IUSTUS IN PERPETUUM VIVET

mystiek

Schuldig landschap?

 

17. IUSTUS IN PERPETUUM VIVET ET APUD DOMINUM EST MERCES EIUS –
BOEK DER WIJSHEID 5, 15

Vandaag wordt in het epistel dit woord gelezen, namelijk wat de Wijze zegt: ‘De rechtvaardige leeft in eeuwigheid.’
Eerder al heb ik verklaard wat een rechtvaardig mens is; maar nu zeg ik het anders, in een andere betekenis: een rechtvaardig mens is hij die in de gerechtigheid is ingevormd en overgevormd. De rechtvaardige leeft in God en God in hem, want God wordt geboren in de rechtvaardige en de rechtvaardige in God; want door iedere deugd van de rechtvaardige wordt God geboren en wordt verblijd door elke deugd van de rechtvaardige, en niet enkel door elke deugd, maar door elke daad van de rechtvaardige, hoc gering die ook is: wat door de rechtvaardige in de gerechtigheid gedaan wordt, daardoor wordt God verblijd en doorblijd; want in Zijn grond blijft geen rest die niet van vreugde wordt doorkitteld. En dit moeten kortzichtige mensen maar geloven, de verlichten kunnen het weten.
De rechtvaardige beoogt met zijn daden niets voor zichzelf; want wie in hun daden zoiets beogen, of handelen om een of ander waarom, zijn knechten en huurlingen. Wil je daarom in de gerechtigheid worden in- en overgevormd, beoog dan in je daden niets en vorm geen waarom in jezelf, noch voor het tijdelijke, noch voor de eeuwigheid, noch beloning, noch zaligheid, noch dit, noch dat; want zulke daden zijn waarlijk allemaal dood. ja, zelfs als je God in je wilt vormgeven en je verricht daartoe allerlei werken, dan zijn die allemaal dood, en je bederft daarmee goede werken; en niet alleen bederf je goede werken, sterker nog, je begaat ook zonde, want je doet precies als een hovenier die een tuin moest aanplanten en daarbij de bomen rooide en dan toch loon wilde hebben. Op die manier bederf je goede werken. En daarom, wil je leven en wil je dat je werken leven, dan moet je ten aanzien van alle dingen afgestorven en tot niets geworden zijn. Het is aan de schepselen eigen dat zij uit iets iets maken; maar het is aan God eigen dat Hij uit niets iets maakt; en daarom, zal God iets in je of met je maken, dan moet je tevoren tot niets geworden zijn. En daarom, ga in tot je eigen grond, en werk daar, en de werken die je daar doet, die zijn alle levend. En daarom zegt de Wijze: ‘De rechtvaardige leeft’, want juist omdat hij rechtvaardig is werkt hij en leven zijn werken.
Nu staat er verder: ‘en zijn loon is bij de Heer’. Daarover in ’t kort dit. Dat er staat ‘bij’ betekent dat het loon daar is waar God zelf is; want de zaligheid van de rechtvaardige en Gods zaligheid is één zaligheid, want de rechtvaardige is daar zalig waar God zalig is. Johannes zegt: ‘Het woord was bij God.’ Hij zegt ‘bij’, en daarom is de rechtvaardige aan God gelijk, want God is de gerechtigheid. En daarom: wie in de gerechtigheid is, is in God en is God.
Nu willen we verder spreken over het woord ‘rechtvaardig’. Er staat niet ‘de rechtvaardige mens’ of ‘de rechtvaardige engel’, er staat enkel ‘de rechtvaardige’. De Vader baart Zijn Zoon als de rechtvaardige en de rechtvaardige als Zijn zoon; want alle deugd van de rechtvaardige en elk werk dat door de deugd van de rechtvaardige verricht wordt is niets anders dan de geboorte van de Zoon door de Vader. En daarom rust God geen moment, maar is Hij er jachtig en gedreven altijd er op uit dat Zijn Zoon in mij wordt geboren, zoals een geschrift zegt: ‘Noch omwille van Sion zwijg ik, noch omwille van Jeruzalem rust ik, totdat de rechtvaardige openbaar wordt en oplicht als een bliksemstraal.’ Sion betekent toppunt van leven, en Jeruzalem toppunt van vrede. Ja, noch omwille van het toppunt van leven, noch omwille van het toppunt van vrede rust God ooit, Hij is er jachtig en gedreven altijd op uit dat de rechtvaardige
openbaar wordt. In de rechtvaardige moet niets werkzaam zijn dan enkel God. Want is het zo dat iets van buitenaf je aanzet tot daden, heus, dan is alles wat je doet dood; en is het zo dat God je van buitenaf aanzet tot handelen, heus, dan zijn al je werken dood. Willen jouw werken leven, dan moet God je inwendig daartoe aanzetten in het innerlijkste van de ziel, willen ze léven; want daar is jouw leven, en daar alleen leef je. En ik zeg: vind je dat de ene deugd groter is dan de andere en
sla je die hoger aan dan de andere, dan heb je haar niet lief zoals ze is in de gerechtigheid, en God werkt in jou nog niet. Want zolang de mens een bepaalde deugd
hoger aanslaat of meer liefheeft, dan heeft hij de deugden niet lief, noch begrijpt hij ze, zoals ze zijn in de gerechtigheid; dan is hij niet rechtvaardig. Want de rechtvaardige begrijpt en beoefent alle deugden in de gerechtigheid zoals ze de gerechtigheid zelf zijn. Een geschrift zegt: ‘Vóór de gemaakte wereld ben ik’ Er staat dat ‘ik ben’ ‘vóór’, dat wil zeggen: daar waar de mens boven de tijd is uitgeheven in de eeuwigheid werkt hij met God samen één werk Vaak wordt de vraag gesteld hoe de mens in staat is die werken te verrichten die God duizend jaar geleden heeft gedaan en over duizend jaar zal hebben gedaan, en het wordt niet begrepen. In de eeuwigheid is geen eerder of later. En daarom is wat duizend jaar geleden gebeurde en wat over duizend jaar zal gebeuren en wat nu gebeurt niets anders dan één in de eeuwigheid. En daarom is wat God duizend jaar geleden deed en schiep en over duizend jaar gedaan en geschapen zal hebben en dat wat Hij nu doet niets anders dan één werk Daarom: de mens die boven de tijd is uitgeheven in de eeuwigheid verricht met God hetgeen God duizend jaar geleden en over duizend jaar heeft verricht. Wie wijs is kan het weten en de kortzichtige moet het geloven.
Paulus zegt: ‘Wij zijn eeuwig uitverkoren in de Zoon.’ Daarom moeten we nooit rusten voordat we datgene worden wat we eeuwig in Hem geweest zijn, want de Vader is er steeds gedreven en jachtig op uit dat wij in de Zoon worden geboren en hetzelfde worden wat de Zoon is. De Vader baart Zijn Zoon, en in dit baren schept de Vader zo’n groot behagen en vindt daarin zo’n rust, dat Hij Zijn hele natuur daarin opgebruikt. Want al wat in God is beweegt Hem ertoe om te baren; ja, vanuit Zijn grond en vanuit Zijn wezen en vanuit Zijn zijn wordt de Vader ertoe aangedreven om te baren.
Soms gaat er een licht op in de ziel, en de mens denkt dat het de Zoon is, en het is slechts een licht. Want waar de Zoon in de ziel openbaar wordt, daar wordt ook de liefde van de Heilige Geest openbaar. Daarom zeg ik: van de Vader is het wezen dat Hij de Zoon baart, van de Zoon is het wezen dat ik in Hem en zoals Hij is geboren word; van de Heilige Geest is het wezen dat ik in Hem word verbrand en volkomen met Hem word samengesmolten en volkomen liefde word.
Wie zo in de liefde is en volkomen liefde is, die gelooft dat God hem alleen liefheeft, en hij kent geen liefde voor of van iemand anders dan voor en van Hem alleen.
Sommige leermeesters zijn van mening dat de geest zijn zaligheid put uit de liefde; sommige anderen dat hij die put uit de aanschouwing van God. Maar ik zeg: hij put die noch uit de liefde, noch uit het onderkennen, noch uit de aanschouwing. Nu zou men kunnen vragen: aanschouwt de geest God in het eeuwig leven dan niet? Ja en nee. Daar waar hij geboren is, daar ziet en aanschouwt hij God niet. Maar daar waar hij geboren wordt, daar aanschouwt hij God. Daarom is de zaligheid van de geest daar waar hij geboren is, en niet daar waar hij geboren wordt, want hij leeft waar de
Vader leeft, dat is: in enkelvoudigheid en in onvervuldheid van het zijn. Keer je daarom van alle dingen af en sta onverhuld in het zijn. Want wat van het zijn geen deel uitmaakt is bijkomstigheid, en alle bijkomstigheden veroorzaken een waarom.
Dat wij ‘in eeuwigheid’ leven, daartoe helpe ons God. Amen.

Theresia van Avilla 1: Gewetensbrieven

DSCN5693

GEWETENSBRIEVEN
1
Waarschijnlijk geschreven in 1560. Teresa is nog in het klooster van de Menswording te Avila. Ze richt zich tot pater Pedro Ibáfiez. Deze eerste gewetensbrief en de twee volgende werden door Teresa samengebracht en vormen een soort klein tractaat dat nogal gelijkt op een eerste redactie van haar autobiografie. Pater Ibáfiez zal deze eerste brief letterlijk overschrijven en sturen naar andere theologen of andere biechtvaders van de heilige.
1. Op dit ogenblik ziet mijn manier van bidden er als volgt uit: heel zelden kan ik, tijdens het bidden, met het verstand overwegen. Want onmiddellijk begint mijn ziel zich in te keren en kent ze zo’n rust of vervoering dat ik in geen geval mijn zintuigen kan gebruiken. Ze zijn me van geen nut, behalve het gehoor, dat dan nog niet eens begrijpt.
2. Dikwijls overkomt me het volgende. Zonder aan de dingen van God te willen denken, terwijl ik bezig ben met andere zaken en het me soms onmogelijk lijkt te bidden -hoezeer ik me daartoe ook wil inspannen -omwille van grote dorheid en lichaamspijnen, juist dan overvalt me plotseling die inkeer en geestvervoering. Ik kan er me niet tegen verzetten. In één ogenblik brengen ze de resultaten en vooruitgang mee die ze in zich bevatten. En dit zonder een visioen gehad te hebben of iets te hebben gehoord of maar te weten waar ik was. Ik heb de indruk dat mijn ziel verloren gaat, maar neen ik zie dat ze erbij wint. Zou ik proberen in één jaar die winst te bereiken, ik denk dat het me niet zou lukken. Zó groot is ze.
3. Andere keren maken ze me erg onstuimig of ontwricht voor God. Ik kan dat niet beheersen. Het lijkt me of ik erbij ga sterven. Ik heb er dan behoefte aan te schreeuwen en tot God te roepen. Dat gaat met grote heftigheid gepaard. Soms kan ik niet blijven zitten, zo misselijk word ik. Dit lijden komt zonder dat ik het zoek. Het is van die aard dat de ziel er zich nooit zou willen van ontdoen zolang ze leeft. En de angst om niet langer een schijnleven te leiden is niet te genezen. Want het middel om God te zien is de dood. En die kan ik niet grijpen. Bij dit alles heb ik de indruk dat iedereen erg vertroost wordt, en dat iedereen een geneesmiddel voor zijn lijden vindt – behalve ik. Het drukt me zeer. Indien de Heer er niet aan verhielp door een vervoering die alles tot bedaren brengt en de ziel grote rust en voldoening schenkt -soms door iets te zien van wat ze verlangt, soms door andere dingen te begrijpen -, denk ik dat het zonder iets daarvan onmogelijk zou zijn dat lijden te boven te komen.
4. Andere keren wellen zo’n hevige verlangens op om God te dienen, dat ik er niet aan kan weerstaan. Ik heb daarbij pijn als ik zie hoe weinig ik Hem van nut ben. Het lijkt me dan alsof er geen moeite of niets ter wereld is dat ik niet op mij zou nemen, noch dood noch martelaarschap die ik niet gemakkelijk zou ondergaan. Dat gebeurt zonder redeneren, plotseling. Ik voel me helemaal veranderd en weet niet vanwaar zo’n kracht komt. Het lijkt alsof ik het zou willen uitschreeuwen en aan iedereen doen verstaan hoeveel eraan gelegen is zich niet met prullen tevreden te stellen en hoeveel God ons zal geven indien wij er ons voor ontvankelijk maken. Ik zeg dat deze verlangens van die aard zijn dat ze me vernietigen, aangezien ik het onmogelijke wil. Ik voel me als het ware gebonden door dit lichaam dat me belet iets te doen voor God en de Orde. Zonder die band zou ik merkwaardige dingen doen voor zover mijn krachten het toelaten. Als ik mij dan zonder kracht zie om God te dienen, voel ik die pijn zo hevig dat ik ze niet kan verwoorden. Dat eindigt dan in genieting, inkeer en vertroostingen van Godswege.
5. Andere keren is het gebeurd dat ik boete wou doen toen die grote angst om Hem te dienen mij overviel. Maar ik kon het niet. Het zou een hele opluchting betekenen. Het verlicht en verblijdt mij, al is die boete omwille van de zwakte van mijn lichaam, zo goed als niets. Liet ik die verlangens de vrije loop, ik denk dat ik zou overdrijven.
6. Soms ben ik zeer mistroostig omdat ik met mensen moet omgaan. Het bedroeft me zozeer dat ik hevig ween. Want ik verlang enkel maar de eenzaamheid. Ook al lees of bid ik soms niet, de eenzaamheid troost me. Spreken, vooral met verwanten en vrienden, weegt zwaar. Ik voel me dan als verloren, tenzij bij mensen met wie ik over het gebed en aangelegenheden van de ziel handel. Zij zijn mij een troost en een vreugde. Soms zijn ook zij mij teveel en wil ik hen niet zien, maar verlang ik te gaan waar ik heel alleen ben. Dat gebeurt echter niet dikwijls. Vooral de mensen bij wie ik mijn geweten kan uitspreken zijn altijd een troost voor mij.
7. Een andere keer doet het me veel leed te moeten eten en slapen en te zien dat ik –minder nog dan anderen -eraan kan verzaken. Ik doe het om God te dienen, ik draag het Hem dus op. De tijd om te bidden schijnt mij altijd kort, zelfs te kort ; want ik word het nooit moe alleen te zijn. Altijd heb ik verlangen naar tijd om te kunnen lezen. Daaraan ben ik zeer gehecht. Ik lees weinig. Want van zodra ik een boek ter hand neem, keer ik me in en dat voldoet me. Zo verandert de lezing in gebed. Het duurt kort, want ik heb veel bezigheden. Hoe goed deze ook zijn, ze geven me niet dezelfde voldoening. En zo verlang ik steeds naar tijd. Zien dat niet gebeurt wat ik wil en verlang, doet mij, naar ik meen, in niets meer smaak vinden.
8. Al deze verlangens en vermeerdering in deugd heeft de Heer mij geschonken, sinds Hij mij dat rustig gebed met vervoeringen gaf. Ik voel mij zo veel beter. Tevoren leek ik ten onder te gaan. Die vervoeringen en visioenen laten in mij de vruchten na die ik nu ga vermelden. Terecht zeg ik: als er iets goeds in mij is, dan komt het daar vandaan.
9. Er is in mij een heel grote beslistheid gegroeid om God niet te beledigen, zelfs niet door een dagelijkse zonde. Ik zou liever duizendmaal sterven dan zoiets wetens en willens te doen. Een beslistheid, voor geen geld ter wereld iets na te laten dat in mijn ogen volmaakter is en de Heer meer kan dienen. Dit op het zeggen van hem die over mij zorg draagt en mij leidt. Zou ik anders handelen, dan zou ik niet de vrijmoedigheid hebben om iets aan God onze Heer te vragen of om te bidden, ook al bega ik bij dat alles nog veel fouten en onvolmaaktheden. Ik gehoorzaam aan mijn biechtvader ook al is het op onvolmaakte wijze. Als hij iets wil of oplegt, dan zal ik -voorzover ik het begrijp –niet nalaten het te doen. Liet ik het toch na, ik meen dat ik dan op een erg dwaalspoor zou zijn. Ik verlang naar armoede, al doe ik het onvolmaakt. Bezat ik ook veel schatten, ik zou toch geen persoonlijk inkomen verlangen, noch geld voor mij alleen; ik geef er niets om en zou enkel het noodzakelijke willen. Alles bijeen, voel ik mij dikwijls te kort schieten in die deugd; want al verlang ik geen geld voor mij, ik zou het willen bezitten om het uit te delen; voor mezelf verlang ik noch inkomen noch iets anders.
10. Bijna alle visioenen die ik had deden mij vooruitgaan, tenzij de duivel mij bedriegt. Dat laat ik aan mijn biechtvaders over.
11. Merk ik iets moois, iets prachtigs zoals water, velden, bloemen, geuren, muziek, etc., dan lijkt het mij dat ik het liever niet zou zien of horen; zo groot is het verschil met wat ik gewoonlijk zie; ik verlies ook het verlangen ernaar. Vandaar komt het dat ik zo weinig geef om die dingen; enkel de eerste indruk ervan blijft me bij en het lijkt me allemaal laag bij de grond.
12. Wanneer ik spreek of omga met mensen van de wereld, omdat het niet anders kan, dan moet ik mij inspannen omdat het me lastig valt. Zelfs als het gesprek over het gebed gaat en lang duurt, vooral als het eerder uit tijdverdrijf dan uit noodzaak plaats heeft. Ontspanningen waar ik vroeger veel van hield en dingen van de wereld, alles hindert me. Ik kan het niet meer zien.
13. Die verlangens om God te beminnen, te dienen en te zien (die ik, naar ik zei, ondervind) zijn niet het resultaat van redeneren zoals vroeger toen ik meende heel godvruchtig te zijn en er veel tranen vloeiden. Nu is er een uitzonderlijke brand en vurigheid. Daarom herhaal ik: zou God er niet aan verhelpen door een vervoering die mijn ziel voldoening schijnt te geven, ik zou waarschijnlijk vlug sterven.
14. Ik hou veel van hen die ik verder gevorderd zie, vastbesloten, onthecht en moedig. Met dergelijke mensen zou ik willen omgaan. Zij schijnen mij te helpen. Schuchteren, die voorzichtig alles lijken af te tasten om te zien in hoever het redelijk is iets te doen, schijnen mij te bedroeven. Ze prikkelen me om God en de heiligen te aanroepen, die ondernamen wat ons vandaag afschrikt. Niet dat ik mij tot iets in staat voel, maar omdat God hen helpt die veel voor Hem doen. Hij laat hen nooit in de steek die enkel op Hem bet rouw en. Ik zou iemand willen vinden die me helpt om dat te geloven. Zonder mij te bekommeren om eten of kleding, dat alles aan God overlatend. Ik wil daarmee niet zeggen dat die overgave aan God voor het noodzakelijke, betekent dat ik er niet voor zorg; maar het moet gebeuren zonder bezorgdheid. Sinds Hij mij die vrijheid heeft geschonken, gaat het goed op dat punt. Ik tracht zoveel mogelijk mijzelf te vergeten. Ik meen dat de Heer me dit, nog geen jaar geleden, gegeven heeft.
15. God zij lof! Voorzover ik weet, heb ik geen enkele reden om ijdele eer te hebben. Ik zie duidelijk dat ik er voor niets tussen zit in deze dingen die God me geeft. God Iaat mij eerder mijn ellende aanvoelen. Hoezeer ik er ook zou over nadenken, ik zou niet zoveel waarheden kunnen inzien als nu in één oogwenk.
16. Wanneer Ik over deze dingen spreek, dan lijkt het me sinds korte tijd alsof het om iemand anders gaat. Vroeger leek het me soms alsof ik beschaamd was dat men dit van mij wist. Nu lijkt het me dat ik daarom niet beter ben, maar eerder slecht omdat ik zo weinig voordeel haal uit al die gunsten. Onder alle opzichten houd ik het voor zeker dat niemand op de wereld slechter is geweest dan ik. Zo lijken mij andermans deugden veel verdienstelijker. Ik doe niets anders dan gunsten ontvangen. God moet aan anderen in één keer geven wat Hij me hier wil schenken. Ik smeek Hem mij niet in dit leven te betalen. Ik geloof dat God mij langs deze weg heeft geleid omdat ik zwak en slecht ben.
17. Wanneer ik bid, en bijna altijd als ik een beetje overweeg, kan ik onmogelijk rust vragen, ook al zou ik het willen. Ik vraag God niet dat Hij me die geeft, want ik zie dat Hij hier enkel lijden heeft gekend. Dat vraag ik dan ook. Maar eerst moet Hij mij de genade geven om het lijden te dragen.
18. Alle dingen van die aard en van hoge volmaaktheid worden in mijn hart geprent tijdens het gebed. Zozeer dat ik, er verwonderd over sta zoveel waarheden zo klaar in te zien dat ik de dingen van de wereld voor dwaasheid houd. Ik moet op mijn hoede zijn en eraan denken hoe ik vroeger tegenover de dingen van de wereld stond. En dan blijkt het me zinloos bedroefd te zijn over dood en lijden of lange tijd benomen te blijven door verdriet en vreugde van verwanten, vrienden, etc. Ik zeg op mijn hoede te zijn als ik bedenk wie ik ben en hoe gevoelig ik ben.
19. Wanneer ik bij sommige mensen bepaalde dingen zie die duidelijk zonde zijn, dan kan ik niet overtuigd zijn dat die mensen God beledigd hebben. Blijf ik erbij stilstaan, al is het maar even, nóóit ben ik ervan overtuigd, ook al zag ik het duidelijk. Het leek me dat allen evenzeer als ik bezorgd zijn om God te dienen. Op dat punt heeft Hij mij een grote gunst geschonken, dat ik namelijk nooit stilsta bij iets verkeerds dat ik mij later herinner. En als ik eraan denk, dan zie ik in die persoon altijd een andere deugd. Ik tob mij dus niet af om die dingen gewoonlijk toch niet. De ketterijen maken mij dikwijls bedroefd. Meestal wanneer ik eraan denk, lijkt het mij het enige lijden dat ik voel. Toch ben ik ook bedroefd als ik mensen, die de weg van het gebed gingen, op hun stappen zie terugkeren. Dat doet mij pijn, maar niet veel, want ik zorg ervoor er niet bij stil te staan.
20. Ik voel dat bepaalde vormen van nieuwsgierigheid verbeterd zijn, maar toch niet helemaal. In dit opzicht heb ik me niet altijd verstorven, enkel nu en dan.
21. Alles wat ik gezegd heb is de gewone toestand van mijn ziel, voorzover ik het kan begrijpen. Voortdurend denk ik aan God. Zelfs als ik over iets anders spreek gebeurt dit, zonder het te willen (zoals ik zei) ; ik weet niet wie mij zo wakker houdt. Dit gebeurt niet altijd, maar wel wanneer ik belangrijke zaken afhandel. God zij dank, ik moet er slechts soms aan denken en er niet altijd mee begaan zijn.
22. Er komen van die dagen -alhoewel niet dikwijls, en het duurt dan drie, vier of vijf dagen -, dat alle goede dingen, vurigheid en visioenen, mij schijnen te ontvallen. Ik herinner me ze zelfs niet meer. Ook al verlang ik het, ik weet niet wat voor goeds er in mijn leven geweest is. Het lijkt allemaal een droom; tenminste, ik kan mij niets meer herinneren. AI mijn lichamelijke ongemakken kwellen mij dan tegelijk; mijn verstand geraakt in de war. Ik kan aan niets van God denken. Ik weet dan niet volgens welke wet ik leef. Lees ik, dan begrijp ik het niet. Het lijkt me dan alsof ik vol fouten zit, zonder enige moed voor de deugd. De grote moed die ik gewoonlijk heb, staat daar stil; het lijkt alsof ik dan niet zou kunnen weerstaan aan de minste bekoring en kwaadsprekerij van de wereld. Ik heb dan de indruk voor niets goed te zijn. Wie verplicht me mij boven het gewone te stellen? Ik ben dan bedroefd. Het lijkt alsof ik allen bedrogen heb die mij enig vert rouw en schonken. Ik zou mij willen verbergen op een plaats waar niemand mij ziet. Ik verlang dan de eenzaamheid, niet uit deugd, maar uit kleinmoedigheid. Het lijkt alsof ik zou willen twisten met allen die mij tegenspreken. Ik leef te midden van dat geschut, maar God geeft me dan de genade dat ik Hem niet méér beledig dan naar gewoonte. Ik vraag Hem niet mij uit die toestand te bevrijden. Is het zijn wil, dan mag het altijd zó blijven, als Hij mij maar bij de hand houdt zodat ik Hem niet beledig. Van ganser harte stem ik mij op Hem af. Van zijn kant is het een heel grote gunst -meen ik -dat Hij mij niet altijd in die toestand laat.
23. Iets verwondert mij. Eén van die woorden die ik gewoonlijk hoor, of een visioen, of een weinig ingekeerdheid (niet langer dan de duur van een Ave Maria) of een communie, maken in die toestand mijn ziel en mijn lichaam zó rustig, mijn verstand zó gezond en klaar dat ik mijn sterkte en mijn gewone verlangens terugvind. Ik heb daarvan ervaring, en zelfs dikwijls, vooral wanneer ik te communie ga. Sinds méér dan een half jaar voel ik mij merkelijk gezonder; soms komen daarbij nog vervoeringen; bijwijlen duurt dat méér dan drie uren; andere keren voel ik mij de hele dag veel beter. Naar mijn oordeel is dit geen inbeelding want ik heb het gezien en het nagegaan. Ben ik op die manier ingekeerd, dan vrees ik geen enkele ziekte. Weliswaar gevoel ik die beterschap niet wanneer ik bid zoals ik het vroeger gewoon was.
24. Alles wat ik zei, doet mij geloven dat die dingen van God komen. Want ik weet wie ik was, ik liep -en zelfs snel -op de weg naar de ondergang. Het is zeker dat die dingen mij verwonderd doen staan. Ik begrijp niet vanwaar die deugden komen. Ik herken mezelf niet. Ik zie dat het me gegeven is en niet verdiend door inspanning. In alle waarheid zie ik klaar in -en ik weet dat ik me niet vergis -dat God mij niet alleen daardoor tot zijn dienst heeft geroepen, maar mij zodoende ook van de hel heeft bevrijd. Mijn biechtvaders, bij wie ik een algemene biecht gesproken heb, weten dit.
25. Zie ik iemand die iets van mij weet, dan zou ik hem mijn leven willen verhalen, want ik beschouw het als een eer voor mij, dat onze Heer geloofd wordt; om de rest geef ik niets. Hij weet goed -tenzij ik verblind ben -dat geen eer, geen leven, geen lof, geen goed van lichaam of ziel mij bezig houdt. Ik wil dat niet, ik verlang niet mijn voordeel, maar enkel zijn eer. Ik kan niet geloven dat de duivel zoveel goeds heeft gezocht om mijn ziel te winnen en daarna te verliezen; voor zo dwaas houd ik hem niet. Ook kan ik niet geloven -ofschoon ik omwille van mijn zonde verdien bedrogen te worden -, dat God zoveel gebeden onverhoord heeft gelaten die zo goede mensen al sinds twee jaar voor mij tot Hem richten. Ik houd immers niet op aan allen gebed te vragen opdat de Heer mij zou te kennen geven of mijn leven tot zijn eer strekt; zoniet, dat Hij mij dan langs een andere weg leidt. Ik geloof niet dat Zijne Majesteit toestaat dat die dingen verder duren als ze niet van Hem komen.
26. Dat alles, bij hetgeen zoveel heiligen ervan denken, schenkt mij kracht wanneer ik omwille van mijn ellende vrees of het wel van God komt. Maar wanneer ik in gebed ben, en in de dagen dat ik rustig aan God denk, zouden alle geleerden samen met alle heiligen ter wereld mij alle mogelijke folteringen mogen doen ondergaan ; ze zouden mij niet doen aannemen dat het van de duivel komt. AI zou ik het zelf willen geloven, ik zou het niet kunnen. Toen ik ertoe verplicht werd, was ik bang daar ik zag wie het zei. Ik dacht dat zij wel de waarheid moesten spreken en ik in mijn ellende wel bedrogen moest zijn; maar bij het eerste woord of moment van inkeer of visioen verzwond alles wat ze me gezegd hadden. Ik kon niet anders dan geloven dat het God was.
27. Ook al kan ik denken dat de duivel er zich eens mee bemoeit -en dat is zo, zoals ik gezegd en gezien heb -toch zijn de resultaten dan verschillend. Hij zal niet bedriegen wie ondervinding heeft, dunkt me. Bij dit alles voeg ik nog dit: ook al geloof ik zeker dat het God is, ik zou voor niets ter wereld iets doen indien mijn leidsman niet van mening was dat het de Heer méér dient. Er werd me nooit iets anders gevraagd dan dat ik hun zou gehoorzamen en niets verzwijgen. Dat ligt mij.
28. Gewoonlijk word ik om mijn fouten berispt op een manier die mij diep raakt. Er werd mij goede raad gegeven die nuttig is wanneer er een gevaar schuilt (of kan schuilen) in iets dat ik onderneem. Dikwijls moet ik denken aan mijn vroegere zonden. Dat valt mij pijnlijk.
29. Ik ben breedvoerig geweest, zeker; maar wanneer het gaat over het goed dat ik na het gebed in mij zie, dan lijkt het mij toch bondig. Nadien zie ik opnieuw veelonvolmaaktheden, geen vooruitgang, wel veel ellende. Ik vergis me misschien, of wellicht begrijp ik het goede niet. Toch is mijn verandering van leven opvallend en dat geeft mij te denken. Ik zeg dat, in alles wat ik verhaal, het de waarheid lijkt wat ik voelde. Dit zijn de volmaaktheden die, naar mijn aanvoelen, de Heer in mij, slecht en onvolmaakt als ik ben, bewerkt heeft. Ik laat alles over aan uw oordeel, want U kent mijn ziel door en door.
2
Geschreven in 1562, men weet niet precies waar; misschien in het klooster van de Menswording te A vila in de maanden juli-augustus. Er is meer kans dat Teresa deze tekst schreef in het paleis van dofia Luisa de la Cerda te Toledo. Waarschijnlijk richt Teresa zich tot pater Ibáfiez.
I. Het lijkt me al meer dan een jaar geleden sinds ik dit 4 geschreven heb. God heeft mij al die tijd bij de hand gehouden, want ik ben niet slechter geworden. Veeleer stel ik een grote vooruitgang vast in hetgeen ik ga zeggen. Hij zij geloofd voor alles.
2. De visioenen en openbaringen hebben niet opgehouden; ze zijn integendeel veel verhevener. De Heer heeft mij een manier van bidden onderwezen die mij sterk doet vooruitgaan. Ik ben veel meer los van de dingen van dit leven, ik heb meer moed en vrijheid. De vervoeringen zijn toegenomen. Soms zijn ze zo hevig en van die aard dat men het uitwendig merkt, zonder dat ik er iets aan doen kan. Dit gebeurt zelfs in gezelschap, want ze zijn zo dat ik het onmogelijk kan verbergen tenzij door te beweren dat het om een verzwakking gaat, te wijten aan mijn hartziekte. Ook al doe ik mijn best om in het begin weerstand te bieden, soms lukt het me toch niet.
3. Wat de armoede betreft : God lijkt mij een grote genade te hebben geschonken. Ik zou zelfs het noodzakelijke niet willen bezitten tenzij ik het als aalmoes krijg. Ik verlang ten zeerste te leven op een plek waar men enkel van aalmoezen leeft. Het lijkt me dat het leven waar ik zeker ben niets te kort te hebben in eten en kleding, niet zó volmaakt de belofte of raad van Christus vervult als een leven zonder vaste inkomsten, waar men soms iets tekort heeft. De vruchten van de ware armoede lijken mij overvloedig; ik zou ze dan ook niet willen verliezen. Dikwijls ervaar ik het grote geloof dat God niemand in de steek laat die Hem dient. Ik twijfel er helemaal niet aan dat zijn woorden ooit vervuld worden, nu of in de toekomst. Ik kan mij van niets anders overtuigen. Ik kan geen vrees hebben. Ik voel het dan ook pijnlijk aan wanneer men mij de raad geeft vaste inkomsten aan te nemen. Ik wend mij dan tot God.
4. Ik heb blijkbaar meer hart voor de armen dan gewoonlijk. Ik beklaag hen erg en verlang ze te helpen. Volgde ik mijn eigen gemoed, ik zou hun zelfs mijn kleren geven. Het stoot mij helemaal niet af met ze te praten of ze met de hand aan te raken. Ik zie dat dit een genade is me nu door God gegeven. Want vroeger gaf ik hun een aalmoes omwille van Hem, zonder natuurlijk medelijden te voelen. Ik merk dus een duidelijke vooruitgang op dit punt.
5. Wat nu de kritiek op mijn persoon betreft (die is niet gering en bovendien erg in mijn nadeel): ook op dit punt voel ik vooruitgang. Het schijnt mij niet méér te raken dan een idioot. Soms of bijna altijd is het alsof men gelijk heeft. Het raakt me zo weinig dat het me de moeite niet waard schijnt dit aan God op te dragen. Uit ondervinding weet ik dat mijn ziel er veel bij wint; daarom lijkt het me eerder goed te doen. Ik koester dan ook geen vijandschap voor die mensen als ik daarna ga bidden. Op het ogenblik dat ik het hoor, is er een kleine weerstand in mij, maar geen onrust of opwinding. Zie ik sommige mensen mij beklagen, dan heb ik veeleer binnenpretjes. Want al de beledigingen van dit leven lijken mij zo weinig belangrijk dat men ze niet eens hoeft te voelen. Ik stel me voor in een droom te leven. Van zodra ik ontwaak zie ik dat dit alles niets te betekenen heeft.
6. God geeft mij een intenser verlangen naar en meer smaak in de eenzaamheid; ook een grotere onthechting, zoals ik zei; visioenen hebben mij doen inzien wat alles maar waard is, zelfs al verlaat ik mijn vele vrienden, vriendinnen en verwanten; dat is nog het minste; mijn verwanten vermoeien mij veeleer. Als het erom gaat God een klein beetje meer te dienen, dan verlaat ik ze in alle vrijheid en blijheid, en zo vind ik overal de vrede.
7. Sommige raadgevingen die ik in het gebed kreeg, bleken helemaal waar te zijn. Dank zij Gods gunsten, vind ik me veel verbeterd; van mijn kant voel ik mij nog ellendiger in zijn dienst. Want ik heb meer comfort gehad (men heeft het mij aangeboden), maar ik ben er dikwijls erg mee verveeld. Ik doe weinig boete. Men betuigt mij veel eerbewijzen, alhoewel dikwijls tegen mijn wil in. Tenslotte leid ik een aangenaam en geenszins verstorven leven. God verhelpe het zoals Hij dit kan!
3
Geschreven in het Sint-Jozefsklooster te Avila negen maanden na de vorige brief, dus in 1563. Waarschijnlijk richt Teresa zich tot pater Garcia de Toledo.
1. Wat ik hier bijvoeg heb ik eigenhandig geschreven, ongeveer negen maanden geleden. Ik ben al die tijd niet afgeweken van de gunsten die God mij gegeven heeft. Voorzover ik het begrijp, is het of ik opnieuw een veel grotere vrijheid verkreeg. Tot nu toe meende ik anderen nodig te hebben. Ik had méér vert rouw en op hulp van mensen. Nu begrijp ik klaar dat alle mensen zijn als droge rozemarijnstengels. Wie daarop steunt heeft geen veiligheid. Bij het minste gewicht van tegenkanting of kritiek breken ze. Zo weet ik uit ervaring dat het ware middel om niet te vallen is: steunen op het kruis en vert rouw en op Hem die er Zich op uitstrekte. In Hem vind ik een echte vriend. Ik voel me daardoor zo machtig gesterkt dat ik heel de wereld weerstand zou kunnen bieden wanneer ze tegen mij zou opstaan, als God mij maar niet in de steek laat.
2. Alvorens deze waarheid zo duidelijk te begrijpen, stond ik er gewoonlijk op dat iedereen van mij hield. Nu lijk ik er niets om te geven; het vermoeit mij zelfs veeleer. Tenzij het gaat om mensen met wie ik over mijn ziel spreek of die ik meen van nut te kunnen zijn. Ik zou hun vriendschap op prijs stellen, van de eersten om mij te verdragen, van de laatsten om mij van harte te geloven als ik hun zeg dat alles ijdel is.
3. God heeft mij veel moed gegeven te midden van grote moeilijkheden, vervolgingen en tegenkantingen, die ik deze laatste maanden gekend heb.
Hoe groter de moeilijkheden, hoe groter de moed, zonder dat ik het lijden moe werd. Mensen die kwaad van mij spraken, droeg ik geen kwaad hart toe. Ik scheen eerder opnieuw liefde voor hen op te vatten. Ik versta niet hoe dit mogelijk is. Het is waarlijk een geschenk van de Heer.
4. Wanneer ik naar iets verlang, doe ik het van nature gewoonlijk onstuimig. Nu zijn mijn verlangens zó rustig dat ik niet weet of ik blij ben als ik ze in vervulling zie gaan. Vreugde en verdriet, alles is sereen; tenzij het over het gebed gaat. Ik lijk dan wel verdwaasd. Zo breng ik enkele dagen door.
5. De drang naar boete die mij soms bezielt en die ik ook vroeger had, is groot. Doe ik boete, dan voel ik het zo weinig omwille van dat groot verlangen; het blijkt me dan soms -of zelfs bijna altijd -een bijzonder genoegen, maar ik doe weinig boete omdat ik zwaar ziek ben.
6. Het is voor mij dikwijls een heel grote last, en nu zelfs een buitengewone pijn, te moeten eten, vooral wanneer ik in gebed ben. Het moet een grote pijn zijn, want ik schrei veel en zeg woorden vol smart, bijna zonder het te merken; dat is niet mijn gewoonte. Ik herinner me niet in de grootste beproevingen van dit leven ooit dergelijke woorden gezegd te hebben; want op dit punt ben ik helemaal niet v rouwelijk, ik ben gehard.
7. Meer dan ooit verlang ik hevig dat mensen, vooral geleerden, God in alle vrijheid mogen dienen, onthecht van al het aardse (want ik zie dat alles komedie is). Als ik de grote noden van de Kerk zie, die mij zoveel pijn doen, dan lijkt het me gek nog om iets anders te lijden. Zo beveel ik die noden voortdurend God aan. Ik zie dat één echt volmaakt mens met een waarlijk brandende Gods’liefde, van meer nut is dan vele lauwen.
8. Ik voel me veel sterker in de zaken van het geloof. Ik meen dat ik me heel alleen tegen alle lutheranen zou willen opstellen om ze hun dwaling te doen inzien. Dat zoveel zielen verloren gaan, voel ik zeer pijnlijk aan. Ik zie er ook die vooruitgang maken; ik begrijp duidelijk dat God dit gewild heeft door mijn toedoen. Ik zie ook in dat mijn ziel door zijn goedheid, iedere dag groeit in liefde tot Hem.
9. Soms lijkt het me dat ik geen ijdele roem meer zou kunnen koesteren, ook al spande ik mij ervoor in. Ook zie ik niet in hoe ik zou kunnen denken dat één van die deugden mij toebehoort. Want tot vóór kort zag ik mijzelf lange jaren zonder één deugd. Nu doe ik van mijn kant niets anders dan gunsten ontvangen zonder Hem te dienen, ik voel mij als het meest onnuttige ding ter wereld. Zo komt het dat ik soms bedenk hoe allen vooruitgaan, terwijl ik voor niets deug. Dat is zeker geen nederigheid, maar waarheid. Zie ik bij mezelf geen vooruitgang, dan schrik ik soms bij de gedachte dat ik in dwaling leef. Ik zie dus klaar in dat alle winst komt door die openbaringen en vervoeringen, waarin ik geen aandeel heb en waarvoor ik niet méér doe dan een stuk hout. Dat stelt mij gerust en brengt me tot vrede. Ik leg me dan in Gods armen en vert rouw op mijn verlangens die duidelijk zijn: sterven voor Hem en verzaken aan elke verpozing, kome wat komt.
10. Er zijn dagen dat ik zonder ophouden denk aan hetgeen Sint-Paulus zegt, ofschoon het zeker niet zo met mij is. Het lijkt mij soms dat niet ik leef, of spreek of iets wil, maar dat Iemand in mij me leidt en kracht geeft. Ik leef als het ware buiten mijzelf; het leven weegt me dan ook zeer zwaar. Aangezien het mij zoveel kost ver van Hem te zijn, is het beste dat ik Hem aanbied als dienst: uit liefde tot Hem te willen leven. Dat zou ik willen doen al gaat het gepaard met veel lijden en vervolging; daar ik nergens toe deug, wil ik toch goed genoeg zijn om te lijden. AI het lijden van de wereld zou ik verdragen om een beetje meer verdiensten te hebben, dat wil zeggen door beter zijn wil te doen.
11. Ik heb niets in het gebed vernomen of het ging in vervulling, al was het twee jaar later. Ik zie zoveel dingen in, ik begrijp zozeer de grootheid van God en hoe Hij alles leidt, dat ik er bijna nooit aan denk of mijn verstand schiet te kort. Het is alsof ik dingen zie die mijn begrip ver overstijgen, ik geraak dan ingekeerd.
12. God hoedt mij er zó voor Hem te beledigen dat ik soms verbaasd sta. Het lijkt dat ik zijn grote bezorgdheid voor mij zie zonder dat ik er voor iets tussen kom. Ik was vroeger immers een diepe zee van zonden en fouten en ik leek niet in staat ze achterwege te laten. Als ik wil dat men dit weet, dan is het opdat men Gods grote macht begrijpe Hij zij voor altijd geloofd. Amen.
13. Het begin van dit relaas is niet eigenhandig geschreven, want ik heb het aan mijn biechtvader gegeven. Zonder iets weg te laten of toe te voegen, heeft hij dit afschrift gemaakt. Hij is zeer geestelijk en theoloog. Met hem besprak ik de toestand van mijn ziel. Hij heeft er over gesproken met andere geleerden, onder wie pater Mancio. Ze vonden niets tegenstrijdigs met de heilige Schrift. Dit schenkt mij grote rust. Ik begrijp hoe ik niet op mijzelf mag bet rouw en zolang God me langs deze weg leidt. Toch heb ik het altijd gedaan, alhoewel ik het erg betreur, beschouw dit alles als gezegd onder biechtgeheim, zoals ik er U om verzocht.
4
Geschreven te Toledo, 18 november 1569, en bewaard door de karmelietessen van Medina del Campo. Eerder geheimzinnig van inhoud. Volgens sommigen zou Teresa hier een allusie maken op haar sterfdatum. Dat klopt toch niet helemaal omdat Teresa in 1582 sterft, dus dertien jaar na het opstellen van deze tekst. Sommigen menen dat pater Gracián wist wat het betekende, maar het niet meedeelde.
Op 17 november, oktaafdag van de heilige Martinus, in het jaar 1569, zag ik, met betrekking tot wat ik weet, dat er twaalf jaren van de drie-endertig verlopen waren, die de Heer geleefd heeft. Er ontbreken er nog eenentwintig. Dit gebeurde in Toledo, in het klooster van de glorievolle, heilige Jozef van de Karmel. Ik voor jou, jij voor mij. Leven. Twaalf zijn er door mij, niet door mijn wil doorgebracht.
5
Geschreven te Toledo, 1569 of 1570.
Toen sommige mensen mij in het klooster van Toledo de raad gaven er niemand te begraven die niet van adel was, zei de Heer mij: “Dochter, je zou een grote vergissing begaan door de wetten van de wereld in acht te nemen. Vestig je blik op Mij, arm en door de wereld geminacht. Zouden de groten van deze wereld soms groot zijn in mijn ogen ? Of moeten jullie gewaardeerd worden om je afkomst of om je deugden ?”
6
Waarschijnlijk op 9 februari 1570 te Malagón geschreven.
De tweede dag van de Vastentijd, verscheen mij onze Heer Jezus Christus na de communie in een visioen van de verbeelding (zoals naar gewoonte). Ik bevond mij in het Sint-Jozefsklooster te Malagón. Toen ik Hem bekeek, zag ik op zijn hoofd, in plaats van een doornenkroon, overal waar de doornen een wonde hadden geslagen, een kroon volluister. Aangezien ik voor dit lijdensgeheim een grote verering heb, werd ik erg getroost; ik begon te denken welke grote marteling dit moest zijn, daar de kroon zoveel wonden had nagelaten. Ik leed eronder. De Heer zei mij dat Hij niet leed omwille van die wonden, maar wel door de vele die men Hem tegenwoordig toebracht. Ik vroeg Hem hoe ik daaraan kon verhelpen, want ik was tot alles bereid. Hij zei me dat het nu niet de tijd was om uit te rusten, maar dat ik me moest haasten om die huizen te stichten. Want Hij vond rust bij de zielen die er woonden. Ik moest alles aanvaarden wat men mij aanbood, want velen dienden Hem niet omdat ze niet wisten waar ze dit konden doen. De huizen die ik zou stichten op kleine plaatsen moesten op dit huis gelijken. Wie verlangde te doen wat men in de andere huizen deed, kon even verdienstelijk zijn. Ik moest ze alle onder het bestuur van één overste plaatsen, en er goed voor zorgen dat men niet de innerlijke vrede verloor door de zorg om het materieel bestaan. Hij zou ons helpen zodat niets zou ontbreken. Men moest een bijzondere bezorgdheid hebben voor de zieke zusters. De overste die de zieken niet zou verzorgen en verwennen, geleek op de vrienden van Job. Zij zou ze tot ongeduld brengen terwijl Hij ze geselde voor het welzijn van hun ziel. Ik moest ook het verhaal van die stichtingen schrijven. Ik dacht eraan hoe bij de stichting van het klooster te Medina er niets noemenswaardigs was voorgevallen. Hij zei me: “Wat wil je nog meer zien? Die stichting was toch wonderbaar ?” Hij bedoelde daarmee dat Hij ze alleen gedaan had en dat ik met beslistheid aan het werk was gegaan toen alles zonder uitweg leek.
7
Datum onzeker.
Toen ik eens erover nadacht hoe ik ondanks mijn bidden niets begreep van een raad die de Heer mij gegeven had voor iemand anders en meende dat het van de duivel kwam, zei Hij me, dat dit zo niet was en Hij mij op tijd en stond zou verwittigen.
8
Datum onzeker, waarschijnlijk in 1570 geschreven.
Eens maakte ik de bedenking dat men, ver van de beslommeringen, veel zuiverder leeft. Ik moest wel slecht en vol fouten zijn temidden van al mijn bezigheden. Toen hoorde ik: “Dochter, het kan niet anders. Zorg bij alles voor rechtgeaardheid en onthechting, en kijk naar Mij, zodat al wat je doet, overeenstemt met wat Ik deed”.
9
Datum onzeker. Waarschijnlijk 1570.
Toen ik mij afvroeg waarom ik bijna nooit meer vervoeringen had in het openbaar, hoorde ik: “Dat hoeft nu niet; je hebt genoeg vert rouw en bij de mensen voor het doel dat Ik beoog. We zullen nu rekening houden met de zwakheid van de kwaadwilligen”.
10
Waarschijnlijk in 1570 (of 1571) geschreven.
Toen ik mij eens erg zorgen maakte over de bloei van de Orde zei de Heer mij: “Doe wat je kunt en laat Mij doen; maak je nergens ongerust om; geniet van het geluk dat je geschonken is, want het is heel groot. Mijn Vader heeft zijn vreugde in jou en de heilige Geest bemint je”.
11
Dit briefje werd in Salamanca (of Alba de Tormes) geschreven in februari 1571.
Eens zei de Heer me: “Jij verlangt altijd naar lijden en van de andere kant ontvlucht je het. Ik beschik de zaken in overeenstemming met wat Ik weet van je wil, en niet van je gevoelengheid of zwakheid. Wees moedig, want je ziet dat Ik je help. Ik wil dat je deze kroon verdient. Nog tijdens je leven zul je de Orde van de Maagd vooruit zien gaan”. Ik hoorde dit van de Heer, half februari 1571.
12
Deze brief werd waarschijnlijk op 15-16 april 1571 gericht tot pater Martin Gutiérrez, rector van de jezuïeten te Salamanca.
1. Gisteren voelde ik mij zeer eenzaam. Met uitzondering van het ogenblik waarop ik communiceerde, raakte het me helemaal niet dat het Pasen was. ’s Avonds waren alle zusters samen. Er werd een liedje gezongen over de smart die het leven zonder God betekent. Omdat ik reeds die pijn voelde, maakte het lied zo’n indruk op mij dat mijn handen koud werden. Ik kon er niet aan weerstaan. Zoals ik buiten mezelf geraak door vervoeringen van tevredenheid, op dezelfde manier wordt de ziel vervoerd door die zeer grote smart, ze is als van zichzelf vervreemd. Tot op vandaag heb ik dat niet begrepen. Ik had eerder de indruk sedert enige dagen niet meer die hevige opwellingen te hebben zoals vroeger. De oorzaak schijnt de zojuist vermelde te zijn. Ik weet niet of het mogelijk is. Vroeger kon de smart niet naar buiten treden en, aangezien ze ondraaglijk is, en ik bij volle bewustzijn was, deed ze me grote kreten uiten die ik niet kon bedwingen. Nu de pijn heviger is geworden en tot een ware doorboring werd, begrijp ik beter de smart van Onze-Lieve-V rouw . Tot zover begreep ik niet -zoals ik zeg -wat doorboring was. Mijn lichaam is zó gebroken dat ik nog vandaag met veel moeite schrijf, mijn handen lijken als pijnlijk ontwricht.
2. Zodra U me ziet, moet U me zeggen of die vervreemding door die pijn veroorzaakt kan worden, of ik ze voel zoals ze is, en of ik niet mezelf bedrieg.
3. Tot deze morgen voelde ik die pijn. Tijdens het gebed ondervond ik een grote vervoering. Het leek me dat de Heer mijn geest tot bij de Vader bracht en Hem zei: “Ik geef U haar die Gij Mij gegeven hebt”. Het was alsof Hij mij tot Zich trok. Dat is geen inbeelding, maar een grote zekerheid, zoiets geestelijk fijns dat men het niet helemaal kan uitdrukken. Hij zei me enkele woorden, die ik me niet herinner. Sommige suggereerden genaden die Hij me wou verlenen. Een tijdje hield Hij mij zo bij Zich.
4. Daar U gisteren zo haastig vertrokken bent omwille van uw vele bezigheden, valt het mij moeilijk bij U de hoognodige troost te vinden; maar uw bezigheden zijn er nog méér nodig; ik was dan een ogenblik pijnlijk en droevig gestemd. Dat gevoel van eenzaamheid waarover ik sprak, droeg ertoe bij. En omdat ik aan geen enkel schepsel van de aarde gehecht ben, werd mijn geweten enigszins bezwaard, uit vrees dat ik die vrijheid begon te verliezen. Dat was gisterenavond. Vandaag antwoordde de Heer mij. Hij zei me niet verwonderd te zijn. Evenals de stervelingen gezelschap verlangen om hun zintuiglijke tevredenheid mee te delen, zo verlangt de ziel haar vreugde en lijden mee te delen aan iemand die haar begrijpt. Ze is dan ook bedroefd als ze niemand vindt. Hij zei me: “Hij is op de goede weg en zijn werken bevallen Mij”.
5. Omdat Hij nog een tijdlang bij me bleef, dacht ik aan wat ik U gezegd had, nl. dat die visioenen vlug voorbij gaan. Hij zei me dat dit visioen verschilde van de visioenen der verbeelding. Er kan geen vaste lijn zijn in de gunsten die Hij schonk. Soms was het beter Zó, dan weer anders.
6. Op zekere dag, na de communie, leek het heel duidelijk dat onze Heer Zich naast mij neerzette. Hij begon mij te troosten met grote tederheid en zei o.a. : “Dochter, je ziet Mij, Ik ben het, toon Mij je handen”. Hij scheen mijn handen vast te nemen en ze dicht bij zijn zijde te brengen met de woorden: “Bezie mijn wonden. Je bent niet zonder Mij. Draag geduldig dit korte leven”. Uit sommige woorden maakte ik op dat Hij na zijn Hemelvaart nooit meer naar de aarde afdaalde om Zich aan iemand mee te delen, tenzij in het allerheiligste Sacrament. Hij zei mij dat Hij na zijn verrijzenis Onze- Lieve-V rouw gezien had. Zij was in diepe nood omdat de smart haar zozeer had overweldigd en doorboord dat ze niet onmiddellijk tot zichzelf kwam om van die grote vreugde te genieten. Dat deed me mijn doorboring begrijpen als iets heel verschillends. Wat moest die van de Maagd geweest zijn! Hij was lange tijd bij haar gebleven. Het was nodig geweest om haar te troosten.
13
Geschreven op 29 mei 1571 te Avila.
1. Dinsdag na Hemelvaart bad ik nog wat na de communie; eerder moeizaam, want ik was zó verstrooid dat ik mijn aandacht niet kon concentreren; ik beklaagde me bij de Heer over onze ellendige natuur. Mijn ziel begon in vlam te raken. Ik leek duidelijk de aanwezigheid van heel de Drieëenheid te bezitten in een intellectueel visioen. Door een bepaalde manier van voorstellen, begreep ik –als een beeld van de waarheid om het met mijn traag verstand te kunnen vatten -hoe God drie en één is. Zo leek het me dat de drie Personen met mij spraken, in mijn ziel stelden ze zich afzonderlijk voor; ze zeiden dat ik van die dag af drie dingen in mij zou zien verbeteren, want elk van die Personen verleende mij een genade: de ene de liefde, dan de vreugde in het lijden, en tenslotte het voelen van die brandende liefde in mijn ziel. Ik begreep de woorden van de Heer: “dat de drie goddelijke Personen zullen verblijven in de ziel die in staat van genade is”. Ik zag Ze binnen in mij op de manier die ik reeds vermeld heb.
2. Ik dankte de Heer voor zo’n grote gunst, waarvoor ik mij onwaardig voelde. Ik vroeg dan met oprechte smart aan Zijne Majesteit waarom Hij mijn hand had losgelaten en mij aan mijn ellende overliet, aangezien Hij mij zulke genaden moest verlenen ? Daags voordien had ik immers grote smart gevoeld om mijn zonden die mij voor ogen stonden. Ik zag klaar het vele dat de Heer vanaf mijn kinderjaren had gedaan om mij tot Zich te trekken met zeer efficiënte middelen; maar niets hielp me vooruit. Zo werd mij de uitbundige liefde van God voor ons duidelijk, doordat Hij alles vergeeft als wij tot Hem willen terugkeren; vooral zijn liefde voor mij, meer dan voor wie ook, werd me klaar, en dit om vele redenen. Die drie Personen die ik als één God zag, maakten zo’n indruk in mijn ziel dat het onmogelijk zou zijn niet ingekeerd te blijven in zo’n goddelijk gezelschap indien die gunst aanhield. Er is geen reden om enige andere feiten en woorden neer te schrijven die ik toen vernomen heb.
14
Geschreven in mei 1571 te Avila.
Eens, kort vóór het zopas verhaalde, ging ik te communie. De hostie was nog in de ciborie, men had ze mij nog niet gegeven; ik zag toen een soort duif die lawaaierig haar vleugels bewoog. Het ontroerde mij en bracht mij zozeer in vervoering, dat ik slechts met grote moeite de hostie kon ontvangen. Dit gebeurde in het Sint-Jozefsklooster te Avila. Het was pater Francisco de Salcedo die me het allerheiligste Sacrament gaf. Een andere dag hoorde ik zijn Mis. Ik zag de Heer verheerlijkt in de hostie. Hij zei me dat zijn offer Hem aangenaam was.
15
Geschreven te Avila. 30 juni 1571.
Die aanwezigheid van de drie Personen, waarover ik sprak, houdt tot vandaag aan – het is de gedachtenis van Sint-Paulus -, Ze zijn bijna altijd in mijn ziel aanwezig. Daar ik gewoon was enkel Jezus Christus tegenwoordig te weten, leek het mij een moeilijkheid drie Personen te zien, ofschoon ik begrijp dat Ze één God zijn. Vandaag zei me de Heer, toen ik daaraan dacht, dat ik er verkeerd aan deed door de dingen van de ziel voor te stellen zoals die van het lichaam. Ik moest begrijpen dat ze erg verschillen; de ziel is in staat grote vreugde te genieten. Dit beeld kwam bij mij op: zoals een spons zwelt door het zuigen van water, zo leek mijn ziel vervuld van die Godheid. Op een bepaalde wijze genoot ze in zichzelf van de drie Personen die ze in zich’ bevatte. Ik hoorde ook: “Doe geen moeite om Mij in jou op te sluiten, maar sluit jezelf op in Mij”. Het leek me dat die drie Personen vanuit het binnenste van mijn ziel -waar ze zichtbaar aanwezig waren -Zich meedeelden aan alle schepselen, zonder mij te kort te doen of mij te verlaten.
16
Geschreven in juli 1571. Teresa bevindt zich te Avila.
Enkele dagen na het zopas verhaalde dacht ik erover na of zij die het me kwalijk namen dat ik er op uittrok om kloosters te stichten, soms gelijk Hadden. Zou het niet beter zijn dat ik mij altijd met bidden bezig hield ? Ik hoorde toen: “Zolang je leeft, win je niet méér door van Mij te genieten, maar door mijn wil te doen”. Het kwam me voor dat voor mij Gods wil zou zijn wat Sint-Paulus zegt over het binnenshuis blijven van de v rouw . Weinig dagen geleden had men mij dat ook te verstaan gegeven. Toen zei Hij mij: “Zeg hun dat zij niet enkel één deel van de Schrift volgen, maar ook naar andere teksten kijken. Denken zij misschien dat ze Mij de handen zullen binden?”
17
Geschreven te Avila op 10 juli 1571.
Op een dag na het octaaf van Onze-Lieve-V rouw Visitatie bevond ik mij in de kluis van de Karmelberg. Ik beval een broer van mij aan God aan. Ik zei tot de Heer (ik weet niet of het enkel in gedachten was) : “Waarom vertoeft mijn broer op een plaats waar zijn zaligheid gevaar loopt ? Heer, indien ik één van uw broers in dit gevaar zag, wat zou ik dan doen om daaraan te verhelpen ?” Ik geloof dat ik niets onbeproefd zou laten. De Heer zei me toen: ,,0 dochter, dochter! De zusters van de Encarnación zijn mijn zusters. Je aarzelt ? Vat moed. Bedenk dat Ik het wil. Het is niet zo moeilijk als het je voorkomt. Je denkt dat de andere huizen erbij zullen verliezen, allen gaan er eerder bij winnen. Biedt geen weerstand, want mijn macht is groot”.
18
Avila, 22 juli 1571.
Het verlangen en de zo grote aandrift om te sterven hebben mij verlaten, in het bijzonder sinds het feest van de heilige Magdalena. Van ganser harte besloot ik toen te leven om God veel te dienen. Soms doe ik het. Want hoezeer ik ook probeer het verlangen Hem te zien, van mij af te zetten, ik kan het niet.
19
Eens hoorde ik: “De tijd komt dat in deze kerk veel wonderen gebeuren. Men zal haar de heilige kerk noemen”. Dat was in San José te Avila, in het jaar 1571
20
Ik dacht eens aan de grote boete die Doñia Catalina de Cordona deed en hoe ik er meer had kunnen doen, in overeenstemming met de verlangens die de Heer mij daartoe soms gaf. Om te gehoorzamen aan mijn biechtvaders liet ik het na, maar vroeg me af of het niet beter zou zijn hun op dit punt niet meer te gehoorzamen. Toen zei Hij me: “Neen, dochter, je volgt een goede en veilige weg. Zie je alle boete die zij doet ? Ik stel meer prijs op je gehoorzaamheid”.

Vision in blau

 

DSCN9162

Vision in blau

A.M. Haas – Mystik als Aussage 2007 (Suhrkamp) p. 215-251

VISION IN BLAU

Zur Archäologie und Mystik einer Farbe

 

Dass sich mit bestimmten Farben über Zeiten und Kulturen hinweg bestimmte Gefühlswerte und Bedeutungen verbinden lassen, ist eine altbekannte Tatsache, die sich in der Farbendeutung seit der Antike über das Mittelalter bis in die Neuzeit hinein in einem relativ festen Sinn- und Ordnungszusammenhang dokumentieren ließe. Möglich war dieses Ordnungsgefüge allerdings nur in der Konzeption einer es tragenden und begründenden philosophisch-theologischen Lichtspekulation, deren Rückbindung aller Farben in das sie überhaupt erst sichtbar machende (weiße) Licht die entscheidende Grundlage für alle Farbenwahrnehrnung und -deutung darstellte. Lichtspekulation und Farbendeutung gehören in dieser Überlieferung so innig zusammen, dass insbesondere-der spätantik-mittelalterlichen  Farbenlehre jegliche Kohärenz verlorenginge, wenn die Hierarchie der Farben nicht ihre Sinnspitze in einer philosophisch- theologischen Hermeneutik des Lichtes besäße. Das lässt sich gerade an unserem Thema deutlich machen: Die blaue Farbe, die in ihrer Relevanz für die Vision (des  menschlichen Selbst oder gar Gottes) aufgewiesen werden soll, ist im Grunde nichts anderes als das Sichtbar-Werden und ein erster Ausfluss von Licht. Insofern steht Blau für Licht, genauer: für das Licht des Himmels (oder des Meeres), dem als einer göttlichen Selbsteröffnung – man denke an die göttlichen „Energien“ der byzantinischen Kirche! – oft eine grundlegend-anfängliche oder eschatologische Qualität zukommt. Derselbe Tatbestand aber – die Verbindung von Licht mit Farbe – ist auch der Grund für je neue Bedeutungseröffnungen in der Bestimmung der im Licht wahrgenommenen Farben. Man muss also beides festhalten, wenn man sich mit einer Hermeneutik der Farben befasst: einerseits die in der Überlieferung angelegte und übermittelte Kategorisierung und Hierarchisierung von Farben, andererseits die durch Lichteinfluss bewirkte, theoretisch unendlich variierbare Farbnuancierung, aus der immer neue Deutungen- und damit Bedeutungen – der Farben entstehen können. Neben dieser für  Überlieferung, Alter und Deutung neuer Farbinterpretationen gleicherweise fruchtbaren Ambivalenz gibt es die so oder so zu begründende Möglichkeit, dass sich Rang und Funktion einer Farbe – sicherlich zunächst im Ruckbezug auf physikalische oder wahrnehmungspsychologische Tatbestände – unter Umständen von den frühesten Zeiten bis heute durchhalten.

Wieweit es sich dabei um Konstanten kulturenübergreifender Universalien handelt, mag offenbleiben; aber es ist und bleibt interessant, Tendenzen in diese Richtung in verschiedensten Kulturen und kulturellen Tätigkeiten zu beobachten. Jedenfalls kann das hier in jeder denkbaren skizzenhaften Verkürzung Dargestellte ein paar Indizien in die genannten Richtungen abgeben, ohne dass damit in der heute  Wahrnehmungspsychologisch und linguistisch so sehr diskutierten Grundsatzproblematik um die Universalienfrage mitdiskutiert werden soll. Allenfalls werden Materialien dazu gegeben;  viel stärker dagegen ist die Lust am Brückenschlag über Jahrhunderte hinweg in Anschlag zu bringen: Im einsamen Bewusstsein des engagierten Lesers wird in hoher Freiheit ein Moment Ewigkeit vorgekostet, darin der lichthafte Sprung über Jahrhunderte hinweg divinatorisch gelingt, ohne dass sich das von Hegel aufs tiefste beargwöhnte Nachtdunkel einstellen musste, darin alle Kühe gleich schwarz aussehen. Neben der »Anstrengung des Begriffs“ gibt es die mühelos scheinende, gleichwohl nicht billig erkaufte Lust am Bild, die über geheimnisvolle Parthenogenesen ihre selbständigen, historisch differenzierten Überlieferungsgebilde aus sich in Kunst und Wissenschaft hinein entlässt, ohne dass doch eine höhere Vernunft als die alltägliche dadurch brüskiert würde. Solche Tradition »in progress« festzustellen muss zum vornehmsten Vergnügen des Literaturkritikers gehören, der sich nicht der Gefahr aussetzen will, vor lauter Baumen den Wald nicht mehr zu sehen.

In lockerer Reihung und wagemutiger Kombination gestatte ich mir im Folgenden, ohne allzu viel Rücksicht auf die zwischen den einzelnen Texten herrschende Zeitdistanz zu nehmen, ein paar Belege für »Vision in Blau« vorzustellen.

Dabei wird die Zeit von der Moderne nach ruckwarts abgeschritten. Zu beginnen ist mit einem Gedicht von Hans Arp und zu schließen mit einem Blick auf Evagrios Pontikos und die an ihn sich anschließenden syrischen Kirchenväter, welche ihrerseits auf eine jüdisch-alttestamentliche Überlieferung verweisen.

 

I.

In den Jahren 1946-48 hat Hans Arp das folgende Gedicht verfasst und in seiner 1957 erschienenen Gedichtsammlung Worte mit und ohne Anker unter dem Titel »Singendes Blau« veröffentlicht:

 

Duftendes Licht

sanft wie ein sprießender Garten

quillt durch mich.

Es sprüht.

Es duftet.

Ich schreite

leicht und schnell

über lichte Iändergroße Blumenblätter.

 

Die Erde und der Himmel

durchdringen sich.

Das Blau blüht

verblüht

blüht wieder auf.

Duftendes tönendes Licht

durchleuchtet mich

Ich ruhe

vom Licht gewiegt

in der duftenden tönenden

farbig funkelnden Quelle.

 

Bebende Lichtkronen

sinken um mich nieder

steigen um mich empor.

Sie klingen

wenn sie mich berühren.

Mein Narzissenkleid zerfällt.

 

Mein Herz

schweift uber die Wiese der Sterne

zwischen unzähligen Sternen.

Unter mir blüht es blauer und blauer.

 

Duftende tönende farbig funkelnde Welten

durchziehen die unendliche Tiefe und Höhe.

Ich ruhe inmitten

spielender schwebender Lichtkranze.

 

Sie steigen und sinken durch mich.

Ich ruhe überschwenglich

heiter und licht

in der unendlichen Quelle.

 

Kaum spüre ich noch die Erde.

Der Boden wird blauer und blauer.

Mein Schritt wird leichter und leichter.

Bald schwebe ich.

Singende Sterne wandern mit mir.

 

Ich fühle die tiefe Höhe

und die hohe Tiefe

uber mir und unter mir

mich gewaltig durchdringen.

Licht steigt und sinkt durch mich.

Heiter und zart

ruhe ich auf der Erde.

 

Es klingt

es rauscht

es hallt

es widerhallt

es sprüht

es duftet

und wird andächtig singendes Blau.

Das Blau verblüht zu Licht.

 

Ich höre

Flüstern

klingen

summen

kichern.

Es tönt jetzt schillernd.

Zersplitterndes blendendes Licht.

Zarte Sterne

schlagen Wurzeln in mir.

 

Zarte Ewigkeiten .

schlagen Wurzeln in mir.

Endlich endlich

darf ich die Zeit vertun

Weilchen um Weilchen

Unendlichkeiten lang

Saumseligkeiten von duftendem Klingen

zwischen überschwenglichen

inneren Sternen

in der unendlich lichten Quelle.

 

Blumenwolken

Wolkenblumen.

Töne spiegeln sich

ins Unendliche wider.

Blaue Erinnerungen.

Zwischen Höhe und Tiefe

Duft und Bläue

plätschern die gleichen Quellen

an denen ich als Kind träumte.

 

In vier aus den Jahren 1948/49 stammenden, in Basel und Meudon entstandenen Texten – betitelt »Der gleichen Quellen“ ~wird die in diesem Gedicht zentrale Lichterfahrung nochmals in sprachlichen Variationen abgehandelt. Zum Teil werden dabei einzelne Textsequenzen des vorliegenden großen Gedichts wörtlich  übernommen, nun Teil wird dasselbe Geschehen in synonymen oder doch inhaltlich nahen Worten variiert. Wesentlich Neues scheint in diesen zusätzlichen Gedichten nicht hinzuzukommen. Wir beschränken uns daher im Folgenden auf den oben wiedergegebenen Text.

Was hier in schlichter, aber im Blick auf den geschilderten Vorgang gleichwohl gehoben wirkender Prosa vorgestellt wird, könnte der Gang durch einen sommerlichen Garten sein. Tatsachlich aber ist die das Gedicht tragende Sachebene ein starkes und übermächtiges Licht, das – auf der Ebene des Vergleichs und damit des Bildes – »wie ein sprießender Garten « traumhaft erfahren wird. Alles Folgende, das über das Durchstreifen dieses Gartens gesagt wird, gehört von allem Anfang an auf die Bildebene und suggeriert damit eine »Potenzierung « der Lichterfahrung, die sie der gewöhnlichen Gegenständlichkeit entzieht. Sicherlich erweist sich Arp in der Anwendung dieser dichterischen Methode der Potenzierung einer Erfahrung durch deren intensive Verbildlichung als gelehriger Schüler der deutschen Romantik, hier vielleicht sogar – gerade im Motiv der Modifizierung der Lichterfahrung durch den Farbwert Blau – des Novalis. Denn gerade »jene von Novalis unter dem Akt des >Romantisierens< angesprochene Transformation oder >Potenzierung< durch die alle gewöhnliche Gegenständlichkeit in eine andere >Sphäre< erhoben wird, [erschien bei ihm] auf der Ebene der Farbsymbolik als universale Blau-Tönung. >Alles blau in meinem Buche< mit diesem theoretischen Anspruch und seiner Realisierung im blauen Fluidum, in das die Figuren wie die Dingwelt im Ofterdingen getaucht werden, privilegiert[e] Novalis die Farbe in einer Weise, die über ihre traditionelle Verwendung weit hinaus[ging]. Ähnlich intensiv und universal ist bei Arp die Farbe Blau verwendet. Sie ist das tragende Moment der Lichterfahrung selbst; sie vermittelt das Blitzhafte am Licht („…blüht/verblüht“): Sie ist das andrängend Synästhetische, das die Lichtquelle vermittelt. Denn obwohl die hier geschilderte Lichterfahrung an sich ein visueller  Vorgang ist, besteht von allem Anfang an kein Zweifel, dass das visuelle Ereignis olfaktorische, auditive und taktile Erfahrungen mit enthält.

Es handelt sich um ein »duftendes Licht«; es ist ein »tönendes Licht«, und das Ich »ruh[t]/vom Licht gewiegt«, während die »bebenden Lichtkronen/[. . .] klingen/wenn sie mich berühren «, so dass das dem Ich eigene Lichtkleid, das »Narzissenkleid «, keinen Bestand mehr hat und »zerfällt“.

Die mystische Komponente des Vorgangs enthüllt sich darin, dass das Lichtereignis ein Sich-Durchdringen von Erde und Himmel bewirkt oder besser: ist. Ein “ieros gamos” also, eine hochzeitliche Vereinigung von Oben und Unten (»tiefe Höhe« – »hohe Tiefe«), die sich in eigentlichen Blauschüben und -blitzen entlädt. Denn das Blau, das »über« und „unter« dem Ich »blauer und blauer [blüht]« – wie es in freiem Anschluss an Hölderlins und Trakls hieratische Komparative heißt -, gibt die inchoativ unablässig sich steigernde, je neu explosive und universale Tönung des Vorgangs ab, bis es sich in einem »andächtig singenden Blau« scheinbar konsolidiert, in Wahrheit aber „zu Licht [verblüht]«. Damit ist wohl der Übergang zum heilen und weißen Licht gemeint, in dem „zarte Ewigkeiten« im Ich ihre Wurzeln schlagen: Das Ich hat zurückgefunden an den Ort »in der unendlich leichten Quelle“, in der die universale Blaulichterfahrung als »blaue Erinnerungen“ und Tonspiegelungen noch gegenwärtig und aufgehoben zu sein scheinen. Am Schluss des ganzen Gedichts nimmt der Dichter Rekurs auf eine Kindheitserfahrung, in der »zwischen Höhe und Tiefe/Duft und Blaue/[. . .] die gleichen Quellen [plätschern]«. Da die Synästhesie des Vorgangs schon im Titel »Singendes Blau« insinuiert wird, ist die Absicht, eine Ganzheits- und Einheitserfahrung zu evozieren, deren Medium blaues und »unendlich lichtes Licht« ist, offensichtlich. Allerdings glaube ich nicht, dass es schlicht um die Evokation eines »ozeanischen Gefühls«” geht, in dem die Personalität des Ichs verschwände – es erfährt eindeutig ja nur die Entwertung seines eigenen »Narzissenkleids«, aber nicht die  eigentliche Aufhebung seiner Person -, sondern vielmehr um die Wiedergewinnung der Einheit von Welt und Überwelt, deren synästhetische Ganzheit das Kind in seinen Traumen noch gegenwärtig hat.

Man kann sich fragen, inwiefern das Gedicht als ein klassisch-romantisches Erlebnisgedicht gelesen und sodann – psychologisch-biographisch – als eine Regression im freudschen Sinne interpretiert werden darf (der ja ohnehin die mystische Erfahrung als eine Regression deutet). Gerade aber diese Interpretationsbewegung scheint sich mir aufs strengste zu verbieten, wenn man die das Ich übermächtigende Lichtinstanz in ihrer Dominanz ernst nimmt. Das Lichtereignis ist ein Widerfahrnis, dessen Bedeutsamkeit und Rang sich gerade in der Abgehobenheit von Alltäglichem dokumentiert. Deutlich wird das etwa an der Unfassbarkeit des Bildes vom Garten: Quillt das Licht zunächst »wie ein sprießender Garten« durch das Ich, so ist es alsbald dasselbe Ich, das sich durch den Garten bewegt und »leicht und schnell/über lichte ländergrosse Blumenblätter« schreitet. Selbst das Bild hat ja die Konsistenz nicht, die es zur Wiedergabe eines einmal und historisch stattgehabten Erlebnisses befähigte. Im Gegenteil, hier kommt ihm die Tendenz zu, den Vorgang über das Ich ins kosmische hinauswachsen zu lassen, so dass die gegenseitige Durchdringung von Erde und Himmel in den Blaustössen möglich wird.

Persönlich und erlebnisbezogen vermag sich Arp dann zu äußern, wenn er in dem früheren, das heißt zwischen 1939 und 1945 entstandenen Gedicht »Die ungewisse Welt« das Ausbleiben oder den Verlust der Vision in Blau beklagt:

 

Gestalten wie verjährter Widerhall ziehen an mir vorüber.

Gallertartige Gewebe verhüllen eine große Puppe

die auf einem einsamen Platz aufgestellt ist.

Es stöhnt im Hoffnungslosen.

Die finstere Schattenkrone die auf der Welt lastet

will sich nicht heben.

Wo sind die veilchenblauen Auen des Himmels?

Selige haben sie vor langer Zeit

in ihren Augen fortgetragen.

Meine Träume zerschinden sich in bösen steinigen Betten.

Vergeblich ging ich tausend Wege.

Immer drohten die Türme einzustürzen

auf denen ich Ausschau halten wollte.

An abgründigen Aschehimmeln lauern böse greise Spinnen.

Ihr Herz schreit misstönend auf.

Auch sie sind Verwunschene wie ich.

Ich habe die Spuren des Lichtes verloren.

Ich kann aus meiner grauen Heimat nicht entfliehen.

Was nutzen mich die Lieder

die sich von der einen Seite auf die andere legen.

Sie sind wie die todmüden Bergführer.

Sie antworten aus verwelkten Herzen die gleichen Sätze:

Das Edelblau ist auch nur Traumgefunkel.

Wer spiegelnde Hände hat hüte sich gut

dass kein Hauch sie trübe . . .

 

Schwer zu sagen, worin die Gegenläufigkeit dieses Textes zu »Singendes Blau« begründet sein könnte, wenn nicht in der Ambivalenz der Semantik von Traum, die in ihrer allgemeinen Bedeutung den Sinn von idealem Entwurf ins sonst nicht Geläufige-Unbekannte, in ihrer biographisch-persönlichen Bedeutungsvariante dagegen den eines unerlaubten Aussteigens aus dem Realitätsprinzip impliziert. Mag sein, dass im persönlichen Verlust der »veilchenblauen Auen des Himmels“ und der Entwertung des »Edelblau« mm bloßen »Traumgefunkel«  sich Arps früher Widerspruch gegen Gottfried Benns »Befreundung für Blau » das Sudwort schlechthin, das Hauptmittel zur >Zusammenhangsdurchstossung< nach der die Selbstentzündung beginnt, das „tödliche Fanal« – äußert. Falls das stimmt, hatte sich Arp allerdings schnell wieder anders besonnen und der Faszination des Blau – die schon Adolf Hitler in seiner Eröffnungsrede zur Münchner Ausstellung »Entartete Kunst« am 18. Juli 1937 im Haus der Deutschen Kunst auf »Sehstörungen bedauerliche [r] Unglücklicher« zurückführte – willig und geradezu überschwenglich nachgegeben, indem er das blaue Licht im Gedicht »Singendes Blau« zum synästhetischen Vehikel transzendierender Erfahrung machte und so den logischen Erkenntnissen Benns uber das Blau nochmals zum Durchbruch und zur »Zusammenhangsdurchstossung“ verhalf.

Funktion und Rang der blauen Farbe waren im Blick auf deren poetische Inanspruchnahme durch Hans Arp im jüngsten historischen Kontext der Poetik der Moderne, aber auch der malerischen »Stationen der Moderne“ zu untersuchen. Angelika Overath hat in ihrer Arbeit Das andere Blau. Zur Poetik einer Farbe im modernen Gedicht und in ihrer in Gemeinschaft mit Angelika Lochmann herausgegebenen Textsammlung Das blaue Buch. Lesarten einer Farbe bewundernswerte Vorarbeit geleistet. Was sie für die Literatur vorbildlich erarbeitet hat, müsste für die Malerei noch nachgetragen werden. Die von A. Overath immer wieder festgestellte traditionelle »Konjunktion von Blau und Transzendenz« konkretisiert sich in der Moderne als deren »Indikatorfarbe«, die den »Horizont eines immer noch nicht abgeschlossenen Projekts [. . .] bezeichnet« Im Licht des Arpschen Gedichts jedenfalls ließe sich diese von  Overath in Frageform vorgebrachte Interpretationsvermutung durchaus bejahen: Blau ist für Arp das synästhetisch sich kundgebende Farbvehikel einer Transzendenz ins Lichthafte, in der Himmel und Erde zusammenkommen und sich verbinden. Wie immer deutlich oder undeutlich hier die religiös-christlichen Konnotationen fassbar sind, es besteht kein Zweifel, dass Arp – dessen neuplatonisch-mystische Neigungen aus vielerlei Zeugnissen bekannt sind – die in seiner Kunst  intendierte Wirklichkeit letztlich als eine »mystische Wirklichkeit“ intendierte und verstand, deren Wesen „Geistigkeit“ ist. Damit ordnet er sich ein in eine Tradition, die -wie immer sie im einzelnen zustande gekommen sein mag- im blauen Licht der Vision das dynamische Moment der Übergängigkeit in die volle Lichtgestalt der Gottheit oder deren Energien zu fassen meinte. Am ehesten kommt für Arp die neuplatonische Tradition der Lichtmystik in Frage. Die hohe Wertung des Traums ebenso wie die Einbindung alles Personalen in den Rahmen eines kosmologischen Bezugs sprechen dafür, aber auch das das Gedicht beherrschende Bild der die Quellen der Kindheit in sich einbefassenden Lichtquelle. Das mag nun Anlass genug sein, einen kurzen Blick auf die mittelalterlichen und spätantikchristlichen »Visionen in Blau« zu werfen, da gerade auch sie Auslaufer und Neudeutungen aller neuplatonischen Vorstellungen darstellen.

 

II.

El azul Edad Media delicado

Rafael  Alberti (1902)

 

Michel Pastoureau hat darauf hingewiesen, dass noch heute die Farbe Blau im Abendland Gefühls- und stimmungsmässig einen statistisch belegbaren Vorrang vor anderen (Grün und Schwarz) besitzt. Die abendländische Zivilisation ist für ihn »une civilisation du bleu“ eine Zivilisation, in der – Spanien soll hier eine Ausnahme machen – die warmen Farben keine Chance mehr haben. Aufgrund von Wappenuntersuchungen kann er uns die Vermutung nahebringen, dass diese Vorherrschaft des Blau eine neue Errungenschaft des Mittelalters darstellt:

Seit der Mitte des 13. Jahrhunderts ist ein quantitativer und qualitativer »Aufschwung der Farbe Blau“ festzustellen, der sich nicht nur in der Wappenkunst, sondern auch in der literarischen Emblematik, in der Kunst der Miniaturen und der Glasfenster, aber auch in der Kleidermode bemerkbar macht. Es lässt sich sogar belegen, dass der Waid – eine Pflanze, die zum Blaufärben der Tuche diente – »jetzt Gegenstand eines sehr lebendigen internationalen Handels“ wird. Blau »wird zudem die archetypische Königsfarbe». „Eine tiefgreifende Veränderung der Empfindung« scheint sich in diesem Abtausch »des alten dreigliedrigen Weiß-Rot-Schwarz-Schemas, des Schemas, das die Grundlage der Farbsysteme aller traditionellen Kulturen bildet“ durch die Bevorzugung von Blau anzuzeigen: »Seit man in der Moderne Weiß und Schwarz nicht mehr langer als eigentliche Farben betrachtet, nimmt Blau, die Farbe des Himmels, der Luft, des Paradieses, den ersten Platz in einer solchen Einteilung ei n.“ Noch Kandinsky  wird sich in seinem Essay über das Geistige in der Kunst (1952) im Grunde an diese im Mittelalter erkannte Symbolik und Typologie von Blau halten, wenn er festhält:

[Die] Vertiefungsgabe finden wir im Blau und ebenso erst theoretisch in ihren physischen Bewegungen 1. vom Menschen weg und 2. zum eigenen Zentrum. Und ebenso, wenn man das Blau (in jeder gewünschten geometrischen Form) auf das Gemüt wirken lässt . Die Neigung des Blau zur Vertiefung ist so groß, dass es gerade in tieferen Tönen intensiver wird und charakteristischer innerlich wirkt. Je tiefer das Blau wirkt, desto mehr ruft es den Menschen in das Unendliche, weckt in ihm die Sehnsucht nach Reinem und schließlich nach Übersinnlichem. Es ist die Farbe des Himmels, so wie wir ihn uns vorstellen bei dem Klange des Wortes Himmel. Blau ist die typisch himmlische Farbe. [In der Anmerkung Berufung auf die byzantinische Nimbierung »geistig existierender Wesen«!] Sehr tiefgehend entwickelt das Blau das Element der Ruhe. Zum Schwarzen sinkend, bekommt es den Beiklang einer nicht menschlichen Trauer, Es wird eine unendliche Vertiefung in die ernsten Zustande, wo es lein Ende gibt und keines geben kam. Ins Helle übergehend, wozu das Blau auch weniger geeignet ist, wird es von gleichgültigerem Charakter und stellt sich zum Menschen weit und indifferent, wie der hohe hellblaue Himmel. Je heller also, desto klangloser, bis es zur schweigenden Ruhe übergeht – Weiß wird. Musikalisch dargestellt, ist helles Blau einer Flöte ähnlich, das dunkle dem Cello, immer tiefer gehend, den wunderbaren Klangen der Bassgeige; in tiefer, feierlicher Form ist der Klang des Blau dem der tiefen Orgel vergleichbar.“

Es ist klar, dass es sich bei dieser und anderen ähnlich klingenden modernen Äußerungen um Festlegungen handelt, die einer willentlichen und dabei historisch eingeschränkten Perspektive entspringen; Farbenwahrnehmung und  Farbenideologie haben immer etwas Dezisionistisches. Gleichwohl ist die in solchen Äußerungen sich zu erkennen gebende Tendenz, im Rehm auf naturgegebene Farbtatbestande Valenzen von deren Rezeption fassbar zu machen, als ein Versuch der Objektivierung nicht zu unterschatzen. Es bezeugt sich darin die Einlösung eines nicht nur marxistischen Postulats, »Reichtum und Tiefe der Subjektivität nur Über eine Eroberung der Außenwelt« zu  erzielen, sondern weit grundsätzlicher noch \die Wahrnehmung eines stoisch-christlichen Sinnpostulats, nach dem die Schöpfung nicht sprachlos, sondern in ihrem Wesen ein Buch ist, dessen Sprachzeichen, angemessen gelesen, auf bestürzende Weise Einblick in die kosmologische Sinnstruktur des Universums gestatten, christlich sogar eindeutige Reflexe von dessen Schöpfer wahrzunehmen erlauben. Oder mit den Anschauungen des frühen ägyptischen Mönchtums, deren „Vision in Blau« unten noch zur Sprache kommt: „Das Christenturn ist die Lehre Christi, unseres Erlösers, die sich aus der Praktiké, der Physiké und der Theologiké zusammensetzt. « Evagrios Pontikos, von dem diese Festlegung stammt, fasst diese die stoische Dreiteilung der Philosophie wieder aufgreifende Definition (Seneca: ))Philosophiae tres partes esse dixerunt . . .: moralem, naturalem et rationalem«) als drei Etappen des geistlichen Lebens wobei die Praktiké den reinigenden, die Physiké (als Betrachtung der geschaffenen Naturdinge) den erleuchtenden und die Theologiké den einigenden Teilaspekt eines einzigen Aufbruchs zu Gott abgeben.

In den Rahmen solcher »Lesbarkeit der Welt« gehören auch Wertung und Relevanz der Farbe Blau im Mittelalter. Das heißt aber auch gleich, dass ihre Signifikanz im Kontext biblischer Vorgaben sichtbar wird und eigentlich nur im Ruckbezug auf diesen Heiligen Sext erschlossen werden kann, denn diese Bezugsgrösse gibt den wesentlichen Sinnhorizont an, innerhalb dessen alle Welt- und Existenzdeutung im Mittelalter ihren geistigen Ort hat.

 

III

Dios está azul …

Juan Ramón Jiménez (1881-1958)

Die Schlüsselstelle, an der ein blaues Lichtphänomen im Rahmen einer Vision sich ereignet, ist die Merkabah-Vision des Propheten Ezechiel, in der der Thronwagen Gottes mitsamt den ihn begleitenden Cherubim den für den Schauenden bestürzenden Inhalt einer Erfahrung von Gottes Herrlichkeit darstellt. In einer Feuerwolke erscheinen dem Visionär vier lebende Wesen von seltsamem Aussehen – jedes hat vier Gesichter, vier Flügel, die Füße gleichen Kalbsfußen; jedem Wesen ist ein Rad zugeordnet, dessen Felge mit Augen bedeckt ist. Und »über den Köpfen der Wesen, war eine Art Firmament aus staunenerregendem Kristall zu schauen, das sich über ihren Häuptern oben ausbreitete« (Ez. I, 22). Und dann wird auf den uber dem Kristallfirmament sich erhebenden Thron Gottes hingewiesen: »Oberhalb des Firmamentes, das sich über ihr Häuptern befand, war etwas, das aussah wie Saphirstein und einem Throne glich. Auf dem, was einem Throne glich, war eine Gestalt, die wie ein Mensch aussah, oben darauf. Ich sah etwas wie ein leuchtendes Glanzerz, etwas, das wie Feuer aussah, nach unten zu, schaute ich etwas wie Feuer“ (Ez. 26ff.). Diese Schilderung bezieht sich inhaltlich auf die Sinaioffenbarung (vgl. auch Ex. 19, 18; 24, 11 und 15-18; Deut. 4f.), die zusammen mit der Merkabah-Vision Ezechiels ihre typologische Entsprechung im Pfingstbericht der Apostelgeschichte hat: So entsprechen sich das jüdische  Fest Shabucot, an dem die Erinnerung an die Sinaioffenbarung durch die Erklärung der Merkabah (= Wagen) wachgehalten wurde, und das christliche Pfingstfest. In Ex. 24, 10 ist der Gottesthron wie folgt beschrieben: »Hierauf stiegen Moses, Aaron, Nadab, Abiu und siebzig israelitische Älteste auf den Berg. Dort schauten sie den Gott Israels und unter seinen Fußen ein Gebilde, das Saphirplatten glich und einen hellen Glanz ausstrahlte wie der Himmel.“

Und wiederurn in Erinnerung an die Verleihung der Thora auf dem Berg Sinai heißt es in Num. 15,37- 41:

Der Herr gebot Moses: »Gib den Israeliten folgende Weisung: Sie sollen sich Quasten an die Zipfel ihrer Kleider ansetzen, sie und ihre kommenden Geschlechter, und an jeder Zipfelquaste eine Schnur von blauem Purpur anbringen. Das ist der Zweck der Quasten: Ihr sollt euch, wenn ihr sie seht, an alle Gebote des Herrn erinnern, um sie zu erfüllen, ohne den Gelüsten eurer Herzen und Augen zu folgen, durch die ihr euch so gern zum Abfall verführen lasst. Ihr sollt vielmehr aller meiner Gebote eingedenk sein und sie befolgen und so eurem Gott geheiligt sein. Ich bin der Herr, euer Gott, der euch aus Ägypten weggeführt hat, um euer Gott zu sein. Ich bin der Herr, euer Gott!«

Die Anweisung zum Tragen dieser Schaufaden (»zizith«) oder Quasten an den Kleidern der Israeliten soll ihnen die göttlichen Gebote in Erinnerung rufen: Das Techeleth (= Schwarz-, Purpur-, Hyazinth- oder Himmelblau) wird so zum Signal göttlicher Präsenz, deren saphirsteinfarbene Bildlosigkeit in der Sinaioffenbarung und in der Ezechielvision genügend vorgeprägt ist. In der jüdischen Überlieferung und Mystik kommt von daher dem Blau eine gewichtige Rolle zu, insbesondere in visionären Zusammenhängen.

Für das Mittelalter aber war und blieb natürlich – im Blick auf die genannten Bibelstellen – das Blau des Saphirs die entscheidende Proprietät, an der die bibelorientierte Edelsteinallegorese ansetzen konnte.

Die Variationsbreite der Deutungsansatze für das Blau, die Zahl seiner Proprietäten also, war von Anfang an gering, das heißt, sie beschränkte sich auf im wesentlichen eine, die Ähnlichkeit dieser Farbe mit dem heiteren Himmel. Nachdem schon Origenes und Hieronymus und nach dem letzteren auch Gregor der Große diesen Zugang zur Bedeutung gefunden hatten, begründet Beda, auf ihnen fußend, die Farbenbestimmung und die Folgerung für diese Bedeutung noch einmal mit dem Erweis beider aus der Bibel (Ex. 24, 10;Ez. 1,26).

Dass diese Saphirallegorese nahezu tausend Jahre »durch viele Kommentare, Traktate, Predigten und Dichtungen haben Christel Meier und Ulrich Engelen in ihren breit angelegten Untersuchungen gezeigt. Wie ein Blick auf die Anwendung  der Saphirfarbe Blau bei Hildegard von Bingen zeigt, braucht der biblische Hintergrund nicht in jedem Fall zitiert zu werden; es kann durchaus sein, dass die Blau-Assoziationen ihre Eigendynamik im Werkzusammenhang entfalten. Man wird in diesem Fall wohl höchstens sagen dürfen, dass die genannten Bibelstellen als gewichtige und nicht diskutierbare Anreger hinter aller auf den Saphir bezogenen Allegorese stehen, ohne dass damit über den Grad der Emanzipation ganzer Schilderungs- und Sinnzusammenhange aus dieser Einbettung im einzelnen etwas entschieden würde? Jedenfalls legte »der vorgegebene Deutungsansatz -des Blaus als Farbe des Himmels [. . .] die Bedeutung in weiten Grenzen auf das Himmlische fest: die Hoffnung auf den Himmel und das Verlangen nach ihm, ein am Himmlischen orientiertes Leben nach Phil. 3,20 nostra conversatie in caelis est, die auf das Himmlische gerichtete Kontemplation, Christi himmlische, das heißt göttliche Natur und damit auch den zweiten auf Christus gerichteten Artikel des Credo nach I. Cor. 15,47: primus homo de terra, terrenus secundus homo de caelo, caelestis, endlich die Erhebung des Paulus in den dritten Himmel (z. Cor. 2,12) und das durch ihn Eph. 2,19 formulierte himmlische Bürgerrecht des Christen Mit wenigen Ausnahmen blieb diese durch den biblischen Hintergrund vorgegebene Bedeutung des himmelblauen Saphirs durchs ganze Mittelalter hindurch dominant.

Die Beziehung zu dieser Überlieferung dokumentiert sich zusätzlich in der Vorstellung, »der Saphir eigne sich vor andern blauen Steinen zur Darstellung des Himmels als des Wohnsitzes Gottes «Darin ist der Anschluss an die biblische Insinuation vom Orte Gottes, der durch Saphir gekennzeichnet ist, gewahrt. So ist denn in der mittelhochdeutschen Schilderung des Gralstempels durch Albrecht von Scharfenberg in seinem Jüngeren Titurel der Saphir gleich doppelt gegenwärtig: Das Gewölbe des Gralstempels ist mit Saphiren »gebloewet«, aber auch dessen Altarplatten sind aus Saphir.” Der Stein hat – als sichtbare Präsenz Gottes – die (nahezu magische) Wirkung, den Menschen von Sunden rein zu machen. Sichtbar wird diese Wirkung insbesondere an der Gottesmutter Maria, wie die reiche mariologische Applikation des Steines beweist. Noch bei Heinrich Seuse ist die »reine kunigin von himelrich« ein rotgoldenes Gefäß, mit edlen Smaragden und Saphiren belegt.

 

IV

Was im westlichen Mittelalter gerne äußerlich sichtbar als »Ort Gottes« saphirblau, das heißt himmelblau erstrahlt – zuhöchst natürlich in der Himmelskönigin Maria -, hat eine frühe christliche Vorprägung im ägyptischen Mönchtum der Kellia und dann in der Mystik des Syrischen Christentums seit dem vierten Jahrhundert .

Es ist vor allem Evagrios Pontikos (ca. 345-399), der nach einem zweijährigen Aufenthalt in der nitrischen Wüste sich  383 in den Kellia niederließ und von hier aus eine insbesondere Cassian stark beeindruckende Mystik entwickelte. Der Einfluss Evagrios auf das östliche und westliche Mönchtum ist nicht abzuschätzen, schon deswegen nicht, weil sein Name  in den Jahrhunderten nach seinem Tode bewusst verschwiegen oder sogar durch üble Verleumdungen in ein schiefes Licht gebracht wurde. Grund für diese Verfemung war seine Anhänglichkeit an das theologische, exeptische und apologetische Schrifttum des alexandrinischen Theologen Origenes (um 189-253/54), des bedeutendsten geistlichen Schriftstellers der griechischen Kirche.” Selbst Johannes Cassian (um 360 – um 435), der sich in seinem  zweimaligen, insgesamt nahezu zehnjährigen Aufenthalt in den ägyptischen Klöstern und Mönchsniederlassungen des Nildeltas mit ziemlicher Sicherheit von Evagrios belehren Ließ, nennt dessen Namen nie, auch wenn in seinen Institutiones und Collationes Patrum dessen Einfluss spürbar ist. Evagrios’ Werk wird, da sein Autor als Origenist den wildesten Verleumdungen anheimfallt, anonym oder unter anderen Namen der Nachwelt überliefert. Gleichwohl ist die Nachwirkung der evagrianischen Spiritualität und die damit gegebene Vermittlung des Gedankenguts des Origenes und Gregorios’ von Nyssa (um 335-394) ans östliche und dann westliche Christenturn bis ins 15, ja sogar bis ins 20. Jahrhundert hinein außerordentlich stark gewesen. Selbst Theologen wie I. Hausherr und H.U. von Balthasar:’ die dem evagrianischen Gedankengut misstrauisch gegenüberstehen, können sich der Faszination der evagrianischen Mystik nur schwer entziehen. In der neuesten, editorisch und interpretatorisch orientierten Forschung durch C. und A. Guillaumont vor allem aber in den kompetenten und einfühlsamen Studien von L. Bouvet und  G. Bunge vollzieht sich eine Neubewertung des Evagrios, in der seine authentische Christlichkeit wieder starker zum Ausdruck gelangen kann, so dass »die Schriften und die Persönlichkeit des Evagrios, jener echt griechischen, vom Geist des Origenes und der Kappadokier getragenen Fremdlingsgestalt unter den asketischen Mönchen, des Beginners und Schöpfers der eigentlichen christlichen Mystik, wieder seinem Range entsprechend dargestellt und erfasst werden können.

Gemessen an den bisher genannten »Visionen in Blau«, stellt die evagrianische Variante gewiss die mystischste Spielart  dar. Zwar knüpft auch Evagrios an die Merkabah-Vision Ezechiels und an die in Ex. 24,10 geschilderte Sinaioffenbarung an. Die Verhältnisse aber liegen insofern anders, als in einer aus der eremitischen Existenz des Verfassers zu erklärenden Einschränkung der Perspektive die ursprüngliche jüdische Offenheit des Blicks auf das ganze zu erlösende Volk Gottes auf den Einzelnen konzentriert erscheint. Dieser ist es, der hinsichtlich seiner unmittelbaren Erfahrung des Göttlichen im Zentrum des Interesses steht, so aber, dass, was mit ihm geschieht, Signal einer möglichen grundsätzlichen Eröffnung uber den Menschen und seine Erfahrungsmöglichkeit wird.

Bei den ägyptischen Mönchen steht immerfort im Zenit ihrer Bemühungen das, was sie als das »reine Gebet“’ bezeichnen – jener privilegierte Augenblick, wo der Intellekt (nous), frei von aller Leidenschaft, sich in flüchtiger und proleptischer Weise dem Zustand annähert, der am Ende der Zeiten dem »nackten« Intellekt beschieden sein wird, ein Zustand der völligen Abgeschiedenheit von jedem Vorstellungsbild, von jeder „Form“ (nicht nur aller geschaffenen Natur und sinnlicher Objekte, sondern auch Gottes selbst). Das Wissen um diesen Zustand ist ihnen »Wissenschaft von Gott“, »Theologie «. „Wenn du Theologe bist, wirst du in Wahrheit beten, wenn du in Wahrheit betest, bist du Theologe.« Der Zustand der Apatheia, den solche Theologie einschließt, meint Leidenschaftslosigkeit als einen »fast engelhaften“ und  „friedvollen Zustand«.” Charakterisiert ist dieser Zustand durch die Schau eines Lichts, eines »Lichts ohne Form“. Was das für ein Licht sein soll, hat Evagrios selber als Frage umgetrieben. In seinem Antirrhetikos (der nur auf syrisch und armenisch erhalten ist) berichtet er, wie er zusammen mit seinem Freund Ammonios dieser Frage wegen zu Johannes von Lykopolis, dem berühmten »Seher der Thebais“, die lange Reise von den Kellia in Ägypten nach Lykopolis auf sich nahm; es  ging ihm und seinem Freund offenbar vital um folgendes Problem:  Wider den Intellekt, der nicht begreift, dass die Gedanken des Überdrusses, wenn sie in ihm andauern, seinen Zustand stören und zur Zeit des Gebetes das heilige Licht in seinen Augen verfinstern. Was aber eben dieses Licht betrifft, so wollten wir in Erfahrung bringen, ich und der Diener Gottes Ammonios, woher es sei, und wir fragten den heiligen Diener Gottes Johannes, den Seher der Thebais, ob etwa die Natur des Intellektes Licht sei und das Licht aus sich fließen lasse oder ob ihm von außen her etwas anderes erscheine und ihn erleuchte. Er aber antwortete und sprach: »Es gibt niemanden, de; in der Lage wäre, das zu erklären. Indessen vermag der Intellekt ohne die Gnade Gottes nicht im Gebet erleuchtet zu werden, von vielen und bitteren Feinden befreit, die auf sein Verderben erpicht sind.«

Die auf den ersten Blick eher enttäuschende Antwort besagt, dass das „Licht ohne Form“ die Freiheit von den Leidenschaften voraussetzt, gleichzeitig aber Ergebnis ungeschuldeter Gnade Gottes ist .Damit aber ist nichts weniger als ein pelagianisches oder quietistisches Missverständnis asketisch-mystischer Bemühungen abgewiesen; Johannes’ Antwort ist damit eine orthodoxe Antwort, in der die mystische Erfahrung des formlosen Lichts gleichzeitig von der menschlichen Anstrengung und der göttlichen Gnadenzuwendung her einsichtig gemacht werden soll.

Das Zusammenwirken beider Momente bewirkt nun das Lichtereignis. Denn: »Leuchtet“ nun die Apatheia, dieses >Licht der Seele<, >im Herzen auf<, dann erblickt der >innere Mensch<, der >zum Gnostiker geworden ist, zum Gotterkennenden, >in sich das Licht der Schönheit seiner selbst<. Diese für seine Theologie und Mystik fundamentale Erfahrung hat Evagrios verschiedentlich in Worte zu fassen versucht.« Im folgenden versammle ich ein paar Stellen, die eine solche Selbstschau des Intellekts beschreiben:

»Die Leidenschaftslosen [. . .] betrachten zum Zeitpunkt des Gebets das eigene Licht des Intellekts, das sie erleuchtet.“

»Es ist ein Beweis von -Leidenschaftslosigkeit, wenn der Intellekt begonnen hat, sein eigenes Licht zu sehen…“

Das in der Selbstschau des Intellekts ausströmende Licht hat aber die Qualität Blau, da es dem Saphir und damit der Himmelsfarbe entspricht: »Wenn jemand den Zustand des Intellekts sehen will, hat er sich aller Vorstellungsbilder zu berauben, und dann wird er sich selber dem Saphir und der Farbe des Himmels ähnlich erblicken; dies ist indessen nicht möglich ohne Leidenschaftslosigkeit . . .«

Im neununddreißigsten Brief an einen (unbekannten) Freund erläutert Evagrios die Selbstschau des Intellekts im Blick auf dessen Sinnziel, das nur im Ruckgriff auf die Sinaioffenbarung (und allenfalls die Merkabah-Vision Ezechiels) ermittelt werden kam; dem der Intellekt ist – nach Ex. 24,10  – »der Ort, wo der Gott Israels stand« (nach dem Text der Septuaginta!), geworden. Nach einem ausführlichen Seufzer über die Schwierigkeit, den »Wagen Gottes« zu ziehen:’ das heißt eine reine, leidenschaftslose Seele zu erlangen, und nach einer Aufforderung, den Intellekt von Gedanken der Gefräßigkeit, Geldgier, Ruhmsucht, Unzucht, Zorn und Traurigkeit zu schreibt er – das Existenzinteresse des „immateriell zum Immateriellen« Gelangenden zusammenfassend – das Folgende:

Wenn nun der Intellekt durch die Gnade Gottes diesen Dingen entflieht und seinen »alten Menschen abstreift“ (Kol. 3,9], dann erscheint ihm sein eigener Zustand zur Zeit des Gebetes wie ein Saphir oder nach der Art der Farbe des Himmels, was die Schrift »Ort Gottes« nennt, den die Ältesten auf dem Berg Sinai sahen. Diesen »Ort“ nennt sie auch „schau des Friedens«, an dem einer in sich jenen »Frieden“ schaut, »der erhabener ist als jedes Verstehen und der unsere Herzen behütet« (Phil. 4,7 und Eph. 2,14) In einem reinen Herzen nämlich wird ein anderer Himmel eingeprägt, dessen Schau Licht und dessen Ort geisthaft ist, an welchem, wie wunderbar, die, Einsichten der Seienden [Dinge] geschaut werden.

Drei Elemente konstituieren so den »Zustand des Gebetes«:

„1. Die Schau des eigenen >Zustandes<

2. den Gedanken der >Himmelhöhe<,

3. die Bezeichnung >des Zustandes des Intellektes< als >Ort Gottes<.«

“Die Selbstschau des Intellekts – er sieht »sein eigenes Licht« (oikeion feggos) – vollzieht sich in Form des Verströmens saphirblauen Himmelslichts. Und dieser Selbstvollzug des Nous ist „intelligible Höhe“, der das »Licht der Dreifaltigkeit« zuteilwird: »Der Zustand des Intellektes bedeutet die der Himmelsfarbe gleichende intelligible Höhe (uphoos noeton), der auch zur Zeit des Gebetes das Licht der Hl. Dreifaltigkeit zuteilwird.«” Was den biblischen Ausdruck »Ort Gottes“ betrifft, so kann er symbolisch auf die reine Seele und den kontemplativen Intellekt übertragen werden, das heißt unter Abstrich aller lokalisierenden und umschreibenden Fixierung: Der Ort Gottes ist im augustinischen Sinn ein »locus, non locus“ Das Abstreifen aller Leidenschaften und die Erhebung uber alle Dinge befreien die Gedanken  von ihrem Verhaftet sein an sinnliche Dinge, so dass auf dieser Höhe eines »gestaltlosen Zustandes“(schau Gottes und Gemeinschaft mit ihm gnadenhaft als ein Ereignis des Lichtförmig, das heißt geistig sich verströmenden Ortes Gottes im Intellekt möglich werden. Der hier lichtförmig gegenwärtig werdende Gott ist der dreifaltig-personale, in dessen Licht sich das „eigene Licht“ des Intellektes gleichzeitig als Gnadengabe erfährt. Interessant ist, dass in diesem himmelblauen Licht des Intellekts die Schöpfung keinesfalls durch die Apaitheia eskamotiert ist, sondern in der unvermittelten lichthaften Einigung von Intellekt und dreifaltigem Gott geisthaft in der Einsicht in die seienden Dinge gegenwärtig ist. Damit werden Analogien frei zu Hans Arps kosmischer Vision in Blau (allerdings kaum m »blauen Stunde«, wie sie bei  verschiedenen Dichtern in wechselnder Bedeutungsnuancierung – vor allem aber als melancholisch notiertes Entfremdungssyndrom – evoziert wird). So wie Arps „Singendes Blau« aber eine Vergeistigung alles Seienden impliziert, so wird auch bei Evagrios die Schöpfung in die „Höhe« der Apatheia  gehoben. Menschliches Selbst, trinitarischer Gott und Schöpfung sind in der Vision in Blau nach Evagrios vereint und aufgehoben. Hans Arps Vision steht dazu im Verhältnis  eines Säkularisationsphänomens, das in inständiger, die symbolischen, aber nicht die explizit inhaltlichen Momente repristinierender Weise einem immer unspezifischer werdenden Christentum den Spiegel vorhalt. In der Tradition des Evagrios hat sich dann der ostsyrische Mönch Jausep Hazzaya im 8. Jahrhundert folgendermaßen zur „Vision in Blau« geäußert:

[Das letzte] Erkennungszeichen schließlich, dass der Geist in dir wirkt, den du durch die Taufe empfangen hast, ist die erleuchtete Schau deines Intellektes, welche am Firmament deines Herzens wie ein Saphir erscheint, welchselbige [Schau] eine Empfängerin des Lichtes der Heiligen Dreifaltigkeit ist. Und dieses  Erkennungszeichen fuhrt dich zur Schau der sinnlichen Naturen. Und von dieser wiederum wirst du zur Erkenntnis der intelligiblen Naturen erhoben. Und von dieser wiederum steigst du zu den Offenbarungen und Geheimnissen von Gericht und Vorsehung auf. Und diese Leiter lässt dich aufsteigen und vermischt dich mit dem heiligen Licht der Schau unseres Herrn Jesus Christus. Und durch diese glorreiche und heilige Schau ergreift dich das Staunen über seine geistliche Welt, deren Guter unsagbar sind. Und aus diesem Staunen entsteht in dir ein Ausbruch der geistlichen Rede und die Erkenntnis der beiden Welten, die waren und die sein werden, und das Empfinden der Geheimnisse der zukünftigen Dinge, zusammen mit dem Riechen und heiligen Schmecken und (dem Hören) der zarten Stimmen der Geistwesen, und Freude und Jubel und Frohlochen und Lobpreis und Gesang und Preis und  Verherrlichung und Erhebung, und Gemeinschaft mit den geistlichen Rangen und Schau der Seelen der Heilligen, und Schau des Paradieses und Essen vom Baum des Lebens, und Umgang mit den Heiligen und dem Ort, an dem sie wohnen, mit anderen unsagbaren Dingen.

Ist es eine solche Vision, in der dithyrambisch-synästhetisch eine Erfüllung aller Wunsche, auch und gerade der eschatologischen, signalisiert wird, die alle »Visionen in Blau« – ob nun frohlockend, triumphal oder melancholisch erfahren – letztlich tragt, weil die Bürgerschaft hienieden keine bleibende ist, der Mensch also ein Fremdling ist und bleibt? Fremd-Sein kann durchaus eine fruchtbare Provokation zu einer Expedition ins Blaue sein, deren erhebender Vollzug eine existentielle Herausforderung darstellt.