Theresia van Avilla 1: Gewetensbrieven

DSCN5693

GEWETENSBRIEVEN
1
Waarschijnlijk geschreven in 1560. Teresa is nog in het klooster van de Menswording te Avila. Ze richt zich tot pater Pedro Ibáfiez. Deze eerste gewetensbrief en de twee volgende werden door Teresa samengebracht en vormen een soort klein tractaat dat nogal gelijkt op een eerste redactie van haar autobiografie. Pater Ibáfiez zal deze eerste brief letterlijk overschrijven en sturen naar andere theologen of andere biechtvaders van de heilige.
1. Op dit ogenblik ziet mijn manier van bidden er als volgt uit: heel zelden kan ik, tijdens het bidden, met het verstand overwegen. Want onmiddellijk begint mijn ziel zich in te keren en kent ze zo’n rust of vervoering dat ik in geen geval mijn zintuigen kan gebruiken. Ze zijn me van geen nut, behalve het gehoor, dat dan nog niet eens begrijpt.
2. Dikwijls overkomt me het volgende. Zonder aan de dingen van God te willen denken, terwijl ik bezig ben met andere zaken en het me soms onmogelijk lijkt te bidden -hoezeer ik me daartoe ook wil inspannen -omwille van grote dorheid en lichaamspijnen, juist dan overvalt me plotseling die inkeer en geestvervoering. Ik kan er me niet tegen verzetten. In één ogenblik brengen ze de resultaten en vooruitgang mee die ze in zich bevatten. En dit zonder een visioen gehad te hebben of iets te hebben gehoord of maar te weten waar ik was. Ik heb de indruk dat mijn ziel verloren gaat, maar neen ik zie dat ze erbij wint. Zou ik proberen in één jaar die winst te bereiken, ik denk dat het me niet zou lukken. Zó groot is ze.
3. Andere keren maken ze me erg onstuimig of ontwricht voor God. Ik kan dat niet beheersen. Het lijkt me of ik erbij ga sterven. Ik heb er dan behoefte aan te schreeuwen en tot God te roepen. Dat gaat met grote heftigheid gepaard. Soms kan ik niet blijven zitten, zo misselijk word ik. Dit lijden komt zonder dat ik het zoek. Het is van die aard dat de ziel er zich nooit zou willen van ontdoen zolang ze leeft. En de angst om niet langer een schijnleven te leiden is niet te genezen. Want het middel om God te zien is de dood. En die kan ik niet grijpen. Bij dit alles heb ik de indruk dat iedereen erg vertroost wordt, en dat iedereen een geneesmiddel voor zijn lijden vindt – behalve ik. Het drukt me zeer. Indien de Heer er niet aan verhielp door een vervoering die alles tot bedaren brengt en de ziel grote rust en voldoening schenkt -soms door iets te zien van wat ze verlangt, soms door andere dingen te begrijpen -, denk ik dat het zonder iets daarvan onmogelijk zou zijn dat lijden te boven te komen.
4. Andere keren wellen zo’n hevige verlangens op om God te dienen, dat ik er niet aan kan weerstaan. Ik heb daarbij pijn als ik zie hoe weinig ik Hem van nut ben. Het lijkt me dan alsof er geen moeite of niets ter wereld is dat ik niet op mij zou nemen, noch dood noch martelaarschap die ik niet gemakkelijk zou ondergaan. Dat gebeurt zonder redeneren, plotseling. Ik voel me helemaal veranderd en weet niet vanwaar zo’n kracht komt. Het lijkt alsof ik het zou willen uitschreeuwen en aan iedereen doen verstaan hoeveel eraan gelegen is zich niet met prullen tevreden te stellen en hoeveel God ons zal geven indien wij er ons voor ontvankelijk maken. Ik zeg dat deze verlangens van die aard zijn dat ze me vernietigen, aangezien ik het onmogelijke wil. Ik voel me als het ware gebonden door dit lichaam dat me belet iets te doen voor God en de Orde. Zonder die band zou ik merkwaardige dingen doen voor zover mijn krachten het toelaten. Als ik mij dan zonder kracht zie om God te dienen, voel ik die pijn zo hevig dat ik ze niet kan verwoorden. Dat eindigt dan in genieting, inkeer en vertroostingen van Godswege.
5. Andere keren is het gebeurd dat ik boete wou doen toen die grote angst om Hem te dienen mij overviel. Maar ik kon het niet. Het zou een hele opluchting betekenen. Het verlicht en verblijdt mij, al is die boete omwille van de zwakte van mijn lichaam, zo goed als niets. Liet ik die verlangens de vrije loop, ik denk dat ik zou overdrijven.
6. Soms ben ik zeer mistroostig omdat ik met mensen moet omgaan. Het bedroeft me zozeer dat ik hevig ween. Want ik verlang enkel maar de eenzaamheid. Ook al lees of bid ik soms niet, de eenzaamheid troost me. Spreken, vooral met verwanten en vrienden, weegt zwaar. Ik voel me dan als verloren, tenzij bij mensen met wie ik over het gebed en aangelegenheden van de ziel handel. Zij zijn mij een troost en een vreugde. Soms zijn ook zij mij teveel en wil ik hen niet zien, maar verlang ik te gaan waar ik heel alleen ben. Dat gebeurt echter niet dikwijls. Vooral de mensen bij wie ik mijn geweten kan uitspreken zijn altijd een troost voor mij.
7. Een andere keer doet het me veel leed te moeten eten en slapen en te zien dat ik –minder nog dan anderen -eraan kan verzaken. Ik doe het om God te dienen, ik draag het Hem dus op. De tijd om te bidden schijnt mij altijd kort, zelfs te kort ; want ik word het nooit moe alleen te zijn. Altijd heb ik verlangen naar tijd om te kunnen lezen. Daaraan ben ik zeer gehecht. Ik lees weinig. Want van zodra ik een boek ter hand neem, keer ik me in en dat voldoet me. Zo verandert de lezing in gebed. Het duurt kort, want ik heb veel bezigheden. Hoe goed deze ook zijn, ze geven me niet dezelfde voldoening. En zo verlang ik steeds naar tijd. Zien dat niet gebeurt wat ik wil en verlang, doet mij, naar ik meen, in niets meer smaak vinden.
8. Al deze verlangens en vermeerdering in deugd heeft de Heer mij geschonken, sinds Hij mij dat rustig gebed met vervoeringen gaf. Ik voel mij zo veel beter. Tevoren leek ik ten onder te gaan. Die vervoeringen en visioenen laten in mij de vruchten na die ik nu ga vermelden. Terecht zeg ik: als er iets goeds in mij is, dan komt het daar vandaan.
9. Er is in mij een heel grote beslistheid gegroeid om God niet te beledigen, zelfs niet door een dagelijkse zonde. Ik zou liever duizendmaal sterven dan zoiets wetens en willens te doen. Een beslistheid, voor geen geld ter wereld iets na te laten dat in mijn ogen volmaakter is en de Heer meer kan dienen. Dit op het zeggen van hem die over mij zorg draagt en mij leidt. Zou ik anders handelen, dan zou ik niet de vrijmoedigheid hebben om iets aan God onze Heer te vragen of om te bidden, ook al bega ik bij dat alles nog veel fouten en onvolmaaktheden. Ik gehoorzaam aan mijn biechtvader ook al is het op onvolmaakte wijze. Als hij iets wil of oplegt, dan zal ik -voorzover ik het begrijp –niet nalaten het te doen. Liet ik het toch na, ik meen dat ik dan op een erg dwaalspoor zou zijn. Ik verlang naar armoede, al doe ik het onvolmaakt. Bezat ik ook veel schatten, ik zou toch geen persoonlijk inkomen verlangen, noch geld voor mij alleen; ik geef er niets om en zou enkel het noodzakelijke willen. Alles bijeen, voel ik mij dikwijls te kort schieten in die deugd; want al verlang ik geen geld voor mij, ik zou het willen bezitten om het uit te delen; voor mezelf verlang ik noch inkomen noch iets anders.
10. Bijna alle visioenen die ik had deden mij vooruitgaan, tenzij de duivel mij bedriegt. Dat laat ik aan mijn biechtvaders over.
11. Merk ik iets moois, iets prachtigs zoals water, velden, bloemen, geuren, muziek, etc., dan lijkt het mij dat ik het liever niet zou zien of horen; zo groot is het verschil met wat ik gewoonlijk zie; ik verlies ook het verlangen ernaar. Vandaar komt het dat ik zo weinig geef om die dingen; enkel de eerste indruk ervan blijft me bij en het lijkt me allemaal laag bij de grond.
12. Wanneer ik spreek of omga met mensen van de wereld, omdat het niet anders kan, dan moet ik mij inspannen omdat het me lastig valt. Zelfs als het gesprek over het gebed gaat en lang duurt, vooral als het eerder uit tijdverdrijf dan uit noodzaak plaats heeft. Ontspanningen waar ik vroeger veel van hield en dingen van de wereld, alles hindert me. Ik kan het niet meer zien.
13. Die verlangens om God te beminnen, te dienen en te zien (die ik, naar ik zei, ondervind) zijn niet het resultaat van redeneren zoals vroeger toen ik meende heel godvruchtig te zijn en er veel tranen vloeiden. Nu is er een uitzonderlijke brand en vurigheid. Daarom herhaal ik: zou God er niet aan verhelpen door een vervoering die mijn ziel voldoening schijnt te geven, ik zou waarschijnlijk vlug sterven.
14. Ik hou veel van hen die ik verder gevorderd zie, vastbesloten, onthecht en moedig. Met dergelijke mensen zou ik willen omgaan. Zij schijnen mij te helpen. Schuchteren, die voorzichtig alles lijken af te tasten om te zien in hoever het redelijk is iets te doen, schijnen mij te bedroeven. Ze prikkelen me om God en de heiligen te aanroepen, die ondernamen wat ons vandaag afschrikt. Niet dat ik mij tot iets in staat voel, maar omdat God hen helpt die veel voor Hem doen. Hij laat hen nooit in de steek die enkel op Hem bet rouw en. Ik zou iemand willen vinden die me helpt om dat te geloven. Zonder mij te bekommeren om eten of kleding, dat alles aan God overlatend. Ik wil daarmee niet zeggen dat die overgave aan God voor het noodzakelijke, betekent dat ik er niet voor zorg; maar het moet gebeuren zonder bezorgdheid. Sinds Hij mij die vrijheid heeft geschonken, gaat het goed op dat punt. Ik tracht zoveel mogelijk mijzelf te vergeten. Ik meen dat de Heer me dit, nog geen jaar geleden, gegeven heeft.
15. God zij lof! Voorzover ik weet, heb ik geen enkele reden om ijdele eer te hebben. Ik zie duidelijk dat ik er voor niets tussen zit in deze dingen die God me geeft. God Iaat mij eerder mijn ellende aanvoelen. Hoezeer ik er ook zou over nadenken, ik zou niet zoveel waarheden kunnen inzien als nu in één oogwenk.
16. Wanneer Ik over deze dingen spreek, dan lijkt het me sinds korte tijd alsof het om iemand anders gaat. Vroeger leek het me soms alsof ik beschaamd was dat men dit van mij wist. Nu lijkt het me dat ik daarom niet beter ben, maar eerder slecht omdat ik zo weinig voordeel haal uit al die gunsten. Onder alle opzichten houd ik het voor zeker dat niemand op de wereld slechter is geweest dan ik. Zo lijken mij andermans deugden veel verdienstelijker. Ik doe niets anders dan gunsten ontvangen. God moet aan anderen in één keer geven wat Hij me hier wil schenken. Ik smeek Hem mij niet in dit leven te betalen. Ik geloof dat God mij langs deze weg heeft geleid omdat ik zwak en slecht ben.
17. Wanneer ik bid, en bijna altijd als ik een beetje overweeg, kan ik onmogelijk rust vragen, ook al zou ik het willen. Ik vraag God niet dat Hij me die geeft, want ik zie dat Hij hier enkel lijden heeft gekend. Dat vraag ik dan ook. Maar eerst moet Hij mij de genade geven om het lijden te dragen.
18. Alle dingen van die aard en van hoge volmaaktheid worden in mijn hart geprent tijdens het gebed. Zozeer dat ik, er verwonderd over sta zoveel waarheden zo klaar in te zien dat ik de dingen van de wereld voor dwaasheid houd. Ik moet op mijn hoede zijn en eraan denken hoe ik vroeger tegenover de dingen van de wereld stond. En dan blijkt het me zinloos bedroefd te zijn over dood en lijden of lange tijd benomen te blijven door verdriet en vreugde van verwanten, vrienden, etc. Ik zeg op mijn hoede te zijn als ik bedenk wie ik ben en hoe gevoelig ik ben.
19. Wanneer ik bij sommige mensen bepaalde dingen zie die duidelijk zonde zijn, dan kan ik niet overtuigd zijn dat die mensen God beledigd hebben. Blijf ik erbij stilstaan, al is het maar even, nóóit ben ik ervan overtuigd, ook al zag ik het duidelijk. Het leek me dat allen evenzeer als ik bezorgd zijn om God te dienen. Op dat punt heeft Hij mij een grote gunst geschonken, dat ik namelijk nooit stilsta bij iets verkeerds dat ik mij later herinner. En als ik eraan denk, dan zie ik in die persoon altijd een andere deugd. Ik tob mij dus niet af om die dingen gewoonlijk toch niet. De ketterijen maken mij dikwijls bedroefd. Meestal wanneer ik eraan denk, lijkt het mij het enige lijden dat ik voel. Toch ben ik ook bedroefd als ik mensen, die de weg van het gebed gingen, op hun stappen zie terugkeren. Dat doet mij pijn, maar niet veel, want ik zorg ervoor er niet bij stil te staan.
20. Ik voel dat bepaalde vormen van nieuwsgierigheid verbeterd zijn, maar toch niet helemaal. In dit opzicht heb ik me niet altijd verstorven, enkel nu en dan.
21. Alles wat ik gezegd heb is de gewone toestand van mijn ziel, voorzover ik het kan begrijpen. Voortdurend denk ik aan God. Zelfs als ik over iets anders spreek gebeurt dit, zonder het te willen (zoals ik zei) ; ik weet niet wie mij zo wakker houdt. Dit gebeurt niet altijd, maar wel wanneer ik belangrijke zaken afhandel. God zij dank, ik moet er slechts soms aan denken en er niet altijd mee begaan zijn.
22. Er komen van die dagen -alhoewel niet dikwijls, en het duurt dan drie, vier of vijf dagen -, dat alle goede dingen, vurigheid en visioenen, mij schijnen te ontvallen. Ik herinner me ze zelfs niet meer. Ook al verlang ik het, ik weet niet wat voor goeds er in mijn leven geweest is. Het lijkt allemaal een droom; tenminste, ik kan mij niets meer herinneren. AI mijn lichamelijke ongemakken kwellen mij dan tegelijk; mijn verstand geraakt in de war. Ik kan aan niets van God denken. Ik weet dan niet volgens welke wet ik leef. Lees ik, dan begrijp ik het niet. Het lijkt me dan alsof ik vol fouten zit, zonder enige moed voor de deugd. De grote moed die ik gewoonlijk heb, staat daar stil; het lijkt alsof ik dan niet zou kunnen weerstaan aan de minste bekoring en kwaadsprekerij van de wereld. Ik heb dan de indruk voor niets goed te zijn. Wie verplicht me mij boven het gewone te stellen? Ik ben dan bedroefd. Het lijkt alsof ik allen bedrogen heb die mij enig vert rouw en schonken. Ik zou mij willen verbergen op een plaats waar niemand mij ziet. Ik verlang dan de eenzaamheid, niet uit deugd, maar uit kleinmoedigheid. Het lijkt alsof ik zou willen twisten met allen die mij tegenspreken. Ik leef te midden van dat geschut, maar God geeft me dan de genade dat ik Hem niet méér beledig dan naar gewoonte. Ik vraag Hem niet mij uit die toestand te bevrijden. Is het zijn wil, dan mag het altijd zó blijven, als Hij mij maar bij de hand houdt zodat ik Hem niet beledig. Van ganser harte stem ik mij op Hem af. Van zijn kant is het een heel grote gunst -meen ik -dat Hij mij niet altijd in die toestand laat.
23. Iets verwondert mij. Eén van die woorden die ik gewoonlijk hoor, of een visioen, of een weinig ingekeerdheid (niet langer dan de duur van een Ave Maria) of een communie, maken in die toestand mijn ziel en mijn lichaam zó rustig, mijn verstand zó gezond en klaar dat ik mijn sterkte en mijn gewone verlangens terugvind. Ik heb daarvan ervaring, en zelfs dikwijls, vooral wanneer ik te communie ga. Sinds méér dan een half jaar voel ik mij merkelijk gezonder; soms komen daarbij nog vervoeringen; bijwijlen duurt dat méér dan drie uren; andere keren voel ik mij de hele dag veel beter. Naar mijn oordeel is dit geen inbeelding want ik heb het gezien en het nagegaan. Ben ik op die manier ingekeerd, dan vrees ik geen enkele ziekte. Weliswaar gevoel ik die beterschap niet wanneer ik bid zoals ik het vroeger gewoon was.
24. Alles wat ik zei, doet mij geloven dat die dingen van God komen. Want ik weet wie ik was, ik liep -en zelfs snel -op de weg naar de ondergang. Het is zeker dat die dingen mij verwonderd doen staan. Ik begrijp niet vanwaar die deugden komen. Ik herken mezelf niet. Ik zie dat het me gegeven is en niet verdiend door inspanning. In alle waarheid zie ik klaar in -en ik weet dat ik me niet vergis -dat God mij niet alleen daardoor tot zijn dienst heeft geroepen, maar mij zodoende ook van de hel heeft bevrijd. Mijn biechtvaders, bij wie ik een algemene biecht gesproken heb, weten dit.
25. Zie ik iemand die iets van mij weet, dan zou ik hem mijn leven willen verhalen, want ik beschouw het als een eer voor mij, dat onze Heer geloofd wordt; om de rest geef ik niets. Hij weet goed -tenzij ik verblind ben -dat geen eer, geen leven, geen lof, geen goed van lichaam of ziel mij bezig houdt. Ik wil dat niet, ik verlang niet mijn voordeel, maar enkel zijn eer. Ik kan niet geloven dat de duivel zoveel goeds heeft gezocht om mijn ziel te winnen en daarna te verliezen; voor zo dwaas houd ik hem niet. Ook kan ik niet geloven -ofschoon ik omwille van mijn zonde verdien bedrogen te worden -, dat God zoveel gebeden onverhoord heeft gelaten die zo goede mensen al sinds twee jaar voor mij tot Hem richten. Ik houd immers niet op aan allen gebed te vragen opdat de Heer mij zou te kennen geven of mijn leven tot zijn eer strekt; zoniet, dat Hij mij dan langs een andere weg leidt. Ik geloof niet dat Zijne Majesteit toestaat dat die dingen verder duren als ze niet van Hem komen.
26. Dat alles, bij hetgeen zoveel heiligen ervan denken, schenkt mij kracht wanneer ik omwille van mijn ellende vrees of het wel van God komt. Maar wanneer ik in gebed ben, en in de dagen dat ik rustig aan God denk, zouden alle geleerden samen met alle heiligen ter wereld mij alle mogelijke folteringen mogen doen ondergaan ; ze zouden mij niet doen aannemen dat het van de duivel komt. AI zou ik het zelf willen geloven, ik zou het niet kunnen. Toen ik ertoe verplicht werd, was ik bang daar ik zag wie het zei. Ik dacht dat zij wel de waarheid moesten spreken en ik in mijn ellende wel bedrogen moest zijn; maar bij het eerste woord of moment van inkeer of visioen verzwond alles wat ze me gezegd hadden. Ik kon niet anders dan geloven dat het God was.
27. Ook al kan ik denken dat de duivel er zich eens mee bemoeit -en dat is zo, zoals ik gezegd en gezien heb -toch zijn de resultaten dan verschillend. Hij zal niet bedriegen wie ondervinding heeft, dunkt me. Bij dit alles voeg ik nog dit: ook al geloof ik zeker dat het God is, ik zou voor niets ter wereld iets doen indien mijn leidsman niet van mening was dat het de Heer méér dient. Er werd me nooit iets anders gevraagd dan dat ik hun zou gehoorzamen en niets verzwijgen. Dat ligt mij.
28. Gewoonlijk word ik om mijn fouten berispt op een manier die mij diep raakt. Er werd mij goede raad gegeven die nuttig is wanneer er een gevaar schuilt (of kan schuilen) in iets dat ik onderneem. Dikwijls moet ik denken aan mijn vroegere zonden. Dat valt mij pijnlijk.
29. Ik ben breedvoerig geweest, zeker; maar wanneer het gaat over het goed dat ik na het gebed in mij zie, dan lijkt het mij toch bondig. Nadien zie ik opnieuw veelonvolmaaktheden, geen vooruitgang, wel veel ellende. Ik vergis me misschien, of wellicht begrijp ik het goede niet. Toch is mijn verandering van leven opvallend en dat geeft mij te denken. Ik zeg dat, in alles wat ik verhaal, het de waarheid lijkt wat ik voelde. Dit zijn de volmaaktheden die, naar mijn aanvoelen, de Heer in mij, slecht en onvolmaakt als ik ben, bewerkt heeft. Ik laat alles over aan uw oordeel, want U kent mijn ziel door en door.
2
Geschreven in 1562, men weet niet precies waar; misschien in het klooster van de Menswording te A vila in de maanden juli-augustus. Er is meer kans dat Teresa deze tekst schreef in het paleis van dofia Luisa de la Cerda te Toledo. Waarschijnlijk richt Teresa zich tot pater Ibáfiez.
I. Het lijkt me al meer dan een jaar geleden sinds ik dit 4 geschreven heb. God heeft mij al die tijd bij de hand gehouden, want ik ben niet slechter geworden. Veeleer stel ik een grote vooruitgang vast in hetgeen ik ga zeggen. Hij zij geloofd voor alles.
2. De visioenen en openbaringen hebben niet opgehouden; ze zijn integendeel veel verhevener. De Heer heeft mij een manier van bidden onderwezen die mij sterk doet vooruitgaan. Ik ben veel meer los van de dingen van dit leven, ik heb meer moed en vrijheid. De vervoeringen zijn toegenomen. Soms zijn ze zo hevig en van die aard dat men het uitwendig merkt, zonder dat ik er iets aan doen kan. Dit gebeurt zelfs in gezelschap, want ze zijn zo dat ik het onmogelijk kan verbergen tenzij door te beweren dat het om een verzwakking gaat, te wijten aan mijn hartziekte. Ook al doe ik mijn best om in het begin weerstand te bieden, soms lukt het me toch niet.
3. Wat de armoede betreft : God lijkt mij een grote genade te hebben geschonken. Ik zou zelfs het noodzakelijke niet willen bezitten tenzij ik het als aalmoes krijg. Ik verlang ten zeerste te leven op een plek waar men enkel van aalmoezen leeft. Het lijkt me dat het leven waar ik zeker ben niets te kort te hebben in eten en kleding, niet zó volmaakt de belofte of raad van Christus vervult als een leven zonder vaste inkomsten, waar men soms iets tekort heeft. De vruchten van de ware armoede lijken mij overvloedig; ik zou ze dan ook niet willen verliezen. Dikwijls ervaar ik het grote geloof dat God niemand in de steek laat die Hem dient. Ik twijfel er helemaal niet aan dat zijn woorden ooit vervuld worden, nu of in de toekomst. Ik kan mij van niets anders overtuigen. Ik kan geen vrees hebben. Ik voel het dan ook pijnlijk aan wanneer men mij de raad geeft vaste inkomsten aan te nemen. Ik wend mij dan tot God.
4. Ik heb blijkbaar meer hart voor de armen dan gewoonlijk. Ik beklaag hen erg en verlang ze te helpen. Volgde ik mijn eigen gemoed, ik zou hun zelfs mijn kleren geven. Het stoot mij helemaal niet af met ze te praten of ze met de hand aan te raken. Ik zie dat dit een genade is me nu door God gegeven. Want vroeger gaf ik hun een aalmoes omwille van Hem, zonder natuurlijk medelijden te voelen. Ik merk dus een duidelijke vooruitgang op dit punt.
5. Wat nu de kritiek op mijn persoon betreft (die is niet gering en bovendien erg in mijn nadeel): ook op dit punt voel ik vooruitgang. Het schijnt mij niet méér te raken dan een idioot. Soms of bijna altijd is het alsof men gelijk heeft. Het raakt me zo weinig dat het me de moeite niet waard schijnt dit aan God op te dragen. Uit ondervinding weet ik dat mijn ziel er veel bij wint; daarom lijkt het me eerder goed te doen. Ik koester dan ook geen vijandschap voor die mensen als ik daarna ga bidden. Op het ogenblik dat ik het hoor, is er een kleine weerstand in mij, maar geen onrust of opwinding. Zie ik sommige mensen mij beklagen, dan heb ik veeleer binnenpretjes. Want al de beledigingen van dit leven lijken mij zo weinig belangrijk dat men ze niet eens hoeft te voelen. Ik stel me voor in een droom te leven. Van zodra ik ontwaak zie ik dat dit alles niets te betekenen heeft.
6. God geeft mij een intenser verlangen naar en meer smaak in de eenzaamheid; ook een grotere onthechting, zoals ik zei; visioenen hebben mij doen inzien wat alles maar waard is, zelfs al verlaat ik mijn vele vrienden, vriendinnen en verwanten; dat is nog het minste; mijn verwanten vermoeien mij veeleer. Als het erom gaat God een klein beetje meer te dienen, dan verlaat ik ze in alle vrijheid en blijheid, en zo vind ik overal de vrede.
7. Sommige raadgevingen die ik in het gebed kreeg, bleken helemaal waar te zijn. Dank zij Gods gunsten, vind ik me veel verbeterd; van mijn kant voel ik mij nog ellendiger in zijn dienst. Want ik heb meer comfort gehad (men heeft het mij aangeboden), maar ik ben er dikwijls erg mee verveeld. Ik doe weinig boete. Men betuigt mij veel eerbewijzen, alhoewel dikwijls tegen mijn wil in. Tenslotte leid ik een aangenaam en geenszins verstorven leven. God verhelpe het zoals Hij dit kan!
3
Geschreven in het Sint-Jozefsklooster te Avila negen maanden na de vorige brief, dus in 1563. Waarschijnlijk richt Teresa zich tot pater Garcia de Toledo.
1. Wat ik hier bijvoeg heb ik eigenhandig geschreven, ongeveer negen maanden geleden. Ik ben al die tijd niet afgeweken van de gunsten die God mij gegeven heeft. Voorzover ik het begrijp, is het of ik opnieuw een veel grotere vrijheid verkreeg. Tot nu toe meende ik anderen nodig te hebben. Ik had méér vert rouw en op hulp van mensen. Nu begrijp ik klaar dat alle mensen zijn als droge rozemarijnstengels. Wie daarop steunt heeft geen veiligheid. Bij het minste gewicht van tegenkanting of kritiek breken ze. Zo weet ik uit ervaring dat het ware middel om niet te vallen is: steunen op het kruis en vert rouw en op Hem die er Zich op uitstrekte. In Hem vind ik een echte vriend. Ik voel me daardoor zo machtig gesterkt dat ik heel de wereld weerstand zou kunnen bieden wanneer ze tegen mij zou opstaan, als God mij maar niet in de steek laat.
2. Alvorens deze waarheid zo duidelijk te begrijpen, stond ik er gewoonlijk op dat iedereen van mij hield. Nu lijk ik er niets om te geven; het vermoeit mij zelfs veeleer. Tenzij het gaat om mensen met wie ik over mijn ziel spreek of die ik meen van nut te kunnen zijn. Ik zou hun vriendschap op prijs stellen, van de eersten om mij te verdragen, van de laatsten om mij van harte te geloven als ik hun zeg dat alles ijdel is.
3. God heeft mij veel moed gegeven te midden van grote moeilijkheden, vervolgingen en tegenkantingen, die ik deze laatste maanden gekend heb.
Hoe groter de moeilijkheden, hoe groter de moed, zonder dat ik het lijden moe werd. Mensen die kwaad van mij spraken, droeg ik geen kwaad hart toe. Ik scheen eerder opnieuw liefde voor hen op te vatten. Ik versta niet hoe dit mogelijk is. Het is waarlijk een geschenk van de Heer.
4. Wanneer ik naar iets verlang, doe ik het van nature gewoonlijk onstuimig. Nu zijn mijn verlangens zó rustig dat ik niet weet of ik blij ben als ik ze in vervulling zie gaan. Vreugde en verdriet, alles is sereen; tenzij het over het gebed gaat. Ik lijk dan wel verdwaasd. Zo breng ik enkele dagen door.
5. De drang naar boete die mij soms bezielt en die ik ook vroeger had, is groot. Doe ik boete, dan voel ik het zo weinig omwille van dat groot verlangen; het blijkt me dan soms -of zelfs bijna altijd -een bijzonder genoegen, maar ik doe weinig boete omdat ik zwaar ziek ben.
6. Het is voor mij dikwijls een heel grote last, en nu zelfs een buitengewone pijn, te moeten eten, vooral wanneer ik in gebed ben. Het moet een grote pijn zijn, want ik schrei veel en zeg woorden vol smart, bijna zonder het te merken; dat is niet mijn gewoonte. Ik herinner me niet in de grootste beproevingen van dit leven ooit dergelijke woorden gezegd te hebben; want op dit punt ben ik helemaal niet v rouwelijk, ik ben gehard.
7. Meer dan ooit verlang ik hevig dat mensen, vooral geleerden, God in alle vrijheid mogen dienen, onthecht van al het aardse (want ik zie dat alles komedie is). Als ik de grote noden van de Kerk zie, die mij zoveel pijn doen, dan lijkt het me gek nog om iets anders te lijden. Zo beveel ik die noden voortdurend God aan. Ik zie dat één echt volmaakt mens met een waarlijk brandende Gods’liefde, van meer nut is dan vele lauwen.
8. Ik voel me veel sterker in de zaken van het geloof. Ik meen dat ik me heel alleen tegen alle lutheranen zou willen opstellen om ze hun dwaling te doen inzien. Dat zoveel zielen verloren gaan, voel ik zeer pijnlijk aan. Ik zie er ook die vooruitgang maken; ik begrijp duidelijk dat God dit gewild heeft door mijn toedoen. Ik zie ook in dat mijn ziel door zijn goedheid, iedere dag groeit in liefde tot Hem.
9. Soms lijkt het me dat ik geen ijdele roem meer zou kunnen koesteren, ook al spande ik mij ervoor in. Ook zie ik niet in hoe ik zou kunnen denken dat één van die deugden mij toebehoort. Want tot vóór kort zag ik mijzelf lange jaren zonder één deugd. Nu doe ik van mijn kant niets anders dan gunsten ontvangen zonder Hem te dienen, ik voel mij als het meest onnuttige ding ter wereld. Zo komt het dat ik soms bedenk hoe allen vooruitgaan, terwijl ik voor niets deug. Dat is zeker geen nederigheid, maar waarheid. Zie ik bij mezelf geen vooruitgang, dan schrik ik soms bij de gedachte dat ik in dwaling leef. Ik zie dus klaar in dat alle winst komt door die openbaringen en vervoeringen, waarin ik geen aandeel heb en waarvoor ik niet méér doe dan een stuk hout. Dat stelt mij gerust en brengt me tot vrede. Ik leg me dan in Gods armen en vert rouw op mijn verlangens die duidelijk zijn: sterven voor Hem en verzaken aan elke verpozing, kome wat komt.
10. Er zijn dagen dat ik zonder ophouden denk aan hetgeen Sint-Paulus zegt, ofschoon het zeker niet zo met mij is. Het lijkt mij soms dat niet ik leef, of spreek of iets wil, maar dat Iemand in mij me leidt en kracht geeft. Ik leef als het ware buiten mijzelf; het leven weegt me dan ook zeer zwaar. Aangezien het mij zoveel kost ver van Hem te zijn, is het beste dat ik Hem aanbied als dienst: uit liefde tot Hem te willen leven. Dat zou ik willen doen al gaat het gepaard met veel lijden en vervolging; daar ik nergens toe deug, wil ik toch goed genoeg zijn om te lijden. AI het lijden van de wereld zou ik verdragen om een beetje meer verdiensten te hebben, dat wil zeggen door beter zijn wil te doen.
11. Ik heb niets in het gebed vernomen of het ging in vervulling, al was het twee jaar later. Ik zie zoveel dingen in, ik begrijp zozeer de grootheid van God en hoe Hij alles leidt, dat ik er bijna nooit aan denk of mijn verstand schiet te kort. Het is alsof ik dingen zie die mijn begrip ver overstijgen, ik geraak dan ingekeerd.
12. God hoedt mij er zó voor Hem te beledigen dat ik soms verbaasd sta. Het lijkt dat ik zijn grote bezorgdheid voor mij zie zonder dat ik er voor iets tussen kom. Ik was vroeger immers een diepe zee van zonden en fouten en ik leek niet in staat ze achterwege te laten. Als ik wil dat men dit weet, dan is het opdat men Gods grote macht begrijpe Hij zij voor altijd geloofd. Amen.
13. Het begin van dit relaas is niet eigenhandig geschreven, want ik heb het aan mijn biechtvader gegeven. Zonder iets weg te laten of toe te voegen, heeft hij dit afschrift gemaakt. Hij is zeer geestelijk en theoloog. Met hem besprak ik de toestand van mijn ziel. Hij heeft er over gesproken met andere geleerden, onder wie pater Mancio. Ze vonden niets tegenstrijdigs met de heilige Schrift. Dit schenkt mij grote rust. Ik begrijp hoe ik niet op mijzelf mag bet rouw en zolang God me langs deze weg leidt. Toch heb ik het altijd gedaan, alhoewel ik het erg betreur, beschouw dit alles als gezegd onder biechtgeheim, zoals ik er U om verzocht.
4
Geschreven te Toledo, 18 november 1569, en bewaard door de karmelietessen van Medina del Campo. Eerder geheimzinnig van inhoud. Volgens sommigen zou Teresa hier een allusie maken op haar sterfdatum. Dat klopt toch niet helemaal omdat Teresa in 1582 sterft, dus dertien jaar na het opstellen van deze tekst. Sommigen menen dat pater Gracián wist wat het betekende, maar het niet meedeelde.
Op 17 november, oktaafdag van de heilige Martinus, in het jaar 1569, zag ik, met betrekking tot wat ik weet, dat er twaalf jaren van de drie-endertig verlopen waren, die de Heer geleefd heeft. Er ontbreken er nog eenentwintig. Dit gebeurde in Toledo, in het klooster van de glorievolle, heilige Jozef van de Karmel. Ik voor jou, jij voor mij. Leven. Twaalf zijn er door mij, niet door mijn wil doorgebracht.
5
Geschreven te Toledo, 1569 of 1570.
Toen sommige mensen mij in het klooster van Toledo de raad gaven er niemand te begraven die niet van adel was, zei de Heer mij: “Dochter, je zou een grote vergissing begaan door de wetten van de wereld in acht te nemen. Vestig je blik op Mij, arm en door de wereld geminacht. Zouden de groten van deze wereld soms groot zijn in mijn ogen ? Of moeten jullie gewaardeerd worden om je afkomst of om je deugden ?”
6
Waarschijnlijk op 9 februari 1570 te Malagón geschreven.
De tweede dag van de Vastentijd, verscheen mij onze Heer Jezus Christus na de communie in een visioen van de verbeelding (zoals naar gewoonte). Ik bevond mij in het Sint-Jozefsklooster te Malagón. Toen ik Hem bekeek, zag ik op zijn hoofd, in plaats van een doornenkroon, overal waar de doornen een wonde hadden geslagen, een kroon volluister. Aangezien ik voor dit lijdensgeheim een grote verering heb, werd ik erg getroost; ik begon te denken welke grote marteling dit moest zijn, daar de kroon zoveel wonden had nagelaten. Ik leed eronder. De Heer zei mij dat Hij niet leed omwille van die wonden, maar wel door de vele die men Hem tegenwoordig toebracht. Ik vroeg Hem hoe ik daaraan kon verhelpen, want ik was tot alles bereid. Hij zei me dat het nu niet de tijd was om uit te rusten, maar dat ik me moest haasten om die huizen te stichten. Want Hij vond rust bij de zielen die er woonden. Ik moest alles aanvaarden wat men mij aanbood, want velen dienden Hem niet omdat ze niet wisten waar ze dit konden doen. De huizen die ik zou stichten op kleine plaatsen moesten op dit huis gelijken. Wie verlangde te doen wat men in de andere huizen deed, kon even verdienstelijk zijn. Ik moest ze alle onder het bestuur van één overste plaatsen, en er goed voor zorgen dat men niet de innerlijke vrede verloor door de zorg om het materieel bestaan. Hij zou ons helpen zodat niets zou ontbreken. Men moest een bijzondere bezorgdheid hebben voor de zieke zusters. De overste die de zieken niet zou verzorgen en verwennen, geleek op de vrienden van Job. Zij zou ze tot ongeduld brengen terwijl Hij ze geselde voor het welzijn van hun ziel. Ik moest ook het verhaal van die stichtingen schrijven. Ik dacht eraan hoe bij de stichting van het klooster te Medina er niets noemenswaardigs was voorgevallen. Hij zei me: “Wat wil je nog meer zien? Die stichting was toch wonderbaar ?” Hij bedoelde daarmee dat Hij ze alleen gedaan had en dat ik met beslistheid aan het werk was gegaan toen alles zonder uitweg leek.
7
Datum onzeker.
Toen ik eens erover nadacht hoe ik ondanks mijn bidden niets begreep van een raad die de Heer mij gegeven had voor iemand anders en meende dat het van de duivel kwam, zei Hij me, dat dit zo niet was en Hij mij op tijd en stond zou verwittigen.
8
Datum onzeker, waarschijnlijk in 1570 geschreven.
Eens maakte ik de bedenking dat men, ver van de beslommeringen, veel zuiverder leeft. Ik moest wel slecht en vol fouten zijn temidden van al mijn bezigheden. Toen hoorde ik: “Dochter, het kan niet anders. Zorg bij alles voor rechtgeaardheid en onthechting, en kijk naar Mij, zodat al wat je doet, overeenstemt met wat Ik deed”.
9
Datum onzeker. Waarschijnlijk 1570.
Toen ik mij afvroeg waarom ik bijna nooit meer vervoeringen had in het openbaar, hoorde ik: “Dat hoeft nu niet; je hebt genoeg vert rouw en bij de mensen voor het doel dat Ik beoog. We zullen nu rekening houden met de zwakheid van de kwaadwilligen”.
10
Waarschijnlijk in 1570 (of 1571) geschreven.
Toen ik mij eens erg zorgen maakte over de bloei van de Orde zei de Heer mij: “Doe wat je kunt en laat Mij doen; maak je nergens ongerust om; geniet van het geluk dat je geschonken is, want het is heel groot. Mijn Vader heeft zijn vreugde in jou en de heilige Geest bemint je”.
11
Dit briefje werd in Salamanca (of Alba de Tormes) geschreven in februari 1571.
Eens zei de Heer me: “Jij verlangt altijd naar lijden en van de andere kant ontvlucht je het. Ik beschik de zaken in overeenstemming met wat Ik weet van je wil, en niet van je gevoelengheid of zwakheid. Wees moedig, want je ziet dat Ik je help. Ik wil dat je deze kroon verdient. Nog tijdens je leven zul je de Orde van de Maagd vooruit zien gaan”. Ik hoorde dit van de Heer, half februari 1571.
12
Deze brief werd waarschijnlijk op 15-16 april 1571 gericht tot pater Martin Gutiérrez, rector van de jezuïeten te Salamanca.
1. Gisteren voelde ik mij zeer eenzaam. Met uitzondering van het ogenblik waarop ik communiceerde, raakte het me helemaal niet dat het Pasen was. ’s Avonds waren alle zusters samen. Er werd een liedje gezongen over de smart die het leven zonder God betekent. Omdat ik reeds die pijn voelde, maakte het lied zo’n indruk op mij dat mijn handen koud werden. Ik kon er niet aan weerstaan. Zoals ik buiten mezelf geraak door vervoeringen van tevredenheid, op dezelfde manier wordt de ziel vervoerd door die zeer grote smart, ze is als van zichzelf vervreemd. Tot op vandaag heb ik dat niet begrepen. Ik had eerder de indruk sedert enige dagen niet meer die hevige opwellingen te hebben zoals vroeger. De oorzaak schijnt de zojuist vermelde te zijn. Ik weet niet of het mogelijk is. Vroeger kon de smart niet naar buiten treden en, aangezien ze ondraaglijk is, en ik bij volle bewustzijn was, deed ze me grote kreten uiten die ik niet kon bedwingen. Nu de pijn heviger is geworden en tot een ware doorboring werd, begrijp ik beter de smart van Onze-Lieve-V rouw . Tot zover begreep ik niet -zoals ik zeg -wat doorboring was. Mijn lichaam is zó gebroken dat ik nog vandaag met veel moeite schrijf, mijn handen lijken als pijnlijk ontwricht.
2. Zodra U me ziet, moet U me zeggen of die vervreemding door die pijn veroorzaakt kan worden, of ik ze voel zoals ze is, en of ik niet mezelf bedrieg.
3. Tot deze morgen voelde ik die pijn. Tijdens het gebed ondervond ik een grote vervoering. Het leek me dat de Heer mijn geest tot bij de Vader bracht en Hem zei: “Ik geef U haar die Gij Mij gegeven hebt”. Het was alsof Hij mij tot Zich trok. Dat is geen inbeelding, maar een grote zekerheid, zoiets geestelijk fijns dat men het niet helemaal kan uitdrukken. Hij zei me enkele woorden, die ik me niet herinner. Sommige suggereerden genaden die Hij me wou verlenen. Een tijdje hield Hij mij zo bij Zich.
4. Daar U gisteren zo haastig vertrokken bent omwille van uw vele bezigheden, valt het mij moeilijk bij U de hoognodige troost te vinden; maar uw bezigheden zijn er nog méér nodig; ik was dan een ogenblik pijnlijk en droevig gestemd. Dat gevoel van eenzaamheid waarover ik sprak, droeg ertoe bij. En omdat ik aan geen enkel schepsel van de aarde gehecht ben, werd mijn geweten enigszins bezwaard, uit vrees dat ik die vrijheid begon te verliezen. Dat was gisterenavond. Vandaag antwoordde de Heer mij. Hij zei me niet verwonderd te zijn. Evenals de stervelingen gezelschap verlangen om hun zintuiglijke tevredenheid mee te delen, zo verlangt de ziel haar vreugde en lijden mee te delen aan iemand die haar begrijpt. Ze is dan ook bedroefd als ze niemand vindt. Hij zei me: “Hij is op de goede weg en zijn werken bevallen Mij”.
5. Omdat Hij nog een tijdlang bij me bleef, dacht ik aan wat ik U gezegd had, nl. dat die visioenen vlug voorbij gaan. Hij zei me dat dit visioen verschilde van de visioenen der verbeelding. Er kan geen vaste lijn zijn in de gunsten die Hij schonk. Soms was het beter Zó, dan weer anders.
6. Op zekere dag, na de communie, leek het heel duidelijk dat onze Heer Zich naast mij neerzette. Hij begon mij te troosten met grote tederheid en zei o.a. : “Dochter, je ziet Mij, Ik ben het, toon Mij je handen”. Hij scheen mijn handen vast te nemen en ze dicht bij zijn zijde te brengen met de woorden: “Bezie mijn wonden. Je bent niet zonder Mij. Draag geduldig dit korte leven”. Uit sommige woorden maakte ik op dat Hij na zijn Hemelvaart nooit meer naar de aarde afdaalde om Zich aan iemand mee te delen, tenzij in het allerheiligste Sacrament. Hij zei mij dat Hij na zijn verrijzenis Onze- Lieve-V rouw gezien had. Zij was in diepe nood omdat de smart haar zozeer had overweldigd en doorboord dat ze niet onmiddellijk tot zichzelf kwam om van die grote vreugde te genieten. Dat deed me mijn doorboring begrijpen als iets heel verschillends. Wat moest die van de Maagd geweest zijn! Hij was lange tijd bij haar gebleven. Het was nodig geweest om haar te troosten.
13
Geschreven op 29 mei 1571 te Avila.
1. Dinsdag na Hemelvaart bad ik nog wat na de communie; eerder moeizaam, want ik was zó verstrooid dat ik mijn aandacht niet kon concentreren; ik beklaagde me bij de Heer over onze ellendige natuur. Mijn ziel begon in vlam te raken. Ik leek duidelijk de aanwezigheid van heel de Drieëenheid te bezitten in een intellectueel visioen. Door een bepaalde manier van voorstellen, begreep ik –als een beeld van de waarheid om het met mijn traag verstand te kunnen vatten -hoe God drie en één is. Zo leek het me dat de drie Personen met mij spraken, in mijn ziel stelden ze zich afzonderlijk voor; ze zeiden dat ik van die dag af drie dingen in mij zou zien verbeteren, want elk van die Personen verleende mij een genade: de ene de liefde, dan de vreugde in het lijden, en tenslotte het voelen van die brandende liefde in mijn ziel. Ik begreep de woorden van de Heer: “dat de drie goddelijke Personen zullen verblijven in de ziel die in staat van genade is”. Ik zag Ze binnen in mij op de manier die ik reeds vermeld heb.
2. Ik dankte de Heer voor zo’n grote gunst, waarvoor ik mij onwaardig voelde. Ik vroeg dan met oprechte smart aan Zijne Majesteit waarom Hij mijn hand had losgelaten en mij aan mijn ellende overliet, aangezien Hij mij zulke genaden moest verlenen ? Daags voordien had ik immers grote smart gevoeld om mijn zonden die mij voor ogen stonden. Ik zag klaar het vele dat de Heer vanaf mijn kinderjaren had gedaan om mij tot Zich te trekken met zeer efficiënte middelen; maar niets hielp me vooruit. Zo werd mij de uitbundige liefde van God voor ons duidelijk, doordat Hij alles vergeeft als wij tot Hem willen terugkeren; vooral zijn liefde voor mij, meer dan voor wie ook, werd me klaar, en dit om vele redenen. Die drie Personen die ik als één God zag, maakten zo’n indruk in mijn ziel dat het onmogelijk zou zijn niet ingekeerd te blijven in zo’n goddelijk gezelschap indien die gunst aanhield. Er is geen reden om enige andere feiten en woorden neer te schrijven die ik toen vernomen heb.
14
Geschreven in mei 1571 te Avila.
Eens, kort vóór het zopas verhaalde, ging ik te communie. De hostie was nog in de ciborie, men had ze mij nog niet gegeven; ik zag toen een soort duif die lawaaierig haar vleugels bewoog. Het ontroerde mij en bracht mij zozeer in vervoering, dat ik slechts met grote moeite de hostie kon ontvangen. Dit gebeurde in het Sint-Jozefsklooster te Avila. Het was pater Francisco de Salcedo die me het allerheiligste Sacrament gaf. Een andere dag hoorde ik zijn Mis. Ik zag de Heer verheerlijkt in de hostie. Hij zei me dat zijn offer Hem aangenaam was.
15
Geschreven te Avila. 30 juni 1571.
Die aanwezigheid van de drie Personen, waarover ik sprak, houdt tot vandaag aan – het is de gedachtenis van Sint-Paulus -, Ze zijn bijna altijd in mijn ziel aanwezig. Daar ik gewoon was enkel Jezus Christus tegenwoordig te weten, leek het mij een moeilijkheid drie Personen te zien, ofschoon ik begrijp dat Ze één God zijn. Vandaag zei me de Heer, toen ik daaraan dacht, dat ik er verkeerd aan deed door de dingen van de ziel voor te stellen zoals die van het lichaam. Ik moest begrijpen dat ze erg verschillen; de ziel is in staat grote vreugde te genieten. Dit beeld kwam bij mij op: zoals een spons zwelt door het zuigen van water, zo leek mijn ziel vervuld van die Godheid. Op een bepaalde wijze genoot ze in zichzelf van de drie Personen die ze in zich’ bevatte. Ik hoorde ook: “Doe geen moeite om Mij in jou op te sluiten, maar sluit jezelf op in Mij”. Het leek me dat die drie Personen vanuit het binnenste van mijn ziel -waar ze zichtbaar aanwezig waren -Zich meedeelden aan alle schepselen, zonder mij te kort te doen of mij te verlaten.
16
Geschreven in juli 1571. Teresa bevindt zich te Avila.
Enkele dagen na het zopas verhaalde dacht ik erover na of zij die het me kwalijk namen dat ik er op uittrok om kloosters te stichten, soms gelijk Hadden. Zou het niet beter zijn dat ik mij altijd met bidden bezig hield ? Ik hoorde toen: “Zolang je leeft, win je niet méér door van Mij te genieten, maar door mijn wil te doen”. Het kwam me voor dat voor mij Gods wil zou zijn wat Sint-Paulus zegt over het binnenshuis blijven van de v rouw . Weinig dagen geleden had men mij dat ook te verstaan gegeven. Toen zei Hij mij: “Zeg hun dat zij niet enkel één deel van de Schrift volgen, maar ook naar andere teksten kijken. Denken zij misschien dat ze Mij de handen zullen binden?”
17
Geschreven te Avila op 10 juli 1571.
Op een dag na het octaaf van Onze-Lieve-V rouw Visitatie bevond ik mij in de kluis van de Karmelberg. Ik beval een broer van mij aan God aan. Ik zei tot de Heer (ik weet niet of het enkel in gedachten was) : “Waarom vertoeft mijn broer op een plaats waar zijn zaligheid gevaar loopt ? Heer, indien ik één van uw broers in dit gevaar zag, wat zou ik dan doen om daaraan te verhelpen ?” Ik geloof dat ik niets onbeproefd zou laten. De Heer zei me toen: ,,0 dochter, dochter! De zusters van de Encarnación zijn mijn zusters. Je aarzelt ? Vat moed. Bedenk dat Ik het wil. Het is niet zo moeilijk als het je voorkomt. Je denkt dat de andere huizen erbij zullen verliezen, allen gaan er eerder bij winnen. Biedt geen weerstand, want mijn macht is groot”.
18
Avila, 22 juli 1571.
Het verlangen en de zo grote aandrift om te sterven hebben mij verlaten, in het bijzonder sinds het feest van de heilige Magdalena. Van ganser harte besloot ik toen te leven om God veel te dienen. Soms doe ik het. Want hoezeer ik ook probeer het verlangen Hem te zien, van mij af te zetten, ik kan het niet.
19
Eens hoorde ik: “De tijd komt dat in deze kerk veel wonderen gebeuren. Men zal haar de heilige kerk noemen”. Dat was in San José te Avila, in het jaar 1571
20
Ik dacht eens aan de grote boete die Doñia Catalina de Cordona deed en hoe ik er meer had kunnen doen, in overeenstemming met de verlangens die de Heer mij daartoe soms gaf. Om te gehoorzamen aan mijn biechtvaders liet ik het na, maar vroeg me af of het niet beter zou zijn hun op dit punt niet meer te gehoorzamen. Toen zei Hij me: “Neen, dochter, je volgt een goede en veilige weg. Zie je alle boete die zij doet ? Ik stel meer prijs op je gehoorzaamheid”.

Donkere nacht – Johannes van het kruis

black landscape 2
donkere nacht Johannes van het Kruis

En una noche oscura,
con ansias, en amores inflamada,
oh dichose ventura!
salí sin ser notada,
estando uya mi casa sosegada.

A oscuras y segura,
por la secreta escala, disfrazada,
oh dichosa ventura!,
a oscuras y en celada,
estando ya mi casa sosegada.

En la noche dichosa,
en secreto, que nadie me veía
ni yo miraba cosa,
sin otra luz y guía
sino la que en el corazón ardía.

Aquésta me guiaba
más cierto que la luz del mediodía,
adonde me esperaba
quien yo bien me sabía,
en parte donde nadie parecía.

Oh noche que guiaste!
Oh noche amable más que el alborada!
Oh noche que juntaste
Amado con amada,
amada en el Amado transformada!

En mi pecho florido,
que entero para él solo se guardaba,
all quedó dormido,í
y yo Ie regalaba,
y el ventalle de cedros aire daba.

El aire de la almena,
Icuando yo sus cabellos esparcía,
con su mano serena
en mi cuello hería,
y todos mis sentidos suspendía.

Quedéme y olvidéme,
el rostto recliné sobre el Amado,
cesó todo, y dejéme,
dejando mi cuidado
entre las azucenas olvidado.

Die donkerste der nachten,
Mijn angstig hart ontvlamd in liefde-dromen,
O diep-verblijdend trachten!
Ging ‘k uit, door geen vernomen,
Want heel mijn huis was reeds tot rust gekomen.

In ’t donker, vol verwachten,
De schuiltrap langs, vermomd, in veilig schromen,
O diep-verblijdend trachten!
In ’t donker, onvernomen,
Want heel mijn huis was reeds tot rust gekomen.

Die nacht van diep verblijden,
In ’t dichte donker ongezien gebleven-
Toen ‘k niets kon onderscheiden,
Geen gids, die hulp kon geven,
Dan ’t ene licht in ’t innigst van mijn leven.

Die schijn, mijn gids, geleidde
Mij zekerder dan ’t licht der middagstonde
Tot waar zijn hoop mij beidde,
Die ’t hart mij lang reeds kondde,
Op ergens in de hof verborgen sponde.

O nacht die mij geleidde,
O nacht meer dan de dageraad liefgezinde,
O nacht die samenvlijde
Minnaar en zielsbeminde
Waar Minnaar in beminde zich hervinde,

Aan ’t hart dat liefde kuste
Tot bloei die zich om Hem voor elk verheelde,
Lag Hij in slaap en rustte,
En wijl mijn ziel Hem streelde,
Wuifde de ceder-waaier koele weelde-

Toen zo, van hoogste tinne,
De wind Hem zacht het haar uit-een kwam strijken,
Wondde zijn hand, vol minne,
Mijn hals bij ’t neder-reiken,
En deed mijn zinnen gans en al bezwijken.

Ik beleef er, zelf-vergeten,
hield mijn gelaat dicht óver Hem gebogen,
stil alles, heen mijn weten –
heen wat mij had bewogen,
tussen de lelies aan mijn geest onttogen.

vertaling J. Peters

STANZA’S: in een donkere nacht

I
In een donkere nacht,
in smachtende liefde ontbrand,
o zalig lot!
ging ik op weg, onbespied,
mijn huis lag verzonken in rust.

II
In de nacht, onbedreigd,
langs de geheime trap. in vermomming,
o zalig lot!
In het donker, verborgen,
mijn huis lag verzonken in rust.

III
In die gelukzalige nacht,
in stilte, door niemand gezien,
onzichtbaar ook voor mijzelf,
zonder ander licht, ronder gids,
behalve de gloed in mijn hart.

IV
Dat was het licht dat mij leidde
zekerder dan het zonlicht des middags
daarheen waar Hij op mij wachtte
-Hij die ik zo goed kende –
en waar niemand verscheen.

V
O nacht die mij leidde;
O nacht, lieftalliger dan de ochtend;
O nacht die de eenwording bracht
van de minnaar met zijn beminde,
die haar, de beminde, deed opgaan
in haar geliefde.

VI
Tegen mijn borst, met bloemen bezaaid,
rein gebleven terwille van Hem,
daar rustte Hij en sliep;
en ik liefkoosde Hem, en de ceders
wuifden Hem koelte toe.

VII
Terwijl Zijn haar golfde in de wind
die neerdaalde uit de toren
sloeg Hij mij tegen mijn nek
met Zijn tedere hand,
waarop ieder gevoel mij ontvlood.

VIII
In vergetelheid leefde ik voort,
mijn hoofd rustend op mijn geliefde;
verloren voor alles en voor mijzelf,
en liet mijn zorgen varen
tussen de lelies, vergeten.

Vertaling: I. van Wilsum

 

gedichten Johannes van het kruis

 

DSCN7030

Gedichten Johannes van het Kruis

Levende vlam van liefde

Oh Llama de amor viva,
Que tiernamente hieres
De mi alma en el más profundo centro !
Pues ya no eres esquivaq,
Acaba ya, si quieres;
Rompe la tela de este dulce encuentro !

Levende vlam van Liefde,
Wier tongen, tedere schade,
Schroeiend tot in mijn diepste zielskern wroeten :
Verzoend nu wat U griefde,
Voleindig uw genade,
Doorbreek het weefsel van dit zoet ontmoeten.

Oh cauterio suave!
Oh regalada llaga!
Oh mano blanda!
Oh toque delicado,
que a vida etema sabe,
y toda deuda paga!
Matando, muerte en vida la has trocado.

Vuur dat van vreugd doet beven!
Wond waaruit lusten stralen!
o liefelijke hand! o teer beroeren!
Die smaakt naar eeuwig leven,
Uw schuld kwaamt afbetalen,
En, dood verslaande, dood tot leven voeren!

Oh lamparas de fuego,
en cuyos resplandores
las profundas cavemas del sentido,
que estaba oscuro y ciego,
con extrafios primores
calor y luz dan junto a su Querido!

O brand van vlammen, lampen,
Wier helle flonkeringen
Der zinnen labyrint en blinde gangen,
Lang zwart van nacht en dampen,
In nieuwe pracht doen dingen,
Met licht en gloed, naar ’t Doel van hun verlangen!

Cuán manso y amoroso
recuerdas en mi seno,
donde secretamente solo moras!
Yen tu aspirar sabroso,
de bien y gloria lleno,
cuan delicadamente me enamoras!

Hoe liefelijk en begeerlijk,
Diep in mijn hart, ontwaakt Gij,
Want Gij slechts hebt uw heimelijk huis daarbinnen.
Uw adem, rijk en heerlijk,
Hoe mild, hoe teder maakt hij,
Dat ik U, altijd, overal moet minnen!

Ik drong binnen waar ik niet wist

Entreme, donde no supe,
y quedeme no sabiendo,
toda ciencia trascendiendo.

Ik drong binnen, waar ik niet wist,
en bevond me in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

Yo no supe dónde entraba,
pero, cuando alii me vi,
sin saber dónde me estaba,
grandes cosas entendi;
no dire l0 que senti,
que me quede no sabiendo,
toda ciencia trascendiendo.

Ik wist niet waarlangs ik inging,
maar toen ik zag dat ik daar was,
zonder dat ik wist waar ergens,
kreeg ik zicht op grote dingen;
toch uit ik niet wat ik zag;
want ik bleef in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

De paz y de piedad
era la ciencia perfecta,
en profunda soledad
entendida, via recta;
era rosa tan secreta,
que me quede b.ilbuciendo,
toda ciencia trascendiendo.

Vrede en vroomheid ging ze aan,
deze zeer volkomen kennis,
in de diepste eenzaamheid
zonder middel aangeworven;
en het was iets zo verborgens,
dat ik er slechts van kan staam’len,
alle weten overstijgend.

Estaba tan embebido,
tan absorto y ajenado,
que se quedó mi sentido
de todo sentir privado,
y el espiritu dotado
de un entender no entendiendo,
toda ciencia trascendiendo.

Zó zeer was ik opgetogen,
zo verdiept en zo van zinnen,
dat mijn zelfbesef ontledigd
achterbleef van alle ervaren
en de geest verrijkt werd met een
door-niet-te-verstaan begrijpen,
alle weten Overstijgend.

El que allí llega de vero,
de si mismo desfallece;
cuanto sabía primero,
mucho bajo le parece;
y su ciencia tanto crece,
que se queda no sabiendo,
toda ciencia trascendiendo.

Wie daartoe geraakt – ja waarlijk –
houdt zichzelf niet meer in handen;
wat tot dan hij heeft geweten
komt hem voor als zeer onedel;
en zo machtig groeit zijn kennis,
dat hij blijft in een niet-weten,
alle weten Overstijgend.

Cuanto más alto se sube,
tanto menos se entendia,
que es la tenebrosa nube
que a la noche esclarecia;
por eso quien la sabía
queda siempre no sabiendo,
toda denda trascendiendo.

Stijgt men hoger, des te minder
kan men er begrip van krijgen,
wat het is: die duist’re wolkzuil
die de donk’re nacht verheldert;
wie eens van dit weten weet had,
blijft dan ook in een niet-weten,
alle weten Overstijgend.

Este saber no sabiendo
es de tan alto poder,
que los sabios arguyendo
jamás le pueden vencer;
que no llega su saber
a no entender entendiendo,
toda ciencia trascendiendo.

En dit niet-wetende weten
is van een zo hoog vermogen,
dat de wijzen met hun denkkracht
het nooit kunnen overtreffen;
nooit bereikt hun weten dit
door-niet-te-verstaan begrijpen,
alle weten Overstijgend.

Yes de tan alta excelencia
aqueste sumo saber,
que no hay facultad ni ciencia
que le puedan emprender;
quien se supiere vencer
con un no saber sabiendo,
ira siempre trascendiendo.

Van zo hoge uitnemendheid ook
is dit allerhoogste weten,
dat er wetenschap noch geestkracht
is, die dit bewerken kan;
wie zichzelf ertoe kan brengen
door-niet-te-verstaan te weten,
zal steeds meer hierin doordringen.

Y, si lo queréis oir,
consiste esta suma ciencia
en un subido sentir
de la divinal esencia;
es obra de su clemencia
hacer quedar no entendiendo,
toda ciencia trascendiendo.

En als ’t u belieft te horen:
d’aard van deze hoge kennis
is een allerhoogst besef
van het Wezen van de Godheid;
’t is het werk van haar erbarmen
als Zij alle weten in dit
niet-weten doet overstijgen.

Ik leef, maar niet in mijzelf

Vivo sin vivir en mí,
y de tal manera espero,
que muero porque no muero.

Ik leef, maar niet in mijzelf,
en mijn hopen is zo hunk’rend,
dat ik sterf van niet te sterven.

En mí yo no vivo ya,
y sin Dios vivir no puedo;
pues sin él y sin mi quedo,
este vivir que sera?
Mil muertes se me hará,
pues mi misma vida espero,
muriendo porque no muero.

In mijzelf leef ik niet meer,
zonder God kan ik niet leven;
zonder Hem toch ben ‘k mijzelf niet.
Wat betekent zulk een leven?
Duizend doden doet het me aan,
want mijn leven zelf verhunkert
en het sterft van niet te sterven.

Esta vida que yo vivo
es privación de vivir;
y así es continuo morir
hasta que viva contigo.
Oye, mi Dios, lo que digo;
que esta vida no la quiero;
que muero porque no muero.

Zo te leve’ als ik moet leven
is alsof men ’t leven derft
en een sterven zonder einde,
totdat ik bij U mag leven.
Wil, mijn God, mijn woord aanhoren:
dat ik van dit leven af wil
en ik sterf van niet te sterven.

Estanda absente de ti,
que vida puedo tener,
sino muerte padecer,
la mayor que nunca vi?
Lástima tengo de mi,
pues de suerte persevero,
que muero porque no muero.

Moet ik leven ver van U,
wat voor leven is dat dan?
Sterft men niet veeleer een dood
erger nog dan ik ooit zag?
Deernis heb ik met mijzelf,
nu ik zo moet blijven leven
en ik sterf van niet te sterven.

El pez que del agua sale
aun de alivio no carece,
que en la muene que padece,
al fin la muerte le vale.
Que muerte habra que se iguale
a mi vivir lastimero,
pues si más vivo más muero?

Zelfs een vis die buiten water raakt,
zal alle troost niet derven;
in de dood die hij moet sterven
vindt hij toch nog baat tenslotte.
Maar wat dood is vergelijkbaar
met mijn deerniswekkend leven,
waar méér leven méér doet sterven?

Cuando me pienso aliviar
de verte en el Sacramento,
haceme mas sentimiento
el no te poder gozar
i todo es para mas penar
por no verte como quiero,
y muero porque no muero.

Denk ik troost te vinden door
U in’ t Sacrament te schouwen,
dan berokkent mij nóg meer leed,
dat ik U niet smaken kan;
alles toch verzwaart mijn leed,
daar ‘k U zien wil en niet zie,
en ik sterf aan mijn niet-sterven.

y si me gow, Senor,
con esperanza de verte,
en ver que puedo perderte
se me dobla mi dolor;
viviendo en tanto pavor
y esperando como espero,
muerome porque no muero.

En verlustig ik mij, Heer,
in de hoop U te aanschouwen,
dan verdubbelt het besef dat
‘k U verliezen kan mijn smart;
waar ik leef in zulk een vrees
en verlang met zo’n verlangen,
ga ik dood aan mijn niet-sterven.

Sácame de aquesta muerte,
mi Dios, y dame la vida;
no me tengas impedida
en este law tan fuerte;
mira que peno por verte,
y mi mal es tan entero,
que muero porque no muero.

Haal mij weg vanuit dit sterven,
o mijn God, en geef mij ’t leven;
wil mij niet gevangen houden
in een strik zo sterk als deze;
‘k lijd om U te zien, bedenk het:
mijn ellende is zo volkomen,
dat ik sterf aan mijn niet-sterven.

Lloraré mi muerte ya,
y lamentare mi vida,
en tanto que detenida
por mis pecados esta.
Oh mi Dios!, cuando sera
cuando yo diga de vero:
vivo ya porque no muero?

Nu beween ik reeds mijn dood
en bejammer ook mijn leven
in zoverre het nog standhoudt
ter oorzake van mijn zonden.
O mijn God, wanneer dan toch,
wanneer moge ik waarlijk zeggen:
Nu ik niet meer sterf, nu leef ik!

Na een waagstuk van mijn liefde

Tras de un amoroso lance,
y no de esperanza falto,
vole tan alto, tan alto,
que le di a la caza alcance.

Na een waagstuk van mijn liefde
‘k had de hoop niet opgegeven –
vloog ik op, zo hoog, zo hoog,
dat ik haalde waf ik najoeg.

Para que yo alcance diese
a aqueste lance divino,
tanto volar me convino
que de vista me perdiese;
y, con todo, en este trance
en el vudo quede falto;
mas el amor fue tan alto,
que le di a la caza alcance.

Om te kunnen komen tot dit
godd’lijk avontuur van liefde,
moest mijn opvlucht zo intens zijn,
dat ik van mijzelf geen weet hield;
en tóch bleef ik in gebreke
in mijn alles wagende opvlucht;
maar zo hoog streefde mijn liefde,
dat ik haalde wat ik najoeg.

Cuando más alto subia
deslumbróseme la vista,
y la más fuerte conquista
en oscuro se hacia;
mas, por ser de amor el lance,
di un ciego y oscuro salto,
y fui tan alto, tan alto,
que le di a la caza alcance.

En naarmate ik hoger opsteeg,
werd het voor mijn oog verblindend;
en het allerhoogst-bereikte
maakte ik buit in ’t diepste duister;
maar daar liefde het waagstuk opriep,
nam ik blind een sprong in ’t duister
en kwam uit zo hoog, zo hoog,
dat ik haalde wat ik najoeg.

Cuanto más alto llegaba
de este lance tan subido,
tanto mas bajo y rendido
y abatido me hallaba;
dije: No habni quien alcance;
y abatime tanto, tanto,
que fui tan alto, tan alto,
que le di a la caza alcance.

Even hoog als dit verheven
avontuur mij opgevoerd had,
even laag en diep verslagen
en ontdaan liet her mij achter ;
ik zei: Niemand kan dat halen;
en ik dook zo diep de diepte in,
dat ik hoog de hoogte inging,
en ik haalde wat ik najoeg.

Por una extraiia manera
mil vuelos pase de un vuelo,
porque esperanza de cielo
tanto alcanza cuanto espera;
espere sólo este lance,
y en esperar no fui falto,
pues fui tan alto, tan alto,
que le di a la caza alcance.

Op een wonderlijke wijze
won’t een vlucht van duizend vluchten:
daar de hoop op hemels leven
zoveel als zij hoopt, bemachtigt;
deze kans alleen verhoopte ik
en mijn hoop werd niet bedrogen,
want ik kwam zo hoog, zo hoog,
dat ik haalde wat ik najoeg.

Al is zij nachtelijk

Que bien se yo la fonte que mana y corre,
aunque es de noche.

Of ik de Bron ook ken! haar wellen en haar stromen,
al is Zij nachtlijk!

Aquella etema fante está escondida,
que bien sé yo dó tiene su manida,
aunque es de nache.

Die eeuwig-zijnde Bronaar stroomt verholen,
toch weet ik waar haar stroombed ligt verscholen,
al is Zij nachtlijk.

Su origen no lo sé, pues no le tiene,
mas se que todo origen de ella viene,
aunque es de noche.

‘k Weet haar begin niet, daar Zij niet ontstaan is,
wel, dat van Haar, wat aanvangt, uitgegaan is,
al is Zij nachtlijk.

Sé que no puede ser cosa tan bella,
y que cielos y tierra beben de ella,
aunque es de noche.

‘k Weet dat, waar er geen ding zo schoon en klaar is,
voor aarde en hemel lafenis in Haar is,
al is Zij nachtlijk.

Bien se que suelo en ella no se halla,
y que ninguno puede vadealla,
aunque es de noche.

Ik weet dat er geen grond in is te ontdekken,
en dat geen mens haar waat’ren door kan trekken,
al is Zij nachtlijk.

Su claridad nunca es oscurecida,
y sé que toda luz de ella es venida,
aunque es de noche.

Nooit wordt haar klaarheid mat van enig duister;
van Haar krijgt – weet ik – alle licht zijn luister,
al is Zij nachtlijk.

Sé ser tan caudalosos sus corrientes,
que infiemos, cielos riegan y las gentes,
aunque es de noche.

‘k Weet dat baar stromen zoveel water schenken,
dat zij de hemel, hel en mensen drenken,
al is Zij nachtlijk.

El corriente que nace de esta fuente
bien se que es tan capaz y omnipotente,
aunque es de noche.

En van de stroom, aan deze Bron onttogen,
ken ik de almacht en het groot vermogen,
al is Zij nachtlijk.

El corriente que de estas dos procede
se que ninguna de ellas le precede,
aunque es de noche.

‘k Weet dat de stroom die uit die beide ontstaan is,
door geen van beide toch voorafgegaan is,
al is Zij nachtlijk.

Aquesta etema fante esta escondida
en este vivo pan por damos vida,
aunque es de noche.

Verborgen stroomt die Bron van eeuwig leven
in ’t levend brood om leve’ aan ons te geven,
al is Zij nachtlijk.

Aquí se está, llarnando a las criaturas,
y de esta agua se hartan, aunque a oscuras,
porque es de noche.

Hierheen roept her de schepselen en zij vinden
er water voor hun dorst, zij ’t in den blinde,
want Zij is nachtlijk.

Aquesta viva fuente que deseo,
en este pan de vida yo la veo,
aunque es de noche.

Die Bron van leven, waarheen al mijn streven
zich richt, aanschouw ik in dit brood van leven,
al is Zij nachtlijk.
De Berg der Volmaaktheid. DE BERG KARMEL

Om te geraken tot het smaken van ALLES – heb smaak in NIETS.
Om te geraken tot het weten van ALLES – wil NIETS weten.
Om te geraken tot het bezit van ALLES – wil NIETS bezitten.
m te geraken tot ALLES zijn – wees NIETS.
Om te geraken tot wat ge nog niet smaakt – moet ge gaan langs de weg van het niet-smaken.
Om te geraken tot wat ge nog niet weet – moet ge gaan langs de weg van het niet-weten.
Om te geraken tot het bezit van wat ge nog niet hebt – moet ge gaan langs de weg van het niet-bezitten.
Om te geraken tot wat ge nog niet zijt – moet ge gaan langs de weg van het niet-zijn.
Als ge bij iets blijft stilstaan – werpt ge u niet met hart en ziel op het Al. Om heel en al tot het Al te komen – moet ge u van alles ontdoen omwille van het Al.
Als ge eenmaal helemaal tot het bezit komt van het Al – moet ge het vasthouden zonder iets anders te willen.

In deze ontbloting vindt de geest rust. Omdat hij immers niets najaagt, vermoeit hem niets op de weg naar omhoog en drukt hem niets bergafwaarts, want hij staat in het evenwicht van zijn nederigheid.

De drie paden van de Berg, van links naar rechts

Weg van de geest der onvolmaakd1eid: Naar de hemel – dat niet; eer – dat niet; vreugde – dat niet; weten – dat niet; troost – dat niet; rust – dat niet – Hoe meer ik dit wilde hebben, des te minder hield ik in de hand.

Pad naar de berg Karmel – Geest van volmaaktheid: niets, niets, niets, niets, niets, niets en ook boven op de berg niets.

Weg van de geest der onvolmaaktheid: Naar deze aarde – ook dat niet; bezitten – ook dat niet; vreugde – ook dat niet; weten – ook dat niet; troost – ook dat niet; rust – ook dat niet – Hoe meer ik dit wilde zoeken, des te minder hield ik in de hand.

Top van de Berg, van links naar rechts, bijschriften bij de verschillende niveaus

Sinds ik dit niet meer wilde hebben, heb ik dit alles zonder het te willen. Sinds ik het minder wilde, heb ik dat alles zonder het te willen. Vrede – Vreugde – Blijdschap – Genot – Wijsheid – Gerechtigheid – Sterkte – Liefde – Godsvrucht. Om eer geef ik niet – Om pijn geef ik niet.

Hier is geen weg meer, want voor de gerechte bestaat er geen wet; hij is zichzelf tot wet.

Boven op deze berg woont alleen de eer en glorie van God.