Borges over het schrift van de god

God

schrift van God

 

HET SCHRIFT VAN DE GOD

Voor Ema Risso Platero

De kerker is diep en van steen; de vorm een bijna volmaakte halve bol, al is de vloer (die ook van steen is) iets kleiner dan een maximale cirkel, een feit dat de gevoelens van beklemming en ruimte op de een of andere manier versterkt. Een muur snijdt hem in tweeën; hij is wel heel hoog, maar raakt het bovenstuk van het gewelf niet; aan de ene kant zit ik, Tzinacán, magiër van de Qaholom-piramide, die Pedro de Alvarado in brand stak; aan de andere kant zit een jaguar, die met geheime, gelijke passen de tijd en ruimte van de gevangenschap meet. Vlak boven de grond breekt een groot tralievenster de middenmuur. Op het schaduwloze uur (het middaguur), gaat een valluik in de hoogte open en een cipier die door de jaren allengs is vervaagd, hanteert een ijzeren katrol en laat aan het eind van een touw kruiken water en stukken vlees voor ons zakken. Het licht valt het gewelf binnen; op dat ogenblik kan ik de jaguar zien.
Ik ben de tel kwijt van de jaren dat ik in het donker lig; ik, die ooit jong was en door deze gevangenis kon lopen, doe niets anders dan, in de houding van mijn dood, wachten op het einde dat de goden mij voorbestemmen. Met het diepe, vuurstenen mes heb ik de borst van de slachtoffers geopend en nu zou ik mij niet zonder toverkunst uit het stof kunnen verheffen.
Op de avond voor de brand van de Piramide kastijdden mannen die van hoge paarden kwamen mij met gloeiende staven opdat ik de plek van een verborgen schat onthulde. Voor mijn ogen haalden ze het beeld van de god neer, maar deze liet mij niet in de steek en zorgde dat ik mijn mond hield tijdens de folteringen. Ze reten me open, ze braken mijn botten, ze mismaakten me en daarna werd ik wakker in deze kerker, die ik mijn sterfelijke leven lang niet meer zal verlaten.
Gedwongen door het noodlot iets te doen, op de een of andere manier de tijd te vullen, wilde ik me, in mijn duisternis, alles voor de geest halen wat ik wist. Hele nachten verspilde ik met het oproepen van de volgorde en hoeveelheid van een paar stenen slangen of de vorm van een geneeskrachtige boom. Zo bestreed ik de jaren, zo bemachtigde ik langzaam maar zeker wat al van mij was. Op een nacht voelde ik dat ik vlak bij een nauwkeurige herinnering was; voor hij de zee ziet, voelt de reiziger zijn bloed tintelen. Uren later begon ik de herinnering te onderscheiden; het was een van de overleveringen van de god. Die schreef, daar hij voorzag dat aan het einde der tijden veel ellende en verval zou plaatsvinden, op de eerste dag van de Schepping een toverspreuk, die bij machte was dat kwaad te bezweren. Hij schreef haar zo neer dat ze de verste generaties kon bereiken en toeval geen vat op haar had.
Niemand weet waar hij haar neerschreef en met welke lettertekens, maar vast staat dat ze heimelijk voortbestaat en dat een uitverkorene haar zal lezen. Ik bedacht dat wij, als altijd, aan het einde der tijden waren en dat mijn lot als laatste priester van de god mij toegang zou verschaffen tot het voorrecht dat schrift intuïtief te herkennen. Het feit dat een kerker mij omgaf, kon die hoop niet fnuiken; wie weet had ik de inscriptie van Qaholom duizenden malen gezien en hoefde ik haar alleen nog maar te begrijpen.
Die overweging bemoedigde mij en bezorgde me vervolgens een soort duizeling. Overal op aarde bestaan aloude vormen, onaantastbare, eeuwige vormen; elk daarvan kon het gezochte symbool zijn. Een berg kon het woord van de god zijn, of een rivier of het imperium of het sterrenstelsel. Maar in de loop van de eeuwen vervlakken de bergen en de bedding van een rivier pleegt zich te verleggen en imperia zijn onderhevig aan veranderingen en verwoestingen en de stand van de sterren varieert. In het firmament treedt verandering op. Berg en ster zijn individuen en individuen zijn aan verval onderhevig. Ik zocht iets hardnekkigers, onkwetsbaarders. Ik dacht aan de generaties van de granen, grassen, vogels, mensen. Misschien stond de toverspreuk op mijn gezicht geschreven, misschien was ik zelf het eindpunt van mijn zoeken. Op dat spoor zat ik, toen ik “mij herinnerde dat de jaguar een van de attributen van de god is.
Toen vulde mijn ziel zich met godsvrucht. Ik stelde me de eerste ochtend in de tijd voor, ik stelde me mijn god voor die de boodschap toevertrouwde aan de levende huid van de jaguars, die elkaar eindeloos zouden liefhebben en verwekken, in holen, in rietvelden1 op eilanden, opdat de laatste mensen haar ontvingen. Ik stelde me voor hoe dat net van tijgers, dat warmbloedige labyrint van tijgers, de weiden en kudden schrik aanjoeg om een patroon te bewaren. In de andere cel zat een jaguar; in zijn nabijheid bespeurde ik een bevestiging van mijn vermoeden en een heimelijke gunst. Ik wijdde lange jaren aan het leren van de orde en schikking van de vlekken. Iedere blinde dag stond me een ogenblik licht toe, en zo kon ik de zwarte vormen die de gele vacht vlekten in mijn hoofd prenten. Sommige omvatten punten; andere vormden dwarsstrepen op de binnenkant van de poten; weer andere, ringvormige, herhaalden zich. Wie weet waren ze één zelfde klank of één zelfde woord. Vele hadden rode randen.
Ik zal de vermoeienissen van mijn werk niet noemen. Meer dan eens riep ik het gewelf toe dat het onmogelijk was die tekst te ontcijferen. Geleidelijk aan verontrustte het concrete raadsel dat mij bezighield mij minder dan het soort raadsel waarom het ging, namelijk een door een god geschreven spreuk. Wat voor spreuk (vroeg ik mij af) zou een absoluut brein maken? Ik bedacht dat zelfs in mensentalen geen zin bestaat die niet het hele heelal omvat; de tijger zeggen is zeggen de tijgers die hem hebben voortgebracht, de herten en schildpadden die hij heeft verslonden, het gras waarmee de herten zich voedden, de aarde die moeder was van het gras, de hemel die de aarde licht gaf. Ik bedacht dat in de taal van een god ieder woord die oneindige keten van feiten zou uitdrukken, en niet op een impliciete manier, maar expliciet, en niet op een geleidelijke manier, maar ogenblikkelijk. Met de tijd kwam het denkbeeld van een goddelijke spreuk me kinderlijk en lasterlijk voor. Een god, peinsde ik, hoeft maar één woord te zeggen en in dat woord zit alles. Geen enkel door hem gesproken woord kan inferieur zijn aan het heelal of geringer dan de som van de tijd. Schaduwen of visioenen van dat woord, dat gelijkstaat aan een taal en aan hetgeen een taal kan behelzen, zijn de eerzuchtige maar armzalige mensenwoorden alles, wereld, heelal.
Op een dag of nacht – welk verschil kan tussen mijn dagen en nachten bestaan? – droomde ik dat er een zandkorrel op de kerkervloer lag. Zonder er acht op te slaan, viel ik weer in slaap; ik droomde dat ik wakker werd en dat er twee zandkorrels lagen. Ik viel opnieuw in slaap; ik droomde dat het aantal zandkorrels drie was. Zo vermenigvuldigden ze zich verder, tot ze de kerker tot de nok vulden en ik zou sterven onder die halve bol zand. Ik begreep dat ik droomde: dankzij een enorme inspanning werd ik wakker. Het wakker worden was zinloos; het ontelbare zand verstikte me. Iemand zei tegen me: Je bent niet ontwaakt naar de wakkere staat, maar naar een vorige droom. Die droom zit in een andere, en zo tot in het oneindige, wat het aantal zandkorrels is.
De weg die je zult moeten te1uggaan is eindeloos en je zult sterven voor je werkelijk bent ontwaakt.
Ik voelde me verloren. Het zand brak mijn mond al, maar ik riep: Gedroomd zand kan mij niet doden, evenmin als er dromen bestaan in dromen. Een schijnsel wekte me. In het donker boven mij hing een lichtkring. Ik zag het gezicht en de handen van de cipier, de katrol, het touw, het vlees en de kruiken.
Een mens vervloeit geleidelijk met de vorm van zijn lot; een mens is, op den duur, zijn omstandigheden.
Eerder dan een ontcijferaar of een wreker, eerder dan een priester van de god, was ik een gekerkerde. Uit het onvermoeibare dromenlabyrint keerde ik terug naar de harde gevangenis als naar mijn huis. Ik zegende haar klamheid, ik zegende haar tijger, ik zegende het lichtgat, ik zegende mijn oude, lijdende lichaam, ik zegende het donker en het steen.
Toen vond plaats wat ik niet kan vergeten of overbrengen. Toen vond de eenwording plaats met de godheid, met het heelal (ik weet niet of deze woorden verschillen). Extase herhaalt haar symbolen niet; er zijn er die God hebben gezien in een schijnsel, er zijn er die Hem hebben bespeurd in een zwaard of in de kringen van een roos. Ik heb een heel hoog Rad gezien, dat zich niet voor mijn ogen bevond, noch erachter, noch ernaast, maar overal tegelijk. Dat Rad was gemaakt van water, maar ook van vuur, en het was (al zag je de rand) oneindig. Het bestond uit een vervlechting van alle dingen die zullen zijn, zijn en waren, en ik was een van de vezels van dat algehele stelsel, en Pedro de Alvarado, die mij had gefolterd, een andere. Daar waren de oorzaken en de gevolgen en ik hoefde dat Rad maar te zien om alles eindeloos te begrijpen. O zegen van het begrip, groter dan die van het voorstellingsvermogen of het gevoel. Ik zag het heelal en ik zag de diepste bedoelingen van het heelal. Ik zag de oorsprongen waarover het Boek van de Gemeenschap vertelt. Ik zag de bergen die uit het water oprezen, ik zag de eerste paalmensen, ik zag de aarden kruiken die zich tegen de mens keerden, ik zag de honden die hun gezicht aan flarden scheurden. Ik zag de gezichtloze god die achter de goden schuilt. Ik zag eindeloze processen die één enkele gelukzaligheid vormden en nu ik alles begreep, lukte het me ook het schrift van de tijger te begrijpen.
Het is een formule van veertien toevallige (schijnbaar toevallige) woorden en ik zou haar maar hardop hoeven uit te spreken om almachtig te zijn. Ik zou haar maar hoeven uit te spreken om deze stenen kerker teniet te doen, om de dag in mijn nacht te laten treden, om jong te zijn, om onsterfelijk te zijn, om de tijger Alvarado te laten verscheuren, om het heilige mes in Spaanse borsten te steken, om de piramide te herstellen, om het imperium te herstellen. Veertig lettergrepen, veertien woorden, en ik, Tzinacán, zou over de landen regeren waarover Montezuma regeerde. Maar ik weet dat ik die woorden nooit zal zeggen, omdat ik me Tzinacán niet meer herinner. Moge met mij het mysterie sterven dat op tijgers staat geschreven. Wie het heelal heeft zien gloren, wie de vurige bedoelingen van het heelal heeft zien gloren, kan niet denken aan een mens, aan zijn onbeduidende voor – of tegenspoed, al is hijzelf die mens. Die mens was hij maar nu kan hij hem niet meer schelen. Wat kan hem het lot van die ander schelen, wat kan hem het land van die ander schelen, als hij nu niemand is. Daarom spreek ik de formule niet uit, daarom laat ik toe dat de dagen mij, liggend in de duisternis, vergeten.

Jorge Luis Borgers

Borges over de eeuwigheid

DSCN5691

 

J.L. Borges: DE GESCHIEDENIS VAN DE EEUWIGHEID
I
In de passage van de Enneaden waarin Plotinus het wezen van de tijd wil peilen en definiëren, staat dat we eerst de eeuwigheid moeten kennen, zoals iedereen weet het model en het archetype van de tijd. Deze vermaning, des te ernstiger naarmate we haar serieus nemen, lijkt alle hoop op enig begrip tussen ons en de man die het schreef de grond in te boren. De tijd is voor ons een probleem, misschien het vitaalste van de hele metafysica; de eeuwigheid is een spel of een vermoeide vorm van hoop. In Plato’s Tïmaios lezen we dat tijd een beweeglijk beeld van eeuwigheid is; maar dat is hooguit een compromis dat niemand van de overtuiging zal afbrengen dat de eeuwigheid een van tijdssubstantie gemaakt beeld is. Het is dat beeld, dat grove, door menselijke onenigheid verrijkte woord, dat ik hier historisch wil schetsen.
Ik keer de methode van Plotinus om (de enige manier om iets aan hem te hebben) en memoreer eerst de duistere kanten die inherent zijn aan de tijd: een metafysisch, natuurlijk mysterie dat vooraf moet gaan aan de eeuwigheid, die een vrucht van het menselijk brein is. Eén zo’n duistere kant, niet de meest taaie, niet de minst mooie, is de onmogelijkheid om de richting van de tijd te bepalen. Het algemene geloof wil dat hij van het verleden naar de toekomst stroomt, maar het tegenovergestelde geloof, zoals dat in de poëzie van Miguel de Unamuno is vastgelegd, is niet minder logisch: ’s Nachts ontspringt de stroom van uren aan haar bron, de eeuwige ochtend… 1
Beide opvattingen zijn even geloofwaardig -en even onverifieerbaar. Bradley wijst ze alle twee af en komt met een eigen hypothese: de toekomst, zuiver een spinsel van onze hoop, uitsluiten en het ‘nu’ terugbrengen tot de agonie van het huidige moment dat uiteenvalt in het verleden. Zo’n tijdsregressie pleegt te corresponderen met dalende of flauwe stemmingen, in zoverre dat alle intensiteit zich voor ons gevoel naar de toekomst toe uitstrekt… Bradley wijst de toekomst af; een van de filosofische scholen van India wijst het heden af omdat het ongrijpbaar zou zijn. De sinaasappel zal zo van de tak vallen, of ligt al op de grond, aldus deze vreemde vereenvoudigers. Niemand ziet hem vallen.
De tijd brengt meer moeilijkheden mee. Een daarvan, misschien de grootste, het relateren van de individuele tijd van ieder mens aan de algemene tijd van de wiskunde, is door de recente relativiteitsdrukte genoegzaam verkondigd, en iedereen weet het nog, of weet nog dat hij het tot voor kort wist. (Ik vat die moeilijkheid, met enige vervorming, samen: als tijd een mentaal proces is, hoe bestaat het dan dat duizenden mensen, of al waren het er maar twee, dat delen?) Een andere is door de Eleaten aangewend om de beweging te ontkennen: Het is onmogelijk dat er in een tijdsbestek van tachtig jaar veertien minuten voorbijgaan, want eerst moeten er zeven voorbij zijn en vóór die zeven drieënhalf en vóór die drieënhalf één en driekwart.. en zo tot in het oneindige.. zodat die veertien minuten nooit om zijn. Russell weerlegt dat argument door te wijzen op het reële en zelfs alledaagse van oneindige getallen die echter per definitie ineens komen en niet als de slotterm van een eindeloos optelproces.
Die ongewone getallen van Russell zijn een mooi voorproefje op de eeuwigheid, die zich evenmin laat definiëren via optelling van haar delen. Geen van de verschillende eeuwigheden die de mens ooit heeft uitgedacht -die van het nominalisme, die van Irenaios, die van Plato -is een werktuiglijke aaneenlassing van verleden, heden en toekomst. Het is eenvoudiger en magischer: het is de simultaneïteit van die tijden. De volksmond en dat verbazingwekkende woordenboek dont chaque édition fait regretter la précédente schijnen er niet van op de hoogte, maar zó zagen de metafysici de eeuwigheid. De objecten van de geest volgen elkaar op -lees ik in boek van de Enneaden -, nu Socrates.. dan een paard… altijd één geïsoleerd ding dat men vat en duizenden die verloren gaan; maar de Goddelijke Intelligentie omvat alle dingen tegelijk. Het verleden zit in het heden.. evenals de toekomst. Niets gaat voorbij in die wereld, waarin alle dingen voortbestaan.. kalm in de gelukzaligheid van hun conditie.
Ik ga over tot een beschouwing van die eeuwigheid, waarvan alle andere zijn afgeleid. Weliswaar is Plato er niet de geestelijke vader van -hij heeft het in een bepaald boek over de ‘oude, heilige filosofen’ die hem waren voorgegaan -maar hij biedt een schitterende weergave en zelfs een uitbreiding van wat deze voorgangers hadden bedacht. Deussen vergelijkt hem met de zonsondergang: hartstochtelijk laatste licht. Alle Griekse eeuwigheidsopvattingen komen in zijn boeken samen, nu eens afgewezen, dan weer tragisch opgesmukt. Daarom noem ik hem vóór, lrenaios, die de tweede eeuwigheid opstelt: die welke bekroond is met de drie verschillende maar onontwarbare personen. Plotinus zegt met opmerkelijk vuur: ieder ding in de intelligibele hemel is eveneens hemel daar is de aarde hemel zoals de dieren, de planten, de mannen en de zee het zijn. Wat zij zien is een wereld die niet verwekt is. Iedereen bekijkt zich in de anderen. Er is niets in dit rijk dat niet doorschijnend is. Niets is ondoordringbaar, niets is duister en licht ontmoet licht. Iedereen is overal, en alles is alles. Ieder ding is alle dingen. De zon is alle sterren, en iedere ster is alle sterren en de zon. Niemand loopt daar als op een vreemde aarde. Dat eenstemmige heelal, die apotheose van assimilatie en verwisseling, is nog geen eeuwigheid; het is een grenshemel, nog niet helemaal vrij van getal en van ruimte. De volgende passage uit boek V wil tot beschouwing van de eeuwigheid, tot de wereld van de universele vormen aanzetten: Laten zij die zich verwonderen over deze wereld -haar capaciteit, haar schoonheid, de orde in haar aanhoudende beweging, de manifeste of onzichtbare goden die haar bereizen, de duivels, bomen en dieren -hun gedachten verheffen naar die Werkelijkheid waarvan dit alles de kopie is. Zij zullen daar de intelligibele vormen zien, niet met gekende eeuwigheid maar eeuwig, en zij zullen ook haar kapitein zien, de pure intelligentie, en de onbereikbare Wijsheid, en de ware leeftijd van Chronos waaraan de naam Volte is. Alle onsterfelijke dingen zijn daar, alle intellect, iedere god en iedere ziel. Alle plekken zijn daar, waarheen zal zij gaan? Zij is aanwezig in het geluk, waartoe dan verandering en wisselvalligheid bewezen? Zij heeft die situatie aanvankelijk niet ontbeerd maar hem later verworven. De dingen behoren haar toe in één enkele eeuwigheid: die eeuwigheid die de tijd nabootst terwijl hij rond de ziel draait, altijd deserteur van een verleden, altijd pretendent van een toekomst.
Het benadrukken van de pluraliteit in bovenstaande alineá.’s kan misleidend zijn. Het ideale universum waartoe Plotinus ons uitnodigt, haakt niet zozeer naar verscheidenheid, als wel naar volte; het is een uitgelezen repertorium dat geen herhaling of pleonasme duldt. Het is het onbeweeglijke, verschrikkelijke museum van de Platoonse archetypen. Ik weet niet of sterfelijke ogen (de visionaire blik of de nachtmerrie daargelaten) het hebben gezien en evenmin of de Griek van lang geleden die het uitdacht zich er ooit een voorstelling van heeft gemaakt, maar ik voel er iets in van een museum: stil, monsterlijk en geclassificeerd… Het gaat om een persoonlijk idee waar de lezer zich niets aan gelegen hoeft te laten liggen; hopelijk laat hij zich wel iets gelegen liggen aan een algemene schets van de Platoonse archetypen of eerste oorzaken of ideeën, die de eeuwigheid bevolken en bepalen. De ruimte voor een uitvoerige bespreking van de Platoonse leer ontbreekt hier, maar enkele opmerkingen van propaedeutische aard zijn wel mogelijk. De laatste, vaste realiteit van de dingen is voor ons de materie -de ronddraaiende elektronen die astronomische afstanden afleggen in de eenzaamheid van de atomen -; voor wie in staat zijn als Plato te denken is het de soort, de vorm. In boek III van de Enneaden lezen we dat de materie irreëel is: het is slechts holle passiviteit die de universele vormen opvangt zoals een spiegel dat zou doen; de vormen brengen de materie in beweging en bevolken haar zonder haar te veranderen. De volte van de materie is precies die van een spiegel, die voorwendt vol te zijn maar leeg is; het is een hersenschim die niet eens verdwijnt, omdat zij zelfs het vermogen om op te houden mist. Fundamenteel zijn de vormen. Daarover heeft Pedro Malón de Chaide veel later, in navolging van Plotinus, gezegd: God handelt als hadt gij een achthoekige goudstempel met op een kant een leeuw uitgesneden, op een andere kant een paard, op weer een andere kant een adelaar, en zo voort; en als druktet gij de leeuw op een stuk was, op een ander stuk de adelaar, op weer een ander stuk het paard,. stellig is alles wat op het was staat ook op het goud, en gij kunt slechts afdrukken wat daarop staat uitgesneden. Maar er is een verschil en dat is dat het op het was uiteindelijk was is, dus weinig waard,. op het goud is het goud, en veel waard. Bij de schepselen zijn deze kwaliteiten eindig, dus weinig waard; bij God zijn zij van goud, zijn zij God zelf.
Daaruit kunnen we afleiden dat de materie niets is. Wij vinden zo’n criterium slecht en zelfs onbegrijpelijk, en toch passen wij het voortdurend toe. Een hoofdstuk van Schopenhauer is niet het papier uit de Leipziger drukkerijen, niet de drukinkt, niet de krullen en halen van het gotische schrift, niet de som van alle klanken die erin voorkomen, zelfs niet de mening die wij erover hebben; Miriam Hopkins is gemaakt van Miriam Hopkins, niet van de stikstof of mineralen, koolhydraten, basen en zuren, die de vergankelijke substantie vormen van die tere zilveren schim of intelligibele essentie van Hollywood. Dergelijke welwillende illustraties kunnen ons ertoe aanzetten de Platoonse leer te dulden. Wij kunnen deze als volgt formuleren: Individuen en dingen bestaan voor zover ze deel hebben aan de soort die hen insluit, die hun duurzame werkelijkheid is. Ik zoek het geschiktste voorbeeld: dat van de vogel. De gewoonte van de vogel om in zwemmen te vliegen, zijn geringe omvang, de gelijkenis met zijn soortgenoten, zijn oude verbondenheid met beide schemeringen, die van het begin van de dagen en die van hun einde, de omstandigheid dat je hem meer hoort dan ziet –dat alles brengt ons er toe de soort voorop te stellen en de individuele vogel als nagenoeg onbeduidend te beschouwen,2 Keats kan terecht denken dat de nachtegaal die hem in vervoering brengt dezelfde is als die welke door Ruth werd gehoord in de korenvelden van Bethlehem, in Judea; Stevenson verheft één vogel die de eeuwen verteert: de tijdverslindende nachtegaal. Schopenhauer, de hartstochtelijke, scherpzinnige Schopenhauer, draagt een motivering aan: de pure, lichamelijke actualiteit van dieren, hun onwetendheid van dood en herinneringen. En hij voegt er, niet zonder glimlach, aan toe: Wie mij hoort beweren dat de grijze kat die nu op de binnenplaat speelt dezelfde is als de kat die hier Vijfhonderd jaar geleden neersprong en langs sloop, mag van mij denken wat hij wil; nog dwazer is het te denken dat het om een wezenlijk andere kat gaat, En dan: Het lot en leven van leeuwen vraagt om een leonitas, een leeuwheid, wat in de tijd beschouwd één onsterfelijke leeuw is die zich handhaaft door middel van de oneindige wederopvoering van de individuele leeuwen, met hun voortplanting en hun dood de hartslag van die onvergankelijke gestalte, En daarvoor: Een oneindige duur is aan mijn geboorte voorafgegaan; wat was ik intussen? In metafysische termen zou ik mezelf kunnen antwoorden: ‘ben altijd ik geweest; dat wil zeggen, iedereen die in die tijd ik heeft gezegd, was niemand anders dan ik.’
Ik vermoed dat die eeuwige Leeuwheid de goedkeuring van mijn lezer kan wegdragen; hij zal iets van verheven opluchting voelen bij die ene leeuw, vermenigvuldigd in de spiegels van de tijd. Van zo’n beeld van een eeuwige humanitas verwacht ik dat niet: ik weet dat ons ik dat afwijst en het liever onbevreesd uitstrooit over het ik van de anderen. Een slecht teken; Plato oppert nog veel hachelijker universele vormen. Bij voorbeeld de Tafelheid of intelligibele Tafel, die in de hemel staat: een vierpotig archetype dat alle meubelmakers van de hele wereld, gedoemd tot illusie en frustratie, voor ogen staat. (Ik kan dit niet helemaal afwijzen: zonder een ideaalbeeld van een tafel waren wij nooit tot concrete tafels gekomen.) Of de Driehoekigheid: een eminente driezijdige veelhoek die zich niet in de ruimte bevindt en die niet wil worden gedegradeerd tot iets gelijkzijdigs, ongelijkzijdigs of gelijkbenigs. (Ook dit verwerp ik niet; het is de driehoek van onze meetkundeschriften.) Andere voorbeelden: de Behoefte, de Rede, het Uitstel, de Betrekking, de Overweging, de Omvang, de Orde, de Traagheid, de Houding, de Verklaring, de Wanorde. Van zulke tot vorm verheven denkgemakken weet ik niet meer wat ik moet vinden; ik denk dat niemand ze zonder de hulp van dood, koorts of waanzin kan aanvoelen. Ik vergat een archetype dat alle andere omvat en verheft: de eeuwigheid, waarvan de tijd een verbrokkelde kopie is. Ik weet niet of mijn lezer argumenten behoeft om Plato’s leer te ontkrachten. Ik kan ze volop aandragen: bij voorbeeld de onverenigbare koppeling van soortnamen en abstracte woorden die in het tehuis van de archetypische wereld sans gêne samenwonen; of het stilzwijgen van hun uitvinder over de manier waarop de dingen de universele vormen deelachtig worden; of de argwanende gedachte dat die aseptische archetypen zelf ook onderhevig zijn aan vermenging en verscheidenheid. Ze zijn niet onoplosbaar: ze zijn even verward als de schepselen van de tijd. Gemaakt als ze zijn naar het beeld van deze schepselen, herhalen zij precies de afwijkingen die ze willen oplossen. Hoe zou bij voorbeeld Leeuwheid het kunnen stellen zonder Hoogmoed en Rossigheid, Bemaandheid en Beklauwdheid? Op die vraag bestaat geen antwoord en kan ook geen antwoord bestaan: laten wij van de term leeuwheid geen kracht verwachten die de kracht van dat Woord zonder suffix ver zou overtreffen.3
Ik ga terug naar de eeuwigheid van Plotinus. Boek V van de Enneaden bevat een zeer algemene inventarisatie van de bestanddelen die haar vormen. De Gerechtigheid is er, evenals de Getallen (tot hoeveel?) en de Deugden en de Handelingen en de Beweging, maar niet de dwalingen en de onrechtmatigheden, wat ziekten zijn van een materie waarin een Vorm is ontaard. Niet als melodie, maar als Harmonie en als Ritme is de Muziek er. Van pathologie en akkerbouw bestaan geen archetypen, omdat ze niet nodig zijn. Ook financiën, strategie, retoriek en bestuurskunst blijven buitengesloten -al stammen ze, in de tijd, in zekere zin af van Schoonheid en Getal. Er zijn geen individuen, er is geen oorspronkelijke vorm van Socrates, zelfs niet van een Groot Man of van een Keizer; er is, in het algemeen, de Mens. Daarentegen zijn alle geometrische figuren er. Wat de kleuren aangaat alleen de primaire: er is geen Grijs of Purper of Groen in die eeuwigheid. Dit zijn in opklimmende reeks haar oudste archetypen: het Verschil, de Gelijkheid, de Beweging, de Rust en het Zijn.
Wij hebben een eeuwigheid bekeken die armer is dan de wereld. Rest ons te zien hoe onze Kerk haar heeft geadopteerd en haar heeft bedacht met een rijkdom die alles te boven gaat wat de jaren overbrengen.

II
Het beste document over de eerste eeuwigheid is boek V van de Enneaden; dat over de tweede, de christelijke, boek XI van Augustinus’ Belijdenissen. De eerste is ondenkbaar zonder de Platoonse these; de tweede zonder het beroepsmatige mysterie van de Drieëenheid en de discussies over voorbeschikking en verdoemenis.
Het onderwerp zou nog op geen vijfhonderd foliovellen uitputtend te behandelen zijn: ik hoop dat deze twee, drie octavoblaadjes niet overdadig overkomen. We kunnen zonder veel risico stellen dat de verordening van ‘onze’ eeuwigheid slechts enkele jaren viel na de chronische ingewandsziekte die Marcus Aurelius velde, en dat het decor van dat duizelingwekkende mandaat het ravijn van Fourvière was, destijds Forum Vetus geheten, en nu beroemd om zijn kabelbaan en zijn basiliek. Die dwang-eeuwigheid was, het gezag van de man die het opstelde – bisschop lrenaios – ten spijt, veel meer dan een ijdel priesterlijk parament of een kerkelijke luxe: het was een beslissing en het was een wapen. Het Woord is verwekt door de Vader, de Heilige Geest door de Vader en het Woord; de gnostici plachten uit die twee onbetwistbare geschiedfeiten af te leiden dat de Vader voor het Woord kwam, en beiden voor de Heilige Geest. Die gevolgtrekking tastte de Drieëenheid aan. Irenaios legde uit dat het dubbele proces -verwekking van de Zoon door de Vader , uitstorting van de Geest door beiden -zich niet in de tijd heeft voltrokken, maar in één klap verleden, heden en toekomst uitput. Die uitleg werd aanvaard en geldt nu als dogma. Zo werd de eeuwigheid uitgevaardigd, terwijl ze voordien amper werd geduld in de schaduw van een of andere niet geautoriseerde tekst van Plato.
Het juiste verband en verschil tussen de drie hypostasen van de Heer geldt nu als een onwaarschijnlijk probleem, en die onbeduidendheid lijkt de repliek aan te tasten; toch mag aan de grootsheid van het resultaat niet getwijfeld worden, al was het maar om de hoop te voeden: Aetemitas est merum hodie, est immediata et lucida fruitio rerum infinitarum. En evenmin aan het emotionele en polemische belang van de Drieëenheid.
Vandaag de dag beschouwen katholieke leken de triniteit als een oneindig deugdelijk maar ook oneindig saai lichaam; vrijzinnigen zien het als een ijdele theologische helhond, een bijgeloof dat vanzelf door de vele vooruitgangen in de Republiek zal worden uitgeroeid. De drieëenheid stelt natuurlijk meer voor dan dergelijke formules. Op het eerste gezicht komt het denkbeeld van een vader, een zoon, en een geest, verbonden binnen een enkelorganisme, over als een geval van verstandsverbijstering, een gedrocht dat alleen kan zijn gebaard door de gruwel van een nachtmerrie. De hel is puur fysieke gewelddadigheid, maar de drie onontwarbare Personen brengen een verstandelijke gruwel, een verstikte, bedrieglijke oneindigheid teweeg als bij twee tegenover elkaar opgestelde spiegels. Dante wilde ze aanduiden via de opeenstapeling van doorschijnende kringen, in wisselende kleur; Donne met een dichte kluwen onontwarbare slangen. ‘Toto coruscat trinitas mysterio’, schreef St. Paulinus; ‘In volle mysterie schittert de Drieëenheid.’
Los van de verlossingsgedachte moet het onderscheid tussen de drie personen in één willekeurig overkomen. Als behoefte van het geloof wordt het fundamentele mysterie niet minder, maar gloort er ook iets van een bedoeling, een functie. Wij begrijpen dat Jezus als we afzien van de Drieëenheid -of althans van de Tweeëenheid – zou veranderen in een gelegenheidsbode, een geschiedkundig incident, in plaats van de onvergankelijke, aanhoudende toehoorder van onze verering. Als de Zoon niet ook de Vader is, is de verlossing geen rechtstreeks werk van God; als Hij niet eeuwig is, zal ook Zijn offer, Zijn afdaling tot mens en Zijn dood aan het kruis, dat niet zijn. ‘Niets minder dan een oneindige voortreffelijkheid heeft een ziel die tot in eeuwigheid verloren was kunnen redden’, benadrukte Jeremias Taylor. Zo laat het dogma zich rechtvaardigen, al suggereert de opvatting dat de Zoon door de Vader is verwekt, en de Heilige Geest aan beiden is ontsproten, onverminderd een prioriteit, nog afgezien van de erfschuld die aan die metaforische condities kleeft. De theologie besluit, in een poging ze uit elkaar te houden, dat er geen reden voor verwarring is, aangezien de uitkomst van de ene de Zoon is en van de andere de Geest. Eeuwige verwekking van de Zoon, eeuwige schepping van de Heilige Geest, luidt de hovaardige uitspraak van lrenaios: de uitvinding van een tijdloos feit, van een verminkt zeitloses Zeitwort, dat wij kunnen verwerpen of aanhangen, maar niet ter discussie kunnen stellen. Aldus wilde lrenaios het monster redden, en het is hem gelukt. Wij weten dat hij een vijand van de filosofen was; een van hun wapens bemachtigen en tegen hen keren, moet hem een krijgshaftig genoegen hebben bezorgd.
Voor een christen valt de eerste seconde van de tijd samen met de eerste seconde van de Schepping – wat ons het (onlangs door Valéry gereconstrueerde) schouwspel bespaart van een ledige God die in de ‘vorige’ eeuwigheid loze eeuwen afwindt. Emanuel Swedenborg (Vera christiana religio, 1771) zag in een uithoek van de onstoffelijke wereld een hallucinatorisch standbeeld waardoor allen zich verslonden wanen ‘die zinneloos en vruchteloos tobben over de staat van de Heer vóór Hij de wereld schiep’.
De christelijke eeuwigheid begon vanaf het moment dat lrenaios haar had ingesteld af te wijken van de alexandrijnse. Vaneen afzonderlijke wereld veranderde zij zo goed en zo kwaad als het ging in een van de negentien attributen van het goddelijk brein. Toen ze eenmaal aan de volksverering waren prijsgegeven, dreigden de archetypen te veranderen in goden of engelen; weliswaar werd daarmee niet hun realiteit – altijd nog groter dan die van gewone schepselen – ontkend, maar zij werden gereduceerd tot eeuwige ideeën binnen het scheppend Woord. Bij dit denkbeeld van de universalia ante res zal Albertus Magnus blijven stilstaan: hij acht ze eeuwig en voorafgaand aan de dingen van de Schepping, maar alleen op de wijze van ingevingen of vormen. Hij scheidt ze zorgvuldig van de universalia in rebus -dat zijn dezelfde goddelijke begrippen die zich al in verschillende gedaanten in de tijd geconcretiseerd hebben -maar vooral ook van de universalia post res, de begrippen die door inductief denken zijn herontdekt. De tijdelijke onderscheiden zich van de goddelijke in zoverre dat ze geen scheppingskracht bezitten, maar verder in niets; het vermoeden dat de categorieën van God wel eens niet precies dezelfde als die van het Latijn zouden kunnen zijn, past niet in de scholastiek… Maar ik merk dat ik vooruitloop.
De theologische handboeken staan niet met speciale toewijding bij de eeuwigheid stil. Ze beperken zich ertoe voorop te stellen dat het gaat om de gelijktijdige, algehele intuïtie van alle tijdsfracties en verder pluizen ze de Hebreeuwse geschriften na op bedrieglijke uitlatingen, waar het lijkt of de Heilige Geest heel slecht heeft gezegd wat de commentator goed zegt. Met dat oogmerk plegen ze de volgende verklaring aan te voeren, die getuigt van illustere minachting of puur van een lang leven: ‘Eén dag in het aangezicht des Heren is als duizend jaar en duizend jaren zijn als een dag’, of deze imposante woorden, die Mozes hoorde en die de naam van God zijn: ‘Ik Ben Die Ik Ben’, of de woorden die de Heilige Johannes, voor en na de kristallen zee en het scharlaken beest en de vogels die het vlees van oversten eten, op Patmos vernam: ‘Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde’.4 Zij plegen ook de volgende definitie van Boëthius aan te halen (uitgebroed in het gevang, wie weet de vooravond van zijn dood door het zwaard): Aeteritas est interminabilis vitae tota et perfecta possessio, wat me beter bevalt in de bijna wellustige herhaling van Hans Lassen Martensen: Aeternitas est merum hodie, est immediata et lucida fruitio rerum infinitarum. Blijkbaar versmaden zij, daarentegen, de duistere eed van de engel die op de zee en op de aarde stond (Openbaring 10:6): ‘en zwoer bij Hem, die leeft tot in alle eeuwigheden, die de hemel geschapen heeft en al wat daarin is en de aarde en al wat daarop is en de zee en al wat daarin is: er zal geen tijd meer zijn.’ Het is waar dat ‘tijd’ in dit vers zoveel betekent als ‘uitstel’.
De eeuwigheid bleef als attribuut van het onbeperkt goddelijk brein bestaan, en het is maar al te bekend dat generaties theologen dat brein zouden bewerken, naar hun beeld en gelijkenis. Niets is zo prikkelend als het debat over voorbeschikking ab aetemo. Vierhonderd jaar na het Kruis kwam de Engelse monnik Pelagius op de aanstootgevende gedachte dat onschuldigen die ongedoopt sterven zalig kunnen worden.5 Augustinus, bisschop van Hippo, wees deze opvatting van de hand met een verontwaardiging die zijn uitgevers toejuichen. Hij noteerde de dwalingen van die leer die rechtvaardigen en martelaren verfoeien: de loochening van het feit dat wij allemaal al in de mens Adam gezondigd hebben en verdoemd zijn, de misdadige veronachtzaming van het feit dat die dood van vader op zoon overgaat via vleselijke voortplanting, de versmading van het bloedige zweet, van de bovenaardse doodsstrijd en van de laatste kreet van Hem Die stierf aan het kruis, de verwerping van de geheime genades van de Heilige Geest, de intoming van de vrijheid van de Heer. De Brit was zo stoutmoedig geweest zich op de gerechtigheid te beroepen; de Heilige -altijd opzienbarend en forensisch -geeft toe dat krachtens de gerechtigheid alle mensen zonder pardon het vuur verdienen, maar dat God heeft besloten sommigen te redden, krachtens Zijn ondoorgrondelijke wil, of, zoals Calvijn het veellater, niet zonder boudheid, zou zeggen: omdat het nu eenmaal zo is (quia voluit). Dat zijn de voorbeschikten. Schijnheiligheid of schaamte bij de theologen heeft het gebruik van dat woord voorbehouden aan hen die zijn uitverkoren tot de hemel. Voorbeschikten tot de eeuwige kwelling mogen niet bestaan: weliswaar gaat wie niet begunstigd is naar het eeuwige vuur, maar het betreft hier een omissie van de Heer, niet een speciale wilsdaad… Deze oplossing gaf het eeuwigheidsbegrip nieuw leven.
Generaties afgodendienaars hadden de aarde bewoond, zonder de gelegenheid Gods woord te verwerpen of te omhelzen; het was even brutaal je voor te stellen dat zij zonder dat zalig konden worden, als in twijfel te trekken dat sommigen van hen, die om hun deugdzaamheid bekend stonden, van de hemel uitgesloten zouden zijn. (Zwingli gaf in 1523 uitdrukking aan zijn persoonlijke hoop de hemel te zullen delen met Hercules, met Theseus, met Socrates, met Aristides en met Seneca.) Het was voldoende het negende attribuut van de Heer (dat van Zijn alwetendheid) wat ruimer op te vatten en de moeilijkheid was bezworen. Er werd verkondigd dat deze alwetendheid de kennis van alle dingen inhield: dus niet alleen van de werkelijke, ook van de mogelijke. Men ploos de Heilige Schrift na op een plek die zo’n oneindige aanvulling zou billijken, en men vond er twee: de eerste in I Koningen waar de Heer tot David zegt dat de mannen van Keilab hem zullen uitleveren als hij de stad niet verlaat; de tweede in het Evangelie naar Mattheus, waar een vloek wordt uitgesproken over twee steden: ‘Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïde! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben.’ Met die tweevoudige steun konden de potentiële modi van het woord de eeuwigheid betreden: Hercules bewoont de hemel samen met Ulrich Zwingli omdat God weet dat Hercules zich aan het kerkjaar gehouden zou hebben; maar de hydra van Lerna is gedoemd buiten, in de duisternis, te blijven omdat voor God vaststaat dat zij het doopsel zou hebben geweigerd.
Wij nemen de werkelijke feiten waar en stellen ons de mogelijke (en de toekomstige) voor; bij de Heer past zo’n onderscheid, dat bij onwetendheid en bij tijd hoort, niet. Zijn eeuwigheid registreert in een keer (uno intelligendi actu) niet alleen alle ogenblikken van deze overvolle wereld, maar ook die welke hun plaats zouden hebben als zelfs het meest vluchtige zou veranderen -en ook alle onmogelijke. Zijn combinatorische, stipte eeuwigheid is veelovervloediger dan het heelal. In tegenstelling tot de Platoonse eeuwigheden, die vooral het gevaar lopen bloedeloos te zijn, dreigt deze eeuwigheid te lijken op de laatste bladzijde van Ulysses en zelfs op het voorgaande hoofdstuk, dat één lang verhoor is. Majestueuze gewetenswroeging van Augustinus heeft die stortvloed ingedamd. Zijn leer wijst de verdoemenis althans verbaal af; de Heer fixeert zich op de uitverkorenen en gaat aan de verdoemden voorbij. Hij weet alles, maar Hij laat Zijn aandacht liever verwijlen bij de deugdzame levens. Johannes Scotus Eriugena, paleisleraar van Karel de Kale, vervormde die gedachte glorieus. Hij predikte een onbepaalbare God; hij onderwees een wereld van Platoonse archetypen; hij onderwees een God Die de zonde noch de vormen van het kwaad waarneemt; hij onderwees de vergoddelijking, de uiteindelijke terugkeer van de geschapen dingen (met inbegrip van de tijd en de duivel) tot hun oorspronkelijke eenheid met God. Divina bonitas consummabit malitiam, aeterna vita absorbebit mortem, beatitudo miseriam. Die gemengde eeuwigheid (die in tegenstelling tot de Platoonse eeuwigheden de individuele levens insluit; die in tegenstelling tot de orthodoxe geloofsleer iedere onvolkomenheid en rnisère afwijst) werd door de synode van Valencia en die van Langres veroordeeld. De divisione naturae libri V, het controversiële werk dat haar predikte, werd in het openbaar verbrand. Een verstandige maatregel, die de belangstelling van de bibliofielen heeft aangewakkerd en mogelijk maakte dat Eriugena’s boek tot in onze jaren zou doordringen. Het universum vraagt om eeuwigheid. De theologen weten wel dat als de aandacht van onze Lieve Heer ook maar één seconde zou afdwalen van mijn schrijvende rechterhand, deze in het niets zou terugvallen, als ware hij getroffen door een lichtloze bliksem. Daarom beweren zij dat het behoud van deze wereld een voortdurende schepping is en dat de woorden ‘behouden’ en ‘scheppen’, hier beneden zo vijandig, in de Hemel synoniemen zijn.

III
Tot zover, in haar chronologische volgorde, de geschiedenis van de eeuwigheid. Van de eeuwigheden beter gezegd, aangezien het menselijk verlangen achtereenvolgens twee vijandige dromen droomde met die naam: een, de realistische, die met vreemde liefde hunkert naar de kalme archetypen van de geschapen dingen; twee, de nominalistische, die de waarheid van de archetypen ontkent en in één seconde alle bijzonderheden van het heelal wil bundelen. De eerste is gebaseerd op het realisme, een leer die ons zo vreemd is dat ik alle interpretaties, inclusief de mijne, want rouw ; de tweede op de rivaliserende leer, het nominalisme, dat de waarheid van de individuen en het conventionele van de soorten benadrukt. Tegenwoordig lijken we allemaal op de spontane, stupide prozaïst van Molière en zijn we nominalist ‘sans le savoir’: het is als het ware een onbewuste premisse van ons denken, een ingeburgerd axioma. Vandaar dat commentaar erop zo zinloos is.
Tot zover, in haar chronologische volgorde, de conflictieve, curiale gang van de eeuwigheid. Mannen in een ver verleden, mannen met een baard en een mijter, hebben haar uitgedacht, openlijk, om ketterijen tegen te gaan, en heimelijk, om op de een of andere manier het voortgaan van de uren te stelpen. ‘Leven is tijd verliezen: wij kunnen niets terugkrijgen of behouden, alleen in de vorm van eeuwigheid’, lees ik bij de door Emerson beïnvloede Spanjaard Jorge Santayana.
Daar hoef ik maar die vreselijke passage van Lucretius naast te leggen, over het leugenachtige van de geslachtsdaad: ‘ Als de dorstige die in zijn droom wil drinken en vormen van water uitput die hem niet laven en die verzengd van de dorst omkomt midden in een rivier: zo bedriegt Venus de gelieven met schijnbeelden; het zien van een lichaam verzadigt hen niet en zij kunnen er niets van nemen of behouden, al laten zij hun handen ook besluiteloos over elkaars lichaam dwalen.
Ten slotte, als het geluk zich in hun lichaam aankondigt en Venus zich opmaakt om de akkers van de v rouw te besproeien, drukken de gelieven zich angstig tegen elkaar, de tanden hartstochtelijk aaneen; vergeefs, want zij slagen er niet in zich in de ander te verliezen of één zelfde wezen te zijn.’ De archetypen en de eeuwigheid -twee woorden -stellen zekerder bezittingen in het vooruitzicht. Vaststaat dat de idee van opeenvolging iets ondraaglijk arms is en dat de mens, met zijn grootmoedige lusten, alle minuten van de tijd en de hele verscheidenheid van de ruimte wil.
Het is bekend dat de identiteit van een persoon in zijn geheugen zetelt en dat waanzin volgt als dit wordt weggevaagd. Voor het universum geldt hetzelfde. Zonder een eeuwigheid) zonder een gevoelige) geheime spiegel die alles opneemt wat er in de zielen is gebeurd) is de universele geschiedenis verloren tijd) en daarmee onze persoonlijke geschiedenis -wat ons onaangenaam tot spoken reduceert. De grammofoonplaat van Berliner of de heldere cinematograaf) louter beelden van beelden) idolen van andere idolen) zijn niet voldoende. De eeuwigheid is een rijkere uitvinding. Weliswaar is zij niet te vatten) maar de nederige opeenvolgende tijd is dat evenmin. De eeuwigheid ontkennen) veronderstellen dat de jaren) beladen met steden) rivieren) vreugden) volledig worden weggevaagd) is niet minder ongelofelijk dan je haar totale redding voorstellen.
Hoe begon de eeuwigheid? Augustinus gaat aan dat probleem voorbij) maar signaleert iets dat een oplossing lijkt te bieden: de deeltjes verleden en toekomst die in ieder heden zitten. Hij geeft een voorbeeld: het voordragen van een gedicht. ‘Voor ik begin) zit het gedicht in mijn voorkennis; zodra ik klaar ben) in mijn geheugen; maar op het moment dat ik het opzeg, strekt het zich voor zover het al gezegd is in mijn geheugen uit en in mijn voorkennis voor zover ik het nog moet zeggen. Wat met het gedicht in zijn geheel gebeurt) gebeurt met ieder vers en met iedere lettergreep. Zo is het volgens mij ook met de langere episode waar het gedicht deel van uitmaakt) en met het individuele leven, dat bestaat uit een reeks episoden) en met de mensheid) die een reeks individuele levens is.) Die constatering van de innerlijke band tussen de diverse tijden van de tijd impliceert echter opeenvolging, wat niet samengaat met een model van eenstemmige eeuwigheid. Ik denk dat heimwee dat model is geweest. De mens, die ver van zijn land met ontroering terugdenkt aan gelukzalige mogelijkheden, ziet deze sub specie aeternitatis, terwijl hij helemaal vergeet dat de verwezenlijking van één van die mogelijkheden de andere zou uitsluiten of uitstenen. Bij hartstocht neigt de herinnering naar het tijdloze. Wij brengen de gelukkige momenten uit een verleden onder in één beeld; de wisselend rode zonsondergangen waar ik iedere avond naar kijk, zullen in mijn herinnering één enkele zonsondergang zijn. Met plannen maken gaat het net zo: de meest onverenigbare verwachtingen kunnen ongehinderd naast elkaar bestaan. Met andere woorden: de stijl van het verleden is de eeuwigheid. (Waarschijnlijk ligt in de insinuatie van het eeuwige -van het immediata el lucida fruitio rerum infinitarum -de verklaring voor het bijzondere genoegen dat opsommingen verschaffen.)

IV
Rest me alleen nog de lezer mijn persoonlijke theorie van de eeuwigheid te vertellen. Het is een povere eeuwigheid, al. zonder God of andere baas, en zonder archetypen. Ik heb haar in het boek El idioma de los argentinos (De taal van de Argentijnen), van 1928, uiteengezet. Ik schrijf over wat ik toen zei; de titel boven de pagina was Sentirse en muerte (Zich in de dood voelen), ‘Ik wil hier een ervaring vastleggen die ik enkele avonden geleden had: een kleinigheid, die te vluchtig en extatisch is om het een avontuur te noemen, en te irrationeel en gevoelig voor een gedachte. Het gaat om een tafereel en het woord ervoor: een woord dat ik eerder heb uitgesproken, maar tot dan toe niet met volledige overgave had ondergaan. Ik zal het hier schetsen, met de bijkomstigheden van tijd en ruimte die het te kennen gaven.

Het zit als volgt in mijn geheugen. De middag die aan de bewuste avond voorafging was ik in Barracas, een buurt waar ik niet vaak kwam, en die zo ver lag van de buurten waar ik later doorheen liep, dat dát al een vreemde smaak aan die dag gaf. Ik had geen bepaald plan voor de avond; omdat de atmosfeer heel rustig was, besloot ik wat te wandelen en te mijmeren. Ik wilde geen doel aan die wandeling verbinden; ik hield mijn horizon zo open mogelijk om de verwachting niet te vermoeien met het dwangmatige vooruitzicht op iets specifieks. Ik liep in de zwakke maat van het mogelijke, op goed geluk, zoals dat heet; ik aanvaardde, zonder enig bewust vooroordeel, behalve dat ik de avenues en de brede straten meed, de meest duistere invitaties van het toeval. Toch dreef een soort vert rouw elijke aantrekkingskracht me steeds verder weg naar buurten waarvan ik de naam altijd wil onthouden en die me respect inboezemen. Ik bedoel niet mijn eigen buurt, het precieze kader van mijn kinderjaren, maar de nog geheimzinnige naaste omgeving: een grensgebied dat ik in woorden volledig, maar in werkelijkheid nauwelijks heb bezeten, naburig en mythologisch tegelijk. De keerzijde, de rug van het bekende, dat is wat die voorlaatste straten voor mij vertegenwoordigen, bijna even wezenlijk onbekend als het onderaardse cement van ons huis of ons onzichtbare skelet. De wandeling bracht me bij een hoek. Ik ademde avond in, in zeer serene bedachteloosheid. Mijn visioen, beslist niet gecompliceerd, leek nog vereenvoudigd door mijn vermoeidheid. Het typische maakte het onwezenlijk. De straat bestond uit lage huisjes, en al was het eerste woord dat in aanmerking kwam misschien “armoede”, het tweede was ongetwijfeld “geluk”. De straat was zo arm en zo aanminnig als maar kan. Geen enkel huis waagde zich tot de straat; de vijgeboom verduisterde de gevel; de portiekjes -hoger dan de gestrekte muurlijnen -leken gemaakt van de oneindige substantie van de avond. De stoep verhief zich steil boven de straat; de straat was van elementaire modder, modder van Zuid-Amerika waarover nog geen conquista was gegaan. Aan het eind zakte het steegje, al half pampa, af naar de Maldonado. Boven de troebele, chaotische aarde was het of een roze muur geen maanlicht herbergde, maar innerlijk licht uitstraalde. Niets zal de tederheid beter kunnen benoemen dan dat roze. Ik stond naar die eenvoud te kijken. Ik dacht, ongetwijfeld hardop: Dit is hetzelfde als dertig jaar geleden… Dat tijdstip giste ik: in andere landen pas geleden, maar hier, aan deze veranderlijke kant van de wereld, al heel ver weg. Misschien zong er een vogel en voelde ik voor het beest een kleine liefde, van vogelformaat; maar waarschijnlijker is dat in die duizelingwekkend wordende stilte geen ander geluid klonk dan het eveneens tijdloze getirp van de krekels. De voor de hand liggende gedachte ik ben in de achttiende eeuw was niet langer een verbale benadering van wat ik voelde, maar verdiepte zich tot werkelijkheid. Ik voelde me dood, ik voelde me een abstracte waarnemer van de wereld: een onbestemde angst doordrenkt met weten, wat de helderste vorm van metafysica is. Nee, ik dacht niet dat ik was opgezwommen tegen de zogenaamde wateren des Tijds; veeleer waande ik me de bezitter van de verborgen of ontbrekende betekenis van het onbevattelijke woord eeuwigheid.
Pas later slaagde ik er in die impressie te definiëren. Ik omschrijf het nu als volgt: die zuivere voorstelling van homogene dingen -avondrust, oplichtend muurtje, landelijke geur van kamperfoelie, oeroude modder -is niet alleen identiek aan wat zoveel jaren geleden op deze hoek was; het is dat zelfde, zonder gelijkenis en herhaling. Tijd is, voor zover we die identiteit al aanvoelen, een illusie: het feit dat een moment niet te onderscheiden of los te maken is van zijn schijnbare gisteren of anders van zijn schijnbare vandaag, is voldoende om het begrip uiteen te doen vallen. Het is duidelijk dat het aantal van zulke momenten in een mensenleven niet oneindig is. De elementaire momenten -die van fysiek lijden en fysiek genot, die van de opkomende slaap, die van het luisteren naar muziek, die van grote intensiteit of grote tegenzin – zijn nog onpersoonlijker. Ik trek bij voorbaat deze conclusie: het leven is te ann om niet ook onsterfelijk te zijn. Maar wij zijn zelfs niet zeker van deze armoede, want de tijd is weliswaar makkelijk weerlegbaar op het gevoelsmatige, maar niet’ op het verstandelijke vlak, waar het begrip opeenvolging onlosmakelijk mee verbonden is. Moge, dus, het even ontwaarde beeld beklijven in deze stemmingsanekdote en het ware moment van extase en de mogelijke insinuatie van eeuwigheid, waarmee die avond mij zo rijkelijk bedeelde, in de toegegeven besluiteloosheid van deze pagina.’
Het voornemen deze biografie van de eeuwigheid dramatisch belang te verlenen, noopte mij tot bepaalde vervormingen: Zo vat ik een ontstaanstijd van eeuwen in vijf, zes namen samen.
Die Philosophie der Griechen, von Dr. Paul Deussen. Leipzig, 1919.
Select Workf of Plotinus. Translated by Thomas Taylor. London , 1817.
Passages Illustrating Neoplatonism. Translated with an introduction by E.R. Dodds. London, 1932.
La philosophie de Platon, par Alfred Fouillée. Paris, 1869.
Die Welt als Wille und Vorstellung, von Arthur Schopenhauer. Herausgegeben von Eduard Grisebach. Leipzig, 1892.
Die Philosophie des Mittelalters, von Dr. Paul Deussen. Leipzig , 1920.
Las confesiones de San Agustín. Versión literal por el P. Angel C. Vega. Madrid, 1932. A Monument to Saint Augustine. London, 1930.
Dogmatik, van Dr. R. Rothe. Heidelberg, 1870.
Ensayos de crítica filosófica, de Menéndez y Pelayo. Madrid, 1892.

noten:
1. De scholastische opvatting van de tijd als het stromen van het potentiële in het actuele is aan deze idee verwant. Denk aan de eeuwige objecten van Whitehead, die ‘het rijk van de mogelijkheid’ vormen en de tijd betreden.
2. Levend, zoon van Wakker, de onwaarschijnlijke, metafysische Robinson uit de roman van Aboe Bakr abn Tofail, berust erin alleen vruchten en vissen te eten die veel op zijn eiland voorkomen, terwijl hij steeds zorgt dat geen enkele soort uitsterft en het universum niet door zijn toedoen verarmt.
3. Ik wil geen afscheid nemen van het (schijnbaar ijzige) platonisme zonder deze opmerking, waarvan ik hoop dat iemand haar nog eens ter hand neemt en billijkt: Het generische kan intenser zijn dan het concrete. Ik beschik over illustratieve voorbeelden. Toen ik, als kleine jongen, de zomer doorbracht in het noorden van de provincie, werd mijn belangstelling getrokken door de onafzienbare vlakte en de mannen die in hun keuken van hun maté zogen, maar ik kon mijn geluk niet op toen ik ontdekte dat die onafzienbaarheid de pampa was en dat die mannen gaucho’s waren. Evenzo vergaat het de fantasierijke mens die verliefd wordt. Het generische (de naam die je steeds herhaalt, het type, het land van herkomst, het aanbiddelijke leven dat die geliefde wordt toegedacht) is belangrijker dan de individuele trekken, die worden geduld dank zij het voorgaande. Het extreme voorbeeld, van iemand die verliefd wordt van horen zeggen, komt heel veel voor in de Perzische en Arabische literatuur. Een koningin beschreven horen -haren als de nachten van scheiding en verdrijving, maar een gelaat als een stralende dag, borsten als ivoren bollen die de manen verlichten, een tred die de antilopen beschaamt en de wilgen tot wanhoop brengt, zware heupen die haar beletten overeind te blijven, voeten smal als de punt van een lans -en verliefd worden tot gelukzaligheid of dood erop volgt, is één van de traditionele thema’s van de Duizend-en-één-nacht. Men leze het verhaal van Badrbasim, de zoon van Sjahriman, of dat van Ibrahim en Tamila.
4. De gedachte dat de tijd van de mensen zich niet laat meten met die van God, valt ook op in een van de islamitische tradities van de mi’raadj-cyclus. Zoals bekend werd de Profeet door de stralende merrie al-Boerak meegevoerd naar de zevende hemel en sprak hij in iedere hemelkring met de aldaar wonende patriarchen en engelen en trok hij door de Eenheid en voelde hij een kou die zijn hart deed bevriezen, toen de Heer op zijn schouder klopte. De hoef van al-Boerak schopte bij het verlaten van de aarde een kruik vol water om; bij zijn terugkeer tilde de profeet de kruik op en er was geen druppel verloren gegaan.
5. Jezus Christus had gezegd: ‘Laat de kinderen tot mij komen.’ Uiteraard werd Pelagius ervan beschuldigd, dat hij zich tussen de kinderen en Jezus wrong en ze aldus aan de hel uitleverde. Net als de naam Athanasius (Satanasius) gaf zijn naam aanleiding tot woordspelingen; iedereen zei dat Pelagius een zee (pelagus) van verderf moest zijn.

Borges over de Kabbala

kabbala

abstract mysterium

 

DE KABBALA
Dames en heren:
De uiteenlopende en soms tegenstrijdige doctrines die de naam kabbala voeren, komen voort uit een begrip dat ons westers brein volslagen vreemd is, dat van een heilig boek. Men zal zeggen dat wij een overeenkomstig begrip hebben: dat van een klassiek boek. Ik geloof dat ik makkelijk, met behulp van Oswald Spengler en zijn boek Der Untergang des Abendlandes, zou kunnen aantonen, dat de twee begrippen verschillen.
Laten we het woord klassiek nemen. Wat betekent het etymologisch? Klassiek komt oorspronkelijk van classis: ‘fregat’, ‘eskader’. Een klassiek boek is een geordend boek, zoals alles aan boord dat moet zijn; shipshape, zoals men in het Engels zegt. Afgezien van die betrekkelijk bescheiden betekenis, is een klassiek boek een boek dat uitmunt in zijn soort. Zo zeggen we dat de Quijote, dat de Gommedia, dat de Faust klassieke boeken zijn.
De cultus van zulke boeken mag tot een misschien buitensporig uiterste zijn doorgevoerd, maar heilig is iets anders. De Grieken beschouwden de Ilias en de Odyssee als klassieke werken; naar Plutarchus bericht, bewaarde Alexander altijd, onder zijn kussen, de Ilias en zijn zwaard, de twee syrnbolen- van zijn krijgerschap. Toch kwam het bij geen enkele Griek op dat de Ilias woord voor woord perfect zou zijn. In Alexandrië hielden de bibliothecarissen bijeenkomsten om de Ilias te bestuderen en in de loop van die studie bedachten ze de zo noodzakelijke (en nu helaas soms vergeten) leestekens. De Ilias was een uitmuntend boek; men beschouwde het als het summum van poëzie, maar geloofde niet dat ieder woord, dat iedere hexameter per se bewonderenswaardig was. Dat hoort bij een ander begrip.
Horatius heeft gezegd: ‘Soms slaapt de goede Homerus in.’ Niemand zou zeggen dat, soms, de goede Heilige Geest inslaapt. Muze of niet (het begrip muze is nogal vaag), een Engelse vertaler heeft gemeend dat als Homerus zegt: ‘Een toornige, dat is mijn onderwerp’, ‘An angry man, this is my subject, men het boek niet letter voor letter bewonderenswaardig kon vinden: men vond het wisselvallig en bestudeerde het historisch; zulke werken werden en worden historisch bestudeerd; men plaatst ze binnen een context. Een heilig boek is iets geheel anders.
Tegenwoordig denken wij dat een boek een instrument is om een doctrine te rechtvaardigen, verdedigen, of bestrijden, of er een uiteenzetting of historische schets van te geven. In de Oudheid werd een boek als een surrogaat van het gesproken woord gezien: alleen zo zag men het. Laten we denken aan die passage van Plato waarin hij zegt dat boeken zijn als standbeelden; het lijken levende wezens maar als je ze iets vraagt, kunneri ze geen antwoord geven. Om die moeilijkheid
te verhelpen bedacht hij de Platoonse dialoog, die alle mogelijkheqen van een thema exploreert. Wij hebben ook de heel mooie en heel merkwaardige brief die Alexander van Macedonië, volgens Plutarchus, naar Aristoteles stuurt. Deze heeft juist zijn Metafysica gepubliceerd, dat wil zeggen, verscheidene kopieën .laten maken. Alexander gispt hem, met de woorden dat nu iedereen kon weten wat voorheen de uitverkorenen wisten. Ter verdediging antwoordt Aristoteles, ongetwijfeld gemeend: ‘Mijn traktaat is gepubliceerd en niet gepubliceerd.’ Men dacht niet dat een boek een thema volledig kon uiteenzetten, men hield het voor een soort gids om een mondelinge les te begeleiden. Heraclitus en Plato hebben, om verschillende redenen, Homerus’ werk gegispt. Zulke boeken werden vereerd, maar men beschouwde ze niet als heilig. Dat begrip is specifiek oosters. Pythagoras heeft geen regel tekst nagelaten. Men gist dat hij zich niet aan iets geschrevens wilde binden.
Hij wilde dat zijn denken na zijn dood voortleefde en zich verder vertakte in het brein van zijn leerlingen. Daar komt het magister dixit vandaan, dat altijd verkeerd wordt gebruikt. Magister dixit betekent niet ‘zo sprak de meester’, dus de discussie is gesloten. Een pythagoreeër heeft een leer verkondigd die misschien niet paste in de traditie van pythagoras, bij voorbeeld de leer van de cyclische tijd. Als ze hem ‘dat past niet in de traditie’ voorwierpen, antwoordde hij magister dixit, wat hem in staat stelde iets nieuws in te voeren. Pythagoras dacht destijds dat boeken binden, of, in de woorden van de Schrift, dat de letter doodt en de geest tot leven wekt.
In het hoofdstuk uit Der Untergang des Abendlandes dat gewijd is aan de magische cultuur, wijst Spengler erop, dat het prototype van een magisch boek de Koran is.
Voor de oelema’s, voor de mohammedaanse schriftgeleerden, is de Koran niet een boek als de andere. Het is een boek (dit is ongelooflijk maar het is zo) van vóór de Arabische taal; men kan het historisch noch filologisch bestuderen, want het is van vóór de Arabieren, vóór de taal waarin het is gesteld en vóór het universum. Men neemt zelfs niet aan dat de Koran het werk van God is; het is dichterbij en mysterieuzer. Voor de orthodoxe muzelmannen is de Koran een attribuut van
God, zoals Zijn toorn, Zijn goedertierenheid of Zijn gerechtigheid. In de Koran zelf is sprake van een mysterieus boek, de moeder van het boek, het hemelse archetype van de Koran, dat zich in de hemel bevindt en door de engelen wordt vereerd.
Aldus de notie van een heilig boek, die alleszins verschilt van de notie van een klassiek boek. In een heilig boek zijn niet alleen de Woorden heilig maar ook de letters waaruit deze bestaan. Die gedachte hebben de kabbalisten toegepast op de bestudering van de Schrift. Ik vermoed dat de modus operandi van de kabbalisten te danken was aan hun verlangen gnostische denkbeelden in te lijven bij joodse mystiek, teneinde zich te rechtvaardigen met de Schrift, teneinde orthodox te zijn. We kunnen in ieder geval heeloppervlakkig (ik heb nauwelijks het recht hierover te spreken) zien wat de modus operandi van de kabbalisten is of geweest is, die hun vreemde wetenschap in praktijk begonnen te brengen in Zuid-frankrijk, in Noord-Spanje -in Catalonië -, en vervolgens in Italië, in Duitsland en een beetje overal.
Zij kwamen ook naar Israël, al waren ze daar niet van afkomstig; ze stamden, veeleer, af van gnostische en kathaarse denkers.
De idee is deze: de Pentateuch, de Thora, is een heilig boek. Een oneindige intelligentie heeft zich verwaardigd tot de menselijke taak een boek te redigeren. De Heilige Geest heeft zich verwaardigd tot de literatuur, wat even ongelooflijk is als veronderstellen dat God zich heeft verwaardigd mens te worden. Maar de wijze waarop hij zich hier verwaardigde is intiemer: de Heilige Geest verwaardigde zich tot de literatuur en schreef een boek. In zo’n boek kan niets toevallig zijn. In ieder menselijk geschrift zit iets toevalligs. De bijgelovige verering waarmee de Quijote, Macbeth of het Chanson de Roland wordt omringd, alsmede zovele andere boeken, over het algemeen één per land, behalve Frankrijk, dat zo’n rijke literatuur heeft dat zij, minstens, twee klassieke tradities aanvaardt, is bekend; daar zal ik echter niet op ingaan. Welnu; als een Cervanteskenner het in zijn hoofd zou halen te zeggen: de QJlijote begint met twee eenlettergrepige woorden die op n eindigen (en en un), en gaat verder met één van vijfletters (lugar), met twee van twee letters (de la), met één van vijf of zes letters (Mancha), en hij het vervolgens in zijn hoofd zou halen daar conclusies aan te verbinden, dan zou men onmiddellijk denken dat hij gek is. De Bijbel is op die wijze bestudeerd.
Je zegt, bij voorbeeld, dat hij begint met de Ietter bet, de initiaal van Breshit. Waarom is het ‘in den beginne schiep goden de hemelen en de aarde’, met het werkwoord in het enkelvoud en het onderwerp in het meervoud? Waarom is de eerste letter een bet? Omdat die beginletter, in het Hebreeuws, hetzelfde moest zeggen als b -de beginletter van bendición, zegening, in het Spaans, en de tekst niet mocht beginnen met een letter die zou corresponderen met een verwensing; het begin moest een zegening zijn. Bet Hebreeuwse beginletter van brajá, wat zegening betekent. Er is nog een heel merkwaardige omstandigheid, die invloed moet hebben gehad op de kabbala: God, wiens woorden het instrument van zijn werk vormden (zoals de grote schrijver Saavedra Fajardo zegt), schept de wereld door middel van woorden; God zegt er zij licht en er was licht. Vandaar kwam men tot de conclusie dat de wereld werd geschapen door het woord licht of door de intonatie waarmee God het woord licht uitsprak. Als hij een ander woord had’ gezegd, met een andere intonatie, zou het resultaat niet het licht zijn geweest, zou anders zijn geweest.
Wij komen bij iets dat even ongelooflijk is als hetgeen tot nu toe is gezegd. Bij iets dat ons westers brein moet schokken {dat het mijne schokt), maar dat ik mijn plicht acht te vertellen. Wanneer wij aan woorden denken, denken wij historisch gezien dat woorden aanvankelijk klank waren en daarna letters werden. In de kabbala (wat ontvangst, traditie betekent), daarentegen, veronderstelt men dat de letters eerst komen; dat de letters de instrumenten van God waren, niet de woorden die door de letters worden aangeduid. Net of je, tegen iedere ervaring in, zou denken dat het schrift eerder kwam dan de dictie van de woorden. In dat geval is niets toevallig in de Schrift: alles moet bepaald zijn. Bij voorbeeld het aantal letters van ieder bijbelvers.
Vervolgens worden equivalenties tussen de letters verzonnen. Men behandelt de Schrift als betrof het een cijferschrift, een geheimschrift, en er worden verschillende regels bedacht om haar te lezen. Men kan iedere letter van de Schrift nemen en zien dat die letter de eerste is van een ander woord en dat andere, aangeduide woord lezen. En zo voor iedere letter van de tekst.
Ook kunnen twee alfabetten worden gevormd: één, zeg, dat van a tot I en twee dat van rn tot z, of wat dat ook was in Hebreeuwse letters; men beschouwt de bovenste létters gelijkwaardig aan de onderste. Dan kan men de tekst (om het Griekse woord te gebruiken) boustróphedon lezen: dat wil zeggen van rechts naar links, dan .van links naar rechts, dan van rechts naaf links. Ook kan men de letters een etalswaarde toekennen. Dat alles vormt een geheimschrift, kan worden ontcijferd en de uitkomsten zijn behartigenswaardig, daar ze moeten zijn voorzien door Gods intelligentie, die oneindig is. Zo komt men, via die vorm van geheimschrift, via die inspanning, die herinnert aan Poe’s Gouden Scarabee, tot de Leer. Ik vermoed dat de leer er was vóór de modus operandi. Ik vermoed dat het met de kabbala net zo is als met de filosofie van Spinoza: de geometrische orde kwam later. Ik vermoed dat de kabbalisten werden beïnvloed door de gnostici en dat zij die vreemde modus, het ontcijferen van letters, hebben gezocht om alles te kunnen koppelen aan de Hebreeuwse traditie. De curieuze modus operandi van de kabbalisten is gebaseerd op een logische premisse: de idee dat de Schrift een absolute tekst is, en in een absolute tekst kan niets toeval zijn.
Er zijn geen absolute teksten; in ieder geval zijn menselijke teksten het niet. Bij proza let je meer op de betekenis van de woorden; bij het vers, op de klank. Hoe kan in een tekst die geredigeerd is door de Heilige Geest, een moment van zwakte, een enkele barst worden verondersteld? Alles moet fataal zijn. Van die fataliteit hebben de kabbalisten hun systeem afgeleid. Als de Heilige Schrift niet een oneindig geschrift is, waarin onderscheidt zij zich dan van al die menselijke geschriften, waarin verschilt het Boek Koningen dan van een geschiedenisboek, waarin het Hooglied van een gedicht? Wij moeten veronderstellen dat ze allemaal een oneindig aantal betekenissen hebben. Scotus Eriugena heeft gezegd dat de Bijbel een oneindig aantal betekenissen heeft, zoals de changeant pluimage van een pauw.
Een ander idee is dat er vier betekenissen zitten in de Schrift. Het systeem zou als volgt kunnen worden uitgedrukt: eerst is er een Wezen analoog aan de God van Spinoza, behalve dat de God van Spinoza oneindig rijk is; de En soph, daarentegen, zouden wij oneindig arm vinden. Het gaat om een Oerwezen en van dat Wezen kunnen wij niet zeggen dat het bestaat, want als wij zeggen dat het bestaat dan bestaan ook de sterren, bestaan dé mensen, de mieren. Hoe kunnen zij
tot diezelfde categorie behoren? Nee, dat Oerwezen bestaat niet. Wij kunnen ook niet zeggen dat het denkt, want denken is een logisch proces, je gaat van een premisse naar een conclusie. Wij kunnen ook niet zeggen dat het iets wil, want iets willen is voelen dat het ons ontbreekt. Ook niet, dat het handelt. De En soph handelt niet, want handelen is zich een doel stellen en dat ten uitvoer brengen. Bovendien, als de En soph oneindig is (verschillende kabbalisten vergelijken hem met de zee, die een symbool van het oneindige is), hoe kan hij dan nog iets willen? En wat voor iets zou hij kunnen scheppen behalve nog een oneindig Wezen dat in hem zou opgaan? Aangezien de schepping van de wereld helaas noodzakelijk is, hebben wij tien emanaties, de Sefirot, die uit Hem voortkomen, maar niet na Hem komen.
De idee van dat eeuwige Wezen dat altijd die tien emanaties heeft gehad, is moeilijk te vatten. Die tien emanaties vloeien uit elkaar voort. De tekst zegt ons dat zij corresponderen met de vingers van de hand. De eerste emanatie heet de Kroon en is te vergelijken met een lichtstraal die uit de En soph voortkomt, een lichtstraal die hem niet vermindert, een onbegrensd wezen dat je niet minder kunt maken. Uit de Kroon komt nog een emanatie voort, daaruit nog een, daaruit nog een, en zo tot het getal tien vol is. Iedere emanatie is drieledig. Door een van de drie delen staat zij in verbinding met het Hogere Wezen; het tweede is de kern, het wezenlijke; door het derde kan zij in verbinding komen met de lagere emanatie.
De tien emanaties vormen een mens die de Adam Kadmon, de Archetype Mens, heet. Die mens bevindt zich in de hemel en wij vormen zijn weerschijn. Uit die mens, van die tien emanaties, vloeit een wereld voort, vloeit er nog een voort, tot vier toe. De derde is onze stoffelijke wereld en de vierde is de wereld van de hel. Zij zitten alle besloten in de Adam Kadmon, die de mens en zijn microkosmos omvat: alle dingen.
Het gaat niet om een museumstuk van de fIlosofiegeschiedenis; ik geloof dat dit systeem een toepassing heeft: het kan ons van dienst zijn om te denken, om te proberen het universum te begrijpen. De gnostici waren er vele eeuwen vóór de kabbalisten; zij hebben een overeenkomstig systeem, dat een onbepaalde God postuleert. Uit die God die Pieroma (Volte) heet, vloeit nog een God voort (ik volg hier de perverse versie van Irenaeus), en uit die God vloeit nog een emanatie voort, en uit die emanatie nog een, en daaruit nog een, en elk daarvan vormt een hemel (er is een toren van emanaties). Wij komen bij het getal driehonderdvijfenzestig, want de astrologie loopt er doorheen. Als we bij de laatste emanatie komen, die waarin het deel goddelijkheid neigt naar nul, stuiten we op de God die jehova heet en die deze wereld schept. Waarom schept hij deze wereld zo vol dwalingen, zo vol gruwel, zo vol zonden, zo vol lichamelijke pijn, zo vol schuldgevoel, zo vol misdaden? Omdat de Goddelijkheid gaandeweg is afgenomen en, aangekomen bij jehova, deze onvolmaakte wereld schept. Wij hebben hetzelfde mechanisme bij de tien Sefirot en bij de vier werelden die hij zal scheppen. Die tien emanaties boeten, naarmate zij verder af raken van de En soph, van het onbegrensde, van het occulte, van de occulten -zoals de kabbalisten het in hun overdrachtelijke taal noemen -, aan kracht in, tot zij gekomen zijn bij die welke deze wereld schept, deze wereld waarin wij ons bevinden, zo vol dwalingen, zo blootgesteld aan ongeluk, zo kortstondig in ons geluk. Zo’n absurde gedachte: is het niet; wij staan tegenover een eeuwig vraagstuk, namelijk dat van het kwaad, schitterend behandeld in het Boek Job, volgens Froude het meesterwerk van alle literaturen. U zult zich de geschiedenis van job herinneren. De rechtvaardige mens die wordt geplaagd, de mens die zich wil rechtvaardigen ten overstaan van God, de mens die wordt veroordeeld door zijn vrienden, de mens die denkt dat hij zich gerechtvaardigd heeft en ten slotte spreekt God hem toe uit de wervelwind. God zegt tegen hem dat Hij de menselijke maten te buiten gaat. Hij geeft twee voorbeelden, de olifant en de walvis, en zegt dat Hij ze heeft geschapen. Wij moeten, zegt Max Brod, voelen dat de olifant, Behemoth (‘de dieren’), zo groot is dat zijn naam in het meervoud staat, en verder kan Leviathan twee monsters zijn, de walvis en de krokodil. God zegt dat Hij even onbevattelijk is als die monsters en niet door mensen kan worden gemeten.
Tot hetzelfde komt Spinoza, wanneer hij zegt dat menselijke attributen geven aan God is alsof een driehoek zou zeggen dat God bij uitstek driehoekig is. Zeggen dat God rechtvaardig is, goedertieren is, is even antropomorfisch als beweren dat God een gezicht, ogen of handen heeft.
Wij hebben, dus, een hogere Godheid en wij hebben ook lagere emanaties. Emanaties lijkt het onschadelijkste woord om God lriet de schuld te geven; om de schuld, zoals Schopenhauer zei, niet bij de koning te leggen maar bij de ministers, en om die emanaties deze wereld te laten voortbrengen. Er zijn enkele verdedigingen van het kwaad beproefd. Om te beginnen de klassieke verdediging van de theologen, volgens welke kwaad een negatief begrip is en spreken van ‘het kwaad’ eenvoudigweg spreken van de afwezigheid van goed inhoudt; wat, voor iedereen met gevoel, evident onwaar is. De eerste de beste lichamelijke pijn is even krachtig of krachtiger dan welk genot ook. Ongeluk is niet de afwezigheid van geluk, het is iets positiefs; als wij ongelukkig zijn ondergaan wij het als een vorm van ongeluk.
Er is een heel elegant maar heel onwaar argument van Leibniz om het bestaan van het kwaad te verdedigen. Stellen wij ons twee bibliotheken voor. De eerste omvat duizend exemplaren van de Aeneis, dat een perfect boek verondersteld wordt te zijn en het misschien ook is. De andere telt duizend boeken van ongelijke kwaliteit, waaronder de Aeneis. Welke van de twee is beter? Overduidelijk de tweede. Leibniz komt tot de conclusie dat het kwaad nodig is voor de verscheidenheid van de wereld.
Een ander voorbeeld dat men pleegt te geven is dat van een schilderij, een mooi schilderij, zeg van Rembrandt. Op het doek komen donkere plekken voor die kunnen corresponderen met het kwaad. Leibniz schijnt, als hij het voorbeeld van de doeken of dat van de boeken geeft, te vergeten dat één ding is .dat er slechte boeken in een bibliotheek staan, en een ander dat die boeken bestaan, of zijn. Zijn wij een van die boeken dan betekent dat de hel.
Niet iedereen beschikt over de opgetogenheid –en ik weet niet of die permanent was -van Kierkegaard, die heeft gezegd dat als er één ziel in de hel nodig was voor de verscheidenheid van de wereld, en die ziel was de zijne, hij vanuit de krochten van de hel de lof van de Almachtige zou zingen. Ik weet niet of het makkelijk is zo te voelen; ik weet niet of Kierkegaard na enkele minuten hel nog zo gedacht zou hebben. Maar de idee verwijst, zoals u ziet, naar een wezenlijk vraagstuk, dat van het bestaan van het kwaad, dat de gnostici en de kabbalisten op dezelfde wijze oplossen.
Ze lossen het op door te zeggen dat het universum het werk is van een gebrekkige Godheid, waarvan de fractie goddelijkheid neigt naar nul. Dat wil zeggen, van een God die niet de God is. Van een God die in de verte van God afstamt. Ik weet niet of ons brein kan werken met zulke weidse en vage termen als God, als Goddelijkheid, of met Basilides’ gnostische leer van de driehonderdvijfenzestig emanaties. Toch kunnen wij de idee van een gebrekkige godheid aanvaarden, van een godheid die deze wereld moet kneden van ongunstig materiaal. En dan zitten we al bij Bernard Shaw, die gezegd heeft ‘God is in the making’ , ‘God is in de maak’.
God is iets dat niet tot het verleden behoort, dat misschien niet tot het heden behoort: het is de Eeuwigheid. God is iets dat toekomst kan zijn: als wij grootmoedig zijn, ook als wij intelligent zijn, als wij scherpzinnig zijn, zullen wij God helpen vormen.
In Het onvergankelijke vuur van We11s volgt het argument dat van het Boek Job en de held lijkt op Job. Deze held droomt, wanneer hij verdoofd is, dat hij een laboratorium binnengaat. De installatie is armoedig en er is een oude man aan het werk. De oude man is God; hij toont zich nogal geïrriteerd. ‘Ik doe wat ik kan,’ zegt hij, ‘maar ik moet werkelijk strijd leveren met erg moeilijk materiaal.’ Het kwaad zou het voor God onhandelbare materiaal zijn en het goede zou goedheid zijn. Het goede zou echter, op den duur, bestemd zijn te zegevieren en zegeviert al. Ik weet niet of
wij in vooruitgang geloven; ik denk van wel, althans in Goethes spiraalvorm: wij gaan en keren weer, maar alles bij elkaar worden wij beter. Hoe kunnen wij zo praten in deze tijd van zoveel wreedheden? Toch, er worden tegenwoordig mensen gevangen genomen en in de gevangenis, mogelijk in concentratiekampen, gestopt; maar de gevangenen zijn vijanden. Ten tijde van Alexander van Macedonië leek het vanzelfsprekend dat een zegevierend leger alle overwonnenen doodde en dat een verslagen stad met de grond gelijk werd gemaakt. Misschien verbeteren wij in intellectueelopzicht ook. Een bewijs daarvan zou dit zo nederige feit zijn dat wij ons interesseren voor wat de kabbalisten dachten.
Wij hebben een open geest en zijn bereid niet alleen het verstandige van anderen, maar ook het domme van anderen, alle bijgeloof van anderen te bestuderen. De kabbala is niet alleen niet een museumstuk, maar een soort metafoor van het denken. Ik zou het nu willen hebben over een van de mythen) over een van de merkwaardigste legenden van de kabbala. Die over de golem, die heeft geïnspireerd tot Meyrinks beroemde roman die mij weer inspireerde tot een gedicht. God neemt een kluit aarde (Adam betekent rode aarde), blaast hem leven in en schept Adam, die voor de kabbalisten de eerste golem zou worden. Hij is geschapen door het goddelijk woord, door een ademtocht leven; en zoals men in de kabbala zegt dat de naam God de hele Pentateuch is, behalve dat de letters door elkaar zijn geschud, zo zou iemand, als hij de naam van God bezat of als hij het Tetragrammaton begreep -Gods naam van vier letters -en deze correct zou weten uit te spreken) een wereld kunnen scheppen en ook een golem, een mens) kunnen scheppen. De legenden over de golem zijn mooi benut door Gershom Scholem in zijn boek Het symbolisme van de kabbala, dat ik zojuist heb gelezen. Ik geloof dat het het helderste boek over dit onderwelp is, want ik heb geconstateerd dat het bijna zinloos is om naar de oorspronkelijke bronnen te zoeken. Ik heb de mooie en ik denk juiste vertaling (ik ken, uiteraard, geen Hebreeuws) van de Sefer jetsira of het Boek der schepping, gelezen, van de hand van León Dujovne. Ik heb een versie van de Zohar of het Boek der schittering gelezen. Die boeken werden echter niet geschreven om de kabbala te onderwijzen, maar om haar te insinueren; in de hoop dat een student in de kabbala ze misschien leest en zich er door gesterkt voelt. Ze zeggen niet de hele waarheid: net als de gepubliceerde en niet gepubliceerde traktaten van Aristoteles.
Laten we teruggaan naar de golem. Men veronderstelt dat als een rabbijn de geheime naam van God leert of komt te ontdekken en hem uitspreekt boven een lemen mensenfiguur, deze tot leven komt en golem heet. In een van de versies van de legende wordt op het voorhoofd van de golem het woord EMET geschreven, dat waarheid betekent. De golem groeit. Er is een moment dat hij zo groot is dat hij boven zijn eigenaar uitsteekt. Deze vraagt hem zijn schoenen vast te
maken. De golem bukt en de rabbijn blaast en slaagt er in de aleph of eerste letter van EMET uit te wissen. Blijft over MET, dood. De golem verandert in stof.
In een andere legende scheppen een rabbijn of een paar rabbijnen, een paar tovenaars, een golem en sturen hem naar een andere meester, die tot een dergelijke schepping in staat is maar boven zulke ijdelheden staat. De rabbijn spreekt tot hem maar de golem antwoordt niet, omdat het vermogen om te spreken en te begrijpen hem is ontzegd. De rabbijn vonnist: Jij bent een apparaat van de tovenaars; keer weer tot je stof.’ De golem valt in stukken.
Tot slot nog een legende die door Scholem wordt verteld. Vele leerlingen (het is één mens niet gegeven het Boek der Schepping te bestuderen en te begrijpen) slagen er in een golem te maken. Hij wordt geboren met een dolk in zijn handen en vraagt zijn scheppers hem te doden ‘want als ik leef word ik misschien als een afgodsbeeld vereerd’. Voor Israël, evenals voor het protestantisme, is afgoderij een van de grootste zonden. Zij doden de golem.
Ik heb enkele legenden verhaald maar wil terug naar het begin, naar die leer die mij behartigenswaardig lijkt. In ieder van ons zit een deeltje goddelijkheid. Deze wereld kan, overduidelijk, niet het werk zijn van een almachtige en rechtvaardige God, maar hangt van ons af. Dat is de les die de kabbala ons leert, afgezien van het feit dat het een curiositeit is die door geschiedschrijvers of grammatici wordt bestudeerd.
Evenals Hugo’s grote gedicht ‘Ce que dit Ia bouche d’ombre’, heeft de kabbala de leer onderwezen die de Grieken apokatástasis noemden, volgens welke alle schepselen, met inbegrip van Kaïn en de Duivel, na lange zielsverhuizingen, opnieuw zullen opgaan in de goddelijkheid waaruit zij ooit zijn voortgekomen.