Pasen 2016

Paaswake 2016

Pijn, pijn dat is wat opvlamt, steken in je hart, als je getuige bent van de dood van Jezus, zijn marteling aan het kruis. Afgelopen vrijdag hebben we hier bij stil gestaan. Een lichaam gestorven aan het kruis en neergelegd in het graf in een tuin. Een lichaam van een Mensenzoon. Hij moest worden uitgeleverd aan zondaars. Hij moest gekruisigd worden. Hij moest op de derde dag opstaan. Dat zeggen de mannen tegen de vrouwen bij het lege graf. Dat klinkt misschien vreemd in onze oren.  Zeker als je nog vers de beelden in je geest hebt van afgelopen dinsdagochtend: de aanslagen in Brussel, de talrijke doden, de vele gewonden,  de verbijsterde, sprakeloze, bange mensen, de huilende kinderen. Hoe rijmen die ervaringen, hoe rijmt ons leven, en ons sterven met dit lege graf? Hoe kunnen wij de hoop behouden als wij toch eerst moeten sterven? Als wij toch eerst al dat lijden moeten ondergaan, de pijn voelen, pijn van het afscheid nemen, pijn van het sterven…pijn van het loslaten?

Komt het niet te snel, dit opstaan op de derde dag, voor ons? En waarom voor Hem en nog niet voor ons? Waarom moeten we zo lang wachten? U merkt het, deze paar woorden roepen al heel wat vragen op. Maar er zit nog een grote angel in de tekst, een pijnlijk, zeer pijnlijk iets. Als je gaat beseffen over welke God hier gesproken wordt. Jezus moest dit alles doormaken, het was onderdeel van een goddelijk plan zo lijkt het wel, zo wordt er over gesproken. Weliswaar achteraf door de auteur van de tekst, maar toch. Het is een interpretatie, een betekenis die ons misschien niet zonder kleerscheuren, gelovige kleerscheuren achterlaat. Wat is dat voor een God die een dergelijk plan bedenkt en uitvoert? Een God die zijn Zoon zendt om de wereld met Hem te verzoenen door dit offer van zijn lijden en zijn dood? Het wordt, in mijn ogen, zo makkelijk gezegd: “Jezus is gestorven voor mijn zonden”. Wat zeggen we dan eigenlijk? Wat zegt dat over mij? Moet ik mij nu dankbaar tonen? Deze hele geschiedenis daar bij het lege graf is een grote valkuil. Een valkuil waarin wij kunnen vallen en ons geloof verliezen. Als we er niks van geloven, zoals de andere leerlingen, die het kletspraat vinden wat de vrouwen zeggen, hebben wij ons geloof samen met hen al verloren. Dan moet er iets anders gebeuren om ons te overtuigen.

Maar wat dan? Wat raakt ons zo diep dat wij dit verhaal en de waarheid van dit verhaal durven toelaten in ons leven ondanks de verbijsterende eigen ervaringen van lijden en van sterven, van afscheid nemen en van vreselijke pijn. Afgelopen dinsdagavond heb ik studenten die deelnamen aan de cursus “In Balans (komen)” huiswerk meegegeven: namelijk te overwegen wat pijn doet in hun leven en wat hen machteloos maakt, wat hen een gevoel van machteloosheid geeft. Niet om het op te lossen, of om direct een antwoord te vinden. Nee, sta er eerst maar eens bij stil, durf het toe te laten…durf de confrontatie aan te gaan hiermee…en kijk wat het met je doet. Het idee hierachter is, dat als je de pijn durft toe te laten, je gaat veranderen. Jij wordt door de pijn een ander mens, je transformeert. Pijn heeft de kracht tot transformatie in zich. Maar dat is geen makkelijke weg – en niet velen durven dit aan. Soms is er geen andere weg, geen coping, geen vluchten uit de pijn. Dan is ze zo groot dat je er niet omheen kunt en heeft ze je helemaal in je greep. In de rouwgroep komt dit aan het licht. En misschien ook in ons eigen leven…misschien kunt u ervan meepraten.

De pijn van je verlies van je dierbare. Een pijn die ook de vrouwen bij het graf moeten hebben gevoeld. Trouwens wat gaan ze er nog zoeken? Er ligt een steen voor, het lijk van hun geliefde Jezus is ingepakt en weggestopt. Zijn ze eigenlijk niet een dag te laat voor de balseming? Lopen ze niet achter de feiten aan? Of was het moment van de kruisafname te hevig, te pijnlijk en hebben daarom anderen Jezus maar begraven? Zoals kinderen hun ouders niet mee willen helpen afleggen, omdat de pijn, het verdriet soms te dichtbij komt, na hun dood? Maar er is ook nog een andere pijn: jouw pijn is er als achterblijver. Maar er is ook de pijn van je dierbare die je kwijt raakt en die ook soms afscheid moet nemen van jou. Heb je je wel eens voorgesteld hoe dat voor die ander moet voelen, deze pijn? Een moeder, vader die afscheid neemt van de kinderen, de partner, familieleden, vrienden, vriendinnen en sterft? Als ik deze vraag in de rouwgroep stel gebeurt er iets. Als je zelf nooit bij hebt stilgestaan – komt dit soms binnen als een mokerslag. De pijn van je vader en moeder die afscheid neemt van jou is in je beleving misschien veel groter en veel heftiger dan je eigen pijn. De pijn van de ander overstijgt jouw pijn en plaatst jouw pijn in een ander licht. Soms doet de pijn van de ander jouw meer pijn dan je eigen pijn.

Als dat gebeurt, als je je daarvan bewust bent weet je dat er steeds een diepe pijn in jouw huist die al het andere relativeert… een pijn die een soort van uiterste pijn is. Als je dat weet, ervaart, voelt, doorleeft en af en toe toelaat kun je uiteindelijk verder. Want dan gaat je leven door, met pijn en al. Dan leer je te leven met deze pijn. Wat ik hier als transformatie beschrijf gebeurt natuurlijk niet in een week, of 3 dagen. Dat kost tijd, weken, maanden, soms jaren….Die pijn leren ervaren en toestaan. Weten dat ze er zit en dat ze in je rugzak zit om mee te dragen in je leven. Pijn die zich uit in verdriet, in tranen: vloeibare, gestolde liefde. Smart, rouw die zich uit in pijn: vurige liefde. Want pijn is liefde. Net als verdriet. Dat leren zien kost tijd en als dat gebeurt ben je een ander mens.

Vindt deze transformatie, deze opstanding uit de pijn ook bij de vrouwen, bij de leerlingen van Jezus plaats? Het wordt niet met zoveel woorden gezegd. Het zou kunnen. Misschien hebben ze heel veel geleden door het zien van de pijn van Jezus. Die pijn van hun geliefde rabbi kleurt hun eigen pijn. En Jezus zelf? Hoe was zijn pijn? Waaraan leed hij het meest? Aan het afscheid van zijn leerlingen? Of was het wel misschien aan de ervaren harteloosheid van God, de afwezigheid van God toen hij aan het kruis hing? En is God harteloos? Kil, kwaadaardig, een keiharde God? In Jesaja (1e lezing) wordt die God anders beschreven en ik vermoed dat deze woorden ook in het leven van Jezus wortel hebben gevat. Vandaar dat hij niet heeft kunnen vatten dat die God afwezig was toen hij stierf. Lijden om Gods’afwezigheid. Dat kan. Maar was dat zijn ergste lijden? Misschien zit het nog een laag dieper. Misschien lijdt Jezus het meest om het lijden van God zelf, die lijdt omdat zijn Zoon zo moet sterven en Hij niet mag en niet kan ingrijpen. Een lijdende God die machteloos is, blijft. God grijpt niet in, kan dat ook niet en lijdt daaronder op gruwelijke wijze. Misschien voor ons stervelingen een vreemd perspectief.

Maar als je het idee durft toe te laten, als je hiervoor de moed durft op te brengen in je leven dat God lijdt, lijdt om jouw, dat God ook in de gestalte van Jezus, zijn Zoon, de Mensenzoon lijdt om jou, dan kantelt misschien je Godsbeeld. Dan komt je relatie tot God in een totaal ander licht te staan en ben je met God verbonden door pijn, door vurige pijn, vurig lijden, vurige liefde. Jouw pijn verbindt zich met de pijn van God en God’s pijn met jouw pijn. Dat is mystiek, een mystieke ervaring op het scherpst van de snede. Meer kan ik er niet over zeggen.

Het lege graf, de ervaringen van de vrouwen en de leerlingen, hun pijn, hun verdriet en verlies en de pijn van Jezus aan het kruis is een uitnodiging om onze pijn met hun pijn te verbinden. Als dat lukt staan wij op, staan ook wij op uit het graf van de dood. Zo zou ik vannacht dit Paasverhaal willen lezen in het licht van ons leven, tegen de achtergrond van al het lijden en alle pijn die nog dagelijks om ons heen plaatsvindt en waardoor ook wij worden getekend. Een zalig Pasen.

pasen

Goede Vrijdag

Josl Rakover wendt zich tot God

JOSL RAKOVER

‘Ich glojb in der zoen, afile ven zi sjajnt nit; ich glojb in der libe, afile ven ich fil ir nit, ich glojb in Gott, afile ven er sjvajgt. ‘
‘Ik geloof in de zon, ook als ze niet schijnt. Ik geloof in de liefde, ook als ik die niet voel. Ik geloof in God, ook als Hij zwijgt.’

Op de muur gekalkte woorden in een kelder in Keulen aan de Rijn, waar zich gedurende de hele oorlog enkele joden verborgen hielden.

“Josl Rakover wendt zich tot God ” door: Zvi Kolitz

In een van de ruïnes in het getto van Warschau is tussen geblakerde stenen en menselijke botten, verstopt in een flesje, het volgende testament gevonden, dat in de
laatste uren van het getto van Warschau geschreven werd door een jood met de naam Josl Rakover.

“Ik kan na alles wat ik heb meegemaakt niet zeggen dat Mijn verhouding tot God niet veranderd is, maar ik kan met absolute zekerheid zeggen dat mijn geloof in Hem geen spat veranderd is. Vroeger, toen het mij goed ging, was mijn verhouding tot Hem als tot iemand die me met gunsten overlaadde en die ik daardoor voortdurend iets verschuldigd was. Nu is mijn verhouding tot Hem als tot iemand die mij ook iets
verschuldigd is, veel verschuldigd is. En nu ik voel dat Hij mij ook iets verschuldigd is, denk ik dat ik het recht heb Hem te vermanen. Ik zeg echter niet, zoals Job, dat God met zijn vinger mijn zonden moet aanwijzen, opdat ik weet waaraan ik dit alles verdien. Want grotere en betere mensen dan ik zijn er rotsvast van overtuigd dat het op dit moment niet om straf voor zonden gaat, maar dat er in de wereld iets bijzonders aan de hand is: dat het een tijd is van hastores ponem, dat wil zeggen een tijd waarin God Zijn gezicht verborgen houdt.”

“In zo’n toestand verwacht ik natuurlijk geen wonderen en ik bid niet tot Hem, mijn God, om medelijden met mij te hebben. Tegenover mij mag Hij zich met dezelfde gezichtsverhullende onverschilligheid gedragen als tegenover miljoenen van Zijn volk. Ik ben geen uitzondering op de regel en ik verwacht geen speciale behandeling. Ik zal niet meer proberen mezelf te redden en ik zal hier niet wegvluchten.”

“‘Niets is zo heel als een gebroken hart, heeft een beroemde rebbe eens gezegd, en er bestaat ook geen uitverkorener volk dan een permanent zwaar getroffen volk. Toen ik niet kon geloven dat God ons als uitverkoren volk bestemd had, geloofde ik dat we door onze ellende waren uitverkoren. Ik geloof in de God van Israël, ook al heeft Hij alles gedaan om mij niet in Hem te laten geloven. Ik geloof in Zijn wetten, ook al kan ik Zijn daden niet rechtvaardigen. Mijn verhouding tot Hem is niet meer die van een knecht tot zijn meester, maar die van een leerling tot zijn rebbe. Ik buig mijn hoofd voor Zijn grootheid, maar ik zal niet de stok kussen waarmee Hij mij slaat. Ik heb Hem lief, maar Zijn tora heb ik meer lief, en zelfs al zou ik teleurgesteld in Hem zijn, dan zou ik nog Zijn tora beschermen. God betekent religie, maar Zijn tora betekent een levenswijze, en hoe meer wij voor die levenswijze sterven hoe onsterfelijker zij zal worden.
Daarom veroorloof ik mij, God, voor mijn dood, nu ik volkomen bevrijd ben van ieder spoor van angst, nu ik me bevind in een toestand van absolute innerlijke rust en zekerheid, voor de laatste keer in mijn leven met je te argumenteren.
Je zegt dat we gezondigd hebben. Natuurlijk is dat zo en daar worden wij voor gestraft. Ook dat kan ik begrijpen. Maar ik wil dat je me zegt of er één zonde op de wereld is die een straf waard is zoals wij die nu gekregen hebben.
Je zegt dat je het onze vijanden nog betaald zal zetten. Ik ben ervan overtuigd dat je het hun meedogenloos betaald zult zetten en ook daaraan twijfel ik niet. Maar ik wil dat je me zegt of er één straf op de wereld is die kan maken dat de misdaad die tegen ons is begaan, wordt vergeven.
Nu zeg je misschien dat het niet gaat om zonde en straf maar dat het een kwestie is van een toestand waarin je je gezicht verborgen houdt en je de mensen aan hun driften overlevert. Dan wil ik je vragen, God, en die vraag brandt als een verterend vuur in me: ‘Wat, o wat moet er nog gebeuren voordat je je gezicht weer aan de wereld laat zien?’
Ik zal je duidelijk en openlijk zeggen dat nu, meer dan in enig eerder tijdperk in onze oneindige lijdensweg, wij, de gemartelden, de onteerden, de verstikten, de levend begravenen en de levend verbranden, wij, de beledigden, de bespotten, de uitgelachenen, de bij miljoenen tegelijk vermoorden, hebben het recht te weten waar de grenzen van je geduld liggen.
En ik wil je nog iets zeggen: trek de strop niet te veel aan, want hij kan  God verhoede het  knappen.

“Vergeef degenen die je naam gelasterd hebben, die andere goden zijn gaan dienen, die onverschillig tegen je zijn geworden. Je hebt ze zo erg geslagen dat ze niet meer geloven dat je hun vader bent, of dat ze een vader hebben.
En ik zeg je dat uitdrukkelijk, omdat ik in je geloof, omdat ik meer in je geloof dan ooit, omdat ik nu weet dat je mijn God bent, want God, het kan toch niet zo zijn dat je de God bent van degenen wier daden het gruwelijkste bewijs zijn van agressieve goddeloosheid. Als je niet mijn God bent, wiens God ben je dan wel? De God van de moordenaars?
Als degenen die mij haten, die mij vermoorden, zo duister, zo slecht zijn, wie ben ik dan als ik niet iemand ben die iets van je licht, je goedheid vertegenwoordigt?
Ik kan je niet prijzen voor de daden die je toestaat. Ik zegen en prijs je echter om je bestaan zelf, om je schrikwekkende grootheid, die blijkbaar zo geweldig is dat zelfs dat wat zich op dit moment afspeelt geen beslissende indruk op je maakt. Maar juist omdat je zo groot bent en ik zo klein, bid ik je, waarschuw ik je, omwille van je naam: benadruk toch niet langer je grootheid door toe te laten dat de onschuldigen getroffen worden!”

“Ik sterf rustig, maar niet tevreden. Geslagen, maar geen slaaf, verbitterd, maar niet teleurgesteld, gelovig maar niet smekend, verliefd op God maar niet als iemand die
blindelings ja en amen tegen hem zegt.
Ik ben Hem gevolgd ook toen Hij mij van zich afstootte. Ik heb Zijn geboden opgevolgd, ook toen Hij mij daarvoor strafte. Ik heb Hem liefgehad, ik ben verliefd op Hem geweest en gebleven, ook toen Hij mij tot in de grond vernederde, mij doodmartelde en aan schande en spot uitleverde.
Mijn rebbe vertelde me altijd opnieuw de geschiedenis van een jood die met vrouw en kind voor de Spaanse lnquisitie vluchtte en met een bootje over een stormachtige zee een rotsig eiland bereikte. Toen kwam er een bliksemslag, die zijn vrouw doodde. Er stak er een storm op, die zijn kind in zee wierp. Alleen, eenzaam als een steen, naakt en barrevoets, gegeseld door de storm en beangstigd door de donder en de bliksem, met verwaaide haren en zijn handen opgeheven naar God, vervolgde de jood zijn weg op het woeste, rotsige eiland wendde zich als volgt tot God: ‘God van Israël, ik ben hierheen gevlucht om je ongestoord te kunnen dienen, je geboden op te volgen en je naam te heiligen.
Maar je doet alles om mij niet in je te laten geloven. Als je denkt dat het je zal lukken me met die beproevingen van de goede weg te laten afdwalen, moet ik je, God van mij en mijn voorouders, zeggen dat dat je allemaal niet zal helpen. Je mag me beledigen, je mag me straffen, Je mag me het dierbaarste en beste dat ik op de wereld heb afnemen, je mag me doodmartelen  ik zal altijd in je geloven. Ik zal je altijd liefhebben, altijd  jou alleen, ondanks wat je me aandoet.'”

Abel Herzberg uit: Amor fati

Abel J. Herzberg: Amor Fati – zeven opstellen over Bergen Belsen 
Uit: Scharfuhrer X

Joseph Kramer, de commandant van Bergen-Belsen, en een aantal leden van zijn  commando staan terecht, en allerlei vragen, die reeds in velen onzer gerezen waren, vlammen op. Men kan namelijk niet roerloos in de krant het portret aanschouwen van den man, tot wiens slachtoffers men heeft behoord of onbewogen blijven bij het lezen van de feiten, die hem en zijne helpers worden ten laste gelegd, als men deze in al hun gruwelijkheid zelf heeft zien bedrijven.
Maar het zijn toch die feiten niet, niet het gebeuren, die het duidelijkst voor den geest blijven staan. Veeleer zijn het enkele momenten, die door de een of andere onnaspeurbare, oorzaak onvergetelijk blijven. Wij herinneren ons het verleden in  close-ups. Bij voorbeeld een sergeant (in de taal der nazi’s een “Scharfuhrer”) lachend op de fiets door een veld van uitgemergelde naakte lijken. Zoo blijft mij ook de uitdrukking bij op het gelaat van een luitenant, een langen, jongen kerel, die in gezelschap van een uniform met roode revers, waar een generaal in zat, het kamp was komen bezoeken. Het was een uitdrukking van geluk, van stralend machtsbewustzijn, van overmoed, hoog zich verheffend boven de groepen groezelige hongerige vrouwen, schichtig-nieuwgierige kinderen en sjofele mannen, die half anstig, half verbeten, de pet afnamen.
“Hier heerschen Wij” – zie dit gelaat – ‘souverein, ver van den weg, ver van het medeweten en de inmenging van enig mensch, over de ellende, die ons goed doet, over ziekte en dood, die wij hebben veroorzaakt, en die ons thans als trouwe knechten hebben te huldigen.”
Ik zie een in alle haast ontruimde barak van het “Alltersheim”, waar stervende oude vrouwen, na van hun laatste brood bestolen te zijn, Uit drie-hoog bedden op den grond waren gesmeten (door Haftlinge overigens!) en waar te midden van een chaos van potten, schalen, kroezen, scherven, smerige kleeren, half vergane schoenen, verscheurde lappen, beschimmelde koffers, Uit elkaar gevallen rugzakken en hoopen stinkend vuil. Een oud besje met naakt onderlijf lag te zieltogen. Een paar SS-officieren kwamen poolshoogte nemen. Ze lachten, ze waren tevreden. “Die Sache hat geklappt.”
Wat ze gedaan hebben, de Nazi’s, en waarvoor ze terecht staan, dat hebben ze met vreugde en met wellust gedaan. Er was geen sprake van eenige aarzeling of bedenking, laat staan van eenig terugschrikken voor het uiterste en het ergste. Er was niet eens sprake van onbewogenheid of onverschilligheid. Zij gingen den weg ten einde. Er was meedoogenlooze wreedheid en een groeien daarin, een welbehagen daarover, er was overal en altijd de wrange grijns van het leedvermaak over de huilende jammer beneden hen, onder hun onberispelijk gepoetste laarzen. En alleen een enkele keer kon men een eenvoudig soldaat hooren mompelen: “Junge, junge, das is doch ooch a Mensch”. Maar dat was uitzondering. Alles wat een rang had, de Scharfuhrer in de eerste plaats, met wie de gevangenen bijna uitsluitend in aanraking kwamen, gnuifde en verkneukelde zich. Hoe langer hoe meer, en hoe wreeder het toeging, hoe meer plezier hij had, en zij joegen elkander en zichzelve op om wreedheid door grooter wreedheid te doen overtreffen, te sarren, het leven van Joden en Haftlinge (politieke gevangenen) te vergiftigen, en waar honderden, later duizenden en tienduizenden wegkwijnden en stierven door honger, uitputting, luizen typhus en dysenterie, daar juichte hun hart.
Telkens dachten wij: “het kan niet erger”, en dan werd het toch erger. Voor de Duitschers waren er nooit kadavers genoeg. Hoe is dat mogelijk geweest? Hoe kunnen menschen tot zoodanige laagheid vervallen, menschen nog wel van een volk, dat nog niet zoo heel lang geleden van cultuur niet verstoken is geweest?
Wanneer men antwoordt, dat wij met misdadigers te doen hebben, is dat een qualificatie en geen verklaring. En wij zouden daarmede nog vrede kunnen hebben, indien het individueele gevallen gold. Maar het gaat niet om enkelingen of tientallen, maar om een volkskern van honderdduizenden en wellicht millioenen, zoo niet om de meerderheid van een groot volk. Vergeten wij vooral niet, dat de zaak met haat en verguizing, met represailles en met straf-waarover wij het hier niet willen hebben-niet is afgedaan. Het is van het grootste belang te weten, wat dat voor een mensch was, die Joseph Kramer, of de Scharfiihrer Heinz en Fritz en Rau en Lubbe of de Sturm fuhrer X of N. Het gaat n.l. niet om de beoordeling van hem, maar van ons.

En deze indruk is, dat Scharfuhrer X niet met een gewoon misdadiger op een lijn kan worden gesteld. Er zijn er natuurlijk onder. Er zijn er, voor wie de SS de gelegenheid werd om straffeloos iedere misdadigheid bot te vieren, daarvan een goede brood-winning te maken en er nog eer bij te behalen ook. Maar de groote meerderheid is anders. Scharfuhrer X is…. niets. Hij is leeg. Men heeft hem idealisme toegedacht.
Hij bezit dat niet. Men heeft hem opvattingen toegeschreven. Hij mist ze. Men heeft in hem tenminste vaderlandsliefde of nationaal enthousiasme willen ontdekken. Hij heeft er geen zweem van.
Hij heeft een maag, een hart, longen, darmen? nieren en hij stelt er bijzonderen prijs op, deze behoorlijk te doen functioneeren. Dientengevolge zijn zijn natje en zijn droogje hem heilig. Voor het overige is hij een ding. Leeg.
Menige politieke partij heeft op de leegte gespeculeerd en daarmede tijdelijk succes gehad, maar de nationaal-socialistische heeft dat consequent gedaan. Uit de leegte is zij opgebouwd, zij, en nog meer dan zij, haar SS.
Want de mensch, die geen overtuiging heeft, en die niet weet, wat hij wil, noch ook voldoende intelligentie bezit om zich een weten te verwerven en die eigenlijk alleen maar wil, dat hij niets behoeft te willen, en die den moed niet opbrengt om iets te begrijpen, die man, die bang is in het donker en bang in het licht, die de schemering lief heeft, waarin hij voort kan dobberen op het ondiepe, modderige slootwater van zijn gevoel (of van dat, wat hij zijn gevoel noemt en wat gemeenlijk niet veel meer is dan een zinnelijke prikkel), dat onvolgroeide kind, dat de angst van zijn jeugd nooit kwijt raakt, die stumper, die eigenlijk “doodgewone man”, wat kan hij met zijn angstige, achterdochtige, schichtige en schuchtere ziel in het gewoel van de wereld anders doen dan zich te laten biologeeren door de schijnwerpers der altijd weer opkomende krachtpatserij, dan eens van keizers en dan weer van revolutionnairen?
Is hij slecht, die “doodgewone man”? Welneen. Is hij goed? Ook niet. Hij is geen van beide en beide tegelijk. Hij is een beetje wreed tegen een vlieg en sentimenteel tegen een muis En nu hebben ze hem gezegd, dat hij sterk is en dat kracht is: “als je niet bang bent voor bloed” en nu is hij niet bang. Dat wil zeggen, hij is vreeselijk bang en juist daarom slaat hij er maar op los. Hij heeft angst voor zijn angst en dat noemt moed.
Hij heeft ook een ideaal. Hij zou Zondags op zijn balkonnetje willen zitten, in hemds mouwen en zonder boord, de radio aaanzetten en de kanarie een klontje suiker willen voeren. En daar een mensch naar verandering verlangt, zou hij ook wel eens willen pootje baden Maar ze hebben hem gezegd, dat hij een Duitscher is en dat Duitschland groot is, en ze hebben over “eer” gesproken. Nu toetert hij maar mee in de fanfare en aangezien hij net zoo min als zijn kameraden in staat is, zich iets bij de heele zaak voor te stellen, toeteren ze allemaal om het hardst. En zoo, om te verbergen, dat zij bibberende kinderen zijn, bombardeeren zij elkaar tot man. En wat voor een man. Geen man met een confectiepakje an, maar met een uniform.
En dan komt er nog een moeilijk kapittel bij. Een mensch is nooit zoo doodgewoon, zoo leeg, zoo dubbel-blank, of hij heeft een geweten. En dat geweten spreekt, spreekt met een oude stem, die hij zich herinnert van de catechisatie in zijn jeugd “Kain, Kain, waar is Uw broeder Abel?” En die stem moet worden gesmoord, omdat anders alles verloren gaat, moed en vaderland, fanfare en uniform.  Wee, wee, wee, broeder Abel, als deze stem moet worden gesmoord. Dat moet jij betalen.
En zoo ontstaat na de eerste droppel bloed de eene wreedheid na de andere, steeds grooter, steeds feller. Men heeft wel gezegd, dat Scharfiihrer X gewetenloos zou zijn. Was het maar waar, dan was hij niet zoo wreed geworden.
Het is allemaal uit het niets ontstaan. Want aan den aanvang stond geen overtui ging, maar een gebrek aan overtuiging, en dat gebrek heeft een voortdurend groeiende onzekerheid gevoed, die dan altijd weer door een voortdurend groeiende schijnzekerheid moest worden gedekt. De infectie was begonnen. Hij kon heelemaal niet anders, Sturmfuihrer N of Scharfuhrer X. Hij was een Golem, een leeg ding met een aan anderen ontleende kracht, die men nu gerust aan zich zelf kon overlaten, omdat hij in zijn vernietigingsdrang niet meer tegen te houden viel. Want als hij zich zou laten tegenhouden, of ook maar even weifelen zou, dan zou hij ineen ploffen en daartegen verzette zich zijn instinct tot zelfbehoud. En zoo werd Sturmfuhrer N of Scharfuhrer X, die als kind zoo laat zindelijk werd, als jongetje zoo angstig, als scholier zoo middelmatig en als man zoo “doodgewoon”, van lieverlee en voordat hij wist hoe hij het had, tot massamoordenaar. En zoo komt hij tenslotte voor den beul, die in de geschiedenis altijd staat te wachten op iederen tyran.

Is dat allemaal nu uitsluitend Duitsch? Voor een deel vermoedelijk wel, in zooverre als er in Duitschland op grond van de omstandigheden en de historische ontwikkeling een zekere gepredisponeerdheid voor was geschapen. Maar voor het overige?
Zijn er niet overal heel wat meer menschen zonder overtuiging en-wat erger is-zonder vatbaarheid voor eenige overtuiging, dan men aanvankelijk denkt, ook onder de z.g. overtuigden? Bestaat er niet heel wat meer lust aan vervolging en leed, dan men zich bewust is?
En het geweten, werkt dat altijd in de gewenschte richting en niet vaak genoeg in perversen zin?  En de Goden, hebben zij niet overal verschrikkelijken dorst?