa en Polen. Na langdurige onderhandelingen, waarbij veel smeergeld was betaald, hadden ze een uitreisvergunning naar neutrale landen gekregen. Op de treinen uit West-Europa reisden geen bewakers mee, alleen het gewone treinpersoneel, en er waren slaap- en restauratiecoupés. De passagiers hadden zware koffers en hutkoffers bij zich, en grote voorraden etenswaren. Hun kinderen renden naar buiten op de tussenstations en vroegen of ze al bijna in Ober-Majdan waren. Af en toe arriveerden er treinen met zigeuners uit Bessarabië en andere streken, en een paar keer kwamen er transporten aan van jonge Poolse arbeiders en boeren die hadden deelgenomen aan opstanden of zich bij de partizanentroepen hadden aangesloten. Het is moeilijk te zeggen wat erger is: om de dood tegemoet te gaan onder verschrikkelijke kwellingen, wetende dat hij nadert, of om in volledige onwetendheid van je lot uit het raam van een comfortabele coupé te kijken op het moment dat een spoorwegbeamte in Treblinka naar het kamp belt met de gegevens van de laatst aangekomen trein en het aantal passagiers.(16) Om de passagiers uit West-Europa tot op het laatst te misleiden, had het eindpunt van het kopspoor dat uitkwam in het vernietigingskamp het aanzien van een gewoon station gekregen.
Op het perron, waar steeds twintig wagons tegelijk werden uitgeladen, stond een stationsgebouw met loketten, er was een bagagekluis, een stationsrestauratie en je zag overal bordjes met pijlen: ‘richting Bialystok’, ‘richting Baranowicze’, ‘richting Wojkowice’ enzovoorts.” In het stationsgebouw speelde een orkestje ter begroeting van aankomende treinen; alle muzikanten waren goed gekleed. Een stationswachter in een uniform van de spoorwegen nam de kaartjes van de passagiers aan en leidde hen verder naar een groot plein.
Drie-, vierduizend mensen, zwaar bepakt en bezakt, bejaarden en zieken ondersteunend, verzamelden zich op dat plein. Moeders hielden hun kinderen in hun armen, oudere kinderen stonden tegen hun ouders aan gedrukt en keken onderzoekend rond. Er was iets verontrustends en huiveringwekkends aan dat plein, dat door miljoenen menselijke voeten was betreden. De gespannen blik van de reizigers bleef algauw hangen aan alarmerende kleinigheden. Op de grond, die haastig leek aangeveegd vlak voor hun komst, lagen her en der verloren voorwerpen: een bundeltje kleren, open koffers, scheerkwasten, emaillen pannen. Hoe kwamen die daar? En waarom liep het spoor na dit perron niet verder? Waarom groeide daar geel gras en was er drie meter hoog prikkeldraad gespannen? Waar waren de spoorlijnen naar Bialystok, Siedlce, Warschau en Wojkowice?(18) En waarom grijnsden de nieuwe bewakers zo vreemd, terwijl ze de mannen opnamen die hun stropdassen rechttrokken, de verzorgde oude vrouwen, de jongetjes in hun matrozenbloezen, de magere meisjes die hun best gedaan hadden hun kleren netjes te houden onderweg, de jonge moeders die liefdevol de dekentjes om hun baby’s heen schikten? Al die ss-onderofficieren en Wachmänner in hun zwarte uniformen
leken op veedrijvers bij de ingang van het slachthuis.(19) Voor hen bestond het net binnengekomen transport niet uit levende mensen, en ze glimlachten onwillekeurig bij het zien van hun uitingen van beschaamdheid, liefde, angst en bezorgdheid om hun dierbaren en hun spullen. Ze vonden ze vermakelijk, de moeders die de jasjes van hun kinderen rechttrokken en ze een standje gaven als ze een paar meter wegrenden, de mannen die hun voorhoofd afveegden met een zakdoek en een sigaret opstaken, de meisjes die hun haar schikten en verschrikt hun rokken vasthielden bij elke windvlaag. Ze lachten om de oude mannen, sommigen met een boek onder hun arm, die op hun koffertjes probeerden te gaan zitten, en de zieken die sjaals om hun nek wikkelden.
Elke dag passeerden er ongeveer twintigduizend mensen door Treblinka. Dagen waarop er zes-, zevenduizend mensen uit het station kwamen werden beschouwd als rustig.(20) Vier of vijf keer per dag vulde het plein zich met mensen. En al die duizenden, tienduizenden, honderdduizenden mensen met hun verschrikte, vragende ogen, al die jonge en oude gezichten, al die schoonheden met hun zwarte krullen en gouden haren, al die kromme en gebochelde kale oude mannen en verlegen tieners vloeiden samen tot één stroom, die de rede, de schitterende menselijke wetenschap, de meisjesliefde, de kinderlijke verbazing, de oudemannenhoest en het menselijk hart opslokte.
En weer huiverden de nieuwaangekomenen onder de vreemde blik van de bewakers, kalm, voldaan en spottend, de blik van superioriteit waarmee levende beesten een dood mens opnemen. Opnieuw vielen hun in die paar minuten op het plein onbegrijpelijke, verontrustende kleinigheden op. Wat lag er achter die enorme, zes meter hoge muur bedekt met dekens en vergelende dennentakken? Ook de dekens zelf maakten hen onrustig: die deden denken aan de gewatteerde bonte zijden dekens, soms met sitsen hoezen, die de treinpassagiers bij zich hadden. Hoe kwamen die hier? Van wie waren ze? En waar waren ze, de eigenaars van die dekens? Waarom hadden ze hun dekens niet meer nodig? En wie waren die mannen met hun blauwe armbanden? Ze herinnerden zich al hun twijfels van de laatste tijd, hun angstige vermoedens, de fluisterend verspreide geruchten. Nee, nee, dat kon niet. En de verschrikkelijke gedachte werd uitgebannen. Die onrust op het plein duurde even, twee, drie minuten misschien, tot alle passagiers het perron af waren gelopen. Dat ging altijd gepaard met oponthoud: elk transport telde invaliden, kreupele, oude en zieke mensen die slechts konden schuifelen. Maar dan stond iedereen op het plein.
Een ss-Unterscharführer (de laagste onderofficier binnen de ss) verzoekt de nieuwkomers luid en duidelijk om hun spullen op het plein achter te laten en zich naar het badhuis te begeven, met medeneming van uitsluitend hun identiteitspapieren, kostbaarheden en een minimum aan wasgerei. Er komen tientallen vragen bij de mensen op: moeten ze schoon ondergoed meenemen? Mogen ze hun bundels openmaken? Raken hun spullen niet door elkaar als ze op het plein blijven liggen, raken ze niet kwijt? Maar een vreemde kracht dwingt hen zwijgend en haastig verder te lopen, zonder vragen te stellen en zonder om te kijken, naar de doorgang in de zes meter hoge muur van prikkeldraad, gecamoufleerd met takken.(21) Ze komen langs egelversperringen, langs prikkeldraad drie keer zo hoog als een mens, langs een drie meter diepe antitankgreppel, langs verspreide kluwens fijn staaldraad, waarin de voeten van een vluchteling zouden blijven steken als muggenpootjes in een spinnenweb, en opnieuw langs een metershoge muur van prikkeldraad. En ze worden bevangen door een vreemd gevoel, het gevoel gedoemd en hulpeloos te zijn. Ze kunnen niet vluchten, niet omkeren, niet vechten: uit de lage, gedrongen houten torens staren hen de lopen van zware mitrailleurs aan. Om hulp roepen? Maar overal om hen heen zijn ss’ers en Wachmänner met machinepistolen, handgranaten en pistolen. Zij zijn de macht. Zij hebben de tanks en de vliegtuigen in handen, de staten, de steden, de lucht, de spoorwegen, de wet, de kranten en de radio. De hele wereld zwijgt, verpletterd, onderworpen door de bruine bandietenbende die de macht gegrepen heeft. Londen zwijgt, New York zwijgt.(22) En alleen ergens duizenden kilometers ver weg buldert de Sovjetartillerie op de verre Wolga-oever, koppig getuigend van de grootse bereidheid van het Sovjetvolk tot aan de dood te strijden voor de vrijheid, andere volken oproepend, opzwepend tot de strijd.
Op het plein voor het station knopen ondertussen tweehonderd arbeiders met hemelsblauwe armbanden (‘de blauwe ploeg’) zwijgend, vlug en behendig bundels los, openen mandjes en koffers en gespen riemen van porte-plaids.(23) De zojuist door de nieuwaangekomenen achtergelaten bezittingen worden gesorteerd en getaxeerd. Ze gooien alles overhoop: zorgvuldig ingepakt stopgerei, klossen garen, kinderonderbroekjes en -hemdjes, lakens, truitjes, mesjes, scheergerei, bundels brieven, foto’s, vingerhoeden, flesjes parfum, spiegels, mutsjes, schoenen, viltlaarzen voor de vrieskou gemaakt van gewatteerde dekens, damesmuiltjes, kousen, kant, pyjama’s, pakken boter en koffie, busjes cacao, gebedssjaals, kandelaars, boeken, beschuiten, violen, speelgoedblokken. (24) Het vraagt deskundigheid om binnen enkele minuten al die duizenden voorwerpen te sorteren en te taxeren: een kleine selectie wordt naar Duitsland gestuurd,(25) alle oude, opgelapte, versleten spullen worden verbrand. En wee de arbeider die zich vergist en een oude fiberkoffer op de stapel voor Duitsland bestemde leren reiskoffers legt, of een paar Parijse merkkousen op de stapel oude, gestopte sokken gooit.
Een arbeider mocht zich één keer vergissen, niet vaker. Er werkten veertig ss’ers en zestig Wachmänner ‘in de transportdienst’,(26)zoals in Treblinka het eerste, hierboven beschreven stadium werd genoemd: de ontvangst van het transport, de begeleiding van de passagiers van het station naar het plein en het toezicht houden op het sorteren en schatten van de spullen door de arbeiders. Die stopten tijdens het werk vaak stiekem, uit het zicht van de bewakers, stukjes brood, suiker of snoepjes in hun mond die ze in de voedselpakketten hadden gevonden, iets wat verboden was. Wel mochten ze na afloop hun handen en gezicht wassen met parfum en eau de cologne – er was een tekort aan water in Treblinka, en alleen ss’ers en Wachmänner konden zich ermee wassen. (27) En terwijl de nog levende passagiers zich klaarmaakten voor het ‘badhuis’, naderde het werk aan hun bagage zijn voltooiing: waardevolle spullen werden naar de depots gebracht, en brieven, foto’s van baby’s, broers en verloofden, vergeelde trouwberichten, al die duizenden kostbare voorwerpen die oneindig waardevol waren voor hun bezitters en waardeloze rommel voor de meesters van Treblinka, werden op stapels gegooid en naar enorme kuilen gebracht, die al gevuld waren met honderdduizenden vergelijkbare brieven, ansichtkaarten, visitekaartjes, foto’s, blaadjes met het kriebelschrift van kinderen en hun eerste, onhandige kleurpotloodtekeningen. Vervolgens werd het plein grofweg aangeveegd, waarna het klaar was voor de ontvangst van een nieuwe groep gedoemden.
Het binnenkomen van een transport verliep niet altijd zoals hierboven beschreven. Soms, als de gevangenen wisten waar ze heen gebracht werden, brak er oproer uit. De boer Skarzuriski heeft twee keer gezien hoe mensen de treindeuren intrapten, de bewakers tegen de grond sloegen en naar het bos renden. In beide gevallen werden alle betrokkenen met machinepistolen neergeschoten. De mannen droegen vier kinderen in de leeftijd van vier tot zes; die werden ook vermoord. De boerin Marianna Kobus vertelt over vergelijkbare worstelingen met de bewakers. Eén keer, toen ze aan het werk was op het land, werden er zestig mensen die een ontsnappingspoging deden voor haar ogen doodgeschoten. (28) Maar nu komt de groep nieuwaangekomenen op een ander plein, dat binnen de tweede omheining van het kamp ligt. Op dit plein staat een enorme barak; aan de rechterkant staan nog drie barakken. Twee daarvan zijn bestemd voor de opslag van kleding, de derde voor schoenen. Verderop, in het westelijke deel van het kamp, zijn de barakken van de ss’ers, de barakken van de Wachmänner, de voedseldepots en de veestallen. Er staan personenauto’s, vrachtauto’s en een pantserwagen. Het lijkt een gewoon kamp te zijn, zoals Treblinka I. In de zuidoostelijke hoek van het kampterrein is een met takken afgeschermd gedeelte; vooraan staat een wachthuisje met het opschrift ‘lazaret’. Alle gebrekkige en zwaar zieke mensen worden afgezonderd van de menigte die wacht voor het ‘badhuis’ en op brancards naar het ‘lazaret’ gedragen. Een ‘dokter’ met een witte voorschoot en een band van het Rode Kruis om zijn linkerarm komt de zieken uit het wachthuisje tegemoet. Wat er in het ‘lazaret’ gebeurde – hoe de Duitsers hun automatische Walther-pistolen gebruikten om oude mensen de last van alle mogelijke ziektes te besparen – komt later ter sprake.
De tweede fase van de verwerking van het nieuwe transport kwam erop neer dat de mensen murw gemaakt werden met een reeks korte, snel opeenvolgende bevelen. Die bevelen werden uitgesproken op de welbekende blaffende toon waar het Duitse leger zo trots op is, als een van de tekenen dat de Duitsers tot een herrenvolk behoren. De letter ‘r’, tegelijkertijd hard en brouwend, klinkt als een zweepslag. ‘Achtung!’ schalt het over de menigte, en in de loden stilte spreekt de Scharführer (29) de ingestudeerde, maandenlang verschillende keren per dag herhaalde woorden: ‘Mannen blijven staan, vrouwen en kinderen kleden zich uit in de barakken aan de linkerkant.’ Dat was, volgens ooggetuigen, meestal het begin van verschrikkelijke scènes. Het grootse gevoel van moederlijke, echtelijke, kinderlijke liefde fluisterde mensen in dat ze elkaar voor de laatste keer zagen. Handdrukken, kussen, zegeningen, korte, haastige woorden waarin mensen al hun liefde, al hun pijn, al hun tederheid, al hun wanhoop legden … De ss-psychiaters van de dood wisten dat die gevoelens ogenblikkelijk moesten worden ingetoomd en afgekapt. De psychiaters van de dood kenden de eenvoudige, wetten die van kracht zijn in alle slachthuizen ter wereld, de wetten die in Treblinka door beesten tegen mensen werden aangewend. Dit was een van de meest kritieke momenten: wanneer dochters van hun vaders werden gescheiden, moeders van zonen, grootmoeders van kleinzonen, mannen van vrouwen.
En weer schalde over het plein: ‘Achtung! Achtung!’ Precies op dit moment moest het verstand van de mensen opnieuw worden beneveld met hoop, moesten de regels van de dood worden uitgegeven voor de regels van het leven. Dezelfde stem blafte afgemeten: ‘Vrouwen en kinderen doen hun schoenen uit bij de ingang van de barak. Kousen in de schoenen stoppen. Kindersokjes in de sandalen, laarsjes en schoentjes van de kinderen stoppen. Wees netjes.’ En meteen daarna: ‘Als u zich naar het badhuis begeeft, neemt u uw kostbaarheden, papieren, geld, zeep en een handdoek mee … Ik herhaal…’
In de vrouwenbarak was een kapper. De naakte vrouwen werden geschoren met een tondeuse; oude vrouwen moesten hun pruiken afgeven. Het was psychologisch een vreemd moment: die knipbeurt van de dood was voor de vrouwen het overtuigendste bewijs dat ze naar het badhuis gingen, verklaren de kappers. Meisjes voelden soms aan hun hoofd en zeiden: ‘Dit stukje nog even, alstublieft, hier is het onregelmatig!’ Meestal werden de vrouwen rustig van het scheren; bijna allemaal kwamen ze de barak uit met een stukje zeep en een opgevouwen handdoek. Sommige jonge vrouwen huilden omdat ze hun mooie vlechten kwijt waren.
Waarom werden de vrouwen geschoren? Om hen te misleiden? Nee, die haren kwamen Duitsland van pas als grondstof. Ik heb aan veel mensen gevraagd wat de Duitsers deden met die berg haar afkomstig van de hoofden van de levende doden. Alle getuigen zeiden dat de enorme hopen zwart, goudblond en vlasblond haar, al die krullen en vlechten, werden gedesinfecteerd, in zakken geperst en naar Duitsland gestuurd. Alle getuigen bevestigden dat de balen haar naar Duitse adressen gingen. Wat deden de Duitsers ermee? Die vraag kon niemand beantwoorden. Alleen een zekere Kohn beweert in zijn schriftelijke verklaring dat de haren werden gebruikt door de marine voor technische doeleinden, om matrassen te vullen en touwen te vlechten voor duikboten. Volgens andere getuigen werd het haar gebruikt als vulling voor de zadels van de cavalerie.(30) Die verklaring behoeft aanvulling, dunkt me, en die zullen we krijgen van Grossadmiral Raeder, die in 1942 het opperbevel over de Duitse oorlogsvloot had.
De mannen kleedden zich op de binnenplaats uit. Uit het eerste transport van de ochtend werden honderdvijftig tot driehonderd sterke mannen uitgekozen, die werden ingezet om lijken te begraven en meestal de volgende dag werden vermoord. De mannen moesten zich heel snel maar ordelijk uitkleden, en hun schoenen, sokken, ondergoed, jasjes en broeken netjes bijeenleggen. Hun kleding werd gesorteerd door een tweede werkploeg, ‘de roden’ genoemd, die zich met hun rode armbanden onderscheidden van de arbeiders van de transportdienst. De spullen die het waard bevonden werden naar Duitsland gestuurd te worden, gingen direct naar het depot, nadat alle metalen en stoffen merkjes er zorgvuldig uit waren verwijderd. De overige spullen werden verbrand of begraven in kuilen.
Het gevoel van onrust groeide aanhoudend. Hun neus werd geprikkeld door een verschrikkelijke lucht, die steeds vermengd raakte met de lucht van chloorkalk. Er waren onverklaarbaar veel hinderlijke, vette vliegen. Hoe kwamen die hier, te midden van de dennenbomen, op veel betreden grond? De mannen ademden hoorbaar en gespannen; huiverend staarden ze naar elke kleinigheid die iets zou kunnen suggereren of verklaren, die de sluier zou kunnen oplichten van het lot dat hun wachtte. Waarom hoorden ze daar in het zuiden gigantische graafmachines dreunen?
Dan begon een nieuwe procedure. De naakte mannen werden naar een loket gebracht, waar ze hun papieren en kostbaarheden moesten afgeven. En opnieuw schreeuwde de verschrikkelijke, hypnotiserende stem: ‘Achtung! Achtung! Op het verbergen van kostbaarheden staat de dood! Achtung!’(31) In een klein, van planken getimmerd hokje zat de Scharführer, de andere ss’ers en Wachmänner stonden om hem heen. Naast het hokje stonden houten kisten, waarin ze de kostbaarheden gooiden: een voor papiergeld, een voor munten, een voor polshorloges, ringen, oorhangers, broches met edelstenen en armbanden. De papieren werden op de grond gesmeten – papieren van levende doden, die over een uur aangestampt in een kuil zouden liggen, daar had niemand ter wereld meer iets aan. Maar het goud en de kostbaarheden werden zorgvuldig gesorteerd, tientallen juweliers bepaalden de zuiverheid van het metaal, de waarde van de stenen, de helderheid van de diamanten.
Het was verbazingwekkend hoe die beesten alles konden gebruiken: leer, papier, textiel- alles wat de mens diende, strekte hun tot nut. Alleen het kostbaarste kleinood ter wereld, het menselijk leven, vertrapten ze.(32) Een reusachtige, zwijgende stroom van grote, krachtige geesten, rechtschapen zielen, prachtige kinderogen, lieve oudevrouwengezichten en schitterende trotse meisjeshoofden, waar de natuur eeuwenlang op gezwoegd had, stortte in de afgrond van het niets. Enkele seconden volstonden om te vernietigen wat de wereld en de natuur in de grootse, moeizame schepping van het leven hadden voortgebracht.
Hier, bij ‘het loket’, vond een omslag plaats: hier eindigde de kwelling van de leugen, die de mensen in een trance van onwetendheid had gehouden, een minutenlang koortsachtig heen en weer slingeren tussen hoop en wanhoop, tussen visioenen van het leven en visioenen van de dood. Die kwellende misleiding hielp de ss’ers bij hun werk, het wàs een essentieel onderdeel van het geautomatiseerde moordproces. Maar nu was het laatste bedrijf begonnen van de beroving van de levende doden, en veranderde de omgang van de Duitsers met hun slachtoffers drastisch. Ze braken de vingers van de vrouwen bij het afrukken van hun ringen, ze scheurden hun oorlellen bij het uitrukken van hun oorhangers. Om de laatste fase van het geautomatiseerde moordproces vlot te laten verlopen was een nieuw principe nodig. Daarom werd het woord ‘Achtung/’ vervangen door het knallende, sissende’ Schneller! Schneller! Schneller!’ Vlugger, vlugger, vlugger, op een drafje naar het niets! (33)
Uit de wrede praktijk van de laatste jaren is bekend dat een naakte man onmiddellijk de kracht verliest zich te verzetten en ophoudt met vechten tegen het lot. Met zijn kleding verliest hij ook zijn overlevingsdrang; hij aanvaardt zijn lotgevallen als het noodlot. Wie over een onverzadigbare levenslust beschikte, wordt passief en onverschillig. Maar om zich in te dekken pasten de ss’ers in de laatste fase van het geautomatiseerde moordproces nog een verschrikkelijke methode toe om de mensen murw te maken, ze in een psychische shocktoestand te brengen. Hoe deden ze dat?
Door plotseling, onaangekondigd over te gaan tot zinloos, alogisch geweld. De naakte mensen, wie alles was afgenomen, maar die koppig doorgingen menselijk te zijn, duizendmaal menselijker dan de wezens in hun Duitse legeruniformen, ademden nog steeds; ze keken, ze dachten na, hun harten klopten nog. De stukken zeep en de handdoeken werden hun uit handen geslagen. Ze werden opgesteld in rijen van vijf. ‘Hände hoch! Marsch! Schneller! Schneller!’ (34)
Ze kwamen op een rechte laan van zo’n honderdtwintig meter lang en twee meter breed, omzoomd met bloemen en sparren, die naar de plaats van executie leidde. Aan beide kanten van de laan liep prikkeldraad en stonden schouder aan schouder Wachmänner en ss’ers opgesteld in zwarte en grijze uniformen. De weg was bestrooid met wit zand, en degenen die met hun handen boven hun hoofd vooropliepen, zagen verse afdrukken van blote voeten in het rulle zand: ldeine van vrouwen, piepkleine van kindervoetjes, en de zware voetstappen van oude mensen. Dat vage spoor in het zand was alles wat resteerde van de duizenden mensen die kortgeleden over die weg hadden gelopen, net zoals de vierduizend nieuwe mensen er nu liepen en zoals er twee uur na hen nog duizenden mensen zouden lopen, die op het zijspoor in het bos hun beurt afwachtten. Ze liepen er net zoals de mensen er gisteren en tien dagen geleden hadden gelopen, zoals ze er morgen en over vijftig dagen zouden lopen, zoals alle mensen daar liepen in de dertien maanden dar de hel van Treblinka (35) bestond. De Duitsers noemden die laan ‘de weg zonder terugkeer’.(36)
Een aanstellerige, slechts uiterlijk op een mens gelijkende figuur, Suchomel (37) genaamd, trok grimassen en schreeuwde, opzettelijk de Duitse woorden verbasterend: ‘Schneller, kinders, schneller, het badwater koelt af! Schneller, kinders, schneller!’ Daarbij schaterde hij het uit, zakte door zijn knieën en huppelde rond. Met hun handen boven hun hoofd liepen de mensen zwijgend tussen de rijen bewakers door, die hen sloegen met geweerkolven en rubber wapenstokken. De kinderen moesten rennen om de volwassenen bij te kunnen houden. Alle getuigen van die laatste treurige tocht maken melding van de beestachtige wreedheid van
een van de bewakers, de ss’ er Sepp. Hij beschikte over een enorme kracht en had zich gespecialiseerd in het vermoorden van kinderen. Plotseling rukte hij een kind uit de menigte, zwaaide het boven zijn hoofd als een knots en beukte het hoofd tegen de grond, of scheurde het kind doormidden.
Aanvankelijk leken de verhalen over die onmenselijke, blijkbaar uit een vrouw geboren figuur me onwaarschijnlijk en ondenkbaar. Maar toen ik ze uit de mond van directe ooggetuigen hoorde en merkte dat het voor hen details waren, niet uitzonderlijk en niet in tegenspraak met de algemene organisatie van de hel van Treblinka, begon ik te geloven in het bestaan van die figuur. (38) Sepps daden waren noodzakelijk. Ze hielpen de gedoemden in een psychische shocktoestand te brengen, ze waren een uitdrukking van de alogische wreedheid die de mensen murw maakte en verdoofde. Hij was een nuttig en onmisbaar radertje in de immense machine van de fascistische staat.
Wat ons met ontzetting moet vervullen is niet dat de natuur zulke dégénérés voortbrengt – er komen tenslotte allerlei monsters voor in de natuurlijke wereld: cyclopen, wezens met twee hoofden en even verschrikkelijke geestelijk mismaakten en perverselingen. Het ontstellende is dat die onmensen, die zouden moeten worden geïsoleerd en bestudeerd als psychiatrische fenomenen, in een bepaalde staat konden bestaan als actieve, werkende burgers. Hun waanzinnige ideologie, hun pathologische psyche en hun fenomenale misdaden waren een onmisbaar onderdeel van de fascistische staat. Duizenden, tienduizenden, honderdduizenden van zulke onmensen vormden de steunpilaren van het Duitse fascisme, het fundament en de basis van Hitlers Duitsland. Bewapend, in uniform en van rijkswege onderscheiden voerden die onmensen jarenlang het bewind over de volken van Europa. Niet zij moeten ons met ontzetting vervullen, maar de staat die hen uit hun holen en duistere kelders riep en hen noodzakelijk, nuttig en onvervangbaar maakte in Treblinka bij Warschau, in Majdanek bij Lublin, in Beliec, Sobibor en Auschwitz, in Babi Jar, in Domanevka en Bogdanovka bij Odessa, in Trostjanets bij Minsk, in het Litouwse Ponary en in tientallen, honderden gevangenissen, werkkampen, strafkampen en vernietigingskampen.
Een bepaald type staat komt niet uit de lucht vallen: het zijn de materiële en ideologische verhoudingen binnen een volk die een staatsvorm doen ontstaan. Daarover zouden we echt moeten nadenken; dat is wat ons met ontzetting moet vervullen. De tocht van het ‘loket’ naar de plaats van executie duurde een paar minuten. Voortgedreven met klappen en verdoofd door geschreeuw bereikten de mensen een derde plein, waar ze een ogenblik verbijsterd stilstonden. Voor hen stond een mooi stenen gebouw met houten ornamenten, gebouwd als een oude tempel. Vijf brede betonnen traptreden leidden naar lage, maar heel brede, massieve en mooi bewerkte deuren. Bij de ingang stonden bloemen in grote potten.(39) Rondom heerste chaos: er lagen overal hopen vers omgespitte aarde, en een enorme graafmachine woelde knarsend met zijn stalen scharen tonnen gele zandgrond om, een stofwolk opwerpend die tussen de aarde en de zon bleef hangen. Het geronk van de kolossale machine, die van vroeg tot laat immense greppelvormige graven groef, vermengde zich met het verwoede geblaf van tientallen Duitse herders. Aan beide kanten van het huis des doods liepen smalsporen, waarover mannen in ruimzittende overalls kleine kiepkarren aanrolden. De brede deuren van het huis des doods gingen langzaam open, en bij de ingang verschenen twee assistenten van Schmidt, het hoofd van her complex.(40) Beiden waren sadisten en waanzinnigen.
De een was lang, een jaar of dertig, met massieve schouders, zwart haar en een donker, lachend, opgetogen gezicht. De ander, iets jonger, was !dein van stuk, met bruin haar en vaalgele wangen, alsof hij een sterke dosis mepracin (41) had ingenomen. Die verraders van de mensheid, hun vaderland en hun eed zijn bij naam en toenaam bekend. De lange man hield een zweepje vast, en een zware gasbuis van een meter lang. De ander was uitgerust met een sabel.(42) Dan lieten de ss’ers hun getrainde honden los, die zich op de menigte stortten en met hun tanden aan de naakte lichamen van de gedoemden rukten. De ss’ers sloegen er schreeuwend op los met hun geweerkolven en dreven de van angst versteende vrouwen voort. Binnen in het gebouw werkten de mannen van Schmidt, die de mensen de openstaande deuren van de gaskamers in joegen.
Rond dat moment verscheen Kurt Franz, een van de commandanten van Treblinka, zijn hond Barry meevoerend aan de lijn. De hond was er door zijn baas speciaal op getraind om zich op de gedoemden te werpen en hun geslachtsdelen af te rukken. Kurt Franz had goed carrière gemaakt in het kamp: hij was begonnen als ss-Unterscharführer en opgeklommen tot de tamelijk hoge rang van Untersturmführer. Deze vijfendertigjarige lange, slanke ss’er was niet alleen een getalenteerde organisator die genoot van zijn werk en zich geen leven kon voorstellen buiten Treblinka, waar niets aan zijn scherpe toezicht ontsnapte; hij was tot op zekere hoogte ook een theoreticus (43) en weidde graag uit over de zin en de betekenis van zijn werk. De humane voorvechters van het nazisme, de paus zelf, en Mr. Brailsford (44) hadden allemaal zo’n plek bij de ingang van de gaskamers moeten krijgen in die verschrikkelijke minuten- als toeschouwers vanzelfsprekend. Dat had hen in staat gesteld hun menslievende preken, boeken en artikelen te verrijken met nieuwe argumenten. Ja, dan had de heilige vader, die zo’n eerbiedig zwijgen bewaarde terwijl Himmler afrekende met de mensheid, kunnen inschatten hoeveel draaibeurten de Duitsers in Treblinka nodig zouden hebben voor de staf van zijn Vaticaan.(45)
Groot is de kracht van de menselijkheid! Menselijkheid sterft niet, zolang de mens niet sterft. En als er een kort maar verschrikkelijk tijdperk aanbreekt waarin beesten triomferen over de mens, behoudt de door beesten vermoorde mens tot zijn laatste adem zijn zielskracht, zijn helderheid van geest en zijn gloedvolle liefde. Terwijl het triomferende beest, ook na het vermoorden van een mens, een beest blijft. In die onsterfelijkheid van de menselijke zielskracht schuilt een somber martelaarschap, de triomf van een stervend mens over een levend beest. Daar gloorde, in de donkerste dagen van 1942, de overwinning van de rede over de beestachtige waanzin, van het goed over het kwaad, van het licht over de duisternis, van de krachten van de vooruitgang over de reactionaire krachten. Een verschrikkelijk ochtendgloren boven een veld van bloed en tranen, boven een afgrond van lijden, een opkomende zon te midden van her gejammer van stervende moeders en zuigelingen en het doodsgerochel van oude mensen.
De beesten en hun leer voorspelden de ondergang van Europa, van de wereld, maar het was geen bloedrode zonsondergang, het was het bloed van de stervende mensheid, die overwon in de dood. De mensen bleven mensen, ze zwichtten niet voor de moraal en de wetten van het fascisme, maar bestreden het met alle middelen, ze bestreden het door te sterven als mensen. De verhalen over de levende doden van Treblinka, die tot op het allerlaatst niet alleen hun menselijk aanzien behielden, maar ook hun menselijke ziel, zijn diep aangrijpend en blijven de toehoorder achtervolgen. We hebben verhalen gehoord over vrouwen die, in een poging hun zonen te beschermen, grootse, wanhopige heldendaden verrichtten, over jonge moeders die hun baby’s wegstopten tussen hopen dekens en hen met hun eigen lichaam probeerden te beschermen. Niemand kent de namen van die moeders en niemand zal ze meer leren kennen. We hebben gehoord over tienjarige meisjes die met goddelijke wijsheid hun snikkende ouders troostten, over een jongetje dat bij de ingang van de gaskamer schreeuwde: ‘Niet huilen, mama, de Russen zullen ons wreken!’ Niemand weet en niemand zal meer te weten komen hoe die kinderen heetten. We hebben gehoord over tientallen gedoemde mensen die de strijd aangingen, alleen tegen een enorme bende met machinepistolen en handgranaten bewapende ss’ers, en die met rechte rug stierven, hun borst doorboord met tientallen kogels. We hebben gehoord over een jonge man die een ss-officier een messteek toebracht,(46) over eeu jongen die aan de opstand in het getto van Warschau had meegedaan en er door een wonder in was geslaagd een handgranaat verborgen te houden voor de Duitsers- die hij, toen hij al naakt was, te midden van de beulen wierp. We hebben gehoord over een gevecht dat de hele nacht duurde tussen een groep opstandige gevangenen en ss-eenheden en Wachrnänner. Tot de ochtend klonken er schoten en granaatexplosies, en toen de zon opkwam was het hele plein bedekt met de dode lichamen van de strijders, elk met hun wapen naast zich: een mes, een scheermesje, een uit de omheining losgebroken knots. Hoe lang de aarde ook voortbestaat, niemand zal de namen van de gevallenen meer kunnen achterhalen. We hebben gehoord over een lang meisje dat op ‘de weg zonder terugkeer’ een karabijn uit de handen van een Wachmann rukte en vocht tegen tientallen schietende ss’ers. Twee beesten kwamen om bij dat gevecht, van een derde werd de hand verbrijzeld. Hij keerde terug naar Treblinka met één hand. De martelingen en de terdoodbrenging die het meisje moest ondergaan waren verschrikkelijk. Haar naam is onbekend, niemand kan hem eren.(47)
Maar is dat echt zo? Het nazisme heeft die mensen hun huis en hun leven afgenomen, het wilde hun namen wissen uit het geheugen van de wereld. Maar al die mensen – de moeders die hun kinderen probeerden te beschermen met hun eigen lichaam, de kinderen die de tranen uit de ogen van hun vaders wegwisten, degenen die granaten wierpen en vochten met messen, de slachtoffers van nachtelijke moordpartijen en het naakte meisje dat, als een godin uit een Griekse mythe, alleen tegen tientallen mannen streed – al die mensen die zijn heengegaan, hebben voor eeuwig de mooist denkbare naam behouden, een die de bendes van Hitler en Himmler niet konden vertrappen: de naam van MENS. De geschiedenis zal een grafschrift voor hen schrijven: ‘Hier rust een mens.’
De inwoners van Wólka, het dorp dat het dichtst bij Treblinka lag, vertelden dat het geschreeuw van de vrouwen die werden vermoord soms zo verschrikkelijk was dat het hen tot waanzin dreef, zodat ze allemaal het uitgestrekte bos in renden, vluchtend voor de schelle kreten die de balken, de hemel en de aarde doorboorden. Dan viel het geschreeuw plotseling stil, om even plotseling weer aan te zwellen, net zo verschrikkelijk en doordringend, door hun botten, schedel en ziel snijdend … En dat herhaalde zich drie, vier keer per dag. Ik heb een van de gevangengenomen beulen, Sch., ondervraagd over die kreten. Hij legde uit dat de vrouwen schreeuwden op het moment dat de honden op hen werden losgelaten, als de hele groep gedoemden het huis des doods in werd gedreven. ‘Ze zagen de dood. Bovendien was het heel benauwd daar binnen, ze werden hard geslagen door de Wachmänner en de honden vlogen hen aan.’ Er viel een plotselinge stilte als de deuren van de gaskamer dichtgingen. En het geschreeuw begon opnieuw als er een nieuwe groep aankwam. Dat herhaalde zich twee, drie, vier, soms vijf keer per dag. Want het schavot van Treblinka was geen gewoon schavot. Het was een geautomatiseerd moordproces, georganiseerd als een stroom, volgens een methode ontleend aan de moderne industriële massaproductie.
En net als een echt industrieel complex zag Treblinka er aanvankelijk anders uit dan hier beschreven. Het was geleidelijk gegroeid, men had het ontwikkeld en steeds verder uitgebreid met ,nieuwe werkplaatsen. In het begin waren er alleen drie gaskamers van geringe afmetingen. De eerste transporttreinen kwamen aan toen de gaskamers nog in aanbouw waren. Zolang ze nog niet klaar waren, werden de mensen vermoord met ‘koude wapens’: bijlen, hamers en knuppels. Schoten zouden de omwonenden attenderen op wat er feitelijk gebeurde in Treblinka, vreesden de ss’ers. De eerste drie betonnen gaskarners waren relatief klein, vijf bij vijf, een oppervlakte van vijfentwintig vierkante meter elk dus, bij een hoogte van één meter negentig. Elke kamer had twee deuren: een waardoor de levende mensen werden binnengelaten, en een waardoor de vergaste lijken naar buiten werden gesleept.
De tweede deur was heel breed, ongeveer tweeënhalve meter. De drie gaskamers stonden op één fundering. De verwerkingscapaciteit van die drie kamers voldeed niet aan de Berlijnse eisen. De bouw van het hierboven beschreven gebouw werd meteen in gang gezet. De leiders van Treblinka waren er trots op dat het nieuwe complex de meeste andere nazidoodsfabrieken – zowel Majdanek en Sobibór als Belzec (48) – verre zou overtreffen wat vermogen, verwerkingscapaciteit en vloeroppervlakte betrof.
Zevenhonderd gevangenen werkten vijf weken lang aan de bouw van het nieuwe doodscomplex. Toen het werk in volle gang was, arriveerde er een ingenieur uit Duitsland met zijn ploeg, die overging tot de installatie. De nieuwe gaskamers, tien in totaal, lagen symmetrisch aan weerszijden van een brede betonnen gang. Elke kamer had, net als de vorige drie, twee deuren: een aan de kant van de gang, die de levende mensen binnenliet, en een op gelijke hoogte aangebracht in de tegenoverliggende muur, om de vergaste lijken door naar buiten te slepen. Die deuren kwamen uit op twee speciale platforms, symmetrisch aan weerskanten van het gebouw geplaatst. Langs die platforms liepen smalsporen. Zo konden de lijken die op de platforms werden gegooid meteen in kiepkarren worden geladen en naar de enorme greppelgraven worden gereden, die dag en nacht werden gegraven door de kolossale graafmachines. De vloer van de gaskamers helde aanzienlijk van de gang naar de platforms, waardoor het uitladen van de kamers een stuk sneller ging. In de oude gaskamers gebeurde het uitladen op een primitieve manier, met behulp van draagbaren of riemen met lussen.(49) Elke gaskamer had een oppervlakte van zeven bij acht, dus zesenvijftig vierkante meter. De totale oppervlakte van de tien nieuwe kamers bedroeg vijfhonderdzestig vierkante meter. Als je de drie oude kamers meerekent, die in gebruik bleven voor kleinere transporten, beschikte de doodsfabriek van Treblinka in haar geheel over zeshonderddertig vierkante meter.
In één gaskamer werden vierhonderd tot zeshonderd mensen tegelijk gestouwd. Bij volle belasting van de tien kamers werden er per keer dus gemiddeld vier- tot zesduizend mensen uitgemoord. Op een heel gewone dag werden de gaskamers van de hel van Treblinka twee, drie keer geladen (er waren dagen waarop ze zes keer werden geladen). Als alleen de nieuwe kamers twee keer per dag werden geladen, zijn er elke dag ongeveer tienduizend mensen vermoord in Treblinka, driehonderdduizend per maand – en dat is een terughoudende schatting. Treblinka was gedurende dertien maanden dagelijks in bedrijf; zelf, als we negentig dagen daarvan aftrekken voor oponthoud door reparaties en vertraging van de transporttreinen, heeft het kamp tien volle maanden gefunctioneerd. Als er per maand gemiddeld dertigduizend mensen aankwamen, heeft Treblinka in tien maanden drie miljoen mensen vermoord. Opnieuw komen we uit op het cijfer van drie miljoen, dat we de eerste keer afleidden uit een terughoudende schatting van het aantal transporten.*
* Grossman vergist zich eveneens wat betreft het aantal mensen dat per keer werd vermoord in de gaskamers. Het feitelijke aantal ligt waarschijnlijk tussen de twee- en de drieduizend.
De terdoodbrenging in de gaskamer duurde tien tot vijfentwintig minuten. Aanvankelijk, toen de nieuwe gaskamers net in gebruik genomen waren en de beulen nog experimenteerden met de vergassingsprocedure en de dosering van de verschillende gifgassen, bleven de slachtoffers twee, drie uur in leven en doorstonden ze verschrikkelijke kwellingen. De allereerste dagen deden de pomp- en afzuigsystemen het slecht, zodat het lijden van de ongelukkigen acht, negen uur voortduurde. Er werden verschillende methodes gebruikt. De eerste was om de uitlaatgassen van een zware tankmotor, die dienstdeed als generator op het station, naar binnen te pompen. Uitlaatgas bevat twee tot drie procent koolmonoxide, dat de eigenschap bezit zich aan de hemoglobine in het bloed te hechten en een stabiele verbinding te vormen, carboxyhemoglobine genaamd. Carboxyhemoglobine is vele malen sterker dan oxyhemoglobine, de verbinding tussen zuurstof uit de lucht en hemoglobine die in de longblaasjes wordt gevormd. Binnen een kwartier heeft alle hemoglobine in het bloed van een mens zich aan koolmonoxide gehecht, en ademt hij tevergeefs. De zuurstof bereikt zijn organen niet meer, en hij vertoont de symptomen van een zuurstoftekort: zijn hart klopt razendsnel en pompt het bloed in de longen, maar het met koolmonoxide vergiftigde bloed kan geen zuurstof opnemen. Zijn adem wordt hees, de eerste kwellende benauwdheidsverschijnselen treden op, zijn bewustzijn raakt vertroebeld en hij sterft als iemand die wordt gewurgd.
De tweede methode, die het meest werd gebruikt in Treblinka, was om met behulp van speciale pompen de lucht uit de kamers te zuigen. Net als bij koolmonoxidevergiftiging trad de dood in als gevolg van zuurstoftekort. De derde methode ten slotte, minder vaak toegepast, was het gebruik van stoom. Ook deze methode berustte op het afsnijden van de zuurstoftoevoer: de stoom verdreef de lucht uit de kamer. Daarnaast werd er geëxperimenteerd met verschillende gifgassen, maar de voornaamste industriële methodes van massamoord(50) waren de eerste twee die hierboven zijn beschreven.
Het lopendebandwerk van Treblinka kwam er dus op neer dat de beesten een mens stapsgewijs alles afnamen wat hem sinds onheuglijke tijden toekwam, volgens de heilige wet van het leven. Eerst werden mensen beroofd van hun vrijheid, hun huis en hun vaderland, en afgevoerd naar een naamloos, desolaat bos. Daarna werden ze op het stationsplein beroofd van hun bezittingen, van de brieven en foto’s van hun dierbaren. Eenmaal binnen de omheining van het kamp verloor een man zijn moeder, zijn vrouw en zijn kind. Ze namen de naakte man zijn papieren af en gooiden ze in het vuur, zodat hij zijn naam kwijt was. Vervolgens joegen ze hem een gang met een laag stenen plafond in en beroofden ze hem van de hemel, de sterren, de wind en de zon.
Dan begon het laatste bedrijf van de menselijke tragedie- de man was de laatste hellekring van Treblinka binnengegaan. De deur van de betonnen kamer viel dicht. Die deur was verstevigd met verschillende sloten, een zware grendel, haken en een kram. Uitbreken was onmogelijk. Kunnen we de kracht vinden ons voor te stellen wat de mensen in die kamers voelden, wat ze doormaakten in hun laatste minuten? Het is bekend dat ze zwegen … Ze stonden zo dicht opeen dat hun botten braken en hun samengedrukte borstkas niet kon ademen; klam van plakkerig doodszweet stonden ze daar tegen elkaar aan geperst alsof ze één mens waren.(51) Iemand, een wijze oude man misschien, brengt met moeite uit: ‘Troost u, dit is het einde.’ Iemand schreeuwt een verschrikkelijke vloek. Die heilige vloek moet toch bewaarheid worden? Een moeder probeert met bovenmenselijke inspanning wat meer plaats voor haar kind te maken: als haar moederlijke zorgen zijn laatste adem ook maar enigszins konden verlichten … Een meisje vraagt, terwijl haar tong verlamd raakt: ‘Waarom verstikken ze mij? Waarom kan ik niet liefhebben en kinderen krijgen?’ Hun hoofd tolt, hun keel wordt dichtgeknepen. Wat voor beelden flitsen voorbij aan de glazige, stervende ogen? Beelden van de kindertijd, van gelukkige, vredige dagen, of van de laatste, zware reis? Iemand ziet opeens het spottende gezicht van een ss’er op het eerste plein bij het station weer voor zich: dáárom lachte hij dus. Hun bewustzijn raakt vertroebeld, het laatste, verschrikkelijke moment van doodsnood breekt aan. Nee, het is onmogelijk je voor te stellen wat er gebeurde in die kamer. De dode lichamen blijven staan en koelen geleidelijk af. De kinderen gingen volgens getuigen het langst door met ademen.(52) Na twintig tot vijfentwintig minuten gluurden de assistenten van Schmidt door de kijkgaatjes. Het was tijd om de deuren uitkomend op de platforms te openen. Gevangenen in overalls, luidkeels aangespoord door ss’ers, begonnen aan het uitladen van de kamers. Omdat de vloer afhelde naar de platforms vielen veellichamen vanzelf naar buiten. Mensen die hebben meegewerkt aan het uitladen van de kamers vertelden me dat de gezichten van de doden heel geel waren en dat bij ongeveer zeventig procent van de vermoorden bloed uit de mond en de neus druppelde. Daar moet een fysiologische verklaringvoor bestaan. De ss’ers praatten met elkaar terwijl ze de lijken inspecteerden. Wie nog in leven bleek, kreunde of bewoog, werd doodgeschoten. Daarna trok een ploeg mannen uitgerust met tandartstangen de gouden en platina tanden van de vermoorde mensen voordat ze werden afgevoerd. Die tanden werden gesorteerd op waarde, in dozen verpakt en naar Duitsland gestuurd. Als het ook maar enig voordeel of gemak had opgeleverd de tanden van levende mensen te trekken, hadden de ss’ers dat uiteraard zonder aarzelen gedaan, zoals ze nog levende vrouwen hun haren afschoren. Maar kennelijk was het eenvoudiger en handiger om de tanden van de doden te trekken.
De lijken werden op kiepkarren geladen en naar de enorme greppelgraven gereden. Daar werden ze in rijen neergelegd, dicht opeengepakt. De greppel werd nog niet dichtgegooid; hij lag te wachten. Intussen, op het moment dat het uitladen van de gaskamers nog maar net was begonnen, had de Scharführer in de transportdienst telefonisch een kort bevel gekregen. De Scharführer blies op zijn fluit, een signaal voor de machinist, en twintig nieuwe wagons reden langzaam naar het perron van het nagebauwde station Ober-Majdan. En opnieuw liepen er drie-, vierduizend mensen, bepakt met koffers, bundels en pakjes eten het stationsplein op. Moeders droegen hun kinderen in hun armen; grotere kinderen drukten zich tegen hun ouders aan, terwijl ze gespannen om zich heen keken. Er was iets verontrustends en beangstigends aan dat door miljoenen voeten betreden plein. En waarom hield de spoorweg meteen na het perron op? Waarom groeide daar geel gras en liep er drie meter hoog prikkeldraad?
De ontvangst van het nieuwe transport was zorgvuldig uitgekiend: de gedoemden begonnen aan ‘de weg zonder terugkeer’ precies op het moment dat de laatste lijken uit de gaskamers naar de greppelgraven waren gebracht. De greppel was nog niet dichtgegooid; hij lag te wachten. Even later klonk het fluitje van de Scharführer opnieuw, en kwamen er weer langzaam twintig wagons aanrijden uit het bos. En opnieuw liepen er duizenden mensen, bepakt met koffers, bundels en pakjes eten het stationsplein op en keken om zich heen. Er was iets verontrustends en beangstigends aan dat door miljoenen voeten betreden plein …
Ondertussen belde de kampcommandant vanuit de controlekamer vol papieren en schema’s naar het station Treblinka, waarna een op een zijspoor gerangeerde transporttrein van zestig wagons, bewaakt door ss’ers met lichte mitrailleurs en machinepistolen, zich knarsend en steunend in beweging zette en voortkroop over een smalspoor tussen twee rijen dennenbomen. De kolossale, ronkende graafmachines werkten dag en nacht door aan het graven van nieuwe, enorme greppelgraven van honderden meters lang en vele donkere meters diep. De greppels waren nog niet dichtgegooid. Ze lagen te wachten. Het duurde niet lang.
2
Aan het eind van de winter van 1942-1943 bracht Himmler een bezoek aan Treblinka, begeleid door een groep hoge Gestapo-functionarissen.(53) Het gezelschap landde op een nabijgelegen vliegveld en werd vervolgens met twee personenauto’s tot aan de hoofdpoort gebracht. De meeste bezoekers waren in uniform, maar sommigen, misschien de deskundigen, zagen er met hun bontjassen en hoeden uit als burgers. Himmler inspecteerde het kamp persoonlijk; een van de aanwezigen heeft ons verteld hoe de minister des doods naar een massagraf toe liep en er lange tijd zwijgend naar keek. Zijn gevolg stond op enige afstand te wachten, terwijl Heinrich Himmler het reusachtige, al half met lijken gevulde graf in ogenschouw nam. Treblinka was de grootste fabriek van Himmlers concern. Het vliegtuig van de Reichsführer-ss vertrok diezelfde dag nog. Bij het weggaan gaf Himmler een bevel dat de voltallige kampleiding – Hauptsturmführer baron von Pfein, zijn rechterhand Korol en kapitein Franz – in verwarring bracht: ze moesten onmiddellijk overgaan tot het verbranden van alle begraven lijken, zonder uitzondering; de as en de sintels moesten ze afvoeren uit het kamp en uitstrooien over velden en wegen. Het leek een bijzonder ingewikkelde, zware taak: er lagen al miljoenen lijken onder de grond. Verder luidde het bevel de nieuwe vergaste lijken niet te begraven, maar meteen te verbranden.
Wat was de reden voor Himmlers inspectiebezoek en zijn persoonlijke categorische bevel, waaraan grote betekenis werd gehecht? Er was maar één reden: de overwinning van het Rode Leger aan de Wolga bij Stalingrad. Die klap moet hard aangekomen zijn: een paar dagen later begon men zich in Berlijn zorgen te maken over aansprakelijkheid, wraak en vergelding, en vloog Himmler zelf naar Treblinka met orders om onmiddellijk de sporen uit te wissen van de misdaden die waren begaan op zestig kilometer van Warschau. Dat alles was een echo van de krachtige slag die de Russen de Duitsers hadden toegebracht aan de Wolga.(54)
In het begin vlotte de lijkverbranding helemaal niet: de lichamen wilden niet branden, al leek het met vrouwenlichamen beter te gaan … Ze gebruikten grote hoeveelheden benzine en olie om het vuur aan te steken, maar dat was duur en hielp nauwelijks. Het leek een onoplosbaar probleem. De uitweg werd gevonden door een uit Duitsland overgekomen ss’er, een zwaargebouwde man van tegen de vijftig en een meester in zijn vak. Wat Hitlers regime al niet aan grootmeesters heeft voortgebracht: meesters in het doden van kleine kinderen, in wurgmoord, in het bouwen van gaskamers, in de deskundig geplande vernietiging van grote steden binnen één dag. Zo bleek er ook een deskundige te vinden in het opgraven en verbranden van miljoenen menselijke lijken.(55) Onder zijn leiding werden er ovens gebouwd. Speciale ovens van brandstapelformaat, want noch die van Lublin, noch die van enig ander grootschalig crematorium ter wereld zouden in staat zijn geweest in korte tijd zo’n gigantisch aantal lichamen te verbranden.
De graafmachine groef een bouwput van tweehonderdvijftig tot driehonderd meter lang, twintig tot vijfentwintig meter breed en zes meter diep. Op de bodem van de kuil werden over de hele lengte drie rijen gewapend betonnen palen geplaatst, op gelijke afstand van elkaar. Die palen, van één tot één meter twintig hoog, dienden als fundering voor stalen balken die over hele lengte van de kuil kwamen te liggen. Dwars op die balken werden rails gelegd, met vijf tot zeven centimeter tussenruimte. Dat alles vormde het gigantische rooster van een reusachtige oven. Er werd een nieuw smalspoor aangelegd van de massagraven naar de oven. Kort daarna werden er nog een tweede en een derde oven van vergelijkbare afmetingen gebouwd. Op elk rooster konden drieënhalf- tot vierduizend lijken tegelijk worden geladen.
Er werd een tweede kolossale graafmachine, een ‘baggermolen’, bezorgd, en kort daarna een derde. Het werk ging dag en nacht door. Volgens arbeiders die zijn ingezet bij het verbranden van de lijken deden de ovens denken aan reusachtige vulkanen: een verschrikkelijke hitte schroeide hun gezichten, de vlammen schoten acht, tien meter omhoog, zuilen van dichte, zwarte, vette rook reikten rot aan de hemel en bleven als een zwaar, onbeweeglijk kleed in de lucht hangen. De bewoners van de dorpen tot dertig, veertig kilometer in de omtrek zagen die vlammen ’s nachts boven de dennenbossen rond het kamp.(56) De geur van verbrand mensenvlees vulde de hele omgeving. Als de wind blies in de richting van het Poolse kamp, drie kilometer verderop, benam de verschrikkelijke stank de mensen daar de adem. Achthonderd gevangenen (57) waren ingezet bij het werk van het verbranden van de lijken, meer dan het aantal arbeiders bij de hoogoven of de martinoven van een willekeurige gigantische staalfabriek. Die monsterlijke werkplaats was acht maanden lang ononderbroken, dag en nacht, in bedrijf, maar kon de miljoenen menselijke lichamen niet verwerken. Er kwamen dan ook voortdurend nieuwe transporten aan voor de gaskamers, wat de werklast nog verzwaarde. Soms arriveerden er treinen uit Bulgarije,(58) tot vreugde van de ss’ers en de Wachmänner: de Bulgaarse Joden, misleid door de Duitsers en de toenmalige fascistische Bulgaarse regering, hadden geen vermoeden van hun lot en brachten grote hoeveelheden kostbare spullen en lekkere etenswaren mee, waaronder witbrood.(59) Later begonnen er ook treinen uit Grodno en Bialystok binnen te komen en uit het in opstand gekomen getto van Warschau. Er arriveerde een trein met Poolse rebellen- boeren, arbeiders en soldaten- en een transport van zigeuners uit Bessarabië, ongeveer tweehonderd mannen, met achthonderd vrouwen en kinderen. De zigeuners waren te voet gekomen, gevolgd door paarden en wagens. Ook zij waren misleid: ze werden begeleid door slechts twee bewakers, die zelf geen idee hadden dat ze die duizend mensen naar hun dood dreven. Getuigen vertellen dat de zigeunerinnen in hun handen klapten van enthousiasme toen ze het mooie gebouw van de gaskamers zagen; tot op het laatste moment vermoedden ze niets van het lot dat hun wachtte. De Duitsers vonden dat bijzonder vermakelijk.
De ss’ers haalden wrede grappen uit met de mensen afkomstig uit het opstandige getto van Warschau. De vrouwen en kinderen werden van het transport gescheiden en niet naar de gaskamers gebracht, maar naar de plekken waar de lijken werden verbrand. Moeders, gek van angst, werden gedwongen hun kinderen tussen de gloeiende roosters door te leiden, waarop duizenden dode lichamen ineenkrompen in de vlammen en de rook, kronkelend en stuiptrekkend alsof ze tot leven kwamen, waar de buiken van dode zwangere vrouwen openbarstten door de hitte en voor hun geboorte vermoorde kinderen verbrandden in de open moeder­ schoot. Dat schouwspel zou de meest geharde man van zijn ver­ stand beroven, maar de Duitsers rekenden er terecht op dat het een honderdmaal sterkere uitwerking zou hebben op moeders die met hun handen de ogen van hun kinderen probeerden te bedek­ ken. De kinderen vlogen tegen hun moeders op en schreeuwden waanzinnig: ‘Mama, wat gebeurt er met ons? Worden wij ook ver­ brand?’ Zulke taferelen heeft Dante niet gezien in zijn hel. Nadat ze zich een tijdje met dit schouwspel hadden vermaakt, verbrandden de Duitsers de kinderen inderdaad.
Zelfs lezen hierover is ondraaglijk. De lezer moet geloven dat het beschrijven ervan niet minder pijnlijk is. ‘Waarom zou men zoiets beschrijven, waarom moet dit alles herinnerd worden?’ vraagt iemand straks misschien. Het is de plicht van de schrijver de verschrikkelijke waarheid te vertellen, en het is de burgerplicht van de lezer er kennis van te nemen. Wie zich afwendt, wie zijn ogen sluit en hieraan voorbijgaat, schendt de nagedachtenis van de overledenen. Wie niet de hele waarheid onder ogen ziet, zal nooit begrijpen met wat voor vijand, met wat voor monster ons grote, heilige Rode Leger de dodelijke strijd is aangegaan. De ss’ers waren zich gaan vervelen in Treblinka. De processie van de verdoemden naar de gaskamers wond hen niet langer op. Het was routine geworden. Toen de crematie van de lichamen begon, hingen de ss’ers urenlang bij de ovens rond; het nieuwe schouwspel amuseerde hen. De zojuist uit Duitsland overgekomen deskundige wandelde van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat tussen de verbrandingsovens door, altijd even opgewekt en spraakzaam. Getuigen zeggen dat ze hem nooit met een frons of een ernstig gezicht hebben gezien; hij glimlachte altijd. Als de lijken op het rooster werden gegooid, zei hij elke keer: ‘Tadellos, tadellos.’ Dat was zijn lievelingswoord. (60)
Soms organiseerden de ss’ers een soort picknick bij de ovens; ze gingen windafwaarts van het vuur zitten, dronken wijn, aten en keken naar de vlammen. Ook het ‘lazaret’ werd nieuw uitgerust. Vroeger werden de zieken en de oude mensen naar een met takken afgeschermd gedeelte geleid, waar ze werden opgewacht door een zogenaamde ‘dokter’ en vermoord. Vervolgens werden hun lichamen op brancards naar de massagraven gedragen. Nu was er een ronde kuil gegraven. Rond die kuil stonden lage bankjes, als in een stadion, zo dicht bij de rand dat wie op een bankje zat haast boven de kuil hing. Op de bodem van de kuil was een rooster gebouwd, waarop lijken brandden. De zieken en de zwakke oude mensen werden naar het ‘lazaret’ gebracht en door de ‘verplegers’ op een bankje neergezet, met hun gezicht naar het kampvuur van menselijke lichamen. Nadat ze zich een tijd je met die aanblik hadden vermaakt, schoten de barbaren op de grijze achterhoofden en de gebogen ruggen van de mensen die daar zaten. Dood of gewond vielen ze in het vuur.
De Duitse humor heeft geen goede naam en staat bekend als lomp. Maar wie had zich ooit een voorstelling kunnen maken van de humor, het vertier en de grappen van de ss’ers in Treblinka? Ze organiseerden voetbalwedstrijden tussen de terdoodveroordeelden, dwongen hen om tikkertje te spelen en vormden een koor van gedoemden. In de buurt van hun nachtverblijven hielden de Duitsers een kleine menagerie. In de kooien zaten volkomen ongevaarlijke dieren uit het bos -wolven, vossen – terwijl de wreedste, ploertigste roofdieren die de aarde ooit heeft gekend vrij rondliepen, op berkenhouten bankjes zaten en naar muziek luisterden. Er was zelfs een speciaal loflied op Treblinka geschreven voor de gedoemden, dat woorden bevatte als:
Für uns gibt es heute nur Treblinka, Das unser Schicksal ist … (61)
Bebloede mensen werden enkele minuten voor hun dood gedwongen idiote, sentimentele Duitse liedjes in te studeren en in koor te zingen:
.. .Ich brach das Blümelein
Und schenkte es dem schönsten
Herzliebsten Mägdelein … (62)
De kampcommandant koos een paar kinderen uit een transport, vermoordde hun ouders, trok ze mooie kleren aan, gaf ze lekkers en speelde met ze. Na een paar dagen, als het plezier eraf was, liet hij de kinderen vermoorden.(63)
De Duitsers posteerden een oude man met een gebedssjaal en een gebedsriem naast de buiten-wc, die moest zorgen dat niemand langer dan drie minuten binnen bleef. Hij kreeg een wekker om zijn nek gehangen. De Duitsers keken naar zijn gebedssjaal en lachten hem uit. Soms dwongen de Duitsers bejaarde Joodse mannen om gebeden te zeggen of een traditionele begrafenis te houden voor de vermoorden. Soms mochten ze zelfs grafstenen gaan halen, maar een tijdje later moesten ze de graven dan weer openmaken, de lichamen opgraven en de grafstenen vernietigen.
Een gebruikelijk tijdverdrijf was het verkrachten en treiteren van de mooie, jonge meisjes en vrouwen die uit ieder transport van gedoemden werden geselecteerd. De volgende ochtend brachten de verkrachters hen zelf naar de gaskamer. Zo vermaakten ze zich in Treblinka, de ss’ers die het bastion van het nazisme waren en de trots van het fascistische Duitsland. Hier moet worden benadrukt dat deze wezens helemaal niet alleen maar werktuiglijk bevelen opvolgden. Getuigen wijzen op hun kenmerkende liefde voor filosoferen en theoretische beschouwingen. Ze hielden allemaal graag snoeverige toespraken voor de gedoemden en legden hun de grootse zin en betekenis van Treblinka voor de toekomst uit. Ze waren er allemaal diep en oprecht van overtuigd dat wat ze deden juist en noodzakelijk was. Ze weidden uit over de superioriteit van hun ras boven alle andere, ze hielden tirades over het Duitse bloed, het Duitse karakter en de missie van de Duitsers. Hun geloof werd uiteengezet in de boeken van Hitler en Rosenberg en de brochures en artikelen van Goebbels.
Na een dag van werk en ontspanning, zoals hierboven beschreven, sliepen ze de slaap der rechtvaardigen, niet verstoord door dromen of nachtmerries. Ze werden niet geplaagd door hun geweten, al was het maar omdat geen van hen een geweten had. Ze deden gymnastiek, letten angstvallig op hun gezondheid, dronken ’s ochtends melk, besteedden grote zorg aan hun dagelijkse gemakken en omringden hun verblijven met tuintjes, weelderige bloembedden en prieeltjes. Ze gingen geregeld, een paar keer per jaar, met vakantie naar Duitsland, omdat de leiding hun ‘werkplaats’ als uiterst schadelijk beschouwde en hun gezondheid scherp in het oog hield. Thuis liepen ze met opgeheven hoofd rond en zwegen niet over hun werk omdat ze zich schaamden, maar gewoon omdat ze gedisciplineerd waren en hun ondertekende plechtige eed niet wilden schenden. En als ze ’s avonds gearmd met hun vrouw naar de bioscoop gingen, waar ze luid lachten en stampten met hun bespijkerde laarzen, waren ze nauwelijks te onderscheiden van volkomen doorsneeburgers. Maar het waren beesten in de volle betekenis van het woord:ss-beesten.(65)
De zomer van 1943 was uitzonderlijk warm in die streek. Wekenlang viel er geen regen, was het windstil en bleef de hemel wolkeloos. Het verbranden van de lijken was in volle gang. Al ongeveer zes maanden lang brandden de ovens dag en nacht, maar ze hadden pas iets meer dan de helft van de doden verbrand. De met die taak belaste gevangenen bezweken vaak onder de verschrikkelijke morele en fysieke kwellingen; elke dag waren er vijftien tot twintig mannen die zelfmoord pleegden. Velen van hen zochten de dood door opzettelijk de regels re overtreden. ‘Het was een luxe om de kogel re krijgen,’ vertelde een uit het kamp gevluchte bakker uit Kosów me. In Treblinka was veroordeeld zijn tot leven volgens veel mensen honderdmaal erger dan veroordeeld zijn tot de dood.
De as en de sintels werden afgevoerd uit het kamp. Door de Duitsers gemobiliseerde boeren uit het dorp Wólka laadden de as en de sintels op hun wagens en strooiden ze uit langs de weg die van het vernietigingskamp naar het Poolse werkkamp liep. Kindergevangenen spreidden die as met hun spades gelijkmatig uit over de weg. Soms vonden ze gesmolten gouden munten of kronen tussen de as. De kinderen werden ‘kinderen van de zwarte weg’ genoemd: de weg was door de as zwart geworden als een rouwlint. Autobanden maakten een speciaal ruisend geluid op die weg, en toen ik er reed hoorde ik voortdurend een zacht, droevig gesuis, als een beschroomde!dacht.(66) Dat zwarte rouwlint van as, dat door de bossen en de velden van het vernietigingskamp naar het werkkamp liep, was als een tragisch symbool van het verschrikkelijke lot dat de volken verenigde die waren getroffen door de bijl van Hitlers Duitsland.
Van de lente van 1943 tot de zomervan 1944 voerden de boeren de as en de sintels af. Elke dag kwamen er twintig wagens, die elk zes tot acht keer per dag werden volgeladen met II5 tot 130 kilo as. (67) In het lied ‘Treblinka’, dat de Duitsers de achthonderd mannen die de lijken verbrandden dwongen te zingen, worden de gevangenen opgeroepen tot deemoed en gehoorzaamheid; in ruil daarvoor beloofde het lied hun ‘een klein, klein geluk, dat in een moment voorbij zou flitsen’.” En wonderbaarlijk genoeg is er inderdaad één gelukkige dag geweest in de hel van Treblinka. De Duitsers vergisten zich echter: die dag dankten de terdoodveroordeelden van Treblinka niet aan hun deemoed en gehoorzaam­heid. Die dag dankten ze aan hun dwaze overmoed. Ze hadden niets te verliezen. Ze waren allemaal ten dode opgeschreven, elke dag van hun leven was een dag van lijden en kwellingen. De Duitsers zouden niet één van hen sparen; ze waren getuige geweest van verschrikkelijke misdaden en elk van hen wachtte de gaskamer. Na een paar dagen werken werden ze vervangen door mensen uit een nieuw transport en naar de gaskamer gestuurd. Er waren maar enkele tientallen mensen die geen dagen en uren, maar nog weken en maanden te leven hadden: de bekwame vaklieden, de timmer­ mannen en de metselaars, de bakkers, de kleermakers en de kap­ pers die de Duitsers van dienst waren. Zij vormden een comité ter voorbereiding van een opstand.” Het waren natuurlijk alleen terdoodveroordeelden, alleen mensen in de greep van een felle wraakzucht en een allesverterende haat die zo’n krankzinnig plan konden bedenken. Ze wilden pas vluchten als ze Treblinka zou­ den hebben vernietigd. En ze hebben het ook vernietigd. In de barakken van de arbeiders begonnen wapens te verschijnen: bijlen, messen, knuppels. Voor elke bijl en elk mes moeten ze een hoge prijs hebben betaald en waanzinnige risico’s hebben gelopen. Wat een slimheid en behendigheid, wat een verbazingwekkend geduld was er niet nodig om dat allemaal in de geregeld doorzochte barakken te verbergen. Er werden voorraden benzine aangelegd om de kampgebouwen mee te overgieten en in brand te steken. Hoe werd die benzine opgespaard? Hoe lieten ze hem spoorloos verdwijnen, alsof hij oploste? Dat moet bovenmenselijke inspanning hebben gekost, enorme vindingrijkheid, wilskracht en durf. Ten slotte werd een grote tunnel gegraven naar het Duitse wapenmagazijn. Ook dit getuigt van grote durf, van goddelijke moed die de mensen vleugels gaf. Uit het wapenmagazijn werden twintig handgranaten ontvreemd, een machinegeweer, karabijnen en pistolen. Dat alles verdween in geheime bergplaatsen,(70) gegraven door de samenzweerders. De deelnemers aan het complot hadden zich opgesplitst in groepjes van vijf. Het veelomvattende, gecompliceerde plan voor de opstand was uitgewerkt tot in de kleinste details. Elk vijftal had een specifieke taak. En elk van die zorgvuldig afgewogen taken was waanzin. Eén groep had opdracht de wachttorens te bestormen, waarop de Wachmänner met hun machinegeweren zaten. Een andere groep moest de schildwachten overvallen, die patrouilleerden op de verbindingspaden tussen de pleinen van het kamp. Een derde groep moest de pantserwagens aanvallen. Een vierde groep zon de telefoonlijnen doorsnijden. Een vijfde groep deed een aanval op het kazernegebouw. Een zesde maakte doorgangen in het prikkeldraad. Een zevende legde bruggen over de antitankgreppels. Een achtste overgoot de kampgebouwen met benzine en stak ze in brand. En een negende groep vernietigde alles wat vernietigd kon worden. Er was zelfs een manier gevonden om de vluchtelingen van geld te voorzien.” De dokter uit Warschau die het geld bijeenbracht, heeft de hele zaak bijna doen mislukken. Op een dag merkte een Scharführer op dat er een dik pak bankbiljetten uit zijn broekzak stak; dat was een van de bedragen die de dokter uit het ‘loket’ had gestolen en in de bergplaats wilde verstoppen. De Scharführer deed alsof hij niets had gezien en rapporteerde de zaak direct aan Kurt Franz zelf. Het was natuurlijk een uitzonderlijk voorval, en Kurt Franz kwam de dokter persoonlijk ondervragen. Hij rook meteen onraad, want waar had een terdoodveroordeelde geld voor nodig? Franz begon kalm en zelfverzekerd aan het verhoor; zijn foltertechniek was tenslotte ongeëvenaard. Niemand ter wereld was bestand tegen foltering door Hauptmann Kurt Franz, daarvan was hij overtuigd. Maar de dokter uit Warschau was de ss-Hauptmann te slim af. Hij nam vergif in. Een van de deelnemers aan de opstand van Warschau vertelde me dat men zich in Treblinka nooit eerder zo had ingespannen om iemand het leven te redden. Kennelijk voelde Franz aan dat de stervende dokter een belangrijk geheim meenam in het graf. Maar Duits vergif is probaat, en het geheim bleef bewaard.?’
Eind juli werd het benauwend warm. Als de graven werden geopend, sloeg er stoom vanaf, als uit gigantische ketels. De arbeiders bezweken aan de monsterlijke stank en de hitte van de verbrandingsovens. Uitgeput van het slepen met de lijken vielen ze zelf dood neer op de roosters van de ovens. Miljarden dikke, volgevreten vliegen kropen over de grond en zoemden in de lucht. De laatste honderdduizend lijken werden verbrand. De opstand zou plaatsvinden op 2 augustus. Een revolverschot gaf het startsein.(73) Het vaandel van succes wapperde boven de heilige zaak. Nieuwe vlammen laaiden op, niet de zware, van vette rook verzadigde vlammen van brandende lijken, maar een heldere, verzengende, razende brand. De kampgebouwen stonden in lichterlaaie, en het leek voor de opstandelingen alsof de zon zich in stukken had gescheurd en brandde boven Treblinka om het feest van vrijheid en eer te vieren. Schoten knalden, machinegeweren ratelden hortend vanaf de door de opstandelingen veroverde wachttorens. Handgranaten ontploften, feestelijk galmend als de klokken van de waarheid. De lucht schokte van de dreunen en de knallen, gebouwen stortten in, het gefluit van de kogels overstemde het gezoem van de aasvliegen. In de heldere, zuivere lucht flitsten bijlen rood van het bloed. Op 2 augustus vloeide het kwaadaardige ss-bloed uit over de helse aarde van Treblinka, en vierde de lichtende blauwe hemel het uur van vergelding.(74) En een verhaal zo oud als de wereld herhaalde zich: de wezens die zich hadden gedragen als vertegenwoordigers van een hoger ras, de wezens die hadden gebruld ‘Achtung! Mützen ab!’, de wezens die de ter dood veroordeelde inwoners van Warschau op donderende heerserstoon uit hun huizen hadden geroepen- ‘Alle r-r-r-raus unter-r-r-rf’ -, die wezens die zo overtuigd waren van hun macht toen het ging om het doden van miljoenen vrouwen en kinderen, bleken verachtelijke lafaards, zielige, om genade smekende reptielen toen het op een echte strijd om leven of dood aankwam. Ze raakten in verwarring, ze renden als ratten door elkaar, ze vergaten het duivels doordachte verdedigingssysteem van Treblinka, ze vergaten de vernietigende vuur­ kracht waarover ze beschikten, ze vergaten hun eigen wapens. Maar moet dat worden gezegd? Zou het ook maar iemand verbazen?
Tweeënhalve maand later, op 14 oktober 1943, was er een opstand in de doodsfabriek van Sobibór, georganiseerd door een Russische krijgsgevangene, de politiek commissaris Aleksandr Petsjerski(75) uit Rostov. En daar ging het net zo als in Treblinka: de halfverhongerde gevangenen bleken opgewassen tegen honderden ss-schoften,” volgezogen met onschuldig bloed. De opstandelingen straften hun beulen af met behulp van bijlen die ze zelf hadden gemaakt in de kampsmidsen. Veel opstandelingen hadden geen enkel wapen behalve fijn zand om de bewakers te verblinden, waarmee ze op bevel van Petsjerski hun zakken hadden gevuld. Maar moet dat nog verbazen? Toen Treblinka in brand was gestoken en de opstandelingen, na een zwijgend afscheid van de as van hun volk,(77) voorbij het prikkeldraad vluchtten, snelden er van alle kanten ss’ers en politie-eenheden toe om hen te achtervolgen. Honderden politiehonden werden achter hen aan gestuurd. De Duitsers zetten vliegtuigen in. Er werd gevochten in de bossen en in de moerassen, en slechts enkele van de opstandelingen zijn nog in leven. Na 2 august2s hield Treblinka op te bestaan. De Duitsers verbrandden de overgebleven lijken, braken de stenen gebouwen af, verwijderden het prikkeldraad en staken de nog niet afgebrande houten barakken in brand. De uitrusting van het gebouw van de dood werd opgeblazen of op wagens geladen en afgevoerd, de verbrandingsovens werden vernietigd, de graafmachines werden weggebracht, de ontelbare, enorme greppelgraven werden volgegooid met aarde, het stationsgebouw werd met de grond gelijk­ gemaakt, en als laatste werden ook de spoorrails gesloopt en de bielzen weggehaald… Op het kampterrein werd lupine gezaaid, en een kolonist, Streben,(78) bouwde er zijn huisje. Nu staat ook dat huisje er niet meer, het is afgebrand. Wat wilden de Duitsers met dat alles bereiken? Dachten ze de sporen uit te wissen van de moord op miljoenen mensen in de hel van Treblinka? Was dat zelfs maar denkbaar? Dachten ze het zwijgen op te kunnen leggen aan de duizenden mensen die gezien hadden hoe de transporten van terdoodveroordeelden uit heel Europa kwamen aanrijden naar de plaats van executie? Dachten ze de doodse, logge vlam­ men te kunnen uitwissen en de rook die acht maandenlang in de lucht had gehangen, dag en nacht zichtbaar voor de bewoners van tientallen dorpen en stadjes? Dachten ze de boeren van het dorp Wolka het verschrikkelijke gegil van de vrouwen en kinderen te kunnen laten vergeten, dat dertien maanden had geduurd en dat tot op de dag van vandaag in hun oren klinkt en in hun hart gegrift staat? Dachten ze het zwijgen op te kunnen leggen aan de boeren, die een jaar lang de menselijke as uit het kamp over de wegen in de omtrek hadden verspreid?
Dachten ze het zwijgen op te kunnen leggen aan de nog leven­ de getuigen, die het schavot van Treblinka in bedrijf hadden gezien vanaf het vroegste begin tot 2 augustus 1943, de laatste dag dat het bestond? Getuigen wier nauwkeurige beschrijvingen van elke ss’er en elke Wachmann precies overeenstemmen? Getuigen die het leven in Treblinka stap voor stap, van uur tot uur hebben geregistreerd? Hun kunnen ze niet meer toebrullen ‘Mützen ab!’, zij kunnen niet meer naar de gaskamers worden gebracht. En Himmler heeft geen macht meer over zijn knechten, die nu met trillende vingers aan de zoom van hun jasje plukken en met diep gebogen hoofd en doffe, toonloze stem het ogenschijnlijk onbestaanbare, waanzinnige verhaal van hun misdaden vertellen. Een Sovjetofficier, die het groene lintje draagt van een Stalingrad-medaille, schrijft vel na vel vol met de verklaringen van de moordenaars. In de deuropening staat een schildwacht met opeengeklemde rode lippen en op zijn borst dezelfde Stalingrad-medaille. Zijn magere, verweerde gezicht staat grimmig. Het is het gezicht van de gerechtigheid van het volk. En is het geen frappant symbool dat een van de overwinnende leger uit Stalingrad naar Treblinka bij Warschau is gekomen? Niet voor niets had Heinrich Himmler het benauwd gekregen in februari 1943, niet voor niets was hij naar Treblinka gevlogen om bevel te geven tot het bouwen van verbrandingsovens en het uitwissen van alle sporen. Maar zijn voorzorgen waren vergeefs. De overwinnaars van Stalingrad hebben Treblinka bereikt, de weg van de Wolga naar de Weichsel bleek niet lang. En nu weigert zelfs de aarde van Treblinka medeplichtig te zijn aan de misdaden begaan door de schoften: ze braakt de botten en de bezittingen van de vermoorden uit, die de Duitsers hadden geprobeerd te verbergen.
Wij kwamen begin september 1944 aan in het kamp Treblinka, dertien maanden na de dag van de opstand. Dertien maanden lang was het schavot in bedrijf geweest. Dertien maanden lang hadden de Duitsers geprobeerd de sporen van dat bedrijf uit te wissen. Het is stil. De toppen van de dennenbomen langs de spoorweg bewegen nauwelijks. Naar deze dennenbomen, dit zand, deze oude boomstronk hebben miljoenen menselijke ogen gekeken vanuit de langzaam naar het perron rijdende wagons. Zachtjes ruisen de as en de sintels op de zwarte weg, keurig, op z’n Duits, omzoomd met witgeverfde stenen. We gaan het kamp binnen, we lopen over de aarde van Treblinka. De peulen van de lupine springen open bij de minste aanraking, ze springen open met een knappend geluidje en strooien miljoenen erwtjes uit over de grond. De geluiden van de vallende erwtjes en de knappende peulen vervloeien tot één zachte, droevige melodie. Het is alsof er uit de diepste diepten van de aarde kleine doodsklokken op klinken, een nauwelijks hoorbaar, droevig klokgelui, verreikend en vredig. En de grond, vet en verzadigd alsof hij overvloedig is besproeid met lijnolie, deint onder onze voeten, de bodemloze aarde van Treblinka wiegt als een rimpelende zee.(79) Deze met prikkeldraad omheinde woestenij heeft meer mensenlevens opgeslokt dan alle oceanen en zeeën ter wereld sinds het begin van de mensheid. De aarde braakt botsplinters, tanden, papieren en voorwerpen uit- ze wil geen geheimen bewaren.
En de voorwerpen kruipen uit de ongeheelde wonden van de openbarstende aarde. Daar zijn ze, de halfvergane hemden van de vermoorden, hun broeken en schoenen, hun groen verkleurde sigarettenkokers, de wieltjes van hun horloges, hun pennenmesjes, scheerkwasten en kandelaars, kinderschoentjes met rode pompons, Oekraïense geborduurde handdoeken, kanten ondergoed, scharen, vingerhoeden, korsetten en zwachtels. Hopen keukengerei kruipen uit de barsten in de aarde: koekenpannen, aluminium mokken, kopjes, kookpannen, potjes, bussen, sauskommen, plastic kinderkommetjes. Alsof alles wat de Duitsers hebben begraven door een onzichtbare hand naar buiten wordt geduwd, puilen elders uit de bodemloze, bolstaande aarde halfvergane Sovjetpaspoorten, notitieboekjes in het Bulgaars, foto’s van kinderen uit Warschau en Wenen, brieven in kriebelig kinderhandschrift, een gedichtenbundel, een geel briefje waarop een gebed is geschreven, Duitse voedsel bonnen … Er liggen honderden flacons en piepkleine geslepen parfumflesjes, groene, roze, blauwe … En over dat alles hangt een afschuwelijke geur van ontbinding, die noch het vuur, noch de zon, noch de regen, noch de sneeuw, noch de wind heeft kunnen verjagen. Honderden kleine bosvliegen kruipen over de halfvergane voorwerpen, papieren en foto’s.
We lopen verder over de bodemloze, deinende aarde van Treblinka en staan dan plotseling stil. Geelkoperen, glanzende haren, dik en golvend, liggen vertrapt op de grond- fijn, lieflijk meisjeshaar. Daarnaast liggen net zulke blonde lokken, even verderop zien we zwarte, zware vlechten op het lichte zand, en zo verder. Het moet de inhoud zijn van één enkele, vergeten zak haar. Het is dus waar, De laatste, onzinnige hoop dat het allemaal maar een droom was, wordt stukgeslagen. En de lupinepeulen knappen en knappen en de erwtjes roffelen op de grond, alsof er echt ontelbare kleine doodsklokken luiden onder de aarde. Het hart krimpt ineen en lijkt stil te staan; zoveel leed, zoveel verdriet, zoveel droefheid kan een mens niet verdragen .. .”(80) Geleerden, sociologen, criminologen, psychiaters en filosofen hebben zich gebogen over de redenen voor het gebeurde. Was het een kwestie van natuurlijke, aangeboren eigenschappen, van opvoeding, omgeving, externe omstandigheden, van historische voorbeschikking of van de misdadige intenties van de Duitse leiders? Hoe heeft dit kunnen gebeuren? De rudimentaire racistische trekjes, die komisch aandeden in de uitlatingen van de tweederangs professorale charlatans en de armzalige provinciale theoretici van het negentiende-eeuwse Duitsland- de minachting van de Duitse kleinburger voor ‘Russische zwijnen’, ‘Pools vee’, ‘naar knoflook stinkende Joden’, ‘verdorven Fransen’, ‘Engelse kruideniers’, ‘Griekse aanstellers’ en ‘Tsjechische malloten’, al die benepen praat, al dat goedkope gebral over de superioriteit van de Duitsers boven alle andere volken ter wereld, goedmoedig bespot door journalisten en humoristische schrijvers- dat alles was plotseling, in de loop van een paar jaar, van kinderachtige onzin geworden tot een dodelijke bedreiging voor de mensheid, het leven en de vrijheid, tot een bron van onvoorstelbaar en ongekend lijden, bloedvergieten en kwaad. Genoeg stof tot nadenken.
Oorlogen als deze zijn iets verschrikkelijks. De Duitsers hebben een ontzaglijke hoeveelheid onschuldig bloed vergoten. Maar het volstaat niet meer om alleen over de Duitse verantwoordelijkheid voor het gebeurde te spreken. Nu zou het moeten gaan over de verantwoordelijkheid van alle volken en alle burgers ter wereld voor de toekomst. Ieder mens is het tegenwoordig verplicht tegenover zijn geweten, tegenover zijn zoon en zijn moeder, tegenover zijn vaderland en de mensheid, om al zijn zielskracht en verstand te wijden aan het beantwoorden van de vraag wat het racisme heeft doen ontstaan, en wat er nodig is opdat het nazisme nooit opnieuw opkomt, aan deze of aan gene zijde van de oceaan, nooit meer- tot in de eeuwen der eeuwigheid. Het was het imperialistische idee van uitzonderlijkheid in alle mogelijke opzichten, nationaal en raciaal, dat logischerwijs leidde tot de bouw door de nazi’s van Majdanek, Sobibor, Belzec, Auschwitz en Treblinka. We moeten onthouden dat het racisme en het fascisme niet alleen verbitterd en vernederd uit deze oorlog zullen komen, maar ook met zoete herinneringen aan hoe gemakkelijk uitvoerbaar de massamoord was. Dat is wat iedereen die hart heeft voor de eer, de vrijheid en het leven van alle volken en de hele mensheid zich consequent, dagelijks in herinnering moet roepen.
September 1944

 

Noten: De hel van Treblinka
Geschreven in september 1944, eerste publicatie: Znamja (november 1944).
1 Vanaf 1939 viel een groot deel van Polen, dat nu het Generalgouvernement werd genoemd, onder de Duitse burgerlijke administratie. Sommige delen van het land waren echter ingelijfd bij het Duitse Rijk.
2 Waarschijnlijk zijn er ongeveer tienduizend gevangen gepasseerd door het kamp, en verbleven er gemiddeld ongeveer tweeduizend gevangenen tegelijkertijd (IIja Ehrenburg en Vasili Grossman, The Complete Black Book of Russian Jewry, New Brunswick: Transaction Publishers, 2002, p. 555, noot 9).
3 Wachmänner- Extra politietroepen met als taak om de ss bij te staan in het leiden van de kampen. Ze waren hoofdzakelijk samengesteld uit voormalige Sovjetkrijgsgevangenen, die zich vrijwillig hadden aangemeld als politieagenten in de bezette gebieden van de Sovjet-Unie. Die vrijwilligers duidden zichzelf meestal aan als Wachmänner (bewakers): door de Duitsers werden ze Hilfswillige (‘hulpvaardigen’) genoemd, of ‘Trawniki-mannen’, omdat ze waren opgeleid in een kamp in de buurt van Lublin, dat Trawniki heette. De kampgevangenen en de Poolse streekbewoners noemden hen gewoon ‘de Oekraïners’. Op collaboratie van Sovjetburgers met de nazi’s rustte een taboe. Grossman gebruikte noodgedwongen de term ‘Wachmänner’, en kon zich slechts summier uitlaten over wie deze mannen waren. De meesten van hen waren inderdaad Oekraïners, van wie de Duitsers terecht aannamen dat ze overwegend vijandig stonden tegenover het Sovjetbewind. In ieder geval was de Oekraïne, anders dan Rusland, in zijn geheel bezet. Er waren echter ook enkele vertegenwoordigers van andere Sovjetbevolkingsgroepen, onder wie Russen en ten minste één half-Jood (Snyder, op. cit.,p. 256 e.v.; Arad, op. cit., p. 20-22).
4 Een populair Sovjetlied.
5 Panie is een standaardaanspreekvorm in het Pools. Panie Wachmann betekent zoveel als ‘meneer de bewaker’.
6 In feite werd er met vier- tot vijfhonderd arbeiders tegelijkertijd gewerkt (Chrostowski, Extermination Camp Treblinka, Londen: Vallentine Mitchell, 2004, p. 26).
7 Lomia, Bia!ystok en Grodno horen nu bij Polen. In 1939 waren ze deel van de Sovjet-Unie geworden, in overeenstemming met het Molotov-Ribbentroppact.
8 Een naam die valeer werd gebruikt voor 1917; het gebied Bessarabië komt ongeveer overeen met de huidige republiek Moldavië.
9 Veel van Gmssmans schattingen- het aantal gevangenen per wagon, het aantal wagons per trein- zijn conect. Zijn grootste vergissing was dat hij vertrouwde op de onjuiste verklaringen van de boeren dat er elke dag transporten aankwamen. Van 23 juni tot half december 1942 en van half januari tot eind mei 1943 arriveerden er waarschijnlijk gemiddeld twee nieuwe transporten per dag. Er waren echter ook periodes met gemiddeld één nieuw transport per week (Chrostowslci, op.cit., p. 99).
10 Nu wordt algemeen aangenomen dat die beslissing is genomen tussen eind augustus en half december 1941.
11 In maart 1941 woonden er zo’n 445.000 Joden in het getto van Warschau, maar dat aantal slonk snel door ziekte en verhongering. In de zomervan 1942 werden ongeveer 300.000 Joden gedeporteerd, van wie de meesten naar Treblinka; ze zijn bijna allemaal vermoord in de gaskamers. In april 1943 kwamen ongeveer 7000 Joden om bij de opstand in het getto, en 7000 anderen werden onmiddellijk daarna naar Treblinka gestuurd. De overblijvende Joden, ongeveer 42.000, werden gedeporteerd naar werkkampen; de meesten van hen werden in november 1943 vermoord (http:/ /www.ushmm.org/wlc/ en/article. php?Moduleldoi00054IJ).
12 ‘Duizenden Joden stierven die zomer onderweg naar de vernietigingskampen door dorst, verstikking en het gebrek aan basale sanitaire voorzieningen in de overvolle goederenwagons. De reis van Warschau en andere getto’s naar Belzec, Sobibór en Treblinka, die een paar uur zou moeten duren, duurde soms een dag of twee’ (Arad, op. cit;, p. 65).
13 Arad citeert de getuigenis van een Pool uit het dorp Treblinka: ‘Ik zag hoe de bewakers, die altijd dronken waren, ’s nachts de deuren van de goederenwagons openden en om geld en kostbaarheden vroegen. Daarna sloren ze de deuren weer en beschoten de wagons’ (ibid., p. 67). Sereny citeert uit het dagboek van een Oostenrijkse soldaat op weg naar het front in een troepentransport, die toevallig een transporttrein met Joden te zien kreeg: ‘Als we bij station Treblinka komen, staat de trein weer naast ons. Er stroomt zo’n afschuwelijke stank van ontbindende lichamen het station binnen dat sommigen van ons overgeven. Het smeken om water gaat door, het ongerichte geschreeuw van de bewakers gaat door … ‘ (Sereny, into that Darkness, Londen: Pimlico, 1995,p. 250).
14 Andere bronnen bevestigen dit. Ongeveer 95 procent van de mensen die zijn vermoord in Treblinka waren echter Joden uit Polen (Chrostowslci, op. cit:, p. 107),
15 Zo’n trein is er nooit geweest, hoewel Joden uit vijandelijke staten wel als gijzelaars zijn gebruikt.
16 Sereny maakt een opmerking over de ‘scherpzinnigheid’ van de nazi’s, die ‘het vermogen van de West-Europese Joden onderkenden om individueel de monsterlijke waarheid te bevatten en individueel verzet te bieden. Daarom luidde het bevel hen tot elke prijs te misleiden en te kalmeren, tot ze naakt, in rijen van vijf, renden voor de zweep en niet langer in staat waren tot verzet. Evenzo zagen ze in dat deze voorzorgsmaatregelen bij de Oost-Europese Joden onnodig waren’ (op.cit., p. 199).
17 De voorzijde van de barakken waarin de kleren en kostbaarheden werden gesorteerd zag eruit alsof daar loketten waren en dienstregelingen hingen. Er was ook een cijferklok die permanent op zes uur stond.
18 Arad citeert een anoniem relaas: ‘We hielden elkaar bij de hand en sprongen naar beneden in het zand … Iedereen liep naar de dichte muur van pijnbomen. Plotseling had ik een vreemde gedachte: die bomen groeien niet meer, ze zijn dood. Ze hadden een hek gemaakt, een stevig hek dat eruitzag als een bos, gemaakt van omgehakte bomen. Ik keek naar dat hek en zag nog iets anders: prikkeldraad tussen de takken. Concentratiekamp, dacht ik’ (op. cit., p. 83),
19 Richard Rhodes schrijft: ‘Historici hebben in hun zoektocht naar prototypen van het moordproces geen oog gehad voorde geschiedenis en antropologie van het slachten van dieren voor de consumptie. De parallellen zijn frappant’ (Richard Rhodes, Masters of Death: The Einsatzgruppen and the lnvention of the Holocaust. New York: Vintage, 2003, p. 280-282). Rhodes wijst erop dat het doel van de industrialisatie van het slachten- van dieren of van mensen- niet alleen grotere efficiëntie was, maar ook het ontheffen van individuen van verantwoordelijkheid. Grossman was zich zeer bewust van deze parallel, en werkt hem verder uit in ‘Tiergarten’ (1955).
20 Volgens Chrostowski was het maximale aantal mensen dat aankwam op één dag waarschijnlijk ongeveer zestienduizend, maar dat was uitzonderlijk. Zelfs in drukke periodes lag het aantal eerder rond de zes- tot zevenduizend (op.cit., p. 99-100),
21 De om het kamp heen geplante bomen en de takken die door de prikkeldraadhekken waren gevlochten dienden als camouflage; ze blokkeerden zowel het zicht op het kamp van buitenaf als het zicht tussen de verschillende delen van het kamp.
22 Deze zin is geschrapt uit de gepubliceerde versies van de tekst, evenals uit de versie bestemd voor Het zwartboek. Grossmans kritiek is echter terecht: zowel de Britse als de Amerikaanse regering had al in augustus 1942 betrouwbare inlichtingen gekregen over de vernietigingskampen.
23 Het grootste deel van het werk in het kamp werd gedaan door zeven- tot achthonderd Joodse gevangenen, ingedeeld in speciale ploegen Sonderkommando’s). De blauwe ploeg was verantwoordelijk voor het uitladen van de trein, het schoonvegen van de wagons en het leegmaken van het perron en het stationsplein. De rode ploeg hield toezicht op de gevangenen terwijl ze zich uitkleedden en bracht daarna hun kleren naar de depots. De Geldjuden (geld-Joden) waren verantwoordelijk voor alles wat verband hield met geld en kostbaarheden, het omsmelten van gouden tanden et cetera. De Totenjuden (]oden van de dood), van wie er ongeveer tweehonderd waren, woonden in een barak vlak bij de gaskamers: hun taak was om de doden na hun vergassing naar de grafkuil te dragen. Later moesten ze de lijken opgraven, ze naar de kuil dragen waarin ze zouden worden verbrand, hun as doorzoeken, herkenbare delen vermalen en dan de as begraven. Andere ploegen droegen zorg voor het algemeen onderhoud van het kamp. Nieuwe arbeiders (meestal sterke, jonge mannen) werden geselecteerd uit de transporten en onder dwang bij een van de Kommando’s ingedeeld. Vaak werden ze geslagen en
gegeseld door de bewakers. De meesten van hen werden na een paar dagen geëxecuteerd en vervangen door nieuwaangekomenen. Vanaf de lente van 1943, toen er minder nieuwe transporten aankwamen, bleven de leden van de Sonderkommando’s echter langer in leven. Dat maakte het mogelijk de opstand van augustus 1943 te organiseren.
24 Volgens Korotkova had Grossman op zijn bureau een speelgoedblokje uit Treblinka staan. Het zat vol krassen en de plaatjes waren er bijna af gesleten (http://www.lechaim. ru/ARCHIV/•93/LKL. htm).
25 In haar artikel ‘In the Fields of Treblinka’ schrijft Rachel Auerbach: ‘We moeten niet vergeten dat het uitroeien van de joden in de eerste plaats roofmoord was. De verdere verwerking van goud en kostbaarheden [ … ] was uitstekend georganiseerd.’ Ze haalt een overlevende van Treblinka aan, Aleksandr Koedlik: ‘Van het sorteren van kledingstukken gingen we over op het sorteren van gouden pennen. Ongeveer zes maanden lang heb ik gouden pennen uitgezocht- tien uur per dag, zes maanden lang alleen maar pennen sorteren.’ Ze citeert ook uit de aantekeningen gemaakt door drie van de gevangenen: ‘De volgende artikelen zijn verzonden: ongeveer 25 wagonladingen haar verpakt in balen, 248 wagonladingen mannenkostuums, ongeveer 100 wagonladingen schoenen, 22 wagonladingen confectiekledingstukken. [ … ] Er zijn meer dan 40 wagonladingen medicijnen, doktersapparatuur en metalen vullingen verzonden. Twaalf wagonladingen handwerktuigen, 260 wagonladingen beddengoed, veren- en donsdekens, spreien, wollen dekens. Verder ongeveer 400 wagonladingen met gemengde artikelen, zoals schalen, kinderwagens, dameshandtassen, reistassen, pennen, brillen, scheergerei, toiletbenodigdheden en andere ldeine artikelen. Honderden wagonladingen met allerlei kledingstukken, ondergoed en ander gebruikt textiel’ (opgenomen in Donat, op.cit., p. 68 en p. 56-67). Serenywijst er juist op dat de som van 178.745·960 Duitse mark, opgebracht door de drie Aktion Reinhardtkampen, in de context van een groot staatsbudget ‘een onbeduidend bedrag’ was (op.cit., p. rm). Ze betoogt overtuigend dat de nazi’s voornamelijk gedreven werden door ideologie, niet door financiële overwegingen.
26 Ook hier verrekent Grossman zich. In het hele vernietigingskamp werkten niet meer dan 20 tot 35 ss’ers. En aangezien er maar 90 tot 120 Wachmänner in het kamp waren, is het uitgesloten dat zoveel van hen tegelijkertijd transportdienst hadden.
27 Arbeiders die er zwak of ongezond uitzagen liepen grote kans te worden geëxecuteerd. Het was cruciaal om gezond en sterk te lijken. Abraham Krzepicki, een overlevende van Treblinka, schrijft: ‘We stonden elke ochtend voor de reveille op om ons te wassen en te zorgen dat we er zo jeugdig en vitaal mogelijk uitzagen. [ … ] Iedereen schoor zich dagelijks en waste zich met eau de cologne uit de bundels achtergelaten door de Joodse gevangenen. Sommigen gebruikten zelfs poeder of rouge’ (Donat, op.cit., p. roo).
28 Er stonden Wachmänner met geweren en machinegeweren op de daken van de barakken.
29 ss-rang gelijk aan die van stafonderofficier.
30 Het haar werd voor verschillende doeleinden gebruikt: in de uniformen van soldaten en spoorwegarbeiders, in tapijten en matrassen, in touwen en koorden op schepen en in sokken en handschoenen voor de bemanningsleden van duikboten.
31 In zijn manuscript legt Grossman bijzondere nadruk op dit woord, dat hij met twee of drie keer grotere letters schrijft. Zijn uitroeptekens zijn vette, verticale wiggen.
32 Een uitwerking van Jankiel Wierniks gedachten in ‘Een jaar in Treblinka’: ‘Alles wat de Joden achterlieten had zijn waarde en zijn plaats. Alleen de Joden zelf werden beschouwd als waardeloos’ (Donat, op.cit., p. 168).
33 De meeste beschrijvingen van de Duitse concentratiekampen vermelden de voortdurende aansporingen van de bewakers aan de gevangenen- zowel de arbeiders als de terdoodveroordeelden- om alles ‘schneller’ te doen.
34 ‘Hände hoch/ Marsch.’ Schne;ler! Schneller.”- Deze woorden zijn, net als ‘Achtung!’ op de voorafgaande bladzijde van Grossmans manuscript, geschreven in enorme letters, en er staan nog grotere, wigvormige uitroeptekens achter.
35 Grossman onderschatte de ordelijkheid van de Duitsers. Er was een speciale ploeg met als taak het pad schoon te maken en met nieuw zand te bestrooien nadat er een groep slachtoffers was voorbijgekomen (Chil Rajchman, Treblinka: A Survivor’s Memory, MacLchosc Press 2011).
36 Gebruikelijker was de benaming Himmelfahrtstrasse of Himmelweg (‘weg naar de hemel’). De laan stond ook bekend als der Schlauch (‘de koker’): er waren takken door de twee meter hoge prikkeldraadafrastering gevlochten, om het onmogelijk te maken naar binnen of naar buiten te kijken.
37 Eigenlijk was Unterscharführer Franz Suchomels voornaamste taak in Treblinka het verzamelen en verwerken van geld en kostbaarheden. Claude Lanzmann interviewt hem uitvoerig in Shoah (1985). De meeste overlevenden beschouwden Suchomel indertijd als een van de minder wrede bewakers. Toen hij in 1965 werd berecht, samen met negen andere oud-medewerkers van Treblinka, werd hij veroordeeld tot zes jaar gevangenis- een relatief lichte straf.
38 Joseph Hirtreiter (bijgenaamd ‘Sepp’) is in 1951 in Frankfurt berecht en veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Hij werd onder meer schuldig bevonden aan ‘het vermoorden van vele jonge kinderen in de leeftijd van één tot twee tijdens het uitladen van de transporten, door ze bij hun voeten te pakken en met hun hoofd tegen de goederenwagons te slaan’ (Donat, op.cit., P· 277).
39 Boven de deur was een davidster aangebracht en de Hebreeuwse inscriptie: ‘Door deze poort gaan alleen de rechtvaardigen binnen’ (Chrostowski, op. cit., p. 61). Het gebouw- dat dertien maanden voordat het Rode Leger Treblinka bereikte was neergehaald – was eigenlijk van baksteen, Anders zou het moeilijk zijn geweest het hermetisch af te sluiten.
40 Arad bevestigt dat Scharführer Fritz Schmidt de leiding had over het complex van de gaskamers (op. cit., p. 121). Schmidt is later gearresteerd in Saksen, en in december 1949 veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf. Hij wist echter te ontkomen naar West-Duitsland en is nooit opnieuw berecht.
41 Een medicijn tegen malaria.
42 Het was eigenlijk de kleinste van de twee, Nikolaj Martsjenko, die mensen mishandelde met een dikke buis, terwijl de lange man, Ivan Demjanjoek, op mensen inhakte met zijn sabel. In 1986 werd Demjanjoek, die bekendstond als ‘Ivan de Verschrikkelijke’, door de Verenigde Staten uitgeleverd aan Israël. Twee jaar later kreeg hij de doodstraf vanwege misdaden tegen de menselijkheid. In 1993 sprak het Israëlische Hooggerechtshof hem echter vrij, omdat er ‘gerechtvaardigde twijfel’ over bestond of Demjanjoek echt Ivan de Verschrikkelijke was. Hij mocht terugkeren naar de Verenigde Staten. Op 2 april 2009 werd echter bekendgemaakt dat hij opnieuw zou worden uitgeleverd aan Duitsland om terecht te staan vanwege medeplichtigheid aan 29.000 moorden in Sobibór, waar hij gewerkt had als bewaker voor zijn overplaatsing naar Treblinka. Op 11 mei 2009 landde hij in Duitsland, en op 30 november 2009 begon zijn proces in München. Op 17 maart 2012 is Ivan Demjanjoek, in afwachting van zijn hoger beroep, een natuurlijke dood gestorven.
43 De rang van Untersturmführer stond gelijk aan die van tweede luitenant. Hoewel Kurt Franz officieel de plaatsvervanger was van Hauptsturmführer Franz Stangl (de kampcommandant van september 1942 tot augustus 1943), had hij in feite de leiding over de dagelijkse gang van zaken. Jong en knap, ‘met een rond, haast kinderlijk gezicht, had hij de bijnaam Lalke (Jiddisj voor ‘pop’) gekregen. Hij was echter een sadist, en veel verhalen van getuigen over Treblinka vermelden zijn kwaadaardige hond. Volgens Rajchman beval Franz Barry: ‘Mensch,fass den Hund!’ (‘Mens, grijp die hond!’). In 1959 werd Kurt Franz gearresteerd in Düsseldorf. Bij een huiszoeking vond de politie een fotoalbum met de titel Die schönsten Jahre meines Lebens (‘De mooiste jaren van mijn leven’), dat foto’s bevatte van het kamp, van Stangl, Barry, de graafmachine et cetera (Chrostowski, op.cit., p. 103). In 1965 werd Kurt Franz veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Hij is gestorven in een bejaardentehuis in Wuppertal op 4 juli 1998.
44 Hemy Noel Brailsford was een linkse Britse journalist en de auteur van Our Settlement with Germany (1944). Hij was zeker geen verdediger van HitIer. Wel had hij zich, als een van de weinige linkse schrijvers in Engeland, kritisch uitgelaten over de showprocessen in de Sovjet-Unie, waardoor hij slecht lag bij de Sovjetautoriteiten. Het komt zelden voor dat Grossman de Sovjetpropaganda zo klakkeloos overneemt.
45 De bijtende toon van deze passage mag verbazen. Recent onderzoek laat echter zien dat Grossmans kritiek op de paus gerechtvaardigd was. Susan Zuccoti heeft aangetoond dat Pius XII en het Vaticaan wisten wat de nazi’s deden tijdens de Holocaust, maar verkozen te zwijgen (Zuccoti, Under His Very Windows: The Vatican and the Holocaust in Italy, Yale University Press, 2000), Ook Sereny gaat in op de medeplichtigheid van de paus en het Vaticaan (op.cit., p. 64-77, 140-142, 277-286).
46 Op 10 of 11 september 1942 sprong Meir Berliner, een Argentijns staatsburger, uit de rijen gevangenen naar voren en stak Max Bialas met een mes. Berliner werd, samen met ten minste tien andere gevangenen, ter plekke vermoord; Max Bialas stierf op weg naar het militair hospitaal, waarna als represaille nog 150 gevangenen werden geëxecuteerd. De barak van de Wachmänner werd daarna de ‘Max Bialas-barak’ genoemd.
47 Deze verhalen zijn overdreven, maar ze worden in elk geval deels bevestigd door andere bronnen (zie bijvoorbeeld Willenberg, op.cit., p. 127 en ‘Een jaar in Treblinka’ door Jankiel Wiernik in Donar, op.cit., p. 172). Rajchman beschrijft hoe op 10 november 1942 een transport van Joden uit Ostrowiec ’s nachts de gaskamers werd binnen gedreven, wat ongebruikelijk was. Een groep van dertig of veertig mannen verzette zich. Naakt leverden ze een vuistgevecht, tot ze werden geveld door machinegeweren.
48 Chrisdan Wirth, de vergassingsexpert, streefde naar de vernietiging van 25.000 mensen per dag, maar dat bleek onmogelijk (Donald James Wheal en Warren Shaw, Dictionary of the Third Reich, Londen: Pcnguin 2002, p. 288). Aktion Reinhardt was duidelijk doortrokken van een besef van manische urgentie op elk niveau: van de strategische planning tot het dagelijkse beheer van de kampen. Volgens Mazower ‘werden degenen die verantwoordelijk waren voor de geheime moordoperatie voortgedreven dom een gevoel van opwinding en urgentie’; ze stonden onder voortdurende druk om het tempo op te voeren en het werk af te maken voordat het bekend zou worden. Globocnik geloofde dat ‘de hele Joodse operatie zo snel mogelijk moest worden uitgevoerd om te vermijden dat we op een dag halverwege blijven steken, door moeilijkheden gedwongen de operatie stil te leggen’. Viktor Brack, een leidende figuur in het programma, heeft opgemerkt dat Himmler zelf ‘zo snel mogelijk wilde werken, al was het alleen maar om redenen van geheimhouding’ (Mazower, Hitter’s Empire, Londen: Penguin 2008, p. 386). Himmler zei tegen Wirth dat hij van hem en zijn mannen verwachtte dat ze ‘een bovenmenselijke onmenselijkheid zouden tonen’ (‘Ic h müte ihnen Übermenschlich-Unmenschliches zu’) (Donat, op.cit., p. 273).
49 Er is inderdaad een periode geweest waarin de lijken naar de massagraven werden gebracht door kiepkarren die over een smalspoor werden geduwd. Dat systeem bleek echter onpraktisch, waarna de Totenjuden de draagbaren weer in gebruik namen (http:/www.deathcamps.org/treblinkajueblinka.hrml).
50 Er zijn geen andere bronnen die melding maken van het gebruik van stoom of van pompen die de lucht uit de kamers zogen. Wel vinden we bij Chil Rajchman het volgende: ‘Op dagen dat ze door het opperbevel van de Aktion Reinhardt in Lublin waren gewaarschuwd dat er de volgende dag geen transport zou aankomen, lieten de beulen de mensen uit puur sadisme in de gaskamers staan tot ze stierven door verstikking, gewoon vanwege gebrek aan lucht’ (op.cit.).
5I Arad schrijft: ‘Als de deuren opengingen, stonden alle lijken rechtop; de slachtoffers waren zo opeengepakt en hadden zich op zo’n manier aan elkaar vastgegrepen dat ze één enkel blok vlees leken te vormen’ (op. cit.). Rajchman, zelf een van de Totenjuden, schrijft: ‘Dat mensen zo samengeperst konden worden kwam doordat ze met geweld de gaskamer werden binnen gedreven. Ze hielden hun adem in om zich naar binnen te wurmen. Na de doodsstrijd en de vergassing zwollen de lichamen op rot ze één enkele massa vormden’ (op.cit.).
52 Van Auschwitz, waar de Duitsers Zyklon B in plaats van koolmonoxide gebruikten, weten we in ieder geval dat de kinderen en de zwakkeren het eerst ineenzakten, terwijl degenen die sterker waren over hen heen klommen en hen onder de voet liepen in een instinctieve poging zich omhoog te vechten naar de laatste inhaleerbare lucht.
53 Himmlers bezoek aan het hoofdkwartier van Action Reinhardt en de vernietigingskampen Sobibór en Treblinka vond plaats eind februari of begin maart 1943· Tegen die tijd waren bijna alle Poolse Joden uitgemoord, en was Auschwitz-Birkenau veel belangrijker geworden als vernietigingskamp. Sobibór en Treblinka hadden hun taak vervuld.
54 Naar het schijnt is het altijd Himmlers bedoeling geweest de lijken te laten verbranden, en herhaalde hij tijdens dit bezoek slechts een vroeger bevel waaraan de kampleiding geen gehoor gegeven had (Arad, op. cit., p. 167). Maar misschien heeft Grossman meer in het algemeen toch gelijk. Elders schrijft Arad: ‘In januari 1944 begon Globocnik zich zorgen te maken over het verbergen van zijn misdaden, terwijl hij anderhalf jaar daarvoor, in augustus 1942, toen bezoekende ss-officieren hem vroegen of het niet beter zou zijn, om redenen van geheimhouding, de lijken te verbranden in plaats van te begraven [ … ],nog geantwoord had: “Integendeel, we zouden bronzen plaquettes moeten begraven om vast te leggen dat wij het waren die de moed hadden deze reusachtige taak uit te voeren'” (ibid., p. 376). Er is geopperd dat de Duitse ontdekking van de massagraven van Katyn Himmler heeft doen besluiten de sporen van de Duitse misdaden uit te wissen. (In 1940 had de geheime dienst van de Sovjet-Unie ongeveer 22.000 Poolse officieren en andere leden van de elite geëxecuteerd. De Wehrmacht vond de massagraven in 1943, en probeerde die ontdelddng aan te wenden voor anti-Sovjetpropaganda.) Die hypothese is echter onhoudbaar: Himmler bezocht Treblinka half maart 1943, en het bloedbad van Katyn werd pas in april 1943 bekend.
55 Mazower schrijft dat Himmlers keus viel op ‘Standartenführer Paul Blobel, die [ … ] de leiding had over het ss-doodseskader verantwoordelijk voor het bloedbad van Babi Jar bij Kiev. Blobel gaf, om te beginnen in Auschwitz en Chelmno, bevel de enorme grafkuilen bloot te leggen en de stoffelijke overschotten te verbranden, in speciale crematoria of op grote vuren. Hij gaf vergelijkbare orders voor Belzec, Sobibór en Treblinka, en zijn ondergeschikten bezochten de kampen om erop toe te zien dat hetvcrbranden van de honderdduizenden lichamen volgens de instructies gebeurde’ (op. cit., p. 410). Grossman had hier misschien eerder een van Blobels ondergeschileten in gedachten, Scharführer Herhert Floss, die werkzaam was als ‘lijkverbrandingsdeskundige’ in achtereenvolgens Belzec, Sobibór en Treblinka (Arad, op.cit., p. I7J).
56 Vergelijk met de woorden van Richard Glazar, een Tsjechische Jood die Treblinka heeft overleefd: ‘Plotseling[ … ] schoten de vlammen hoog op. Heel hoog. In een flits leken het hele kamp en de wijde omgeving in lichterlaaie te staan. [ … ] Die nacht wisten we dat de doden niet meer zouden worden begraven, maar voortaan verbrand’ (Lanzmann, Shoah: the Complete Text, p. 9).
57 In werkelijkheid waren er, zoals reeds vermeld, ongeveer tweehonderd Totenjuden,
58 Er zijn geen Joden gedeporteerd uit Bulgarije zelf. Mogelijk gaat het hier om Griekse Joden uit Thracië. Uit Thracië, dat door Bulgarije was bezet, zijn wel Joden gedeporteerd (vriendelijke inlichting van Jean-Marc Dreyfus). 59 In Shoah beschrijft Richard Glazar hoe, na een periode van weinig transporten en als gevolg daarvan voedselschaarste in het kamp, de eerste treinen uit de Balkan aankwamen:’ Dat waren rijke mensen) de passagierscoupés waren volgestouwd met spullen. We werden allemaal bevangen door een afschuwelijk gevoel[ … ] een gevoel van hulpeloosheid, van schaamte. Want we stortten ons op hun eten. [ … ] De transporten uit de Balkan brachten ons tot een verschrikkelijk besef: wij waren de arbeiders in de fabriek van Treblinka, en onze levens hingen af van het hele productieproces, dat wil zeggen: van de slachting die in Treblinka plaatsvond’ (Lanzmann, Shoah: the Complete Text, p. 137; zie ook: Sereny, op.cit., p. 212-214).
60 Grossman vertaalt het Duitse woord tadellos hier ten onrechte in het Russisch als ‘onschuldig’. In feite betekent het ‘onberispelijk’, ‘keurig’, ‘uitstekend’. Rachel Auerbach verwijst naar een Duits officieel document dat vermeldt: ‘De lijkverbranding kreeg pas de juiste impuls na de komst van een instructeur uit Auschwitz.’ Ze schrijft verder dat de Joden die instructeur de bijnaam ‘Tadellos’ hadden gegeven, naar het woord dat hij zo graag gebruikte. ‘”Nu is het vuur godzijdank onberispelijk [tadellos],” zei hij, als [ … ] de berg lijken uiteindelijk vlam vatte’ (Donar, op.cit., p. 38).
61 ‘Ons rest nu alleen Treblinka, dat ons noodlot is.’ Grossman schrijft ‘giebt heute’ in plaats van ‘gibt es heute’.
62 ‘Ik plukte het bloemetje en gaf het aan mijn mooie, innig geliefde meisje.’ Grossman maakt verschillende foutjes (‘Blumlein’ in plaats van ‘Blümelein’, en ‘geliebten Mädlein’ in plaats van ‘herzliebsten Mägdelein’) in deze citaten uit Duitse liedjes. Misschien vergist hij zich gewoon, of probeert hij de woorden weer te geven zoals hij ze heeft horen uitspreken.
63 Grossman is niet de enige die deze beschuldiging uit, maar Sereny trekt haar overtuigend in twijfel(op. cit., p. 259).
64 Grossman lijkt deze alinea later te hebben toegevoegd. Hij komt niet in het manuscript voor, noch in de versies die zijn gepubliceerd in de Sovjet-Unie, maar wel in de Russische tekst van Het zwartboek (http://jhistory. nfurman.com/shoajgrossmanoo5.htm). Wat Grossman hier vertelt wordt bevestigd door Willenberg: ‘Kurt Franz gaf de ploegbazen bevel naar de opslagkamer te gaan en terug te komen met twee zwarte rabbijnse gewaden en zwarte hoeden met pompons. Twee gevangenen werden hierin uitgedost en uitgerust met zweepjes ( … ],om hun nek hing een wekker aan een touw. Ze werden het Scheisskommando genoemd – het strontcommando’ (Willen berg, op.cit., p. n7).
65 Vergelijk: ‘De meeste Duitsers die in Treblinka werkten waren jonge mannen tussen de zesentwintig en de dertig, merendeels getrouwd en met kleine kinderen. Ze beschouwden zichzelf als speciale mensen, door de Führer belast met een moeilijke en verantwoordelijke taak. De ss’ers voerden discussies met ingenieur Galewski, de ‘kampoudste’ ( … ]over de superioriteit van het Duitse ras [ … ],over hun hoogstaande cultuur en de toekomstige nieuwe orde in Europa. Ze dwongen gevangenen zich te verenigen in koren en orkesten, te dansen, te voetballen en te boksen. Hun commandanten waren met hen begaan, gezien hun belastende werk, en stuurden hen geregeld met verlof naar Duitsland. De Duitse kampbewakers waren bezorgd om hun eigen welzijn, en spanden zich voortdurend in voor de verbetering van hun leefomstandigheden. Ze probeerden hun barakken op te knappen door bloementuintjes aan te leggen en te onderhouden’ (Chrostowski, op. cit,, p. 41; zie ook Willenberg, op.cit., p. 114-115).
66 Rachel Auerbach beschrijft de weg als bedekt met ‘een vreemd mengsel van steenkool en as van de brandstapels waarop de lijken van de gevangenen werden verbrand’ (Donar, op. cit., p. 70). Misschien vergist Auerbach zich wat de steenkool betreft, waarvan in geen enkele andere getuigenverklaring sprake is.
67 Een groot deel van de as werd teruggebracht naar de grafkuilen. Afwisselende lagen zand en as werden bedekt met een twee meter dikke laag zand (Rajchman, op.cit.).
68 In werkelijkheid waren er, zoals eerder opgemerkt, ongeveer tweehonderd Totenjuden, die bij de gaskamers werkten en verbleven. Het ‘kleine geluk’ waarop ze moesten hopen was een kogel in hun achterhoofd, een snelle dood.
69 Het kamp was verdeeld in drie zones: het Wohnlager, waar de barakken stonden, het Auffangslager, waar mensen aankwamen, en het Tótenlager, waar ze werden vermoord. Het Wohnlager en het Auffangslager werden das untere Lager (het benedenkamp) genoemd, het Totenlager heette das obere Lager (het bovenkamp). Het eerste comité ter voorbereiding van een opstand werd eind februari of begin maart 1943 gevormd in het benedenkamp. Eind mei of begin juni we1·d een organiserend comité gevormd door de Totenjuden in het bovenkamp.
70 Volgens de meeste bronnen over de geschiedenis van de opstand werd het wapenmagazijn opengemaakt met behulp van een sleutel die de gevangenen hadden gekopieerd. Het is bovendien waarschijnlijk dat de wapens pas op de middag van de opstand uit het magazijn werden gestolen.
71 De gevangenen die de kleren en bezittingen van de doden moesten sorteren vonden vaak geld en kostbaarheden. Het was niet moeilijk om een deel daarvan achter te houden.
72 Op deze punten komen de enigszins van elkaar verschillende versies van het verhaal overeen: de Scharführer kwam onverwacht de barak binnen en verraste dokter Chmazydd, Chorazycki nam vergif in en Kurt Franz was woedend op een andere, uit de gevangenen gerekruteerde dokter, die er niet in slaagde Chorazycki’s leven te redden.
73 De opstand begon een halfuur eerder dan de bedoeling was. Uit angst dat de commandant van het benedenkamp lucht van de zaak gekregen had, schoot een van de samenzweerders hem neer. Als gevolg daarvan begon de opstand voordat de samenzweerders alle wapens uit het magazijn hadden gehaald en verdeeld.
74 Veel hiervan is helaas overdreven. Hun heldenmoed ten spijt- Sereny (op. cit., p. 236) noemt de opstand terecht ‘een van de meest heroïsche prestaties uit de oorlogsjaren in Oost en West’- zijn de opstandelingen er niet in geslaagd wachttorens te veroveren. Ze hebben ook geen ss’ ers doodgeschoten, wel tien tot vijftien Wachmänner. Verschillende barakken zijn afgebrand, maar diezelfde maand kwamen er nog drie nieuwe transporten binnen in het kamp. Het laatste daarvan – het laatste van alle transporten naar Treblinka – kwam aan op 19 augustus. Er zijn ongeveer driehonderd gevangenen ontsnapt tijdens de opstand, maar twee derde van hen werd kort daarna opnieuw gevangengenomen of vermoord.
75 Toen hij naar Sobibór werd gebracht, zei Petsjerski: ‘Hoeveel hellekringen waren er in Dantes Inferno? Negen, meen ik. Hoeveel ben ik er al door getrokken? Ik ben omsingeld, gevangengenomen, naar kampen in Vjazma, Smolensk, Borisov en Minsk gestuurd … En nu ben ik hier … Wat volgt er nog?’ (Argoementy i fokty, Moskou, 10 augustus 2008). Na zijn ontsnapping uit Sobibór sloot Petsjerski zich bij de partizanen aan. Maar toen het Rode Leger Wit-Rusland bevrijdde, werden de partizanen- zoals de meeste soldaten van het Rode Leger die ooit krijgsgevangen waren gemaakt door de Duitsers- ingedeeld bij een speciaal strafbataljon voor vermoedelijke verraders, die werden gebruikt als kanonnenvoer en voor het opruimen van mijnenvelden. Ook dit overleefde Petsjerski, waarna hij tot kapitein werd bevorderd en zelfs een medaille voor heldenmoed kreeg. Petsjerski’s bataljonscommandant was zo geschokt door zijn verslag van Sobibór dat hij zijn eigen leven riskeerde en Petsjerski tegen de regels in naar Moskou stuurde om te getuigen voor het Joods antifascistisch comité. ‘Opstand in Sobibór’, samengesteld door Pavel Antokolski en Veniamin Kaverin op basis van Petsjerski’s getuigenis, werd in april 1945 gepubliceerd in Znamja; het is ook opgenomen in het ongepubliceerde Zwartboek. In 1948 werd Petsjerski ontslagen uit zijn baan als theaterleider en gearresteerd; pas na Stalins dood in 1953 werd hij, onder toenemende internationale druk te zijnen behoeve, vrijgelaten. Petsjerski is in 1990 overleden, zonder ooit een medaille of eerbewijs te hebben gekregen voor zijn heldendaad in Sobibór. In 2007 is een kleine gedenkplaat aangebracht op de zijkant van het gebouw waar hij woonde.
76 Opnieuw overdrijft Grossman de aantallen, alsof hij niet kan geloven hoe weinig ss’ ers er in de kampen waren.
77 Een paar minuten voordat de opstand begon, schrijft Jankiel Wiernik in ‘Een jaar in Treblinka’, ‘namen we zwijgend afscheid van de plek waar de as van onze broeders begraven lag’ (Donar, op.cit., p. 187).
78 De achternaam van de Oekraïense kolonist was Strebel (Arad, op. cit., 373)
79 Franz Suchomel heeft gezegd dat toen hij, in augustus 1942, voor het eerst in Treblinka kwam, ‘de grond leek te golven door het gas [ … ] Je moet bedenken dat de graven zo’n vijf, zes meter diep lagen en helemaal volgestouwd waren met lichamen. Daaroverheen een dun laagje zand, en dat bij die hitte. Snap je?) (Lanzmann, Shoah: the Complete Text, p. 46). Grossman was echter in september 1944 in Treblinka, meer dan een jaar nadat de lichamen waren verbrand. De onvastheid van de bodem die hij beschrijft had misschien andere oorzaken. De grond was zanderig, en de enorme grafkuilen waren misschien niet stevig genoeg aangestampt. We weten ook dat de plaatselijke boeren de grond hadden doorgewoeld, op zoek naar door de Duitsers achtergelaten kostbaarheden.
8o Uit het manuscript blijkt dat dit de oorspronkelijke conclusie was, en dat de hiernavolgende alinea’s later zijn toegevoegd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website