IN OCCISIONE GLADII MORTUI SUNT

opdracht in de tempel - uit het leven van Maria

opdracht in de tempel – uit het leven van Maria

 

22. IN OCCISIONE GLADII MORTUI SUNT – TWEEDE BRIEF AAN DE HEBREEERS 11, 37

Over de martelaren die we vandaag gedenken lezen we dat zij ter dood gebracht zijn met het zwaard. Onze Heer zei tegen Zijn discipelen: ‘Zalig zijn jullie, wanneer jullie omwille van Mijn naam moeten lijden.’ Nu wordt van die martelaren geschreven dat
zij om Christus’ naam de dood onder ogen moesten zien en met het zwaard zijn omgebracht. Op drie dingen moeten wij nu letten. Ten eerste dat zij dood zijn, wat betekent dat er een einde komt aan het lijden in deze wereld en in dit leven. Augustinus  zegt: ‘Aan alle pijn en alle moeite komt een einde, maar het loon dat God daarvoor geeft is eeuwig.’ Het tweede wat we onder ogen moeten zien is dat al wat leeft sterfe lijk is en dat we niet bang moeten zijn voor de pijn en moeite die op ons af komen, want daar komt een eind aan. Ten derde moeten we ons opstellen als waren we al dood, namelijk zo dat vreugde noch leed ons beroeren.
Een leermeester zegt: ‘Niets kan de hemel beroeren’, en hij bedoelt dat die mens een hemels mens is voor wie geen ding zo telt dat het hem kan beroeren. Ook zegt
een leermeester: ‘Hoe komt het toch dat, terwijl alle schepselen zo nietig zijn, zij de mens zo gemakkelijk af kunnen leiden van God; de ziel is immers in haar kleinste deel beter dan de hemel en alle schepselen bij elkaar?’ Hij zegt: ‘Dat komt omdat de mens te weinig zijn aandacht op God richt.’ Zou hij zich, zoals het moet, op God richten, dan was het haast onmogelijk dat hij ooit ten val zou komen. Het is een goede stelregel dat de mens zich in deze wereld zo moet opstellen als was hij dood. De heilige Gregorius zegt, dat niemand God in overvloed kan bezitten die voor deze wereld niet morsdood is.
Maar waar het op aankomt is ten vierde dit. We hebben gehoord dat ‘zij dood zijn’. De dood verleent hun een zijn. Een leermeester zegt: De natuur vernietigt nooit iets zonder dat zij er iets beters voor in de plaats geeft.’ Wanneer lucht vuur wordt is dat beter; wordt lucht echter water, dan is dat een vernietiging en een ontsporing. Als de natuur al zo doet, hoeveel te meer doet God dat: Hij breekt nooit iets af, tenzij Hij er
iets beters voor terug geeft. De martelaren zijn dood en hebben een leven verloren en hebben een zijn ontvangen.
Een leermeester zegt dat zijn en leven en kennen het edelste zijn. Kennen is meer dan leven of zijn, want in het feit dat het kent bezit kennen leven en zijn. Maar vervolgens is leven edeler dan zijn of kennen; denk maar aan de boom die leeft, terwijl de steen enkel een zijn bezit. Laten we nu het zijn beschouwen zoals het in zichzelf is, onafhankelijk en puur. Zo bekeken is zijn iets hogers dan kennen of leven, want met het feit dat het zijn is bezit het kennen en leven.
Zij hebben een leven verloren en hebben een zijn gevonden. Een leermeester zegt dat aan God niets zo gelijk is als zijn; voor zijn is, is het aan God gelijk. Een leermeester zegt: ‘Zijn is zoiets zuivers en verhevens, dat al wat God is één zijn is.’ God kent enkel zijn, Hij weet niets anders dan zijn, zijn is zijn omvang en horizon. God heeft enkel Zijn zijn lief, Hij denkt uitsluitend Zijn zijn. Ik zeg: alle schepselen hebben een zijn. Een leermeester zegt dat sommige schepselen God zo nabij zijn en zoveel goddelijk licht in zich hebben opgenomen, dat zij in staat zijn aan andere schepselen zijn te verlenen. Dat is niet waar, want zijn is iets zo verhevens en zuivers en zo aan God verwant, dat niemand zijn kan verlenen dan alleen God in zichzelf. Zijn is Gods wezenlijke eigenschap. Een leermeester zegt: ‘Het ene schepsel is wel in staat aan het andere leven te geven.’ Daarom: enkel in het zijn wortelt al wat werkelijk is. Zijn is een eerste naam. Al wat onvolmaakt is, is een afval van zijn. Ons gehele leven zou een zijn moeten zijn; voor ons leven een zijn is, is het in God.
Voor ons bestaan in zijn ligt besloten, is het aan God verwant. Geen bestaan is zo gebrekkig of het is, voor wie het als een vorm van zijn begrijpt, edeler dan alles wat ooit leven verwierf. Ik ben ervan overtuigd dat, wanneer een ziel zijn zou herkennen in het allergeringste, zij zich daarvan geen ogenblik zou afwenden.
ja, het geringste dat je in God kunt kennen, bijvoorbeeld wanneer je een bloem kent zoals die een zijn heeft in God, is dat edeler dan de hele wereld bij elkaar. Het geringste te kennen dat, voor het een zijn is, in God is, is beter dan een engel te kennen. Zou de engel als een schepsel kennen, zou het nacht worden. Augustinus zegt: ‘Wanneer de engelen de schepselen kennen zonder God, is dat een avondlicht;
maar wanneer zij de schepselen kennen in God, is dat een morgenlicht. Dat zij God kennen zoals Hij enkel in zichzelf het zijn is, dat is de heldere middag.’ Ik zeg: dat het zijn zo edel is, dat moet de mens begrijpen en onderkennen. Geen schepsel is zo gering of het verlangt naar het zijn. Wanneer de rupsen uit de bomen vallen, kruipen ze tegen een muur omhoog, opdat ze hun zijn behouden. Zo edel is het zijn. Wij loven het sterven in God, opdat Hij ons in een zijn doet over gaan dat beter is dan leven: een zijn waarin ons leven leeft, waarin ons leven een zijn wordt. Gewillig moet de mens zich overgeven aan de dood en sterven, opdat hem een beter zijn ten deel valt.
Ik zeg wel eens dat een stuk hout edeler is dan goud; dat is heel verwonderlijk voor een steen zijn bezit, is hij edeler dan God en Zijn godheid zonder zijn, tenminste als je Hem dat zou kunnen ontnemen. Het moet wel een heel krachtig leven zijn waarin dode dingen levend worden, waarin zelfs de dood een leven wordt. Voor God sterft niets: alle dingen leven in Hem.
‘Zij zijn dood’, zegt de Schrift van de martelaren, en ze zijn gesteld in een eeuwig leven, in het leven waar leven een zijn is. We moeten door en door dood zijn,
zodat lief noch leed ons beroert. Wil je iets kennen, dan moet je het in zijn oorzaak kennen. Je kunt een ding nooit goed in zichzelf kennen, tenzij je het in zijn oorzaak
onderkent. Werkelijk iets kennen is alleen mogelijk door het in zijn klaarblijkelijke oorzaak te onderkennen.
Evenzo kan het leven nooit voltooid worden als het niet wordt herleid tot zijn klaarblijkelijke oorzaak, waar het leven een zijn is dat de ziel ontvangt wanneer zij tot in de grond sterft, zodat wij leven in het leven waar leven een zijn is. Wat ons verhindert daarin steevast te zijn, maakt een leermeester duidelijk als hij zegt: dat komt omdat wij met de tijd in aanraking komen. Alles wat door de tijd wordt aangeraakt is sterfelijk.
Een leermeester zegt: ‘De loop van de hemel is eeuwig; wel is het waar dat de tijd daarvan afkomstig is, maar door er van af te vallen.’ In zijn loop is de hemel eeuwig en weet hij van geen tijd, en dat betekent dat de ziel in een louter zijn warde gesteld. Ten tweede wordt alles wat met tijd heeft te maken door tegenstelling bepaald. Wat is tegenstelling? Lief en leed, wit en zwart vormen zo’n tegenstelling, en in het zijn wordt die opgeheven.
Een leermeester zegt: ‘De ziel is aan het lichaam gegeven om gelouterd te worden.’ Wanneer de ziel van het lichaam wordt gescheiden, bezit zij verstand noch wil: ze is één, en beschikt daardoor niet over het vermogen zich tot God te keren. Zij bezit dan het vermogen van verstand en wil wel in haar grond, als in hun wortels, maar zij kan er niet actief over beschikken. De ziel wordt in het lichaam gelouterd opdat zij verzamelt wat naar buiten toe verstrooid is geraakt. Wanneer de naar buiten gerichte activiteit van de vijf zintuigen weer tot de ziel inkeert, beschikt zij over een vermogen waardoor alles één wordt. Ten tweede wordt de ziel gelouterd in beoefening van de deugden, namelijk wanneer zij opklimt in een leven dat eenheid is. Louter wordt de
ziel wanneer zij gelouterd is van een leven in opdelingen en binnengaat in een leven van eenheid. Al wat in de lage regionen verdeeld is, wordt tot eenheid wanneer
de ziel opklimt tot een leven waarin geen tegenstelling bestaat. Wanneer de ziel ingaat in het licht van de rede weet zij van geen tegenstelling. Wat aan dat licht ontvalt, valt neer in sterfelijkheid en gaat dood.
Ten derde betekent louterheid van de ziel dat zij naar niets haakt. Wat naar iets anders haakt, sterft en kan niet blijven bestaan. Wij bidden daarom onze lieve Heer God, dat Hij ons van een leven dat uit verdeeldheid bestaat naar een leven helpt dat eenheid is. Daartoe helpe ons God. Amen.

UNUS DEUS ET PATER OMNIUM

Riet

 

21. UNUS DEUS ET PATER OMNIUM, QUI EST SUPER OMNES ET PER OMNIA ET IN OMNIBUS NOBIS – BRIEF AAN DE EPHEZIËRS 4, 6

Ik heb een woord in het Latijn gezegd, uit een brief van Paulus: ‘Eén God en Vader van allen, die gebenedijd is boven allen en door allen en in ons allen.’ Een ander woord – neem ik uit het evangelie, waar ome Heer zegt: ‘Vriend, treed dichterbij, kom hoger op.’ In dat eerste, waar Paulus zegt ‘één God en Vader van allen’, verzwijgt hij een woordje dat een verandering inhoudt. Wanneer hij zegt ‘één God’, bedoelt hij dat God één is in zichzelf en afgezonderd van alles. God behoort aan niemand toe, en Hem behoort niemand toe; God is één. Boëthius zegt: ‘God is één en verandert zich niet. Al wat Hij ooit schiep, schiep Hij als veranderend. Alle dingen, zoals ze ooit werden geschapen, dra gen veranderlijkheid op hun rug.’
Dat betekent dat we één moeten zijn in onszelf en van alles afgezonderd, en steeds onbewogen moeten we één zijn met God. Buiten God is niets dan het niets. Daarom is het onmogelijk dat in God iets van verandering of gedaantewisseling voor kan komen. Wat buiten zichzelf een andere plaats zoekt, verandert zich. God heeft alle dingen in zich in een volheid; daarom zoekt Hij niets buiten zichzelf, doch enkel in de volheid zoals die in Hem is. Hoe God die in zichzelf draagt, kan geen schepsel begrijpen.
IEr is nog iets wat hij ons leert, als hij zegt: ‘Vader van allen, U bent gebenedijd.’ Dit woord nu houdt een verandering in. Wanneer hij zegt ‘Vader’, zijn wij daar in mee begrepen. Is Hij onze Vader, dan zijn wij Zijn kinderen, dan gaat ons de eer en de smaad die men Hem aandoet ter harte. Wanneer het kind ziet hoe lief het de vader is, weet het waarom het hem verschuldigd is zo zuiver en onschuldig mogelijk te leven. Om die reden moeten wij in zuiverheid leven, want God zegt zelf: ‘Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.’ Wat is een rein hart? Rein is dat hart dat is afgezonderd en afgescheiden van alle lichamelijke dingen en dat zichzelf bijeen houdt en in zichzelf is besloten en dan zich uit die zuiverheid in God werpt en daar verenigd wordt. David zegt dat die werken zuiver en onschuldig zijn, die verricht en volbracht worden in het licht van de ziel; nog onschuldiger echter zijn die, die
inwendig en in de geest blijven en niet naar buiten komen. ‘Eén God en Vader van allen.’
Nu dat andere woord: ‘Vriend, treed dichterbij, kom hoger op.’ Ik maak uit twee een. De woorden ‘vriend, treed dichterbij, kom hoger op’ betekenen samen dat de ziel met God in gesprek is, en het antwoord dat zij krijgt luidt: ‘Eén God en Vader van allen.’ Een leermeester zegt: ‘Vriendschap is een zaak van de wil.’ voor vriendschap een zaak is van de wil, verenigt zij niet. Ik heb het al vaker gezegd: liefde verenigt niet; zij verenigt weliswaar in een handelen, maar niet in een zijn. Alleen daarom zegt ze ‘één God’, en ‘treed dichterbij, kom hoger op’. In de grond van de ziel kan niets
binnenkomen dan zuivere godheid. Zelfs de opperste engel, hoe dicht hij ook bij God is en aan God verwant en hoeveel hij ook van God in zich heeft – zijn handelen is steeds in God, hij is met God één in een zijn, niet slechts in zijn handelen, hij verblijft in God en is Zijn standvastige bewoner – hoe edel de engel ook is, en dat is immers een wonder, toch kan hij niet in de ziel binnenkomen. Een leermeester zegt: schepselen, voor zij zich van elkaar onderscheiden, zijn geen van alle waardig, dat God zelf in hen zou werken. Maar de ziel in zichzelf, daar waar zij boven het lichaam staat, is zo zuiver en zo teer, dat zij niets opneemt dan louter zuivere godheid. Toch kan ook God daar alleen naar binnen, als Hem alles wordt afgenomen wat Hem wordt toegedacht. Daarom kreeg de ziel ten antwoord: ‘één God’.
Paulus zegt: ‘Eén God.’ Eén is iets zuiverders dan goedheid en waarheid. Goedheid en waarheid zijn geen toevoeging bij het ene, alleen in gedachten worden zij daaraan toegevoegd; omdat het gedacht wordt, is het een toevoegsel. Eén voegt aan zichzelf niets toe, omdat Hij in zichzelf is, voordat Hij uitstroomt in Zoon en Heilige Geest. Daarom zei Hij: ‘Vriend, kom hoger op.’
Een leermeester zegt: ‘Eén is een ontkenning van de ontkenning.’ Zeg ik ‘God is goed’, dan voeg ik iets toe. Eén is een ontkenning van de ontkenning en een loochenen van de loochening. Wat betekent één? Eén is datgene waaraan niets is toegevoegd. De ziel neemt de godheid op, zoals zij in zichzelf is gelouterd, zonder dat
haar iets is toegevoegd, zonder dat haar iets is toegedacht.
Eén is een ontkenning van het ontkennen. Alle schepselen zijn behept met een ontkenning; het ene schepsel ontkent dat het een ander is. Een engel ontkent dat hij een andere engel is. God is de ontkenning van het ontkennen eigen; Hij is één en ontkent al het andere, want er is niets buiten God. Alle schepselen zijn in God en zijn Zijn eigen godheid, en dat betekent die volheid waarover ik zojuist sprak Hij is een Vader van de hele godheid. Ik spreek daarom van één godheid, waar nog geen uitstroming is en niets wordt aangeraakt of gedacht, Indien ik God iets ontzeg-ik ontken bijvoorbeeld dat God goed is, maar ik kan God niets ontzeggen- indien ik dus van God iets ontken, dan begrijp ik Hem in iets wat Hij niet is; en juist dat moet weg.
God is één, Hij is een ontkenning van het ontkennen.
Een leermeester zegt dat de engelennatuur geen kracht en geen werkzaamheid uitoefent en dat zij van niets anders weet heeft dan van God alleen, Van wat anders is heeft zij geen weet, Daarom staat er: ‘Eén God, Vader van allen’ en ‘Vriend, kom hoger op’, Sommige krachten van de ziel nemen dingen van buiten op, zoals het oog: hoe zeer dat ook het grofste afsplitst en enkel het fijne tot zich toelaat, toch neemt het iets van buiten op dat betrekking heeft op het hier en nu, Maar inzicht en intellect schillen het waargenomene af en zij nemen op waar geen hier en nu is; in die wijdte raken zij aan de engelennatuur, Toch ontvangt het intellect van de zintuigen; wat de zintuigen van buiten naar binnen brengen, neemt het intellect in zich op, Dat doet de wil niet; in dit opzicht is de wil edeler dan het intellect, De wil neemt enkel in het zuivere inzicht, daar waar geen hier en nu is, in zich op, God wil zeggen: hoe hoog, hoe zuiver de wil ook is, hij moet hoger op, Het is een beantwoording, dat God zegt: ‘Vriend, kom hoger op, dan valt jou eer ten deel’. De wil wil zaligheid, Mij werd gevraagd naar het onderscheid tussen genade en zaligheid, Genade, zoals we die nu in dit leven ontvangen, en zaligheid, die we hierna zullen bezitten in het eeuwige leven, verhouden zich als de bloem tot de vrucht Wanneer de ziel vol van genade is, zodat er niets in haar overblijft wat niet het werk is van de genade en niet door de genade wordt volbracht, dan komt het toch niet zo ver dat alles, waartoe de ziel in staat is en wat haar taak is, door de genade wordt volbracht Ik heb het al vaker gezegd: de genade is niet werkend, want zij giet sierlijke schoonheid in de ziel; dat is een volheid in het rijk van de ziel Ik zeg: genade verenigt de ziel niet met God, maar zij brengt de ziel aan haar doel; dat is haar werk, dat zij de ziel weer tot God brengt Daar gewordt haar de vrucht van de bloem, De wil, voor hij zaligheid wil en
met God wil zijn en als hij op die wijze omhoog is getrokken – in die zuiverheid kruipt God wel in de wil, en zo zuiver als het intellect God vat als een waarheid, zo kruipt God wel in het intellect, Maar wanneer Hij in de wil valt moet deze hoger op, Daarom staat er: ‘Eén God’, ‘Vriend, klim hoger op’, ‘Eén God’: in de eenheid van God is Gods godheid voleindigd, Ik zeg: God kon nooit zijn eengeboren Zoon baren, als Hij niet één was. Al Zijn werk aan de schepselen en aan de godheid ontleent God aan de eenheid die Hij is, Ik zeg verder: eenheid heeft God alleen, Gods eigenschap is eenheid; daaraan ontleent God dat Hij God is, anders zou Hij God niet zijn, Alles wat getal is hangt van één af, en één hangt af van niets, Gods rijkdom en wijsheid en waarheid zijn geheel en al één in God; ze zijn niet één, ze zijn eenheid, God heeft alles wat Hij heeft in één, het is één in Hem, De leermeesters zeggen dat de hemel een kringloop maakt, opdat hij alle dingen tot één brengt; daarom loopt hij zo snel
God bezit alle volheid als één, en Gods natuur hangt daaraan en het is van de ziel de zaligheid dat God één is; het is haar sieraad en haar eer, Hij zei: ‘Vriend, klim hoger op, dan valt jou eer ten deel’ Het is de eer en het sieraad van de ziel, dat God één is. God doet alsof Hij alleen maar één is om de ziel te behagen en alsof Hij zich alleen maar sierlijk tooit opdat de ziel enkel op Hem verliefd wordt. Daarom wil de mens nu eens dit, dan weer dat; nu eens oefent hij zich in wijsheid, dan weer in kunst. Omdat zij het Ene niet bezit, komt de ziel nooit tot rust, tenzij alles één wordt in God. God is één; dat is voor de ziel haar zaligheid en haar sieraad en haar rust. Een leermeester zegt: ‘God beoogt in al Zijn werken alle dingen.’ De ziel is alle dingen. Wat beneden de ziel in alle dingen het edelste, zuiverste, hoogste is, dat giet God er allemaal in. God is alles en is één.
Dat wij zo verenigd worden met God, daartoe helpe ons ‘één God, Vader van allen’. Amen .

Simone Weil – over de liefde

liefde

Simone Weil – B E S C H O U W I N G E N
DE LIEFDE GODS EN HET ONGELUK
Op het gebied van het lijden is het ongeluk een afzonderlijke, eigensoortige en onherleidbare werkelijkheid. Het is geheel iets anders dan het lijden. Het ongeluk maakt zich van de ziel meester en stempelt haar tot op de bodem niet zijn slavenmerk. De slavernij, zoals die in het oude Rome, is slechts de toegespitste vorm van het ongeluk. In de Oudheid besefte men dit heel goed, getuige het gezegde: “Op de dag dat een mens slaaf wordt, verliest hij zijn halve ziel.”
Het ongeluk kan men niet scheiden van het lichamelijke lijden en toch is het er sterk van onderscheiden. In het lijden is alles wat niet gebonden is aan fysieke pijn (of wat daarmee verband houdt) kunstmatig, ingebeeld; het kan derhalve bij een juiste geestesgesteldheid worden uitgeschakeld. Zelfs bij de afwezigheid of de dood van een geliefd mens is het onherleidbare deel van het verdriet zoiets als een lichamelijke kwaal, een moeilijkheid bij het ademhalen, een beklemming op de borst, een onvervulde behoefte, een gevoel van honger, of de bijna biologische wanorde die ontstaat wanneer een tot nu toe doelbewuste energie plotseling haar richtpunt verliest. Verdriet zonder een dergelijke onherleidbare kern is gewoon romantiek, is niets anders dan literatuur. – Ook vernedering is zo’n geteisterde toestand van het hele lichaam, dat onder de aangedane smaad wil opspringen maar zich in bedwang moet houden door onmacht of uit angst.
Een zuiver fysieke pijn daarentegen is van weinig belang en laat geen enkel spoor in de ziel na. Kiespijn is er een voorbeeld van. Een paar uur hevige pijn, veroorzaakt door een rotte kies, betekent niets meer zodra de pijn voorbij is. Heel anders is het gesteld met een zeer langdurig of vaak terugkerend lichamelijk lijden. Doch zulk een lijden is dan ook geen lijden meer; het is dikwijls een ongeluk.
Het door het ongeluk getroffen leven is ontworteld, een kin of meer zwakke analogie van de dood, die op een onweerstaanbare wijze gevoeld wordt door de ziel als zij in aanraking gekomen is met de fysieke pijn of deze pijn rechtstreeks heeft waargenomen. Als de fysieke pijn afwezig is dan is er geen sprake van ongeluk, omdat liet denken zich op onverschillig welk object vrij kan richten. Het denken ontvlucht het ongeluk even haastig als het dier de dood. Hier op aarde kan alleen de lichamelijke pijn het denken gevangen houden; op voorwaarde dat men met de pijn enkele daaraan gelijkwaardige, doch is moeilijk te omschrijven lichamelijke verschijnselen op één lijn stelt. De waarneming van de lichamelijke pijn met name hoort hierbij.
Wanneer het denken in contact komt met een hoe lichte pijn dan ook, wordt het gedwongen de aanwezigheid van het ongeluk te erkennen. Dan ontstaat er eenzelfde innerlijk verzet als bij de ter dood veroordeelde die gedwongen zou worden urenlang naar de guillotine te kijken, die hem straks zal onthoofden. Een mens kan wel twintig of misschien vijftig jaar in zo’n desperate toestand leven. Anderen zijn aan hem voorbijgegaan zonder hem op te merken. Wie kan deze ongelukkigen herkennen, tenzij Christus door zijn ogen ziet? Men merkt alleen dat zij zich dikwijls vreemd gedragen, en dan laakt men hun gedrag.
Er is slechts dan sprake van ongeluk wanneer de gebeurtenis die een leven heeft aangegrepen en ontworteld, dat leven direct dan wel indirect over de hele linie ontreddert, zowel sociaal, psychisch als lichamelijk. De sociale factor is beslissend. Waar niet op enigerlei wijze sociaal verval optreedt, is het ongeluk niet aanwezig. Tussen het ongeluk en alle mogelijke soorten van verdriet die: – ook al zijn deze heel hevig, diep insnijdend, zeer langdurig – toch geen ongeluk zijn, is een samenhang, maar ook een drempelscheiding, net als het geval is met de temperatuur waarbij water gaai koken. Er is een grens waarboven het ongeluk er is, en daaronder niet.
De grens ligt niet voor alle gevallen vast; vele persoonlijke factoren spelen hierbij een rol. Eenzelfde gebeurtenis kan de ene mens in het ongeluk doen storten en de ander niet.
Het grote raadsel van het menselijk bestaan is niet het lijden maar het ongeluk. Wij verbazen ons niet dat onschuldigen worden gedood, uit hun land verbannen worden, gemarteld, tot ellende en slavernij gebracht, opgesloten in kampen en gevangenissen, want wij weten nu eenmaal dat er misdadigers zijn die deze dingen doen. Het verwondert ons evenmin dat ziek zijn langdurig lijden kan opleggen, het hele leven met verlamming slaat en tot een toonbeeld maakt van de dood, want men weet dat de natuur onderworpen is aan een blind spel van mechanische noodzakelijkheden.
Maar het is verwonderlijk dat God het ongeluk de macht gegeven heeft om de ziel zelf van de ongelukkigen te grijpen en zich er volstrekt meester van te maken. In het gunstigste geval zal degene die door het ongeluk is gebrandmerkt, slechts de helft van zijn ziel kunnen bewaren.
Wie een van die slagen heeft moeten ontvangen waardoor hij zich op de grond wentelde als een halfverpletterde worm, vindt geen woorden om uit te drukken wat hem overkomen is. Hij zal mensen tegenkomen die wel veel geleden hebben, maar toch niet in aanraking met ongeluk zijn geweest, en dan ook geen idee hebben van wat ongeluk eigenlijk betekent.
Het ongeluk is van een geheel eigen soort, tot geen ander verschijnsel te herleiden; zo kan niets een doofstomme duidelijk maken wat geluiden zijn. En zij die door ongeluk verminkt zijn, verliezen het vermogen om aan wie dan ook hulp te bieden en zelfs het vermogen dat te willen. Zodoende is het onmogelijk om met de door het ongeluk getroffenen medelijden te hebben. Wanneer dat toch geschiedt, is een wonder gebeurd, groter dan wanneer iemand over het water loopt, zieken geneest of zelfs doden opwekt.
Het ongeluk heeft Christus gedwongen om te smeken gespaard te mogen blijven, om troost te zoeken bij de mensen en zich door zijn Vader verlaten te gevoelen. Het heeft iemand als Job, die zo rechtvaardig was als de menselijke natuur maar bevatten kan – ja meer misschien, indien Job minder een historische figuur dan wel een voorafschaduwing van Christus was – gedwongen met God te twisten. “Hij lacht over het ongeluk der onschuldige. “ Dat is geen godlastering, maar een waarachtige kreet die ontlokt wordt aan de smart. Het boek Job is van begin tot eind een zuiver wonder van waarheid en waarachtigheid. Terzake van het ongeluk is alles wat van dit voorbeeld afwijkt min of meer door leugens bezoedeld. Het ongeluk maakt God gedurende een zekere tijd tot een afwezige, meer afwezig dan een dode, dan het licht in een stikdonkere cel. Een zekere mate van ontzetting grijpt de hele ziel aan. In die afwezigheid is er geen object waarop de liefde zich richten kan. Het verschrikkelijke is dat als de ziel in deze liefdeloze duisternis ophoudt met beminnen, Gods afwezigheid onherroepelijk wordt. De ziel moet voortgaan met in het lege lief te hebben, of tenminste dat te willen, desnoods niet een oneindig klein deel van haar kracht. Dan zal God eens zich aan haar openbaren en haar, net als bij Job, de schoonheid van de wereld tonen. Maar indien de ziel ophoudt met liefde uit te stralen, vervalt zij reeds hier op aarde in een toestand die bijna gelijk is aan die van de hel.
Wie dan ook een mens onvoorbereid in het ongeluk stort, vermoordt diens ziel. Aan de andere kant is in een tijd als de onze, waarin het ongeluk ons allen boven het hoofd hangt, slechts die hulp van waarde die zo ver reikt dat zij de mens werkelijk voorbereidt op het ongeluk. Dat is geen geringe zaak.
Het ongeluk verhardt de mens en brengt hem tot wanhoop, omdat het als met gloeiend metaal op de bodem van de ziel al die gevoelens grift, die eigenlijk bij een misdadiger moesten opkomen, maar er niet zijn: minachting, tegenzin, en zelfs afkeer van zichzelf’, een gevoel van schuld en van bezoedeling. Het kwaad woont in de ziel van de misdadiger zonder door hem te worden waargenomen. Maar in de ziel van de onschuldige wordt het terdege gevoeld, wanneer hij door het ongeluk is getroffen. Het is alsof de zielstoestand, die in feite hoort bij de misdadiger, is afgescheiden van de misdaad en aan het ongeluk is vastgekoppeld, en des te steviger naarmate de onschuld van de ongelukkigen vaststaat.
Als Job op zo’n wanhopige toon zijn onschuld uitroept, komt dat omdat hij er zelf niet meer in kan geloven, omdat zijn ziel partij kiest voor het standpunt van zijn vrienden. Hij roept het getuigenis van God zelf in, omdat hij het getuigenis van zijn eigen geweten niet meer hoort; want dat laatste is voor hem niet veel meer dan een onpersoonlijke en dode herinnering.
De vleselijke natuur der mensen is dezelfde als die van het dier. Kippen storten zich op een gewonde kip en pikken haar. Dat is een bijna even wetmatig gebeuren als de zwaartekracht. Alle minachting, afkeer en haat die ons verstand jegens de misdaad koestert, hecht ons gevoel aan het ongeluk. Uitgezonderd degenen wier ziel geheel en al door Christus bewoond wordt, haat iedereen min of meer alle mensen die door het ongeluk zijn geslagen, al is bijna niemand zich dat bewust.
Die wet van ons gevoel heeft ook betrekking op onszelf. Minachting, afkeer en haat keren zich bij de ongelukkigen tegen henzelf; en kleuren van daaruit met hun giftige tinten de gehele wereld. Als de bovennatuurlijke liefde het ongeluk nog heeft overleefd, dan kan zij het tweede gevolg verhinderen, niet het eerste. Het eerste gevolg behoort tot het wezen van het ongeluk; er is geen ongelijk waar het zich niet vertoont.
«Hij is om onzentwil tot een vloek gemaakt* (Galaten 3:13). Het is niet alleen het lichaam van de gekruisigde Christus geweest dat tot een vervloeking is gemaakt, maar ook zijn ziel. Zo voelt ieder onschuldig mens zich vervloekt. Zelfs zij die in de greep van het ongeluk zijn geweest en er door een verandering van de omstandigheden uit zijn gered, blijven zich, als zij diep genoeg door het ongeluk zijn aangetast, steeds vervloekten voelen.
Een ander gevolg van het ongeluk is dat het de ziel langzaam maar zeker tot zijn medeplichtige maakt, door haar met het gif van traagheid en willoosheid in te spuiten. Wie lang genoeg in de staat van het ongeluk is geweest, gaat zich mede schuldig voelen aan het ongeluk. Door deze vorm van medeplichtigheid wordt de mens gefnuikt in al zijn m pogingen die hij zou willen ondernemen zijn lot te verbeteren. Het kan zo ver komen dat hij geen middelen zoekt om zijn lot te ontkomen en zelfs niet meer verlangt naar bevrijding.
Een dergelijk mens heeft zich voorgoed in het ongeluk genesteld, en de mensen zo en de menen zouden kunnen menen dat hij zich in zijn lot geschikt heeft. -Sterker nog, die medeplichtigheid kan hem er ondanks zichzelf toe brengen – om alle middelen ter bevrijding te ontvluchten. Hij verschuilt zich soms achter de meest belachelijke voorwendsels.
Zelfs in de mens die aan het ongeluk ontkomen is, blijft, wanneer hij er ten diepste door getroffen was, iets over dat hem drijft zich opnieuw in het ongeluk te storten. Met is alsof het ongeluk als een soort parasiet in hem huist die hem voor eigen doeleinden gebruikt. Soms wint deze neiging het van alle streven van zijn ziel naar het geluk. Indien het ongeluk beëindigd wordt door een bewezen weldaad, kan die wil te volharden het ongeluk gepaard gaan met haat tegen de weldoener. Hier is de oorzaak te vinden van sommige daden van wilde ondankbaarheid die ogenschijnlijk onverklaarbaar zijn.
Het is soms gemakkelijk een ongelukkige uit zijn huidige staat te verlossen, maar het is bijna onmogelijk hem te bevrijden van de sporen die het ongeluk in hem nalaat. God alleen kan het. En zelfs Gods genade geneest hier opaarde de onherstelbaar gewonde natuur niet. Het verheerlijkte lichaam van Christus droeg de tekenen van zijn wonden.
Men kan het bestaan van het ongeluk alleen aanvaarden als men het interpreteert als “afstand”. God schiep de wereld uit en door liefde. God heeft niets anders geschapen dan de liefde zelf en de middelen om liefde mogelijk te maken. Hij schiep alle vormen van liefde. Hij schiep, zo ver mogelijk van Hem verwijderd, wezens die in staat waren lief te hebben. Zelfs heeft hij, omdat niemand anders dat kon doen, zich naar het verste punt begeven, hetgeen oneindig ver van Hem verwijderd is. Deze afstand tussen God en God, hoogste en onvergelijkelijke smart, wonder van de liefde, dat is het kruis. Deze smartelijke scheiding, waarboven de hoogste liefde de brug der innigste gemeenschap met God geslagen heeft, klinkt nu in de diepste stilte door de hele wereld; zij klinkt als twee afzonderlijke en samenklinkende tonen, als een zuivere en ontroerende harmonie.
Dat is het Woord van God. De gehele schepping is er slechts de weerklank van. Als de schoonste muziek op aarde tot in onze ziel klinkt, dan horen wij er die tonen doorheen. Als wij geleerd hebben de stilte te verstaan, dan zijn het die klanken die wij door de stilte heen beter horen.
Zij die in de liefde volharden, horen deze tonen in de diepte van het lijden waarin het ongeluk hen geworpen heeft. Wanneer zij dat eenmaal vernomen hebben, kennen zij geen twijfel meer. Mensen die geslagen werden door het ongeluk, bevinden zich aan de voeten van het kruis, op de bijna grootst mogelijke afstand van God. Denk niet dat de zonde een nog groter afstand betekent. De zonde is geen afstand, doch een verkeerde blikrichting.
Nu is het waar dat er een geheimzinnige band bestaat tussen deze afstand en een oorspronkelijke ongehoorzaamheid. Vanaf den beginne, zo wordt ons verteld, heeft de mensheid zijn blik van God afgewend en is, zo ver zij maar kon, in de verkeerde richting gelopen. Dat komt omdat de mens vrij was om die weg in te slaan. Wij echter, wij zijn op onze plaats vastgekluisterd en tot niet meer in staat om onze blik te wenden – voor het overige zijn wij onderworpen aan de noodzakelijkheid. Een blind mechanisme dat op geen enkele manier rekening houdt met de graden van geestelijke volmaaktheid, slingert de mensen voortdurend heen en weer en werpt sommigen aan de voet van het kruis. Het enige dat zij kunnen doen, is het oog onder alle schokken op God te richten, of dat na te laten. Niet dat Gods voorzienigheid afwezig zou zijn. Het is juist door zijn voorzienigheid dat God de noodzakelijkheid als een blind mechanisme heeft gewild.
Als dat stelsel niet blind was, dan zou er in het geheel geen ongeluk zijn. Het ongeluk is voor alles anoniem. Het berooft zijn slachtoffers van hun persoonlijkheid en maakt hen tot louter voorwerpen. Het ongeluk is onverschillig en de metalen kilte van deze onverschilligheid bevriest tot op de kern alle zielen die het aanraakt. Mensen die dit overkomt, zullen nooit meer warm worden. Zij zullen ook nooit meer geloven dat zij iemand zijn.
Nu zou het ongeluk deze uitwerking niet hebben, als het niet het toeval in zich meedroeg. Zij die vervolgd worden omwille van hun geloof en dat beseffen zijn, wat zij ook mogen ondergaan, geen ongelukkigen. Het ongeluk treft deze mensen alleen als hun angst of lijden dermate groot wordt dat hun ziel de reden van hun vervolging is vergeten. De martelaren die voor de wilde dieren werden geworpen in de Romeinse arena’s en daarbij hun loflied zongen, waren geen slachtoffers van het ongeluk. Christus was het wel. Hij stierf niet als een martelaar. Mij is gestorven als een gewone misdadiger, tussen moordenaars, alleen op een belachelijke manier. Want het ongeluk is belachelijk.
Slechts de blinde noodzakelijkheid is in staat de mensen tot in de verst afgelegen plaats van God te werpen, dat is vlak bij het kruis. De misdaden der mensen, die de oorzaak van het merendeel van het ongeluk vormen, zijn bestanddeel van die blinde wetmatigheid, want de misdadigers weten niet wat zij doen.
Er zijn twee aspecten aan vriendschap: ontmoeting en scheiding. Zij zijn onlosmakelijk verbonden. Zij bevatten beide hetzelfde goed, het unieke goed der vriendschap. Want wanneer twee mensen die geen vrienden zijn, elkaar tegenkomen, is er geen ontmoeting; en wanneer zij uit elkaar gaan, is er geen sprake van scheiding. Als beide aspecten van vriendschap hetzelfde goed bevatten, zijn zij gelijkelijk van waarde.
God brengt zichzelf op volmaakte wijze voort. Hij kent zichzelf volkomen, terwijl wij dingen op een gebrekkige manier vervaardigen; en even miserabel is onze kennis van de dingen buiten ons. Maar voor alles is God liefde. God bemint boven alles zichzelf’. Deze liefde, deze vriendschap in God, is de drie-eenheid. Tussen de delen die door deze goddelijke band van liefde op elkaar betrokken zijn bestaat meer dan nabijheid; er is oneindige nabijheid, identiteit. Maar de schepping, de vleeswording, het Christuslijden maken dat er tevens een oneindige ruimte tussen de delen bestaat. De totaliteit
Van ruimte en tijd in al haar omvang vormt de oneindige tussenruimte tussen God en God. Geliefden en vrienden hebben twee wensen. De ene is dat zij in hun genegenheid en liefde mogen opgaan in elkaar en één worden. De andere dat deze genegenheid en liefde zo sterk mag zijn dat, ook al zou de halve wereldbol zich tussen hen in bevinden, zij niet minder zal worden. Alles waarnaar de mens vergeefs verlangt, is volkomen werkelijkheid in God. Al onze onmogelijke verlangens zijn het teken van onze bestemming, en zij zijn voor ons van waarde vanaf het ogenblik dat wij de hoop opgeven ze te realiseren. De liefde tussen God en God, welke God zelf is, is de vereniging van beide genoemde wensen. Deze band, die twee wezens zo verenigt dat zij niet meer var1 elkaar te scheiden zijn en werkelijk tot eenheid zijn gekomen, overkoepelt de tussengelegen ruimte. De eenheid van God waarin alle veelheid verdwijnt, en het vertrouwen waarin Christus zich in zijn volmaakte en onafgebroken liefde jegens de Vader geborgen weet, dat zijn de twee vormen van de goddelijke kracht van de liefde welke God zelf is.
God is zo wezenlijk liefde dat zijn eenheid, die hem in zekere zin volkomen bepaalt, eenvoudig het gevolg is van de liefde. Aan de oneindige, herenigende kracht van deze liefde beantwoordt de even oneindige scheiding waarover zij triomfeert; deze scheiding vormt de hele schepping, zoals die zich uitstrekt door de gehele ruimte en door de totaliteit van alle tijd, en die uit ruwe mechanische stofsamengesteld, lussen Christus en zijn Vader gelegen is. Ons mensen biedt de staat van onze ellende het bijzonder kostbare voorrecht, deel te hebben aan de afstand die er is tussen de Zoon en de Vader. Maar deze tussenruimte betekent alleen scheiding voor degenen die liefde jegens elkaar kennen. Voor zulke wezens is deze scheiding, hoe smartelijk ook, een goed, omdat zij liefde is. Zelfs de angst van Christus in zijn verlatenheid is een goed. Ex bestaat voor ons hier op aarde niets beters dan daarin te mogen delen. Wij kunnen vanwege onze vleselijke staat Gods tegenwoordigheid niet in volle werkelijkheid ervaren. Maar wel kunnen wij in het ernstigste ongeluk bijna ten volle zijn afwezigheid ondergaan. Dat is voor ons de enige mogelijkheid tot volmaaktheid. Daarom is het kruis onze enige hoop. ((Geen woud kent zulk een boom, met zulk zaad, zulke bloemen en bladeren.
De wereld waarin wij leven en waarvan wij een klein deel uitmaken, is deze afstand die er krachtens de goddelijke liefde bestaat tussen God en God. Wij zijn slechts een stipje in die tussenruimte. Tijd, ruimte en het mechanisme dat de materie beheerst, vormen deze ruimte. Wat wij het kwade noemen, is niet anders dan dit mechanisme. God heeft het zo gemaakt dat zijn genade, die tot in de kern van een mens indringt en daar zijn hele wezen verlicht, hem in staat stelt over het water te gaan, zonder schennis van de natuurwetten. Maar als een mens zich van God afwendt, dan levert hij zich uit aan de macht van de zwaartekracht. Hij meerit nog altijd zelf te willen en te kiezen, doch hij is alleen een voorwerp, een vallende steen.
Beziet. men geest en samenleving nauwkeurig, dan merkt men overal waar de kracht van het bovennatuurlijke licht afwezig is, een volstrekte gehoorzaamheid aam wetten die even blind en onverbiddelijk zijn als de wet van de zwaartekracht. Het inzicht daarin is weldadig en noodwendig. Mensen die wij misdadig noemen, zijn slechts door de storm losgerukte en bij toeval naar beneden vallende dakpannen. Hun enige schuld is de “oerkeuze”, die hen tot deze dakpannen heeft gemaakt.
Het stelsel van de strakke wetmatigheid laat zich op alle niveaus transponeren, terwijl het toch zichzelf gelijk blijft. Bijvoorbeeld in de planten- en dierenwereld, in het leven der volkeren, in het zieleleven. Van ons gezichtspunt uit is dit mechanisme geheel blind. Maar indien wij onze geest buiten ons plaatsen, buiten ruimte en tijd, daar waar onze Vader is, en vandaar uit het stelsel bezien dan krijgt het een heel ander aanzien. Wat noodzaak leek, wordt nu gehoorzaamheid.
De materie is volkomen passief en dientengevolge geheel en al gehoorzaamheid jegens God. Daarvan is zij voor ons dan het volmaakte toonbeeld. Er kan niets anders bestaan dan God en hetgeen God gehoorzaamt.
Door haar volmaakte gehoorzaamheid verdient de materie van harte aanvaard te worden door hen die van hun Meester houden, zoals een man met gevoelens van tederheid de borduurnaald beziet die de gestorven vrouw van wie hij hield, heeft gehanteerd. Wij worden op dat deel van onze liefde waarop de materie recht heeft, gewezen door de schoonheid van deze wereld, want daarin wordt de redeloze noodwendigheid een object van de liefde. Niets is mooier dan het spel van de zwaartekracht, in de vluchtige golfslag van de zee, of in de welhaast eeuwige golfbewegingen van de bergen.
De zee is er niet minder mooi om wanneer wij weten dat er dikwijls schepen op vergaan. Haar schoonheid is er des te groter door. Als zij de beweging van haar golven zou wijzigen om een schip te redden, dan zou de zee een wil en een onderscheidingsvermogen bezitten; dan zou zij niet een watermassa zijn die volmaakt gehoorzaamt aan alle uitwendige druk welke op haar wordt uitgeoefend.
Het is deze volmaakte gehoorzaamheid die haar schoonheidjuist uitmaakt.
Alle verschrikkelijke dingen die in deze wereld voorkomen zijn als de krullen en plooien die de golven krijgen door de werking van de zwaartekracht. Daarom zijn zij mooi. Soms kan een gedicht, zoals de Ilias, die schoonheid tastbaar maken. De mens kan de gehoorzaamheid aan God nimmer opzeggen. Een schepsel kan niet anders dan gehoorzamen. De enige keuze die de mens gegeven is als vrij en redelijk wezen, is het wel of niet verlangen van die gehoorzaamheid. Indien hij haar niet verlangt, gehoorzaamt hij niettemin voortdurend, inzoverre hij iets is dat nu eenmaal onderworpen is aan het stelsel der wetmatigheid. Als hij de gehoorzaamheid aan God wel verlangt, dan blijft hij eveneens aan de noodzakelijkheid onderworpen, maar daar komt een nieuw soort noodzaak boven op, een noodzaak gevormd door wetten die uit de aard van het bovennatuurlijke voortvloeien. Bepaalde handelingen worden hem dan onmogelijk, andere voltrekken zich dikwijls ondanks hem, door hem heen.
Als men dan het gevoel heeft in een dergelijk geval God niet gehoorzaamd te hebben, dan wil dat eenvoudig zeggen dat men gedurende een bepaalde tijd opgehouden heeft werkelijk die gehoorzaamheid te verlangen. Tot goed begrip diene dat de mens beslist niet onder overigens gelijke omstandigheden dezelfde handelingen verricht, of hij de gehoorzaamheid nu wel of niet verlangt. Er is toch ook verschil in de groei van een plant onder dezelfde omstandigheden, wanneer zij in het licht staat en als zij in het donker moet leven. De plant oefent echter geen enkele invloed uit op haar groei, terwijl wij mensen planten zijn, die als enige keuze hebben in het licht te gaan staan dan wel niet.
Christus heeft ons de gehoorzaamheid van de materie ten voorbeeld gesteld, toen hij ons wees op de leliën des velds die spinnen noch weven. Dat betekent dat de leliën niet zelf voor een of andere kleur gekozen hebben en daartoe nu hun wil hebben geactiveerd, of zich van bepaalde middelen hebben bediend om die kleur te verkrijgen, maar dat zij alles gekregen hebben wat de drang der natuur hun verschafte.
Als wij hen oneindig mooier vinden dan allerlei fraaie weefsels, dan is dal niet omdat ze mooier zijn, maar vanwege hun gehoorzaamheid. Het weefsel is ook gehoorzaam, maar niet aan God, doch aan de mens. De materie is niet mooi als zij aan de mens gehoorzaamt, maar alleen indien zij gehoorzaamt aan God. Zo vaak zij in een kunstwerk bijna dezelfde schoonheid verkrijgt als in de zee, de bergen of de bloemen, dan ligt de oorzaak bij het licht van God dat in de kunstenaar heeft geschenen.
Om dingen die door niet van Godswege verlichte mensen gemaakt zijn mooi te vinden, moet men ten diepste hebben begrepen dat deze mensen slechts materie zijn, materie die gehoorzaamt zonder het te beseffen. Voor wie dit weet, wordt werkelijk alles hier op aarde mooi. Hij ontdekt in alles wat is en alles wat gemaakt wordt, het mechanisme van de noodwendigheid en proeft in die noodwendigheid de onbegrensde zoetheid van de gehoorzaamheid. Deze gehoorzaamheid l van de dingen is voor ons doorzichtig tot op God, zoals een venster het licht doorlaat.
Als we een krant ondersteboven houden, dan zien wij onbegrijpelijke lettertekens. Als we hem rechtop houden, dan zien wij geen letters meer maar woorden. De passagier van een schip dat in een storm is verzeild, voelt elke roller als het omkeren van zijn maag. De kapitein ondergaat hem alleen als een ingewikkelde samenloop van wind, stroming en deining, met het schip, zijn vorm, tuigage en roer. Zoals men lezen leert, een vak leert, zo leert men om, voor alles en bijna uitsluitend, in ieder ding de gehoorzaamheid van de wereld jegens God te verstaan. Dat moet inderdaad geleerd worden. En dat vraagt, als bij elk leren, nu eenmaal inspanning en tijd. Wie deze oefenschool doorlopen heeft, kent geen ander verschil tussen dingen en gebeurtenissen, dan liet verschil dat iemand die kan lezen opmerkt bij dezelfde zin die enige keren met verschillende inkt en verschillende lettertypen is afgedrukt. Wie niet lezen kan, merkt alleen de verschillen op. Wie wel lezen kan, vindt de verschillende drukken gelijk, want de zin is immers dezelfde.
Wie heeft geleerd om de dingen aldus te zien, ervaart in alle dingen en gebeurtenissen altijd de uitstralingen van hetzelfde goddelijke, eindeloos tedere Woord. Dat wil niet zeggen dat hij geen lijden kent. De smart kleurt bepaalde gebeurtenissen. Bij een in rode inkt geschreven zin zien zowel wie lezen kan als wie dat niet kan de rode kleur, maar de tint heeft niet voor beiden dezelfde betekenis. Als een leerling zich bij het werk bezeert of over moeheid klaagt, dan hebben arbeiders en boeren dit typerende gezegde: het werk is hem in de leden gaan zitten. Telkens wanneer wij zelf pijn lijden, kunnen wij terecht. zeggen dat het de wereld is, de wereldorde, de schoonheid van het heelal, de gehoorzaamheid van de schepping jegens God, die ons in de leden is gaan zitten. Hoe zouden wij dan niet met groter dankbaarheid de liefde zegenen, die ons juist deze gave zendt?
Vreugde en verdriet zijn beiden even kostbaar; men moet de een en de ander gelijkelijk tot zich nemen, elk in eigen zuiverheid, en men dient ze niet met elkaar te vermengen. Door de vreugde dringt de schoonheid der wereld in onze ziel binnen. Door het verdriet komt zij in ons lichaam. Alleen met de vreugde zouden wij evenmin Gods geliefde kinderen kunnen worden als men kapitein worden kan door slechts de regels van de stuurkunst te leren.
Het lichaam moet in deze oefenschool delen. Op het gebied van het lichamelijke gevoel is de pijn een contact met de noodwendigheid die de orde van deze wereld bepaalt; want de vreugde heeft geen indruk van die noodwendigheid. Alleen een hoger deel van het gevoelsleven is in staat. het noodwendige in de vreugde te onderkennen en dan nog alleen juist door middel van het schoonheidsgevoel zelf.
De omvormende kracht van het verdriet zowel als die van de vreugde zijn onmisbaar, willen wij eens volkomen open staan voor een gehoorzaamheid die tot de kern der materie behoort, en wil in ons dat nieuwe inzicht ontwaken waardoor wij het heelal verstaan als de uitstraling van liet Woord van God. Tot verdriet en vreugde moet men bereid zijn wanneer zij zich aan ons voordoen; bereid om voor hen het binnenste van onze ziel te openen, net zoals men zijn deur opent voor degene die ons over goede vrienden komt berichten. Wat doet het er toe of zo’n berichtgever nu beleefd dan wel onbeschoft is, als hij maar nieuws weet te vertellen. Ongeluk is echter niet hetzelfde als pijn. Het ongeluk is iets heel anders dan een pedagogische ingreep van God.
De oneindigheid van tijd en ruimte scheiden ons van God. Hoe zouden wij hem kunnen gaan zoeken en naar hem toegaan? Al liepen wij alle eeuwen door, wij zouden alleen maar in een kring om de aarde heen draaien. Ook met een vliegtuig zouden wij geen ander resultaat bereiken. Wij zijn niet bij machte ons naar boven te begeven. Wij kunnen geen stap in de richting van de hemel doen. God komt door de kosmos heen tot ons.
Over de eindeloze tijd en ruimte komt Gods nog oneindig eindelozer liefde, om ons aan te raken. Wij hebben de macht hem toe te laten of de toegang te weigeren. Als wij doof blijven voor zijn komst, dan komt hij, net als een bedelaar, keer op keer terug, maar op een dag komt hij niet meer. God legt een heel klein zaadje in ons en gaat dan heen. Vanaf dat tijdstip hebben wijzelf, noch God, iets anders te doen dan te wachten. Wij moeten alleen maar onze toestemming, ons jawoord, blijven beamen. Dat is moeilijker dan het lijkt, want het groeien van het zaad in ons doet pijn. Wanneer wij deze groei werkelijk willen, dan zullen wij niet kunnen nalaten om alles wat die groei belemmert uit de weg te ruimen, onkruid te wieden, gras uit de grond te trekken; helaas is dat gras iets van ons eigen vlees, zodat dit tuinmanswerk een pijnlijke arbeid is. Uiteindelijk groeit het zaad uit eigen kracht.
Eens komt het moment dat de ziel God toebehoort, het moment waarop zij niet alleen maar met de liefde instemt, doch werkelijk zelf liefheeft. Nu moet zij op haar beurt door de hele kosmos gaan om tot God te komen. De ziel kent dan niet meer de schepselmatige liefde, maar een goddelijke, ongeschapen liefde. Want het is Gods liefde voor zichzelf die door de ziel heengaat. Alleen God is in staat God lief te hebben. Ons is het alleen gegeven om van harte onze eigen gevoelens te laten verdwijnen en zo ruimte te maken voor deze liefde. Dat houdt in dat wij onszelf verzaken. Wij zijn geschapen opdat wij daartoe bereid zouden zijn.
De goddelijke liefde heeft de oneindigheid van ruimte en tijd doorkruist om van God tot ons te gaan. Maar hoe kan die liefde de weg terug afleggen, wanneer zij uit. een eindig schepsel komt? Wanneer het zaad der goddelijke liefde dat in ons werd gelegd, ontkiemt en een boom geworden is, hoe kunnen wij, de grond die de boom draagt, hem terugvoeren tot zijn oorsprong, in omgekeerde richting de weg afleggen die God naar ons toe is gegaan?
Dat lijkt op het eerste gezicht onmogelijk, maar er is een middel. Dat middel kennen wij heel goed. Wij weten wel waarop de boom gelijkt die uit onszelf is gegroeid, die prachtige boom waarin de vogels nestelen. Wij weten, wat de schoonste boom ter wereld is. “Geen woud is zo’n boom rijk.”
Iets dat nog erger is dan een galg, dat is de schoonste boom ter wereld. Het is deze boom waarvan God het zaad in ons heeft geplant zonder dat wij beseften om welk zaad het ging. Indien wij het hadden geweten, dan zouden wij niet van stonde af aan ja gezegd hebben. Deze boom is het nu die in ons groeide en voorgoed in ons is geworteld. Alleen een verloochening kan hem ontwortelen. Als men met een hamer op een spijker slaat, dan zet de klap op de kop van die spijker zich helemaal voort tot aan de punt; al is liet maar een punt, alle kracht van de klap verzamelt zich erin. Wanneer de hamer en de kop van de spijker nu eens onbegrensd van omvang waren, dan zou precies hetzelfde gebeuren. De spijkerpunt zou deze oneindige klap geheel en al overbrengen op de plek waar zij in geslagen wordt.
Het uiterste ongeluk, dat tevens fysieke pijn is, de ziel ontreddert en de mens sociaal veracht maakt, is deze punt van de spijker, die op het centrum van de ziel gericht is. De kop van de spijker is alle noodwendigheid, verspreid door het geheel van tijd en ruimte. Het ongeluk is een wonder van goddelijke kunst, een eenvoudig en ingenieus geval, dat in de ziel van een schepsel een onbegrensde blinde, brute en kille macht doet heersen. De eindeloze afstand die God van het schepsel scheidt, concretiseert zich volkomen in één punt om de ziel in haar kern te doorboren.
De mens wie zoiets overkomt, heeft geen enkel deel aan deze ingreep. Hij spartelt als een vlinder die men levend in een album prikt. Maar hij kan door de verschrikking heen blijven volharden in zijn wil tot liefde. Dat is hem volstrekt mogelijk, niets verhindert hem daartoe -ja, men zou bijna kunnen zeggen dat hem daartoe geen strobreed in de weg wordt gelegd. Want de hevigste smart kan, zolang men niet bezwijmt, niet dát deel van de ziel aantasten dat in de goede richting wil blijven zien. Men dient alleen te weten dat de liefde een bepaalde manier van oriëntatie is en niet een toestand. Bedenkt men dat niet, dan vervalt men al bij de eerste aanval van het ongeluk tot wanhoop.
Wiens ziel gericht blijft op God, terwijl ze door de spijker is doorboord, bevindt zich in het centrum van het heelal. Het ware centrum, dat niet óns midden is, en buiten tijd en ruimte is gelegen, dat is God. De spijker heeft in een dimensie die niet behoort aan tijd en ruimte, een gat geslagen dwars door de schepping heen, dwars door het zware scherm dat de ziel scheidt van God.
Door deze wonderbaarlijke dimensie heen kan de ziel het geheel van tijd en ruimte doorkruisen, zonder de plaats en de tijd waarop het met haar verbonden lichaam zich bevindt te verlaten, en zodoende tot God zelf naderen.
De ziel bevindt zich dan op het snijpunt van de schepping en van de Schepper. Dat snijpunt is het punt waar de balken van het kruis elkaar snijden. Paulus dacht waarschijnlijk hieraan toen hij de volgende woorden neerschreef: “Weest gegrond en geworteld in de liefde zodat gij in staat zult zijn te vatten hoe groot de breedte is en lengte en hoogte en diepte en te kennen de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat” (Efeziërs 3,18,19).
Simone Weil, Wachten op God, Utrecht 1997 (Erven J. Bijleveld) p. 80-96
VORMEN VAN INDIRECTE LIEFDE TOT GOD
Het gebod “heb God lief” drukt in zijn gebiedende wijs uit dat het niet alleen betrekking heeft op de instemming dan wel op de weigering die de ziel geven kan wanneer God zelf om de hand van zijn toekomstige bruid komt vragen, maar ook op een liefde die aan dat bezoek voorafgaat.
Deze voorafgaande liefde kan God niet tot doel hebben, want God is er niet tegenwoordig en is het nog nooit geweest. Zij heeft dus een object van andere aard, maar is toch bestemd om liefde tot God te worden. Men kan haar indirecte impliciete liefde noemen. Dat geldt ook nog wanneer het object van die liefde de naam van God draagt. Want men kan haar dan zeggen dat deze naam alleen in oneigenlijke zin is gebruikt, omdat het gebruik zich slechts laat wettigen door de gevolgen die het moet. hebben.
Deze indirecte liefde tot God kan zich slechts op drie directe objecten richten, de enige objecten hier op aarde waarin God wel verborgen maar toch werkelijk aanwezig is: de eredienst, de schoonheid van de wereld en de naaste. Dat maakt dus drie liefdes. Misschien moet er de vriendschap aan worden toegevoegd, maar strikt genomen verschilt zij van de naastenliefde.
Deze indirecte liefde is in alle drie vormen precies gelijkwaardig. Al naargelang de omstandigheden, het temperament en de roeping, ontluikt een van de drie vormen van liefde het eerst in de ziel; één van drieën is in de loop van de voorbereidende periode overheersend, al hoeft zij niet over de hele periode dezelfde te zijn.
Waarschijnlijk zal in de meeste gevallen deze periode van voorbereiding haar voltooiing niet bereiken en zal de ziel niet ontvankelijk zijn voor het persoonlijk bezoek van haar Heer, wanneer die ziel niet in belangrijke mate deze drie vormen van indirecte liefde kent. Deze drie vormen namelijk tezamen betekenen de liefde tot God op de wijze die bij deze periode van voorbereiding past, in een nog onontwikkelde gestalte dus.
Deze drie vormen van liefde verdwijnen niet als de eigenlijke liefde tot God in de ziel ontwaakt. Zij wordt alleen veel sterker, en versmelt niet de andere, hogere vorm der liefde.
De verborgen en nog niet uitgegroeide vorm van de indirecte liefde gaat noodzakelijk voorop en is vaak voor zeer lange tijd de enige vorm van liefde in de ziel; ja, bij veel mensen blijft dat waarschijnlijk zo tot aan hun dood. Deze verborgen liefde kan een hoge graad van zuiverheide en kracht. ontwikkelen. leder van deze vormen van liefde waartoe een bewogen ziel in staat is, heeft de kracht van een sacrament.
Simone Weil, Wachten op God, Utrecht 1997 (Erven J. Bijleveld) p. 97-98