Twee preken over God van Meister Eckhardt

opdracht om te gaan

opdracht om te gaan

Twee preken over God van de hand van Meister Eckhardt:

25. MISIT DOMINUS MANUM SUAM ET TEilGIT OS MEUM ET DIXIT MIHI, ECCE DEDI VERBA MEA IN ORE TUO, ECCE CONSTITUI TE SUPER GENTES ET REGNA JEREMIA 1, 9

‘De Heer heeft Zijn hand uitgestrekt en mijn mond aangeraakt en heeft tot mij gesproken.’
Wanneer ik preek, spreek ik gewoonlijk over afgescheidenheid en dat de mens van zichzelf en alle dingen ontledigd moet worden. Vervolgens dat men weer ingevormd moet worden in het enkelvoudig goede dat God is. Ten derde dat men de bijzondere edelheid indachtig moet zijn, die God in de ziel heeft gelegd opdat de mens door een wonder tot God komt. Ten vierde over de zuiverheid van de goddelijke natuur -hoe rein de goddelijke natuur is, dat is onuitsprekelijk. God is een woord, een en gesproken woord. Augustinus zegt: ‘Al het geschrevene is vruchteloos.
Zegt men dat God een woord is, dan spreekt dat woord Hem uit; zegt men dat God iets ongesprokens is, dan is Hij onuitsprekelijk.’ Maar wat Hij is: wie kan dat woord uitspreken? Dat doet alleen Hij die dit woord is. God is een woord dat zichzelf uitspreekt. Waar God is, daar spreekt Hij dit woord; waar Hij niet is, daar spreekt Hij niets. God is gesproken en is ongesproken. De Vader is een sprekende werking, en de Zoon is een werkende uitspraak. Wat in mij is, komt uit mij naar buiten; een gedachte die ik heb wordt door mijn woord openhaar gemaakt, en toch blijft zij ook in mij. Zo spreekt de Vader de Zoon ongesproken uit en toch blijft deze in Hem. Ik heb het ook al vaker gezegd: Gods uitgang is Zijn ingang. Hoe dichter ik bij God ben, des te meer spreekt God zich in mij uit. Alle schepselen die de rede beoefenen komen, hoe meer zij daarmee naar buiten treden, meer tot zich zelf. Dat is bij de geschapen lichamelijkheden niet het geval: hoe actiever die zijn, des te sterker gaat hun uitwerking van henzelf vandaan. Alle schepselen willen God in hun werken uitspreken; maar ook al spreken ze allemaal zo benaderend mogelijk, Hem uitspreken kunnen zij toch niet. Of ze het nu bewust doen of onbewust, of ze het nu met liefde doen of met pijn: ze willen God allemaal uitspreken, en toch blijft Hij ongesproken.
David zegt: ‘De Heer is Zijn naam.’ ‘Heer’ betekent erkenning van een heerschappij aan de top, ‘knecht’ van een plaats onderaan. Enkele namen zijn eigen aan God en staan los van alle andere dingen, bijvoorbeeld ‘God’. ‘God’ is de allereigenlijkste naam van God, zoals ‘mens’ de naam van de mens is. Een mens is altijd een mens, of hij nu dwaas is of wijs. Seneca zegt: ‘Wie zich niet boven het menselijke verheft, is een armzalig mens.’ Er zijn ook namen die God aankleven, zoals ‘vaderschap’. Waar ‘vader’ gezegd wordt, is ook sprake van een zoon. Een vader kan er niet zijn, tenzij hij een zoon heeft, noch een zoon, tenzij hij een vader heeft; samen bezitten zij echter boven de tijd uit één eeuwig zijn. In de derde plaats zijn er enkele namen die zowel omhoog voeren naar God, alsook van daaruit zinvol zijn in de tijd. Ook in de bijbel wordt God met veel namen genoemd. Ik zeg: wie iets in God onderkent en een bepaalde naam met Hem verbindt, dan is dat God niet. God is boven alle namen en boven een bepaalde natuur. We lezen over een goede man die tot God bad en Hem in zijn gebed namen wilde geven.
Toen zei een broeder: ‘Zwijg! Je onteert God.’ We zijn niet bij machte een naam te vinden die we God kunnen geven. Wel zijn ons die namen geoorloofd waarmee de heiligen Hem hebben benoemd en die God in hun harten heeft gewijd en overgoten met een goddelijk licht. Daaruit moeten we vooral leren hoe we tot God moeten bidden. We moeten zeggen: ‘Heer, in dezelfde namen die U in de harten van Uw heiligen hebt gewijd en overgoten met Uw licht, zo bidden wij U en prijzen U.’ Verder moeten we leren dat we God geen enkele naam geven waarvan we menen dat we Hem daarmee voldoende geëerd en geprezen zouden hebben; want God is boven alle namen en onuitsprekelijk De Vader spreekt in Zijn alvermogen de Zoon uit en in Hem alle dingen. Alle schepselen zijn een spreken van God. Hetzelfde dat mijn mond als ‘God’ uitspreekt, spreekt ook het zijn van de steen uit, en datzelfde verstaat men meer uit het werk van de schepping dan uit de woorden. Het werk dat de hoogste natuur vanuit haar opperste vermogen verricht, kan de natuur die onder haar staat niet begrijpen. Zou deze hetzelfde verrichten, dan zou zij niet onder haar staan, integendeel, zij zou aan haar gelijk zijn. Alle schepselen zouden in hun werken God na willen spreken. Toch is het maar gering wat zij kunnen openbaren. Zelfs de mate waarin de hoogste engelen opklimmen en raken aan God is onvergelijkbaar met hetgeen in God is, zoals wit niet lijkt op zwart. Onvergelijkbaarder nog is hetgeen de schepselen alle ontvangen hebben, hoewel zij allemaal graag willen uitspreken wat naar hun vermogen er het dichtst bij komt. De profeet zegt: ‘Heer, U spreekt het ene en ik versta twee.’ Wanneer God in de ziel spreekt, zijn zij en Hij één; zodra die eenheid wegvalt is er verdeeldheid.
Hoe hoger wij komen met ons begripsvermogen, des te meer zijn we in Hem één. Daarom spreekt de Vader de Zoon aldoor uit in de eenheid en giet in Hem alle schepselen uit. Die roepen alle om een terugkeer in datgene waaruit zij zijn uitgestroomd. Hun hele leven en zijn is een roepen en haasten om terug te keren in wie hun herkomst is.
De profeet zegt: ‘De Heer heeft Zijn hand uitgestrekt’, en hij bedoelt de Heilige Geest. Nu zegt hij: ‘Hij heeft mijn mond aangeraakt’, en aansluitend: ‘Hij heeft tot mij gesproken.’ De mond van de ziel is het hoogste deel van de ziel; daarop doelt de profeet en zegt: ‘Hij heeft Zijn woord in mijn mond gelegd’ -dat is de kus van de ziel: daar is mond bij mond gekomen, daar baart de Vader Zijn Zoon in de ziel en daar wordt tot haar gesproken. Nu zegt Hij: ‘Let op, Ik heb je heden uitverkoren en heb je geplaatst boven volkeren en koninkrijken.’ In een heden belooft God ons onze uitverkiezing,
waar niets is, waar desondanks in de eeuwigheid een heden is. ‘En Ik heb je geplaatst boven volkeren’, dat is boven de hele wereld; daarvan moet je ontledigd zijn; ‘en boven koninkrijken’, dat betekent: wat meer is dan één, daarvan is er te veel, want je moet aan alle dingen ontsterven en weer ingevormd worden in de hoogte, waar wij wonen in de Heilige Geest. Daartoe helpe ons God, de Heilige Geest.
Amen.

opdracht om te vinden

opdracht om te vinden

26. IN HOC APPARUIT CARITAS DEI IN NOBIS QUONIAM FILIUM SUUM UNIGENITUM MISIT DEUS IN MUNDUM UT VIVAMUS PER EUM 1 JOHANNES 4, 9

‘Hierin is Gods liefde voor ons aan ons getoond en verschenen, dat God Zijn eengeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij leven met de Zoon en in de Zoon en door de Zoon.’ Want met allen die niet door de Zoon leven is het werkelijk verkeerd gesteld. Als er nu ergens een machtige koning was die een mooie dochter bezat, en hij gaf die dochter aan de zoon van een arme man, dan zouden allen die tot diens geslacht behoren daardoor een hoge rang en waardigheid krijgen. Nu zegt een leermeester: ‘God is mens geworden en daardoor kreeg het hele mensdom een hoge rang en waardigheid.’ We mogen ons er zeer over verheugen dat Christus, onze broeder, op eigen kracht is uitgestegen boven alle engelenkoren en aan de rechter hand van de Vader zit. Die leermeester heeft zeker gelijk, maar heus, ik geef er niet veel om. Wat hielp het me als ik een rijke broer had en zelf was ik daarbij arm? Wat hielp het me als ik een broer had die een wijs man was en ikzelf was daarbij een dwaas? Ik zeg iets anders, iets wat nauwkeuriger is: God is niet alleen mens geworden, doch heeft ook de menselijke natuur aangenomen.
De leermeesters beweren over het algemeen dat alle mensen in hun natuur even edel zijn. Maar ik zeg naar waarheid: al het goede, dat alle heiligen hebben bezeten, evenals Maria, Gods moeder, en Christus in Zijn menszijn, dat is mij in deze natuur eigen. Nu zouden jullie me kunnen vragen: ‘Daar ik in deze natuur alles bezit waartoe Christus overeenkomstig Zijn menszijn in staat is, hoe komt het dan dat wij Christus zo’n hoge rang en waardigheid verlenen als onze Heer en onze God?’ Dat komt omdat Hij een bode van God is geweest naar ons toe en ons onze zaligheid heeft gebracht.
De zaligheid die Hij ons aanbracht was van ons. Daar waar God Zijn Zoon baart, namelijk in de innerlijkste grond, daar binnen zweeft die natuur. Deze natuur is één en enkelvoudig. Hier kan daaruit wel iets naar buiten kijken of kan zich iets daaraan vasthechten, maar dat is toch dat Ene niet.
Ik zeg nog iets anders, wat moeilijker is: wie in de onmiddellijke naaktheid van die natuur wil staan, die moet zich van al het persoonsgebondene hebben ontdaan, en wel zodanig dat hij aan iemand die aan de overkant van de zee woont en die hij met eigen ogen nooit heeft gezien evenveel goeds gunt als aan degene die bij hem is en zijn vertrouwde vriend is. Zolang je jouw naasten meer goeds gunt dan iemand die je nooit hebt gezien, is het met jou niet in orde en heb je niet ook maar een ogenblik in die enkelvoudige oergrond binnengekeken. Al heb je dan wel iets wat op de waarheid leek als op een afdruksel gezien: het was het beste niet.
In de tweede plaats moet je rein van hart zijn, want alleen dat hart is rein dat alle geschapenheid teniet heeft gedaan. Ten derde moet je vrij zijn van het niet. ‘Wat brandt er in de hel’, wordt er gevraagd. Over het algemeen zeggen de leermeesters: ‘Dat doet de eigenwilligheid.’ Maar ik zeg naar waarheid dat het ‘niet’ in de hel brandt. Laten we een vergelijking maken!
Men neme een kooltje vuur en legt die op mijn hand. Zou ik zeggen dat dat vuurkooltje mijn hand brandt, dan deed ik het werkelijk onrecht. Om precies te zijn moet ik zeggen: het is het ‘niet’ dat mijn hand brandt, want het kooltje heeft iets in zich wat mijn hand niet heeft. Kijk, precies dat ‘niet’ brandt me. Zou mijn hand alles in zich hebben wat het kooltje is en kan, dan bezat ze ook geheel de natuur van het vuur. Zou dan iemand al het vuur dat ooit heeft gebrand nemen en het leggen op mijn hand, dan kon mij dat geen pijn doen. Hetzelfde geldt voor wat ik nu zeg: omdat God en al degenen die voor Gods aangezicht zijn iets in zich hebben, overeenkomstig echte zaligheid, wat zij die van God gescheiden zijn niet in zich hebben, is het juist dat ‘niet’ dat de zielen die in de hel zijn meer pijnigt dan hun eigenwilligheid of een of ander vuur. Ik zeg naar waarheid: in de mate waarin je met dat ‘niet’ bent behept en je onvolkomen. Daarom, willen jullie volkomen zijn, dan moeten jullie vrij zijn van het niet.
Daarover gaan de woorden die ik heb aangehaald: ‘God heeft Zijn eengeboren Zoon in de wereld gezonden.’ Dat moeten jullie niet begrijpen als ging het om de uiterlijke wereld, toen Hij met ons at en dronk; jullie moeten daaronder de innerlijke wereld verstaan. Zo waarlijk als de Vader in Zijn enkelvoudige natuur de Zoon natuurlijkerwijs voortbrengt, even waarlijk baart Hij Hem in het innigste van de geest, en dat is die innerlijke wereld. Hier is Gods oergrond mijn grond en mijn grond Gods oergrond. Hier leef ik vanuit mijn eigenste zijn, zoals God vanuit Zijn eigenste zijn leeft.
Wie ooit ook maar een ogenblik in die oergrond heeft gekeken zijn duizend mark gemunt rood goud niet meer waard dan een valse daalder. Vanuit die innigste grond moet je alles wat je doet zonder waarom doen.
Naar waarheid zeg ik: zolang je iets doet omwille van het hemelrijk of omwille van God of van je eeuwige zaligheid, en dus om iets van buitenaf, dan is het niet echt goed met je gesteld. Men mag je dan misschien graag lijden, toch is dat niet het beste. Want heus, als je meent van God meer te ontvangen in vrome overdenking, in de zoetheid van een genadeblijk, dan bij het houtvuur of in de stal, gedraag je je niet anders dan wanneer je God zou grijpen, een mantel om Zijn hoofd zou wikkelen en Hem onder een bank zou stoppen.
Want wie God op een bepaalde manier zoekt vat wel die methode aan, maar loopt God mis die daarin is verborgen. Maar wie God zonder speciale methode zoekt, die vat Hem aan zoals Hij in zichzelf is; en zo iemand leeft met de Zoon en is zelf het leven. Wie duizend jaar lang aan het leven zou vragen: waarom leef je? die zou, als het kon antwoorden, niets anders te horen krijgen dan: ik leef omdat ik leef. Dat komt omdat het leven vanuit zijn eigen bestaansgrond leeft en opwelt uit zichzelf; daarom leeft het zonder waarom in het zichzelf levende leven. Wanneer een oprecht mens, die handelt vanuit zijn eigen bestaansgrond, de vraag kreeg: waarom doe je de dingen die je doet? zou hij, als hij het juiste antwoord gaf, enkel zeggen: ik doe die dingen om ze te doen.
Waar het geschapene eindigt, daar begint God te zijn. Nu verlangt God niet meer van je dan dat je uit wie je bent, dat wil zeggen uit je geschapen zijnswijze, uittreedt en God God in je laat zijn. De kleinste voorstelling van het geschapene die zich wanneer ook maar in je vormt, is zo groot als God groot is. Waarom? Omdat die je weerhoudt van een gehele God. Precies daar waar zo’n voorstellingsbeeld jou binnengaat, moet God en Zijn gehele godheid wijken. Maar daar waar dat voorstellingsbeeld uit jou verdwijnt, daar komt God naar binnen. God verlangt zo sterk dat je uit je geschapen zijnswijze, dat wil zeggen: uit wie je bent, uittreedt, dat Zijn hele zaligheid daarvan lijkt af te hangen. Wel, lieve toehoorder, wat voor nadeel heb je ervan, als je het God vergunt om God in je te zijn? Treedt uit jezelf uit omwille van God, dan treedt God omwille van jou uit zichzelf uit. Wat dan blijft, als beiden uit zichzelf uittreden, is een enkelvoudig Een. In dat Een brengt de Vader Zijn Zoon voort in de innerlijkste bron. Daar ontbloeit de Heilige Geest, en daar ontspringt in God een wil die aan de ziel toebehoort. Zolang deze wil niet door enig schepsel of enige geschapenheid wordt beroerd, is hij vrij. Christus zegt: ‘Niemand komt naar de hemel, dan die uit de hemel gekomen is.’ Alle dingen zijn uit niets geschapen; daarom is hun werkelijke oorsprong het niets, en voor die edele wil zich richt op de schepselen, vervloeit hij met de schepselen in hun niets.
De vraag is nu of die edele wil zo wegvloeit, dat hij nooit meer terug kan komen. De leermeesters zeggen over het algemeen dat hij, voor hij met de tijd is weggevloeid, nooit weerkomt. Maar ik zeg: wanneer deze wil zich één ogenblik van zichzelf en al het geschapene afwendt en terugkeert in zijn eerste oorsprong, dan is hij weer in het bezit van zijn juiste, vrije aard en is hij vrij, en in dat ogenblik wordt alle verloren tijd teruggebracht.
Zoals hij zegt:
Dat wij zo waarlijk in onszelf mogen blijven, dat wij alle waarheid zonder tussenkomst en zonder onderscheid in echte zaligheid mogen bezitten, daartoe helpe ons God. Amen .

INVENTUS EST IUSTUS

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Iustus: Bergen der gerechtigheid

 

24. IN DIEBUS SUIS PLACUIT DEO ET INVENTUS EST IUSTUS – BOEK JEZUS SIRACH 44, 16

Dit epistelwoord, dat ik in het Latijn heb uitgesproken, lezen we ter ere van een heilige wiens feestdag vandaag door de heilige christenheid wordt gevierd, namelijk Germanus, over wiens deugdzame leven veel is geschreven. En in onze taal betekent dat woord: ‘Hij is innerlijk rechtvaardig bevonden in zijn dagen, hij is God welgevallig geweest in zijn dagen.’ Letten jullie nu op! Gerechtigheid heeft hij innerlijk gevonden. Mijn lichaam is meer in mijn ziel dan dat mijn ziel in mijn lichaam is. Mijn lichaam en mijn ziel zijn meer in God dan in zichzelf; en dat is gerechtigheid: de oorzaak van alle dingen in de waarheid.
Zoals Augustinus zegt: ‘God is de ziel nader dan zij zichzelf is.’ De nabijheid van God en de ziel is van dien aard, dat er tussen hen geen onderscheid bestaat in de waarheid. Het kennen waarin God zichzelf kent is hetzelfde als het kennen van elke zich aan de wereld onttrokken hebbende geest. De ziel ontvangt haar zijn direct van God; daarom is God de ziel nader dan zij zichzelf is; daarom is God in de grond van de ziel met Zijn hele godheid.
Nu vraagt een leermeester zich af of het goddelijke licht even zuiver in de krachten van de ziel stroomt als het is in haar zijn, omdat immers de ziel haar zijn direct van God heeft en de krachten direct voortvloeien uit het zijn van de ziel. Goddelijk licht is er te edel voor dan dat het met de krachten ook maar enige gemeenschap zou kunnen hebben; want alles wat aanraakt en aangeraakt wordt is God ver en vreemd. En daarom verliezen de krachten, omdat zij worden aangeraakt en aanraken, hun maagdelijkheid. Goddelijk licht kan in hen niet stralen; maar door oefening en onthechting kunnen ze ontvankelijk worden. Daarop zegt een andere leermeester dat aan de krachten een licht gegeven wordt dat op het innerlijke licht gelijkt. Het lijkt daarop, maar het is niet dat innerlijke licht. Van dit innerlijke licht krijgen de krachten wel een indruk, zodat ze er ontvankelijk voor worden. Een andere leermeester zegt dat alle krachten van de ziel die in het lichaam werken ook met het lichaam sterven, behalve het kennen en de wil: die alleen blijven de ziel gespaard. Al sterven de krachten die in het lichaam werken, ze blijven dus toch in hun wortel bewaard.
Philippus zei: ‘Heer, toon ons de Vader, dan is het ons genoeg.’ Nu komt niemand tot de Vader dan door de Zoon. Wie de Vader ziet, ziet de Zoon, en de Heilige Geest is de liefde tussen hen beiden. De ziel is van zichzelf zo enkelvoudig, dat zij telkens maar één beeld als in haar tegenwoordig kan waarnemen. Als zij het beeld van de steen waarneemt, neemt zij niet het beeld van de engel waar, en als zij het beeld van de engel waarneemt, neemt zij geen ander beeld waar; en dat ene beeld dat zij waarneemt, moet zij in zijn tegenwoordigheid liefhebben.
Zou zij duizend engelen waarnemen, dan was dat evenveel als twee engelen, en zij zou toch niet meer waarnemen dan één. Nu moet de mens zich in zichzelf tot één maken. Nu zegt Paulus: ‘Zijn jullie nu bevrijd van jullie zonden, dan zijn jullie knechten geworden van God.’ De eengeboren Zoon heeft ons bevrijd van onze zonden. Nu zegt onze Heer veel nauwkeuriger dan Paulus: ‘Ik heb jullie niet knechten genoemd, Ik heb jullie Mijn vrienden genoemd.’ ‘De knecht weet niet wat zijn heer wil’, maar de vriend weet alles wat zijn vriend wil. ‘Alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik jullie meegedeeld’, en alles wat de Vader weet, weet Ik, en alles wat Ik weet, weten jullie; want Ik en Mijn Vader hebben één geest. De mens die nu alles weet wat God weet, is een Godwetende mens. Die mens begrijpt God in Zijn eigen eigenheid en in Zijn eigen eenheid en in Zijn eigen tegenwoordigheid en in Zijn eigen waarheid; met zo iemand is het goed gesteld.
Maar iemand die van innerlijke dingen niets gewend is, die weet niet wat God is. Zoals een man, die in zijn kelder wijn heeft en daarvan niet heeft gedronken of geproefd, niet weet of die goed is, zo is het met de mensen die in onwetendheid leven: die weten niet wat God is, en toch denken ze en menen ze te leven. Dat soort weten stamt niet van God. Een mens moet een zuiver, helder weten hebben van goddelijke waarheid. Wanneer een mens in al zijn handelen een oprechte bedoeling heeft, dan is het begin van die bedoeling God en wat die bedoeling bewerkstelligt is Hijzelf en is de zuiver goddelijke natuur en die bedoeling vindt haar eindpunt in de goddelijke natuur in zichzelf.
Nu zegt een leermeester dat geen mens zo dwaas is dat hij niet verlangt naar wijsheid. Waarom worden wij dan niet wijs? Daar is veel voor nodig. Het belangrijkste is dat de mens door alle dingen heen moet gaan en boven alle dingen en de oorzaak van alle dingen uit moet gaan, en zoiets begint hem al gauw te vervelen. Daarom blijft hij in zijn eigen beperktheid. Omdat ik rijk ben, ben ik nog niet wijs; maar wanneer het zijn van de waarheid en haar natuur met mij eenvormig is geworden en ik de wijsheid zelf ben, dan ben ik een wijs mens.
Ik zei in een klooster op een keer: het eigenlijke beeld van de ziel is dat, waar niets wordt gevormd, noch naar buiten, noch naar binnen toe, behalve wat God zelf is. De ziel heeft twee ogen, een inwendig en een uitwendig oog. Het innerlijke oog van de ziel schouwt in het zijn en ontvangt z’n zijn direct van God: dat is de aan dat oog eigen werking. Het uiterlijke oog van de ziel richt zich op alle schepselen en neemt die waar als beeld en door middel van een kracht. Wie nu zo tot zichzelf inkeert dat hij God met diens eigen smaak smaakt en in diens eigen grond kent, zo iemand is bevrijd van alle geschapen dingen en is in zichzelf besloten in een ware burcht van waarheid. Zoals ik eens vertelde dat onze Heer op Paasdag tot Zijn discipelen kwam, hoewel de deuren gesloten waren, zo is het ook met die mens die bevrijd is van alle andersheid en van al het geschapene: in zo’n mens komt God niet, Hij is daar met Zijn hele zijn.
‘Hij is God welgevallig geweest in zijn dagen.’ Het gaat om meer dagen dan een, als er gezegd wordt: in zijn dagen; namelijk om de dag van de ziel en de dag van God. De zes of zeven dagen die net voorbij zijn en de dagen die er zesduizend jaar geleden waren, die zijn even dicht bij de dag van heden als de dag van gisteren. Waarom? Daar is de tijd in een steeds tegenwoordig Nu. Omdat de hemel loopt is het door de eerste hemelomloop dag. Daar voltrekt zich in een Nu de dag van de ziel, dat wil zeggen: daar waar alle dingen zijn in haar natuurlijke licht is de dag een geheel; dag en nacht is daar één. Maar daar waar de ziel zich in de dag der eeuwigheid bevindt in een wezenlijk Nu, daar is Gods dag, en daar baart de Vader Zijn eengeboren Zoon in een tegenwoordig Nu en wordt de ziel wedergeboren in God. Zo dikwijls als die geboorte gebeurt, even vaak baart de ziel de eengeboren Zoon. Daarom zijn er meer zonen die door maagden gebaard worden dan door vrouwen, want maagden baren boven de tijd uit in de eeuwigheid. Hoeveel zonen er nu ook mogen zijn die de ziel in de eeuwigheid baart, toch is hun aantal niet groter dan één Zoon, want het gebeurt boven de tijd uit in de dag der eeuwigheid.
Nu is het met de mens die in deugden leeft goed gesteld, want, zoals ik acht dagen geleden zei, de deugden zijn in Gods hart. Wie in deugd leeft en deugdzaam handelt is er goed aan toe. Wie in niets zichzelf zoekt, niet in God en niet in de schepselen, die woont in God en God woont in hem. Met genoegen laat zo iemand alle dingen voor wat ze zijn en versmaadt hij ze, en met vreugde streeft hij in alles naar het allervolmaaktste . Johannes zegt: ‘Deus caritas est’, God is de liefde, en de liefde is God, ‘en wie in de liefde woont, woont in God en God woont in hem.’ Wie in God woont heeft een goede behuizing en is een erfgenaam van God, en degene in wie God woont heeft waardige huisgenoten in zich. Nu zegt een leermeester dat de ziel van God een gave krijgt waardoor zij tot innerlijke dingen wordt aangedreven. Een andere leermeester zegt dat de ziel zonder tussenkomst door de Heilige Geest wordt aangeraakt, want in de liefde waarin God zichzelf liefheeft, in diezelfde liefde heeft Hij ook mij lief, en de ziel heeft God lief in dezelfde liefde waarin Hij zichzelf liefheeft en als de liefde waarin God de ziel liefheeft er niet zou zijn, zou de Heilige Geest er niet zijn. Het is in een hitte en een openbloeien van de Heilige Geest dat de ziel God liefheeft.
Nu zegt een evangelist: ‘Dit is Mijn lieve Zoon, in wie Ik een welbehagen heb.’ Een andere evangelist schrijft: ‘Dit is Mijn lieve Zoon, in wie Mij alle dingen behagen.’ Dan schrijft de derde evangelist: ‘Dit is Mijn lieve Zoon, in wie Ik Mijzelf behaag.’ Alles wat God bevalt, bevalt Hem in Zijn eengeboren Zoon; alles wat God liefheeft, heeft Hij lief in Zijn eengeboren Zoon.
Nu moet de mens zo leven, dat hij één is met de eengeboren Zoon en dat hij de eengeboren Zoon is. Tussen de eengeboren Zoon en de ziel bestaat geen onderscheid. Tussen de knecht en de heer ontstaat nooit een gelijke liefde. Zolang ik knecht ben sta ik ver van de eengeboren Zoon af en ben ik Zijn gelijke niet. Zou ik
God aanzien met de ogen waarmee ik !deuren zie, dan deed ik het niet goed, want dat is tijdelijk; alles wat tijdelijk is staat namelijk ver van God af en is Hem vreemd. Neem tijd, ook al is het maar een stukje, een ogenblik, dan is dat tijd en staat op zichzelf. Zolang de mens tijd heeft en plaats en getal en menigvuldigheid en hoeveelheid, is hij er niet goed aan toe en staat God ver van hem af en is hem vreemd. Daarom zegt onze Heer: ‘Wie Mijn volgeling wil worden, moet zichzelf verlaten’; niemand kan Mijn woord noch Mijn leer verstaan, tenzij hij zichzelf heeft verloochend. Alle schepselen zijn in zichzelf niets. Daarom heb ik gezegd: geef dat niets op en streef naar een volmaakt zijn met de juiste wil. Wie zijn eigenwil heeft opgegeven, die heeft smaak in mijn leer en luistert naar mijn woord. Nu zegt een leermeester dat alle schepselen hun zijn direct van God ontvangen; dat is de reden dat zij God in hun rechte aard meer liefhebben dan zichzelf. Zou de geest zijn zuivere afgescheidenheid onderkennen, dan zou hij zich op geen enkel ding meer richten en in zijn afgescheidenheid moeten blijven. Daarom staat er: ‘Hij is Hem welgevallig geweest in zijn dagen.’
Er is een verschil tussen de dag van de ziel en de dag van God. Waar de ziel zich in haar natuurlijke daglicht bevindt, kent zij alle dingen boven tijd en plaats; daar is voor haar geen enkel ding ver of dichtbij. Daarom heb ik gezegd dat alle dingen in dat daglicht even edel zijn. Ik heb eens gezegd dat God de wereld nu schept, en alle dingen zijn in deze dag even edel. Als we zouden zeggen dat God de wereld gisteren of morgen schiep of schept, was dat een grote dwaasheid van ons. God schept de wereld en alle dingen in een tegenwoordig Nu; ja, de tijd die duizend jaar geleden voorbijging is voor God op dit moment even tegenwoordig en nabij als de tijd van nu. Waar de ziel zich ophoudt in een tegenwoordig Nu, daar baart de Vader Zijn eengeboren Zoon in haar, en in dezelfde geboorte wordt de ziel weer in God geboren. Dat is één geboorte: even vaak als zij wedergeboren wordt in God, baart God Zijn eengeboren Zoon in haar.
Ik heb gesproken over een kracht in de ziel. Die trekt er op uit en eerst vindt zij God niet voor Hij goed is, ook vindt zij God niet voor Hij de waarheid is; zij dringt dieper door en zoekt verder en vindt God in Zijn eenheid en in Zijn eenledigheid; zij vindt God in Zijn woestenij en in Zijn eigen grond. Daarmee stelt zij zich nog niet tevreden, zij zoekt verder naar datgene wat God in Zijn godheid en in het eigendom van Zijn eigen natuur is. Nu wordt gezegd dat er geen grotere eenwording bestaat dan van de drie Personen die één God zijn. Vervolgens zegt men dat er geen grotere eenwording bestaat dan die van God en de ziel.
Wanneer de ziel een kus van de godheid ten deel valt is zij in een staat van volledige volkomenheid en zaligheid; daar wordt zij omvangen door de Eenheid. In de eerste aanraking, waarin God de ziel heeft aangeraakt en haar als ongeschapen en niet te scheppen aanrakende is, daar is de ziel overeenkomstig de aanraking Gods even edel als God zelf. God raakt haar overeenkomstig zichzelf aan. Ik heb eens een preek in het Latijn gehouden, en dat was op Drievuldigheidsdag, toen zei ik: de onderscheidenheid komt uit de eenheid, namelijk de onderscheidenheid in de Drievuldigheid. De eenheid is de onderscheidenheid, en de onderscheidenheid is de eenheid. Hoe groter de onderscheidenheid, des te groter is de eenheid, want het is onderscheidenheid zonder onderscheidenheid. Zouden daar duizend personen zijn, dan zou daar toch enkel eenheid zijn. Waar God het schepsel aankijkt geeft Hij het z’n zijn; waar het schepsel God aankijkt ontvangt het z’n zijn. De ziel heeft een met intellect begaafd, onderkennend zijn: daardoor, waar God is, daar is de ziel, en waar de ziel is, daar is God.
Nu staat er: ‘Hij is innerlijk bevonden.’ Datgene is innerlijk, wat in de grond van de ziel woont, in het binnenste van de ziel, in het zuivere intellect, en wat niet naar buiten treedt en zich op geen enkel ding richt. Daar zijn alle krachten van de ziel even edel; hier is hij innerlijk rechtvaardig bevonden. Rechtvaardig is wat gelijk blijft in liefde en in leed en in bitterheid en in zoetheid en wat door niets gehinderd wordt om zich als één te vinden in de gerechtigheid. De rechtvaardige mens is één met God. Gelijkheid wordt bemind. Liefde bemint altijd het gelijke; daarom bemint God de rechtvaardige mens als aan zich gelijk.
Dat wij ons innerlijk mogen bevinden in de dag en in de tijd van het zuivere intellect en in de dag van de wijsheid en in de dag der gerechtigheid en in de dag van de zaligheid, daartoe helpe ons de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.

HORA ET NUNC EST

1984 avond

 

23. MULlER, VENIT HORA ET NUNC EST, QUANDO VERI ADORATORES ADORABUNT PATREM IN SPIRITU ET VERITATE JOHANNES 4, 23

Dit staat geschreven in het evangelie van Johannes, Uit het lange verhaal kies ik één woordje, Onze Heer zei: ‘Vrouw, de tijd zal komen en is nu, dat de ware aanbidders de Vader aanbidden in de geest en in de waarheid, en zulke mensen zoekt de Vader,’ Letten jullie nu op dat eerste woordje dat Hij spreekt: ‘De tijd zal komen en is nu,’ Wie de Vader aanbidden wil, moet zich met zijn verlangen en vertrouwen plaatsen in de eeuwigheid, Er is een deel van de ziel, het bovenste, dat boven de tijd staat en het weet niets van de tijd noch van het lichaam, Alles wat duizend jaar geleden gebeurde, de dag die er duizend jaar geleden was, is in de eeuwigheid niet verderweg dan dit uur waarin ik nu hier sta, of de dag die over duizend jaar of zo ver als je kunt tellen zal komen, die is in eeuwigheid niet verderweg dan het ogenblik waarin ik nu ben, Nu zegt Hij dat ‘de ware aanbidders de Vader aanbidden in de geest en de waarheid,’ Wat is de waarheid?
Waarheid is zo edel dat, als God zich van de waarheid zou kunnen afwenden, ik me aan de waarheid zou vasthouden en God zou loslaten; want God is de waarheid, en al wat in de tijd is of al wat God ooit schiep, dat is de waarheid niet.
Nu zegt Hij: ‘die aanbidden de Vader,’ Ach, hoevelen zijn er niet die een schoen aanbidden of een koe of een ander schepsel en zich daarom bekommeren, en dat zijn dwaze mensen, Zodra je God aanbidt omwille van iets geschapens, bid je tot jouw schade, want in de mate waarin het geschapene schepsel is draagt het bitterheid en tegenspoed en onheil en ongeluk in zich. En daarom treft zulke mensen terecht ongeluk en bitterheid.
Waarom? Ze hebben erom gebeden! Ik heb het wel vaker gezegd: wie God zoekt om
met Hem iets te zoeken vindt God niet; maar wie werkelijk alleen God zoekt vindt God en vindt nooit alleen God, want vindt met God ook al wat God te bieden heeft. Zoek je God en zoek je Hem voor eigen nut of om je eigen zaligheid, heus, dan zoek je God niet.
Daarom zegt Hij dat de ware aanbidders de Vader aanbidden, en dat zegt Hij heel terecht. Een goed mens geeft op de volgende vragen het juiste antwoord: ‘Waarom zoek je God?’ ‘Omdat Hij God is.’ ‘Waarom zoek je de waarheid?’ ‘Omdat het de waarheid is.’ ‘Waarom zoek je de gerechtigheid?’ ‘Omdat het de gerechtigheid is.’ Maar alle dingen die in de tijd zijn hebben een waarom. Bijvoorbeeld als je zou vragen: ‘Waarom eet je?’ ‘Opdat ik kracht heb.’ ‘Waarom slaap je?’ ‘Om dezelfde reden.’ En zo is het met alle dingen die in de tijd zijn. Maar een goed mens kent geen waarom. ‘Waarom heb je God lief?’ ‘Ik weet het niet, omwille van God.’ ‘Waarom heb je de waarheid lief?’ ‘Om der wille van de waarheid.’ ‘Waarom heb je de gerechtigheid lief?’ ‘Omwille van de gerechtigheid.’ ‘Waarom heb je de goedheid lief?’ ‘Omwille van de goedheid.’ ‘Waarom leef je?’ ‘Echt, dat weet ik niet! Ik leef graag.’
Een leermeester zegt: ‘Wie ook maar eenmaal wordt aangeraakt door de waarheid, door de gerechtigheid’ en door de goedheid, zou, al hing alle pijn van de hel daaraan vast, zich geen ogenblik meer daarvan kunnen losmaken.’ Voorts zegt hij: ‘Als iemand door deze drie wordt aangeraakt, door de waarheid, door de gerechtigheid en door de goedheid, dan is het voor hem even onmogelijk zich van deze drie weer af te wenden als het voor God onmogelijk is om zich van Zijn godheid af te wenden.’
Een leermeester zegt dat het goede drie takken heeft. De eerste tak is nut, de tweede tak is vreugde, de derde tak is betamelijkheid. Daarom zegt Hij: ‘die aanbidden de Vader’. Waarom zegt Hij ‘de Vader’? Als je de Vader, dat wil zeggen alleen God, zoekt, dan vind je met God alles wat Hij te bieden heeft. Dat is een zekere waarheid en een noodzakelijke waarheid en een geschreven waarheid, en zou die niet geschreven staan, dan was het toch waar: zou God nog meer bezitten, dan zou Hij dat niet voor jou kunnen verbergen, en Hij zou het jou moeten openbaren, en Hij geeft het jou; en ik heb het vaker gezegd: Hij geeft het jou en geeft het jou op geboortewijze.
De leermeesters zeggen dat de ziel twee aangezichten heeft, en het bovenste aangezicht aanschouwt God aldoor, en het laagste aangezicht kijkt wat naar beneden en ordent de zintuigen; en het bovenste aangezicht is het hoogste van de ziel, dat bevindt zich in de eeuwigheid en heeft niets van doen met de tijd en weet niets van de tijd, noch van het lichaam. En ik heb wel eens gezegd dat daarin zo iets als een oorsprong van al het goede verborgen ligt en zo iets als een stralend licht dat altijd straalt, en als een brandende brand die altijd brandt, en die brand is niets anders dan de Heilige Geest.
De leermeesters zeggen dat uit het bovenste deel van de ziel twee krachten vloeien. De ene heet wil, de andere intellect. Van beide krachten ligt de voleinding in de hoogste kracht, dat wil zeggen in het intellect: dat kan nooit tot rust komen. Het intellect wil God niet voor Hij Heilige Geest is en voor Hij de Zoon is, het ontvlucht de Zoon. Het wil ook God niet voor Hij God is. Waarom? Omdat Hij daarin nog een naam heeft, en al waren er duizend goden, het brak daar steeds doorheen; het wil God daar waar Hij geen naam heeft, het wil iets edelers, iets beters dan God die een naam heeft. Wat wil het dan? Hel weel hel niet: het wil Hem zoals Hij Vader is. Daarom zegt Philippus: ‘Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg.’ Het intellect wil Hem zoals Hij een merg is waaruit de goedheid ontspringt; het wil Hem zoals Hij een kern is waaruit de goedheid voortvloeit; het wil Hem zoals Hij een wortel is, een ader, waaraan de goedheid ontspringt, en daar alleen is Hij Vader.
Nu zegt onze Heer: ‘Niemand kent de Vader dan de Zoon, noch de Zoon niemand dan de Vader.’ Werkelijk, willen wij de Vader kennen, dan moeten we zoon zijn. Ik heb al eens eerder drie woordjes gesproken, nemen jullie die als drie scherpe muskaatnoten tot je en drink dan daarna. In de eerste plaats: willen we zoon zijn, dan moeten we een vader hebben, want niemand kan zeggen dat hij zoon is, tenzij hij een vader heeft, noch is iemand vader, tenzij hij een zoon heeft. Is je vader dood, dan zeg je ‘hij was mijn vader’. Is je zoon dood, dan zeg je ‘hij was mijn zoon’. Want het leven van de zoon hangt in de vader, en het leven van de vader hangt in de zoon; daarom kan niemand zeggen ‘ik ben zoon’, tenzij hij een vader heeft. Maar die mens is waarlijk zoon, die alles wat hij doet uit liefde doet.
Het tweede wat de mens het meest tot zoon maakt, dat is gelijkmoedigheid. Dat betekent dat als hij ziek is, hij even graag ziek is als gezond, even graag gezond als ziek. Sterft zijn vriend- in Gods naam! Wordt hem een oog uitgeslagen- in Gods naam!-Het derde wat bepalend is voor de zoon is, dat hij zijn hoofd nooit op iets
anders kan vlijen dan op de Vader. Ach, hoe edel is die kracht die daar boven de tijd staat en die daar staat zonder stee! Want doordat zij boven de tijd staat, houdt zij alle tijd in zich besloten en is zij alle tijd; en hoe weinig iemand ook zou bezitten van datgene wat daar boven de tijd staat, hij zou heel snel rijk geworden zijn; want wat aan de overzijde van de zee ligt, dat is voor die kracht niet verder weg dan wat op dit moment aanwezig is. En daarom zegt Hij: ‘Zulke mensen zoeken de Vader.’ Kijk, zo liefkoost God ons, zo smeekt God ons, en God kan niet afwachten tot de ziel zich van de geschapen wereld afschilt en zich daarvan terugtrekt.
En het is een zekere waarheid en een noodzakelijke waarheid dat God zo’n behoefte heeft om ons te zoeken, dat het lijkt alsof Zijn hele godheid daarvan afhangt, wat ook het geval is. En God kan ons evenmin missen als wij Hem, want zelfs als wij ons van God zouden kunnen afwenden, zou God zich toch nooit van ons kunnen afwenden. Ik zeg dat ik God niet wil bidden dat Hij me geeft; ik wil Hem ook niet loven om wat Hij gegeven heeft; maar ik wil Hem bidden dat Hij me waardig maakt om te ontvangen, en wil Hem loven om Zijn natuur en Zijn wezen die Hem dwingen om te geven. Wie Hem dat zou willen ontnemen, die zou Hem van Zijn eigen wezen en Zijn eigen leven beroven. Dat wij op die manier in waarheid zoon worden, daartoe helpe ons de waarheid waarover ik gesproken heb. Amen.