HORA ET NUNC EST

1984 avond

 

23. MULlER, VENIT HORA ET NUNC EST, QUANDO VERI ADORATORES ADORABUNT PATREM IN SPIRITU ET VERITATE JOHANNES 4, 23

Dit staat geschreven in het evangelie van Johannes, Uit het lange verhaal kies ik één woordje, Onze Heer zei: ‘Vrouw, de tijd zal komen en is nu, dat de ware aanbidders de Vader aanbidden in de geest en in de waarheid, en zulke mensen zoekt de Vader,’ Letten jullie nu op dat eerste woordje dat Hij spreekt: ‘De tijd zal komen en is nu,’ Wie de Vader aanbidden wil, moet zich met zijn verlangen en vertrouwen plaatsen in de eeuwigheid, Er is een deel van de ziel, het bovenste, dat boven de tijd staat en het weet niets van de tijd noch van het lichaam, Alles wat duizend jaar geleden gebeurde, de dag die er duizend jaar geleden was, is in de eeuwigheid niet verderweg dan dit uur waarin ik nu hier sta, of de dag die over duizend jaar of zo ver als je kunt tellen zal komen, die is in eeuwigheid niet verderweg dan het ogenblik waarin ik nu ben, Nu zegt Hij dat ‘de ware aanbidders de Vader aanbidden in de geest en de waarheid,’ Wat is de waarheid?
Waarheid is zo edel dat, als God zich van de waarheid zou kunnen afwenden, ik me aan de waarheid zou vasthouden en God zou loslaten; want God is de waarheid, en al wat in de tijd is of al wat God ooit schiep, dat is de waarheid niet.
Nu zegt Hij: ‘die aanbidden de Vader,’ Ach, hoevelen zijn er niet die een schoen aanbidden of een koe of een ander schepsel en zich daarom bekommeren, en dat zijn dwaze mensen, Zodra je God aanbidt omwille van iets geschapens, bid je tot jouw schade, want in de mate waarin het geschapene schepsel is draagt het bitterheid en tegenspoed en onheil en ongeluk in zich. En daarom treft zulke mensen terecht ongeluk en bitterheid.
Waarom? Ze hebben erom gebeden! Ik heb het wel vaker gezegd: wie God zoekt om
met Hem iets te zoeken vindt God niet; maar wie werkelijk alleen God zoekt vindt God en vindt nooit alleen God, want vindt met God ook al wat God te bieden heeft. Zoek je God en zoek je Hem voor eigen nut of om je eigen zaligheid, heus, dan zoek je God niet.
Daarom zegt Hij dat de ware aanbidders de Vader aanbidden, en dat zegt Hij heel terecht. Een goed mens geeft op de volgende vragen het juiste antwoord: ‘Waarom zoek je God?’ ‘Omdat Hij God is.’ ‘Waarom zoek je de waarheid?’ ‘Omdat het de waarheid is.’ ‘Waarom zoek je de gerechtigheid?’ ‘Omdat het de gerechtigheid is.’ Maar alle dingen die in de tijd zijn hebben een waarom. Bijvoorbeeld als je zou vragen: ‘Waarom eet je?’ ‘Opdat ik kracht heb.’ ‘Waarom slaap je?’ ‘Om dezelfde reden.’ En zo is het met alle dingen die in de tijd zijn. Maar een goed mens kent geen waarom. ‘Waarom heb je God lief?’ ‘Ik weet het niet, omwille van God.’ ‘Waarom heb je de waarheid lief?’ ‘Om der wille van de waarheid.’ ‘Waarom heb je de gerechtigheid lief?’ ‘Omwille van de gerechtigheid.’ ‘Waarom heb je de goedheid lief?’ ‘Omwille van de goedheid.’ ‘Waarom leef je?’ ‘Echt, dat weet ik niet! Ik leef graag.’
Een leermeester zegt: ‘Wie ook maar eenmaal wordt aangeraakt door de waarheid, door de gerechtigheid’ en door de goedheid, zou, al hing alle pijn van de hel daaraan vast, zich geen ogenblik meer daarvan kunnen losmaken.’ Voorts zegt hij: ‘Als iemand door deze drie wordt aangeraakt, door de waarheid, door de gerechtigheid en door de goedheid, dan is het voor hem even onmogelijk zich van deze drie weer af te wenden als het voor God onmogelijk is om zich van Zijn godheid af te wenden.’
Een leermeester zegt dat het goede drie takken heeft. De eerste tak is nut, de tweede tak is vreugde, de derde tak is betamelijkheid. Daarom zegt Hij: ‘die aanbidden de Vader’. Waarom zegt Hij ‘de Vader’? Als je de Vader, dat wil zeggen alleen God, zoekt, dan vind je met God alles wat Hij te bieden heeft. Dat is een zekere waarheid en een noodzakelijke waarheid en een geschreven waarheid, en zou die niet geschreven staan, dan was het toch waar: zou God nog meer bezitten, dan zou Hij dat niet voor jou kunnen verbergen, en Hij zou het jou moeten openbaren, en Hij geeft het jou; en ik heb het vaker gezegd: Hij geeft het jou en geeft het jou op geboortewijze.
De leermeesters zeggen dat de ziel twee aangezichten heeft, en het bovenste aangezicht aanschouwt God aldoor, en het laagste aangezicht kijkt wat naar beneden en ordent de zintuigen; en het bovenste aangezicht is het hoogste van de ziel, dat bevindt zich in de eeuwigheid en heeft niets van doen met de tijd en weet niets van de tijd, noch van het lichaam. En ik heb wel eens gezegd dat daarin zo iets als een oorsprong van al het goede verborgen ligt en zo iets als een stralend licht dat altijd straalt, en als een brandende brand die altijd brandt, en die brand is niets anders dan de Heilige Geest.
De leermeesters zeggen dat uit het bovenste deel van de ziel twee krachten vloeien. De ene heet wil, de andere intellect. Van beide krachten ligt de voleinding in de hoogste kracht, dat wil zeggen in het intellect: dat kan nooit tot rust komen. Het intellect wil God niet voor Hij Heilige Geest is en voor Hij de Zoon is, het ontvlucht de Zoon. Het wil ook God niet voor Hij God is. Waarom? Omdat Hij daarin nog een naam heeft, en al waren er duizend goden, het brak daar steeds doorheen; het wil God daar waar Hij geen naam heeft, het wil iets edelers, iets beters dan God die een naam heeft. Wat wil het dan? Hel weel hel niet: het wil Hem zoals Hij Vader is. Daarom zegt Philippus: ‘Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg.’ Het intellect wil Hem zoals Hij een merg is waaruit de goedheid ontspringt; het wil Hem zoals Hij een kern is waaruit de goedheid voortvloeit; het wil Hem zoals Hij een wortel is, een ader, waaraan de goedheid ontspringt, en daar alleen is Hij Vader.
Nu zegt onze Heer: ‘Niemand kent de Vader dan de Zoon, noch de Zoon niemand dan de Vader.’ Werkelijk, willen wij de Vader kennen, dan moeten we zoon zijn. Ik heb al eens eerder drie woordjes gesproken, nemen jullie die als drie scherpe muskaatnoten tot je en drink dan daarna. In de eerste plaats: willen we zoon zijn, dan moeten we een vader hebben, want niemand kan zeggen dat hij zoon is, tenzij hij een vader heeft, noch is iemand vader, tenzij hij een zoon heeft. Is je vader dood, dan zeg je ‘hij was mijn vader’. Is je zoon dood, dan zeg je ‘hij was mijn zoon’. Want het leven van de zoon hangt in de vader, en het leven van de vader hangt in de zoon; daarom kan niemand zeggen ‘ik ben zoon’, tenzij hij een vader heeft. Maar die mens is waarlijk zoon, die alles wat hij doet uit liefde doet.
Het tweede wat de mens het meest tot zoon maakt, dat is gelijkmoedigheid. Dat betekent dat als hij ziek is, hij even graag ziek is als gezond, even graag gezond als ziek. Sterft zijn vriend- in Gods naam! Wordt hem een oog uitgeslagen- in Gods naam!-Het derde wat bepalend is voor de zoon is, dat hij zijn hoofd nooit op iets
anders kan vlijen dan op de Vader. Ach, hoe edel is die kracht die daar boven de tijd staat en die daar staat zonder stee! Want doordat zij boven de tijd staat, houdt zij alle tijd in zich besloten en is zij alle tijd; en hoe weinig iemand ook zou bezitten van datgene wat daar boven de tijd staat, hij zou heel snel rijk geworden zijn; want wat aan de overzijde van de zee ligt, dat is voor die kracht niet verder weg dan wat op dit moment aanwezig is. En daarom zegt Hij: ‘Zulke mensen zoeken de Vader.’ Kijk, zo liefkoost God ons, zo smeekt God ons, en God kan niet afwachten tot de ziel zich van de geschapen wereld afschilt en zich daarvan terugtrekt.
En het is een zekere waarheid en een noodzakelijke waarheid dat God zo’n behoefte heeft om ons te zoeken, dat het lijkt alsof Zijn hele godheid daarvan afhangt, wat ook het geval is. En God kan ons evenmin missen als wij Hem, want zelfs als wij ons van God zouden kunnen afwenden, zou God zich toch nooit van ons kunnen afwenden. Ik zeg dat ik God niet wil bidden dat Hij me geeft; ik wil Hem ook niet loven om wat Hij gegeven heeft; maar ik wil Hem bidden dat Hij me waardig maakt om te ontvangen, en wil Hem loven om Zijn natuur en Zijn wezen die Hem dwingen om te geven. Wie Hem dat zou willen ontnemen, die zou Hem van Zijn eigen wezen en Zijn eigen leven beroven. Dat wij op die manier in waarheid zoon worden, daartoe helpe ons de waarheid waarover ik gesproken heb. Amen.

 

If you want to buy one of this paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a piece, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Collectioners in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

More information about my work and my paintings, and my vison on art, you can find on: www.canandanann.nl

IN OCCISIONE GLADII MORTUI SUNT

opdracht in de tempel - uit het leven van Maria

opdracht in de tempel – uit het leven van Maria

 

22. IN OCCISIONE GLADII MORTUI SUNT – TWEEDE BRIEF AAN DE HEBREEERS 11, 37

Over de martelaren die we vandaag gedenken lezen we dat zij ter dood gebracht zijn met het zwaard. Onze Heer zei tegen Zijn discipelen: ‘Zalig zijn jullie, wanneer jullie omwille van Mijn naam moeten lijden.’ Nu wordt van die martelaren geschreven dat
zij om Christus’ naam de dood onder ogen moesten zien en met het zwaard zijn omgebracht. Op drie dingen moeten wij nu letten. Ten eerste dat zij dood zijn, wat betekent dat er een einde komt aan het lijden in deze wereld en in dit leven. Augustinus  zegt: ‘Aan alle pijn en alle moeite komt een einde, maar het loon dat God daarvoor geeft is eeuwig.’ Het tweede wat we onder ogen moeten zien is dat al wat leeft sterfe lijk is en dat we niet bang moeten zijn voor de pijn en moeite die op ons af komen, want daar komt een eind aan. Ten derde moeten we ons opstellen als waren we al dood, namelijk zo dat vreugde noch leed ons beroeren.
Een leermeester zegt: ‘Niets kan de hemel beroeren’, en hij bedoelt dat die mens een hemels mens is voor wie geen ding zo telt dat het hem kan beroeren. Ook zegt
een leermeester: ‘Hoe komt het toch dat, terwijl alle schepselen zo nietig zijn, zij de mens zo gemakkelijk af kunnen leiden van God; de ziel is immers in haar kleinste deel beter dan de hemel en alle schepselen bij elkaar?’ Hij zegt: ‘Dat komt omdat de mens te weinig zijn aandacht op God richt.’ Zou hij zich, zoals het moet, op God richten, dan was het haast onmogelijk dat hij ooit ten val zou komen. Het is een goede stelregel dat de mens zich in deze wereld zo moet opstellen als was hij dood. De heilige Gregorius zegt, dat niemand God in overvloed kan bezitten die voor deze wereld niet morsdood is.
Maar waar het op aankomt is ten vierde dit. We hebben gehoord dat ‘zij dood zijn’. De dood verleent hun een zijn. Een leermeester zegt: De natuur vernietigt nooit iets zonder dat zij er iets beters voor in de plaats geeft.’ Wanneer lucht vuur wordt is dat beter; wordt lucht echter water, dan is dat een vernietiging en een ontsporing. Als de natuur al zo doet, hoeveel te meer doet God dat: Hij breekt nooit iets af, tenzij Hij er
iets beters voor terug geeft. De martelaren zijn dood en hebben een leven verloren en hebben een zijn ontvangen.
Een leermeester zegt dat zijn en leven en kennen het edelste zijn. Kennen is meer dan leven of zijn, want in het feit dat het kent bezit kennen leven en zijn. Maar vervolgens is leven edeler dan zijn of kennen; denk maar aan de boom die leeft, terwijl de steen enkel een zijn bezit. Laten we nu het zijn beschouwen zoals het in zichzelf is, onafhankelijk en puur. Zo bekeken is zijn iets hogers dan kennen of leven, want met het feit dat het zijn is bezit het kennen en leven.
Zij hebben een leven verloren en hebben een zijn gevonden. Een leermeester zegt dat aan God niets zo gelijk is als zijn; voor zijn is, is het aan God gelijk. Een leermeester zegt: ‘Zijn is zoiets zuivers en verhevens, dat al wat God is één zijn is.’ God kent enkel zijn, Hij weet niets anders dan zijn, zijn is zijn omvang en horizon. God heeft enkel Zijn zijn lief, Hij denkt uitsluitend Zijn zijn. Ik zeg: alle schepselen hebben een zijn. Een leermeester zegt dat sommige schepselen God zo nabij zijn en zoveel goddelijk licht in zich hebben opgenomen, dat zij in staat zijn aan andere schepselen zijn te verlenen. Dat is niet waar, want zijn is iets zo verhevens en zuivers en zo aan God verwant, dat niemand zijn kan verlenen dan alleen God in zichzelf. Zijn is Gods wezenlijke eigenschap. Een leermeester zegt: ‘Het ene schepsel is wel in staat aan het andere leven te geven.’ Daarom: enkel in het zijn wortelt al wat werkelijk is. Zijn is een eerste naam. Al wat onvolmaakt is, is een afval van zijn. Ons gehele leven zou een zijn moeten zijn; voor ons leven een zijn is, is het in God.
Voor ons bestaan in zijn ligt besloten, is het aan God verwant. Geen bestaan is zo gebrekkig of het is, voor wie het als een vorm van zijn begrijpt, edeler dan alles wat ooit leven verwierf. Ik ben ervan overtuigd dat, wanneer een ziel zijn zou herkennen in het allergeringste, zij zich daarvan geen ogenblik zou afwenden.
ja, het geringste dat je in God kunt kennen, bijvoorbeeld wanneer je een bloem kent zoals die een zijn heeft in God, is dat edeler dan de hele wereld bij elkaar. Het geringste te kennen dat, voor het een zijn is, in God is, is beter dan een engel te kennen. Zou de engel als een schepsel kennen, zou het nacht worden. Augustinus zegt: ‘Wanneer de engelen de schepselen kennen zonder God, is dat een avondlicht;
maar wanneer zij de schepselen kennen in God, is dat een morgenlicht. Dat zij God kennen zoals Hij enkel in zichzelf het zijn is, dat is de heldere middag.’ Ik zeg: dat het zijn zo edel is, dat moet de mens begrijpen en onderkennen. Geen schepsel is zo gering of het verlangt naar het zijn. Wanneer de rupsen uit de bomen vallen, kruipen ze tegen een muur omhoog, opdat ze hun zijn behouden. Zo edel is het zijn. Wij loven het sterven in God, opdat Hij ons in een zijn doet over gaan dat beter is dan leven: een zijn waarin ons leven leeft, waarin ons leven een zijn wordt. Gewillig moet de mens zich overgeven aan de dood en sterven, opdat hem een beter zijn ten deel valt.
Ik zeg wel eens dat een stuk hout edeler is dan goud; dat is heel verwonderlijk voor een steen zijn bezit, is hij edeler dan God en Zijn godheid zonder zijn, tenminste als je Hem dat zou kunnen ontnemen. Het moet wel een heel krachtig leven zijn waarin dode dingen levend worden, waarin zelfs de dood een leven wordt. Voor God sterft niets: alle dingen leven in Hem.
‘Zij zijn dood’, zegt de Schrift van de martelaren, en ze zijn gesteld in een eeuwig leven, in het leven waar leven een zijn is. We moeten door en door dood zijn,
zodat lief noch leed ons beroert. Wil je iets kennen, dan moet je het in zijn oorzaak kennen. Je kunt een ding nooit goed in zichzelf kennen, tenzij je het in zijn oorzaak
onderkent. Werkelijk iets kennen is alleen mogelijk door het in zijn klaarblijkelijke oorzaak te onderkennen.
Evenzo kan het leven nooit voltooid worden als het niet wordt herleid tot zijn klaarblijkelijke oorzaak, waar het leven een zijn is dat de ziel ontvangt wanneer zij tot in de grond sterft, zodat wij leven in het leven waar leven een zijn is. Wat ons verhindert daarin steevast te zijn, maakt een leermeester duidelijk als hij zegt: dat komt omdat wij met de tijd in aanraking komen. Alles wat door de tijd wordt aangeraakt is sterfelijk.
Een leermeester zegt: ‘De loop van de hemel is eeuwig; wel is het waar dat de tijd daarvan afkomstig is, maar door er van af te vallen.’ In zijn loop is de hemel eeuwig en weet hij van geen tijd, en dat betekent dat de ziel in een louter zijn warde gesteld. Ten tweede wordt alles wat met tijd heeft te maken door tegenstelling bepaald. Wat is tegenstelling? Lief en leed, wit en zwart vormen zo’n tegenstelling, en in het zijn wordt die opgeheven.
Een leermeester zegt: ‘De ziel is aan het lichaam gegeven om gelouterd te worden.’ Wanneer de ziel van het lichaam wordt gescheiden, bezit zij verstand noch wil: ze is één, en beschikt daardoor niet over het vermogen zich tot God te keren. Zij bezit dan het vermogen van verstand en wil wel in haar grond, als in hun wortels, maar zij kan er niet actief over beschikken. De ziel wordt in het lichaam gelouterd opdat zij verzamelt wat naar buiten toe verstrooid is geraakt. Wanneer de naar buiten gerichte activiteit van de vijf zintuigen weer tot de ziel inkeert, beschikt zij over een vermogen waardoor alles één wordt. Ten tweede wordt de ziel gelouterd in beoefening van de deugden, namelijk wanneer zij opklimt in een leven dat eenheid is. Louter wordt de
ziel wanneer zij gelouterd is van een leven in opdelingen en binnengaat in een leven van eenheid. Al wat in de lage regionen verdeeld is, wordt tot eenheid wanneer
de ziel opklimt tot een leven waarin geen tegenstelling bestaat. Wanneer de ziel ingaat in het licht van de rede weet zij van geen tegenstelling. Wat aan dat licht ontvalt, valt neer in sterfelijkheid en gaat dood.
Ten derde betekent louterheid van de ziel dat zij naar niets haakt. Wat naar iets anders haakt, sterft en kan niet blijven bestaan. Wij bidden daarom onze lieve Heer God, dat Hij ons van een leven dat uit verdeeldheid bestaat naar een leven helpt dat eenheid is. Daartoe helpe ons God. Amen.

Rosenstock-Huessy: Genus, geslacht en leven

Genus (geslacht) en leven

Rosenstock-Huessy, E., Het wonder van de taal, Vught 2003 (Skandalon)  p. 129-133

 

HOOFDSTUK 13

Genus (geslacht) en leven

 

Het spreken van de mensheid is het spreken van mannen en vrouwen over de wereld en daarom zijn er altijd drie elementen bij betrokken. Mannen moeten voortdurend vrouwen het hof maken door woorden, namen, cadeaus en  huishoudgeld en vrouwen moeten steeds gezag uitoefenen, zorgen voor orde en onderwijs en zorgen dat er voldoende in huis is. Dit komt tot uitdrukking in de religieuze goden en godinnen en de twee geslachten van de grammatica.

De twee grammaticale vormen hebben meer gemeen dan op het eerste gezicht lijkt. Het is een goede zaak dat de grammatica niet spreekt over sekse maar over geslacht. Want geslacht verleent de benamingen ‘hij’ of ‘zij’ niet  alleen aan lichamen op basis van sekse. Een schip en een auto kunnen vrouwelijk zijn, net als de kerk en Europa, en een andere keer kan over auto’s, kerken en continenten gesproken worden als over ‘het’. Dit simpele feit geeft aan dat er sprake is van meer dan alleen een verdeling op basis van anatomische seksuele organen. Goden en godinnen daarentegen dalen af van boven, van verheven afdelingen in de hemel. ‘Zeus’ en aarde, ‘Gaea’, splitsen zich op in Jupiter en Juno, Freya (Vrijdag) en Wodan (Woensdag), en dalen daardoor af naar het aardse niveau van de biseksuele mensheid. Wij begrijpen de geslachten of de goden pas als we inzien dat mannelijke en vrouwelijke seksualiteit aanvankelijk door de taal zijn gebruikt om te wijzen op meer universele verdelingen dan alleen fysiologische mannelijkheid en vrouwelijkheid.

Het is met het geslacht als met alle grammatica. Zoals we hebben gezien werden stoffelijke dingen gebruikt om ons de poorten van het ritueel binnen te doen gaan en ons op andere gedachten te brengen. We tooiden ons met kronen, kralen, kransen, stokken en schoenen om ons een duurzamer rijk binnen te brengen dan onze lichamelijke zintuigen zouden kunnen ervaren. Een jongeman ging door de poorten van een ritueel zijn bestemming tegemoet en daarom deed hij aan de andere kant van de poort een lendendoek om opdat hij zijn blijvende rol vanaf de dag van inwijding niet zou vergeten. Door alle wederwaardigheden van jeugd, volwassenheid en ouderdom, ziekte en gezondheid, vrede en oorlog, thuis of alleen in de woestijn, ballingschap en gevangenschap, ging zijn lendendoek, net als zijn naam, met hem mee. Vijftig of zestig jaar werden door één naam uitgehakt en tot een samenhangende tijd gemaakt, met de initiatie als vaststaand begin en de begrafenis als vaststaand eind. Mensen begroeven hun doden omdat, sociaal gesproken in het rijk van de geest het einde van de lendendoek belangrijker was dan het einde van iemands fysieke lichaam. Bij de begrafenis werden tatoeage, kleren en wapenschild van iemand begraven, die zestig jaar tekens van zijn waardigheid waren geweest in zijn strijd om het bestaan in het rijk van de samenleving, op de jachtvelden en in dorpen en vergaderingen van zijn stam. Ze bevestigden hem in de bewust gecreëerde plaats en tijd, het land en de periode waarin hij geleefd had.

Het grammaticale geslacht is van belang bij dit binnengaan door de poorten van het ritueel in de Elyseese velden van duurzame orde. Ons huidige voornaamwoordelijk onderscheid tussen ‘zij’, ‘het’ en ‘hij’ is natuurlijk maar een klein overblijfsel van het geslacht in haar volledige vorm in het hoge ritueel. Toch schijnt zelfs dit overblijfsel voor de jongere Schotse theologie zo fundamenteel te zijn, dat het dogma van de Triniteit noodzakelijk werd geacht aangezien God hij, zij en het moest zijn teneinde alles in allen te zijn.

Onderzoek naar de grammaticale rijkdom van het geslacht in de voorchristelijke taal zou weleens overtuigender kunnen zijn dan deze overweging. Opmerkelijk genoeg kon bijna elk woord in het Grieks of oud-Duits in een mannelijke, vrouwelijke of onzijdige vorm worden omgezet, Het Griekse woord voor leger zou stratus (m), stratia (v) of strateuma (o) kunnen zijn. In veel gevallen krijgen we de indruk dat ‘oorspronkelijk’ het onderscheid naar geslacht niet werd gebruikt voor mannelijk, vrouwelijk en ‘onzijdig’ maar alleen voor de verdeling in ‘bezielde’ en ‘zielloze’ voorwerpen. Aan de andere kant is gesteld dat mannelijke en vrouwelijke woorden hun geclassificeerde uitgangen hadden; maar dat de het-vormen dat niet hadden en zich pas veellater tot een categorie ontwikkelden. Bovendien komen er in Afrikaanse talen meer dan drie categorieën voor.

Als we vasthouden aan ons uitgangspunt dat elke mogelijkheid en elke variëteit binnen een gegeven horizon van maatschappelijke integratie door de mensheid uitgeprobeerd moet worden op elke sport van de ladder die reikt van vandaag tot in het verleden van onze soort, zouden we verwachten dat we alle bestaande variaties in de grammaticale geslachten en bij de goden en godinnen, zouden aantreffen. Maar we kunnen ook met ons eigen verstand ontdekken dat het nodig is om het geslacht op al deze talrijke paden van grammaticale categorieën en vormen uit te drukken. Als we dat doen, geeft onze eigen nadelige of bevoorrechte positie ons het recht om te verklaren dat het geslacht een fundamentele categorie van de taal is, die niet is bedoeld om de sekse te beschrijven. Alle talen moeten door de feitelijke situatie waarin we spreken, een manier hebben om het geslacht uit te drukken. En in geen enkele taal onthulde het ‘geslacht’ het anatomische feit van sekse, maar sekse werd gebruikt als symbool voor de rollen in taal en gesprek. Aangezien we allemaal met iemand ergens over praten, werd het mannelijk geslacht gebruikt als overwegend sprekend, het vrouwelijk als overwegend ontvankelijk en het onzijdig als overwegend datgene waarover werd gesproken.

Misschien ontvingen vader en moeder daarom hun eigen naam. Beide woorden, ‘vad-er’ en ‘moeder’ zijn een vergelijkende trap zoals ‘ander’, ‘be-ter’, ‘groter’. De vader heeft ‘meer van’ een vader dan de moeder; de moeder ‘meer van’ een moeder dan de vader. Zuster en broeder zijn op een vergelijkbare manier opgebouwd.  Hierboven verklaarden we de situatie van mannelijk, vrouwelijk en onzijdig nogal onhandig als overwegend actief sprekend, overwegend  ontvankelijk luisterend en overwegend iets waarover wordt verteld. Het woord ‘overwegend’ is nu opgenomen in de structuur van de woorden ‘vader’ en ‘moeder’. De vader luistert ook en de moeder spreekt net zoveel als hij. Toch is het fundamenteel waar dat een naam gewicht in de schaal legt. We spreken met nadruk. Een gegeven naam, een bepaalde geschapen orde, beschermt een vrouw voor altijd. Namen dwingen respect af, ze dwingen manieren af. Duidelijk omschreven namen maken alle woorden duurzaam. De kwaliteiten van goden en godinnen zijn op dezelfde manier in de hele niet-joodse wereld verspreid. Het scheppende en het bewarende, het plotselinge en het duurzame, het agressieve en het beschermende, het luide initiatief en de rustige hartenklop van het heelal, het zijn allemaal goden en godinnen. Daarom ziet het ernaar uit dat de verdeling van de klassen van het geslacht in ‘bezielde’ en ‘zielloze’ voorwerpen onjuist is. Er zijn geen bezielde voorwerpen. Het gaat om een verdeling in onderwerpen en voorwerpen. Bezield zijn betekent een subject zijn. We maken onderscheid tussen degenen die deelnemen aan een bezielde conversatie en de voorwerpen die dat niet doen.

In stamverbanden sloten mannen vrede in hun grote nominale overeenkomsten en schiepen zo de ‘pronominale’ families waarin vrouwen bescherming vonden voor verkrachting. Het geslacht weerspiegelt het bestaan van stormachtige, opgewonden feesten en van het ritmische dagelijkse leven. Degenen die tijdens bijeenkomsten spraken waren van het ene geslacht. Degenen die achterbleven of alleen luisterden waren van het andere en degenen die helemaal niet deelnamen waren van een derde soort.

Dit onderscheid, zo mogen we aannemen, was voor ons fundamenteel. Als ik de vraag ‘wat is God?’ analyseer, zal ik nooit in staat zijn om iets anders te bewijzen dan de ‘goddelijke kwaliteit’ of het ‘goddelijke zijn’, dat wil zeggen iets in de categorie van onbezielde voorwerpen. De analyse spreekt over dingen alsof ze niet kunnen meeluisteren. De theologie analyseert God alsof hij op dit ene moment niet luistert. Met als gevolg dat de theologie zich richt op het goddelijke van onzijdig geslacht en als een onbezield object. Theologie als de wetenschap om God te kennen, ligt overhoop met het geloof in God, de onkenbare.

Er zijn twee andere manieren. Poëtisch kan ik spreken over ‘de Godheid’. Dit laat de mogelijkheid open dat zij leeft. Ik ben eerbiedig hoewel ik niet verwacht dat zij  spreekt. De natuur, de wetenschap of de marine kunnen als godheden behandeld worden, dat wil zeggen als ‘zij’. Ik gebruik ook de categorie van een luisterend subject, in voorlopige zin, wanneer ik over mijn schip of mijn auto als ‘zij’ spreek.

Maar wanneer ik het woord God werkelijk en voluit durf te gebruiken, moet ik het risico van godslastering nemen, het ijdel gebruiken van zijn naam, en de kans lopen gestraft te worden door zijn plotselinge tussenkomst. Want als ik in dit geval ‘God’ zeg, probeer ik uit te drukken dat ik geloof in zijn macht om tot mij te spreken. ‘God’, ‘Godheid’, ‘het goddelijke’ kunnen vergeleken worden met de drie Griekse geslachten voor een leger. Als stratos is het de soevereine natie, bijeengekomen op het veld en klaar om wetten uit te vaardigen. Als stratia gaat het om het leger als gebiedster van haar generaals, de eenheid die klaar is om hun orders te ontvangen en te antwoorden door gehoorzaamheid en discipline. Als strateuma is het het geheel van mensen dat zich zichtbaar uitstrekt over het veld, leiders en mannen, telbaar in het blikveld van de toeschouwers.

De sekse is nu omgezet in een grammaticaal geslacht omdat de woede en haat van mensen werd overwonnen door de namen van de vrede. Als we nu een sociale cyclus zouden beginnen waarin de jaloezie en haatdragendheid van vrouwen de eerste viool zou spelen, dan moeten we van ‘geslacht’ veranderen en vrouwen ‘hij’ en ‘hen’ noemen en de aantrekkelijke jongens die deze vrouwen begeren ‘zij’. De sociale situatie zou kunnen veranderen. De grote taken van de taal zouden onveranderd blijven, namelijk het onderscheiden van degenen die de voorwaarden en namen van de vrede durven vast te stellen van degenen die zo moedig zijn om ze te beleven, de dramatische held van de geschiedenis en de niet-dramatische heldin van de gemeenschap. Want zonder de niet-dramatische moeders en dochters zouden de dramatische mannen nooit enige bestendige tijdelijke of geografische organisatie tot stand brengen. Iemand moet doen wat er gezegd is, moet de vrede in de praktijk brengen nadat er vrede is gesloten. En dat niet alleen, er moet een halve  samenleving zijn die dit ‘doen wat is gezegd’ tot haar prioriteit maakt. De term ‘overwegend ‘ slaat op de realiteit. Sommige mensen dienen meer geïnteresseerd te zijn in het bewaren van de vrede dan in het voeren van de volgende oorlog, net zoals anderen vast zullen moeten houden aan het afschaffen van de volgende onrechtvaardigheid, door die te stigmatiseren, een naam te geven die haar aan de kaak stelt en buiten de wet stelt.

Geslacht is een eeuwige categorie in de strijd om gerechtigheid. Want alle wetten moeten gehandhaafd worden, alle wetten moeten overtreden worden en alle wetten moeten vervangen worden door betere. De moeders houden zich overwegend aan de wetten, de zonen ontduiken ze overwegend. De dochters sporen ons aan om onze wetten nog eens te overdenken. De vaders vaardigen nieuwe wetten uit.

In de merkwaardige taal van het recht komt de goddelijke positie van de koning tot uitdrukking in: De kroon kan Smith, Brown en Robinson aanklagen. Smith, Brown en Robinson kunnen de kroon niet aanklagen. De kroon kan geen lijdend voorwerp zijn. Dit is dus de belangrijkste parallel met God. God wordt aangeroepen: Jupiter, als een eeuwige vocatief. De wetgever, de koning, kan niet beschuldigd worden van wetsovertreding. Hij maakt de wetten. Onzijdige begrippen verschijnen altijd in de accusatief, de veronderstelde nominatief van onzijdig begrippen bestaat niet. De koning en de god verschijnen in de nominatief, genitief of datief, nooit in de accusatief. God moet mens worden voordat hij in de accusatief gezet kan worden en besproken kan worden (1). Geslacht is in het leven van de taal de wisselwerking van spreker en uitvoerders van ‘het woord’, van de revolutionaire daad en de evolutie, van het onverwachte en het geleidelijke proces, van vandaag en altijd. Het meester worden van mond en oor, de verzoening van spreken en luisteren, dat is het ambitieuze doel van het geslacht in de grammatica.

De duivel schiep een derde geslacht. Onze grammaticaboeken spreken over het onzijdig als een derde geslacht. Maar in de wereld van bezielde lichamen zijn er maar twee geslachten. Onzijdig is zonder geslacht, niet een derde geslacht. Deze conclusie mag dom schijnen, maar is erg belangrijk. Tegenwoordig behandelt objectieve wetenschap ons allemaal als onzijdig, als schepsels zonder mond en oren. De psychologen en sociologen spreken over mij alsof ik geen mond heb die ik elk moment kan gebruiken, noch oren die horen wat ze over me zeggen. Voor hen ben ik onzijdig.

De mensheid heeft altijd gesproken over dingen zonder mond of oren. Vooral bij het werk moeten we onze gereedschappen, onze doelen en plannen bespreken. Ons werk, ons beroep en onze gereedschappen zijn toepasselijk genoeg zonder geslacht omdat ze noch mond noch oren hebben. Het zijn dingen. Er zijn veel onzijdige zaken in de wereld. Daarom gaven de Grieken de badkuip terecht een voor-Griekse naam en spreken wij over auto’s, telefoons en kilometers om deel te hebben aan het werk op de wereld.

Grammaticale geslachten zijn de dragers van het leven. Onzijdige woorden zijn voedings-middelen en instrumenten. De voorwerpen zonder oren en mond leiden altijd tot een speciale vorm van taal. De talen van de goden en van de objecten zijn totaal verschillend en toch zijn ze allebei essentieel, net als vieren en werken. Het niet-geslachtelijke stelt ons in staat om het geheim van het geslacht te bestuderen. Een stuk gereedschap is zonder heden ( Gegenwart). Daarom noemen we het een ding ( Gegenstand). Maar ik kan alleen in het heden getuigen. Getuigenis en levende getuige, geslacht en taal, scheppen de tijden.

 

(1) Jane Lane (pseudoniem van Elaine Daker) ‘King James the Last’ (London; A. Dakers Ltd., ‘942 blz. VI)

 

iceland

 

 

If you want to buy one of this paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a piece, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Collectioners in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

More information about my work and my paintings, and my vison on art, you can find on: www.canandanann.nl