QUASI STELLA MATUTINA IN MEDIO NEBULAE

QUASI STELLA MATUTINA IN MEDIO NEBULAE ET QUASI LUNA PLENA IN
DIEBUS SUIS LUCET ET QUASI SOL REFULGENS, SIC ISTE REFULSIT IN
TEMPLO DEI – BOEK JEZUS SIRACH 50, 6

‘Als een morgenster midden in de nevel en als een ronde maan ten tijde dat zij vol is en als een tegemoet stralende zon, zo heeft deze geschenen in de tempel van God.’
Dit woord past men gewoonlijk toe op de heilige goddelijke leermeesters, die met hun deugdzaam leven en hun goddelijk vermogen een licht zijn geweest en geschenen hebben in de aardse harten die, in de schepselen gevangen, door de nevel en het moeras of de duisternis der onwetendheid als blinden op de weg naar het eeuwige heil ronddwalen, zoals voor ons uit straalt de heilige vader die we vandaag gedenken, de heilige Dominicus namelijk, een beschermer van de christenheid en stichter van een predikersorde, die hij is begonnen en heeft opgebouwd om het woord van God te verkondigen en de arme zondaars te helpen.
Nu staat er geschreven: ‘Hij heeft geschenen in de tempel van God.’ Van die laatste woorden ga ik eerst uit: tempel van God. Wat is ‘God’ en wat is ‘tempel van God’? Vierentwintig filosofen kwamen bij elkaar om erover te praten wat God is, maar ze kwamen er niet uit. Daarna zochten ze elkaar op een goed moment weer op en weer bracht ieder zijn mening naar voren. Op twee of drie van die uitspraken ga ik nu in. De een zei: ‘God is iets, waartegenover alle veranderlijke en tijdelijke dingen niets zijn, en alles wat zijn heeft, is tegenover Hem gering.’ De tweede zei: ‘God is iets dat noodzakelijk boven het zijn staat, iets dat in zichzelf niemand nodig heeft en dat alle dingen nodig hebben.’ De derde zei: ‘God is een intellect dat louter leeft in zelfkennis.’ Ik laat de eerste en derde uitspraak even rusten en zal iets zeggen over de tweede, namelijk dat God iets is dat noodzakelijk boven het zijn staat. Iets wat zijn, tijd en plaats bezit, raakt niet aan God: Hij staat daar boven. God is in alle schepselen, voor zij zijn bezitten, en toch is Hij daarboven verheven. Wat Hij in alle schepselen is, datzelfde is Hij toch daarbovenuit hetgeen in veel dingen een en het zelfde is, dat moet noodzakelijkerwijs boven die dingen uit gaan.

Verschillende leermeesters beweren dat de ziel zich alleen in het hart bevindt. Dat is niet waar, en daarin hebben zich grote leermeesters vergist. De hele ziel is ongedeeld volledig in de voet en volledig in de ogen en zo in alle ledematen stuk voor stuk. Neem ik een stukje van de tijd, dan is dat noch de dag van vandaag, noch de dag van gisteren, Neem ik ed1ter het Nu, dan is daarin alle tijd begrepen. Het Nu waarin God de wereld maakte is even dicht bij deze tijd als het nu waarin ik op dit moment spreek, en de jongste dag is even dicht bij dit nu als de dag van gisteren.
Een leermeester zegt: ‘God is iets dat in eeuwigheid ongedeeld in zichzelf werkzaam is, dat geen werktuig nodig heeft en geen hulp van iemand en dat in zichzelf blijvende is; dat zelf niets nodig heeft, maar dat alle dingen nodig hebben, en alle dingen streven ernaar daarin terug te keren als in hun uiteindelijke doel.’ Dit einddoel heeft geen bepaalde zijnswijze, het ontgroeit aan elke zijnswijze en is alomvattend. De heilige Bernardus zegt: ‘God liefhebben gebeurt op een wijze zonder wijze.’ Een dokter die een zieke gezond wil maken, bezit niet een bepaalde manier van gezondheid waardoor hij die zieke gezond wil maken; hij heeft wel een bepaalde manier waarmee hij hem gezond wil maken, maar hoe gezond hij hem wil maken is niet te bepalen: zo gezond als hem maar mogelijk is. Hoe lief wij God moeten hebben, daarvoor bestaat geen bepaalde manier zo lief als we maar kunnen, en dat is niet op een bepaalde wijze.
Elk ding werkt zoals het is, geen ding kan meer doen dan zoals het is. Het vuur kan alleen maar werken in het hout. God werkt boven het zijn uit, in de ruimte waarin Hij zich bewegen kan, Hij werkt in het niet-zijn; voor er nog zijn was, werkte God; Zijn werk was het zijn, toen er nog geen zijn was. Sommige leermeesters beweren domweg dat God een louter zijn is. God staat zo hoog boven het zijn als de hoogste engel staat boven een mug. Als ik God ‘een zijn’ zou noemen, zou dat even onjuist zijn als wanneer ik de zon bleek of zwart zou noemen. God is niet dit of dat. En een leermeester zegt: ‘Wie meent dat hij God kent, en hij kent dan iets, dan kent hij God niet.’ Maar door te zeggen dat God niet een zijn is en dat Hij boven het zijn staat, heb ik Hem niet zijn ontzegd, integendeel, ik heb dat in Hem verhoogd. Meng ik koper door goud, dan is dat daar in en wel op een hogere wijze dan het van zichzelf is.
Augustinus zegt: ‘God is wijs zonder wijsheid, goed zonder goedheid, almachtig zonder almacht.’ Leraren op school onderwijzen dat alle wezens zijn in te delen naar tien zijnswijzen, en die ontzeggen ze God allemaal. Geen van deze zijnswijzen heeft betrekking op God, en toch ontbreekt Hem ook geen daarvan. De eerste zijnswijze, waarin zijn het sterkst aanwezig is en waardoor alle dingen zijn ontvangen, is substantie; en het laatste, dat het minste zijn bevat, heet relatio, ‘verhouding’. In God de Allergrootste, die het meeste zijn bezit, is verhouding gelijkheid: alle dingen hebben een gelijk oerbeeld in God. Van alle dingen zijn de beelden in God gelijk; maar die beelden zijn oerbeeld van ongelijke dingen. De hoogste engel en de ziel en de mug hebben een gelijk beeld in God. God is niet zijn of goedheid. Goedheid is gebonden aan zijn en gaat zijn niet te boven want als er geen zijn was, zou er geen goedheid zijn, en zijn is nog zuiverder dan goedheid. God is noch goed, noch beter, noch het allerbeste.
Wie zegt dat God goed is, doet Hem evenzeer onrecht, als wanneer hij de zon zwart zou noemen. Nu zegt God toch: ‘Niemand is goed dan God alleen.’ Wat is goed? Datgene is goed, wat zichzelf geeft. Een mens die zichzelf geeft en nuttig is, noemen we goed. Daarom zegt een heidens leermeester: ‘Een kluizenaar is in die zin noch goed noch slecht, dat hij zichzelf niet geeft en nuttig is.’ God is de zichzelf het meest gevende. Geen ding geeft iets van zichzelf, want alle schepselen zijn van zich zelf niets. Wat zij geven, hebben ze van een ander. Ze geven ook niet werkelijk zichzelf. De zon geeft haar schijnsel, maar blijft waar ze staat; het vuur geeft zijn hitte, maar blijft vuur. God echter maakt van het Zijne deelachtig, want Hij is van zichzelf wat Hij is, en in alle gaven die Hij geeft, geeft Hij in de eerste plaats zichzelf. Hij geeft zich als God zoals Hij in al Zijn gaven is, voor degene die Hem wil ontvangen daarvoor open staat. Jacobus zegt: ‘Alle goede gaven stromen van boven neer van de vader der lichten.’ Wanneer we God in het zijn veronderstellen, veronderstellen we Hem in Zijn voorhof, want zijn is de voorhof waarin Hij woont. Maar waar is Hij dan in Zijn tempel, waarin Hij heilig straalt? Het zuivere intellect is de tempel van God. Nergens woont God eigenlijker dan in Zijn tempel, in zuiver intellect, zoals die andere leermeester zei: ‘God is een zuiver intellect, dat leeft in het uitsluitend kennen van zichzelf’, strikt in zichzelf blijvend waar niets Hem raakte, want daar is Hij alleen in Zijn stilheid. In Zijn zelfkennis kent God zichzelf in zichzelf.
Nu kijken we naar de ziel, die een druppeltje zuiver intellect bezit, een vonkje, een twijgje. Zij heeft krachten die in het lichaam werken. Met behulp van een daarvan verteert de mens zijn voedsel; die werkt ’s nachts meer dan overdag en daardoor groeit de mens en neemt hij in omvang toe. De ziel heeft ook een kracht in de ogen; daardoor zijn die zo verwend en fijn afgesteld, dat zij de dingen niet opnemen in de grove gedaante die deze op zichzelf bezitten. Die moeten eerst gezeefd worden en kleiner gemaakt in de lucht en in het licht. Dat komt doordat het oog de ziel bij zich heeft. Met een andere kracht die de ziel in zich heeft denkt zij. Deze kracht maakt zich een voorstelling van de dingen die niet aanwezig zijn, zodat ik die dingen even goed onderken als wanneer ik ze met mijn ogen zag, en nog beter – ik kan een roos heel goed in de winter denken- en met deze kracht werkt de ziel in het niet-zijn en volgt zij God, die in het niet-zijn werkt.
Een heidens leermeester zegt: ‘De ziel die God liefheeft ziet Hem in het gewaad van de goedheid’ –wat hierboven werd aangehaald waren allemaal woorden van heidense leermeesters, die niet dan in het natuurlijke licht kenden; ik kwam nog niet toe aan de woorden van de heilige leermeesters, die in een veel hoger licht kenden- hij zegt dus: ‘De ziel die God liefheeft ziet Hem in het gewaad van de goedheid.’ Het zuivere intellect echter trekt God dat gewaad van de goedheid uit en ziet Hem naakt, nu van goedheid en van zijn en van alle namen ontkleed.
Ik zei in de school dat intellect edeler is dan wil, en toch behoren beide in dit licht. Toen stelde een leermeester in een andere school dat de wil edeler is dan intellect, omdat de wil de dingen neemt zoals ze op zichzelf zijn, terwijl het intellect de dingen neemt zoals het die in zich weet. Een oog is edeler in zichzelf dan een oog dat op een wand is geschilderd. Ik zeg echter dat het intellect edeler is dan de wil. De wil begrijpt God in het gewaad van de goedheid. Intellect vat God naakt, namelijk van goedheid en van zijn ontkleed.
Goedheid is een gewaad waaronder God verborgen is, en de wil beoogt God onder het gewaad van de goedheid. Was er aan God geen goedheid, dan zou mijn wil Hem niet willen. Als iemand een koning zou willen kleden op de dag dat men hem tot koning ging maken, en hij zou hem kleden in grauwe klederen, dan had hij hem niet goed aangekleed. Niet omdat God goed is, ben ik zalig. Ik zal nooit verlangen dat God mij zalig maakt met Zijn goedheid, want Hij zou dat ook nooit kunnen doen. Ik ben uitsluitend zalig doordat God intellect is en ik dat onderken. Een leermeester zegt: ‘Het is Gods zuivere intellect waaraan het zijn van de engel geheel en al hangt.’ je kunt je afvragen waar het zijn van het beeld allereigenlijkst is: in de spiegel of in degene van wie het uitgaat. Het is eigenlijker in degene van wie het uitgaat. Het beeld is in mij, van mij en bij mij.
Zolang de spiegel precies tegenover mijn gezicht staat, is mijn beeld daar in; als de spiegel zou vallen, verging het beeld. Voor de engel is Gods zuivere intellect een tegenwoordigheid en hij kent zichzelf daarin, en daaraan hangt ook zijn zijn.
‘Als een morgenster midden in de nevel.’ Het gaat me nu om dat woordje ‘quasi’, dat ‘zoals’ betekent en dat door kinderen op school een ‘bijwoord’ wordt genoemd. En dit is het waar het me in al mijn preken om gaat. Het allereigenlijkste wat men van God kan zeggen, is ‘woord’ en ‘waarheid’. God noemde zichzelf een woord. Johannes zei: ‘In den beginne was het woord’, en bedoelt dat men bij dat woord een bijwoord moet zijn.
Zoals de vrije ster, waarnaar de vrijdag is genoemd, Venus: die heeft verschillende namen. Als hij aan de zon voorafgaat en eerder opkomt dan de zon, heet hij morgenster; wanneer hij de zon volgt, zodat die eerder ondergaat, heet hij avondster. Soms is zijn loop boven de zon, soms onder de zon. Van alle sterren is hij degene die aldoor even dicht bij de zon staat; hij raakt er niet verder van af en komt er niet dichter bij en hiermee is bedoeld, dat een mens die zo’n ‘bijwoord’ wil zijn, altijd in Gods nabijheid en tegenwoordigheid moet zijn, zodat niets hem van God kan verwijderen, geluk noch ongeluk noch enig schepsel.
Er staat verder: ‘Als een ronde maan ten tijde dat zij vol is.’ De maan heeft de heerschappij over alles wat vochtig is in de natuur. Nooit staat de maan zo dicht bij de zon als wanneer zij vol is en zij haar licht heel direct van de zon ontvangt. En omdat zij dichter bij de aarde staat dan welke ster ook, heeft zij twee gebreken: dat zij bleek en vlekkig is en dat zij haar licht verliest. Nooit is zij zo krachtig als wanneer zij het verst van de aarde verwijderd is, want dan werpt zij de zee het allerverste uit; hoe meer ze afneemt, des te minder kan zij die uitwerpen. Hoe meer de ziel verheven is boven aardse zaken, des te krachtiger is zij. Wie niets anders dan de schepselen zou kennen, hoefde geen gedachten aan een preek te wijden, want elk schepsel is vol van God en is een boek. De mens die zo ver wil komen als in het voorafgaande is aangeduid – en hierop spitst zich mijn hele betoog toe – die moet zijn als een morgenster: voortdurend bij God aanwezig en voortdurend even dicht bij Hem en verheven boven alle aardse zaken en bij het Woord een bijwoord zijn.
Er is een uitgebracht woord: dat is de engel en de mens en al het geschapene. Er is een ander woord, gedacht en uitgebracht: daardoor is het mogelijk dat ik me voorstellingen maak. Er is nog een ander woord: dat is onuitgebracht en ongedacht, dat komt nooit naar buiten, ja, het blijft eeuwig in degene die het spreekt. Dat woord is in de Vader, die het ontvangend en in zichzelf blijvend voortdurend spreekt. Intellect verwerkt alles innerlijk. Hoe fijner en geestelijker iets is, des te krachtiger is de innerlijke werking ervan; en hoe krachtiger en fijner het intellect is, des te meer wordt hetgeen het onderkent ermee verenigd en wordt het intellect daarmee één. Zo is het niet met materiële dingen; hoe krachtiger die zijn, des te meer werken ze naar buiten toe. Gods zaligheid is gelegen in het naar binnen toe werken van het intellect, waar het woord binnen blijft. Daar moet de ziel een bijwoord zijn en met God één werk verrichten, namelijk door in een in zichzelf zwevend onderkennen haar zaligheid te ontvangen in hetzelfde kennen waarin God zalig is .
Dat wij te allen tijde bij dat Woord een bijwoord mogen zijn, daartoe helpe ons de Vader en dat Woord zelf en de Heilige Geest. Amen.

 

avond stilte

DUM MEDIUM SILENTIUM

5. DUM MEDIUM SILENTIUM TENERENT OMNIA ET NOX IN SUO CURSU MEDIUM ITER HABERET BOEK DER WIJSHEID 18, 14

Wij vieren hier in de tijd dat de eeuwige geboorte, namelijk: het gebaard hebben en zonder onderbreking in eeuwigheid baren van God, dat diezelfde geboorte nu is gebeurd in de tijd in menselijke natuur. Augustinus zegt: deze geboorte gebeurt aldoor, maar als die niet in mij gebeurt, wat helpt me dat dan? Maar dat ze in mij gebeurt, daar hangt alles van af.
Want jullie moeten begrijpen dat wat ik hier zeg betrekking heeft op een goed, volmaakt mens, die de wegen van God bewandeld heeft en nog bewandelt, en niet op een natuurlijk, ongeoefend mens, want die staat van deze geboorte veraf en weet er niets van. Dit woord spreekt de Wijze: ‘Toen alle dingen zich midden in het zwijgen bevonden en de nacht in haar loop op het midden van haar baan stond, kwam van bovenaf, van de koninklijke troon, een verborgen woord in mij neer.’ Over dit woord zal deze preek gaan.
Drie dingen zijn hier op te merken. Ten eerste: waar God de Vader Zijn woord in de ziel spreekt, waar deze geboorte plaats vindt en waar de ziel voor dat werk ontvankelijk is; want dat moet zijn in het allerlouterste en edelste en subtielste dat de ziel te bieden heeft. Waarlijk, zou God met al Zijn almacht de ziel in haar natuur iets edelers gegeven kunnen hebben en zou de ziel iets edelers van Hem hebben kunnen ontvangen, dan zou God met die geboorte op dat edele hebben moeten wachten. Daarom moet de ziel waarin die geboorte zal plaats vinden zich gelouterd hebben en heel edelleven en in eenheid en heel innerlijk, niet via de vijf zintuigen naar buiten lopen, de menigvuldigheid in van de schepselen, maar geheel innerlijk zijn en vereend en in het louterste: daar is Zijn plaats, voor minder doet Hij het niet.
Het tweede deel van deze preek gaat erover hoe de mens zich tegenover dat werk of dat inspreken en baren moet opstellen: of het voor hem nuttiger is om daaraan mee te werken, zodat hij ertoe bijdraagt en verdient dat deze geboorte in hem plaats vindt en gebeurt, bijvoorbeeld door zich een beeld te vormen in zijn verstand en zijn gedachten en zich daarin te oefenen, door te denken: God is wijs, almachtig en eeuwig, en wat hij verder over God zo kan bedenken – of dát dienstiger en bevorderlijker is voor deze goddelijke geboorte of dat men zich juist aan alle gedachten onttrekt en zich van alle woorden en werken ontdoet en zich van alle beelden en begrippen vrij maakt om God volkomen te ondergaan door passief te blijven en God te laten werken: de vraag dus wat ten aanzien van deze geboorte het meest dienstig is voor de mens.
Het derde punt is het nut van deze geboorte, hoe groot dat is.
Nu eerst een opmerking over het eerste punt: wat ik daarover ga zeggen wil ik voor jullie staven met natuurlijke bewijzen, zodat jullie zelf kunnen begrijpen dat het zo is, hoewel ik de Schrift toch meer geloof dan mezelf; maar het dringt meer en beter tot jullie door als het met een bewijs wordt gestaafd.
Nu nemen we in de eerste plaats dat woord dat zegt: ‘Middenin het zwijgen werd in mij gesproken een verborgen woord.’ Ach, Heer, waar is dat zwijgen en waar is die plaats waar dat woord ingesproken wordt? We zeggen, zoals ik zopas al zei: het is in het louterste dat de ziel te bieden heeft, in het edelste, in de grond, ja, in het zijn van de ziel, dat is: in het verborgenste van de ziel. Dat is de functie ‘zwijgen’, want geen schepsel kwam daar binnen en geen enkel beeld, noch is de ziel daar actief of kennend, noch heeft zij daaromtrent een voorstelling, noch van zichzelf, noch van enige geschapenheid.
Al het werk dat de ziel verricht, verricht zij met de krachten. Wat zij begrijpt, begrijpt zij met het intellect. Wat zij gedenkt, gedenkt zij met het geheugen. Zal zij liefhebben, dan doet zij dat met de wil. En zo werkt zij met de krachten en niet met het zijn. Al haar verrichtingen naar buiten toe zijn aan een middel gebonden. Voor haar gezichtsvermogen moet zij gebruik maken van de ogen, anders kan zij niet zien en niets waarnemen en zo is het met alle andere zintuigen. Bij al haar verrichtingen naar buiten toe gebruikt zij een middel. Maar in het zijn is geen verrichting, want de krachten waarmee zij werkt vloeien weliswaar uit de grond voort, maar in de grond is het middel zwijgen, hier is enkel rust en een woonstee voor deze geboorte en voor dit werk, namelijk dat God de Vader daar Zijn woord spreekt; want het zwijgen is voor niets anders ontvankelijk dan voor het goddelijke zijn, zonder enige bemiddeling. God gaat hier de ziel binnen met al het Zijne, niet met een deel van Hem. Niemand raakt de grond in de ziel aan dan alleen God. Het geschapene kan niet in de grond van de ziel komen, dat moet in de krachten hier buiten blijven. Maar de ziel aanschouwt daar wel het beeld ervan zoals het binnen is ontvangen en onderdak heeft gevonden. Want wanneer de krachten van de ziel in aanraking komen met het geschapene, dan ontlenen ze daaraan een beeld, een gelijkenis, en nemen dat in zich op en trekken die in zich. Daardoor kennen zij het geschapene. Het geschapene kan niet dichter in de ziel komen, noch kan de ziel dicht bij het geschapene komen, tenzij zij gewillig eerst een beeld daarvan in zich ontvangen heeft. En vanuit het aanwezige beeld benadert de ziel de geschapen dingen; want beeld is iets wat de ziel met de krachten in zich opneemt. Of het nu een steen is, een paard, een mens of wat het ook is dat zij wil kennen, zij haalt het beeld tevoorschijn dat zij tevoren in zich heeft opgenomen, ·en zo kan zij zich met dat wat zij wil kennen verenigen.
Wanneer nu de mens op die manier een beeld ontvangt, dan moet dat noodzakelijkerwijs via de zintuigen van buiten naar binnen komen. Daarom is de ziel voor zichzelf zo onbekend als voor niets anders.
Immers de ziel kan, zoals een leermeester zegt, geen beeld van zichzelf opnemen of ontvangen. Daarom kan zij zichzelf niet door middel van iets kennen. Want beelden komen uitsluitend via de zintuigen binnen: daarom kan zij van zichzelf geen beeld hebben. Daar, om kent zij alle andere dingen, maar zichzelf niet. Minder dan van welk ding ook weet zij van zichzelf, vanwege het bemiddelende. En dit moet je weten: zij is van binnen leeg en vrij van al het bemiddelende en van alle beelden, en dat is er ook de oorzaak van dat God zich ongehinderd met haar kan verenigen zonder beeld en gelijkenis. Welke kunde je ook aan een leermeester toeschrijft, het kan niet anders of je moet diezelfde kunde boven mate aan God toekennen. Hoe wijzer en machtiger een meester is, des te directer gebeurt zijn werk en des te eenvoudiger is het. De mens benut veel middelen bij zijn uiterlijke handelingen; voordat hij daarmee naar buiten komt zoals hij ze zich innerlijk heeft voorgesteld, moet hij veel in gereedheid brengen.
De maan en de zon in hun meesterschap doen hun werk, het verlichten, heel snel. Zodra zij hun schijnsel uitgieten, is op hetzelfde ogenblik de hele wereld aan alle einden vallicht. Maar daarboven staat de engel, die heeft bij zijn werk nog minder een middel nodig en heeft ook minder beelden. De allerhoogste serafijn heeft niet meer dan één beeld. Wat allen die onder hem zijn als menigvuldigheid opvatten, dat alles vat hij in één. Maar God heeft geen beeld nodig, noch heeft Hij enig beeld: God werkt in de ziel zonder enig middel, beeld of enige gelijkenis, ja, in de grond, waar nooit een beeld binnenkwam, behalve Hijzelf met Zijn eigen zijn. Daartoe is geen enkel schepsel in staat. Hoe baart God van nature Zijn zoon in de ziel?
In beelden en gelijkenissen zoals de schepselen doen? Op mijn woord: nee! Maar op precies dezelfde manier waarop Hij in de eeuwigheid baart, niet minder en niet meer. Denk je eens in: hoe baart Hij daar? Letten jullie nu op! Kijk, God de Vader heeft een volmaakt inzicht in zichzelf en grondeloos en door en door kent Hij zichzelf door zichzelf, niet door middel van een of ander beeld. En zo baart God de Vader Zijn Zoon in ware eenheid van goddelijke natuur. Kijk, op dezelfde manier en niet op een andere baart God de Vader Zijn Zoon in de grond van de ziel en in haar zijn en verenigt zich zo met haar. Want als daar ook maar enig beeld zou zijn, was er geen werkelijke vereniging; en in de ware vereniging is al haar zaligheid gelegen.
Nu zouden jullie kunnen zeggen dat van nature er niets dan beelden zijn in de ziel. Nee, beslist niet! Want als dat zo zou zijn, zou de ziel nooit zalig kunnen worden; immers als God een schepsel zou kunnen maken waaraan jij volkomen zaligheid zou ontlenen, dan zou God niet de hoogste zaligheid zijn en niet het beste einddoel, wat toch Zijn natuur is en Zijn wil om het begin en het einde te zijn van alle dingen. Geen schepsel kan de zaligheid zijn. Daarom ook kan geen schepsel de volmaaktheid zijn, want op het volmaakt zijn (dat wil zeggen: in alle deugden) volgt het volmaakte leven, en daarvoor is het noodzakelijk dat je moet zijn en wonen in het zijn en in de grond, daar moet God jou aanraken met Zijn enkelvoudige zijn zonder bemiddeling van welk beeld ook. Ieder beeld bedoelt niet zichzelf en verwijst niet naar zichzelf, het wijst en duidt altijd op datgene waarvan het het beeld is. En zolang je nog beelden hebt van wat van buiten jou is, beelden van de schepselen die via de zintuigen naar binnen getrokken worden en die steeds verwijzen naar datgene waarvan ze het beeld zijn, is het onmogelijk dat je door welk beeld ook zalig zou kunnen worden.
Het tweede punt is: past het de mens om zelf hier iets te doen waardoor hij het bereikt en verdient dat die geboorte in hem plaats vindt en volbracht wordt; de vraag of het niet beter is dat de mens hiertoe bijdraagt door zich een beeld te vormen van God of door zich God in te denken, of dat de mens in een zwijgen en in een stilte en in een rust blijft en God zo in hem spreekt en werkt, en hij enkel wacht op Gods werk in hem? Ik zeg echter, wat ik al eerder zei: deze laatste houding, zoals ik die beschreef, is alleen voorbehouden aan goede en volmaakte mensen, die het wezen van alle deugd aan zich en in zich hebben getrokken, zodat de deugden wezenlijk uit hen stromen zonder hun toedoen en, voor alles, het hoogwaardige leven en de edele leer van onze Heer Jezus Christus in hen leeft. Die zullen weten dat het het allerbeste is en het alleredelste waartoe men kan komen in dit leven, dat je zwijgt en God laat werken en spreken. Waar alle krachten onttrokken zijn aan hun werkzaamheden en beelden, daar wordt dit woord gesproken. Daarom staat er ‘midden in het zwijgen werd het verborgen woord tot mij gesproken’.
En daarom: hoe meer je in staat bent om alle krachten in één samen te trekken en in een vergeten van alle dingen en hun beelden zoals je die in je hebt opgenomen, en hoe meer je het geschapene vergeet, des te dichter ben je bij dat woord, des te ontvankelijker ben je ervoor. Zou je ten aanzien van alle dingen helemaal onwetend kunnen worden, ja, zou je kunnen geraken tot een niet-weten van je eigen leven, dan zou je ervaren wat Paulus overkwam die daarover zei: ‘Of ik in het lichaam was of niet, dat weet ik niet, God weet het wel.’ Toen had zijn geest alle krachten zo helemaal in zich getrokken dat het lichaam voor hem iets vergetens was; wen werkten noch geheugen, noch verstand, noch de zintuigen en krachten wier taak het is om het lichaam te leiden en toe te rusten; levensvuur en lichaamswarmte werden getemperd, waardoor het lichaam niet afnam in die drie dagen dat hij niet at of dronk. Zo overkwam het ook Mozes toen hij op de berg veertig dagen vastte en hij werd er niet zwakker van: op de laatste dag was hij nog even sterk als op de eerste. En evenzo zou de mens al het zintuiglijke moeten ontwijken en al zijn krachten naar binnen richten en komen tot een vergeten van alle dingen en van zichzelf. Daarover zei een leermeester, Anselmus, tot de ziel: ‘Onttrek je aan de onrust van uiterlijke activiteiten, vlucht daarvan weg en verberg je voor het gewoel van innerlijke gedachten, want die veroorzaken onvrede.’ Daarom: wil God Zijn woord spreken in de ziel, dan moet zij in vrede en in rust zijn, en dan spreekt Hij Zijn woord en zichzelf in de ziel uit, en niet een beeld, maar zichzelf.
Dionysius zegt: ‘God heeft geen beeld of gelijkenis van zichzelf, want Hij is wezenlijk het goede, de waarheid en het zijn.’ God verricht alles wat Hij doet in zichzelf en uit zichzelf in één ogenblik. jullie moeten niet denken dat God, toen Hij hemel en aarde maakte en alle dingen, vandaag het ene en morgen het andere maakte. Toch schrijft Mozes dat wel. Maar hij wist zelf wel beter: hij deed het omwille van de mensen die het anders niet hadden kunnen begrijpen en verstaan. Niet meer dan één ding deed God: Hij wilde en zij werden. God werkt zonder middel en zonder beeld. Hoe meer
iij zonder beeld bent, des te meer ben je ontvankelijk. voor Zijn inwerking, en hoe meer je bent ingekeerd tot zelfvergetelheid, des te dichter ben je daar bij.
Daartoe vermaande Dionysius zijn leerling Timotheus en zei: ‘Lieve zoon Timotheus, je moet je met een onbekommerd gemoed boven jezelf en boven al je machten en boven het kenvermogen en het verstand en boven zijnsvormen en zijn uit werpen in de verborgen stille duisternis, opdat je komt in een kennen van de ongekende godsbeeldloze God.’ Er moet zijn een onttrekken aan alle dingen. God versmaadt het om in beelden te werken.
Nu zou je kunnen vragen: ‘Wat bewerkt God dan zonder beeld in de grond en in het zijn?’ Dat kan ik niet weten, want de krachten kunnen enkel in beelden iets opnemen, want alleen in het beeld dat ze ervan hebben kunnen zij de dingen alle begrijpen en kennen. Ze kunnen een vogel niet kennen in het beeld van een mens, en daarom, omdat alle beelden van buitenaf binnen komen, is het werk van God voor hen verborgen, en dat is voor hen het allernuttigste. Maar in hun niet-weten worden ze tot een wonder aangetrokken en jagen ze dat na, want ze beseffen wel dat dat bestaat, maar weten niet hoe en wat het is. Want zodra de mens de hoedanigheid van de dingen kent, is hij ze moe en zoekt hij weer iets anders om te ervaren, en terwijl hij er steeds hevig naar verlangt die dingen te kennen, wil hij zich toch niet daarop blijvend richten, daarom: het ongekende kennen, dat houdt de ziel blijvend op zich gericht en dat jaagt zij na.
Daarover zegt de Wijze: ‘Midden in de nacht, toen alle dingen in stilte zwegen, toen werd tot mij gesproken een verborgen woord.’ Dat kwam zoals een dief, heimelijk. Hoe bedoelt hij dat: een woord, toen het was verborgen? Het ligt immers in de aard van het woord dat het openbaart wat verborgen is. Hij bedoelt: ‘Het opende zich en straalde voor mij om mij iets te openbaren en verkondigde mij God’; daarom heet het een woord. Maar: ‘het was voor mij verborgen wat het was’, en dat was zijn heimelijk komen in een fluistering en een stilte om zich te openbaren. Kijk, daarom moet en zal men het achterna lopen, zolang het verborgen is.
Het liçhtte op en was toch verborgen, dat betekent dat we ernaar zuchten en hunkeren. Paulus zegt dat wij dit moeten najagen tot we het op het spoor zijn en nooit ophouden voor we het in de greep hebben. Toen hij in de derde hemel was opgetrokken tot in de verkondiging Gods en alle dingen had gezien en terug gekomen was, had hij niets vergeten, maar het lag voor hem zo diep in zijn grond dat zijn verstand er niet bij kon komen: het was voor hem toegedekt.
Daarom moest hij het in en niet buiten zichzelf achterna lopen en zien te bereiken. Het is helemaal binnenin, niet buiten, maar volstrekt binnenin. En omdat hij dat wel wist, zei hij: ik ben er zeker van dat de dood noch enige nood mij kan scheiden van hetgeen ik in me vind.’
Daarover deed een heidens leermeester een mooie uitspraak tegenover een andere leermeester: ‘Ik word iets in me gewaar wat licht geeft in mijn verstand; ik ervaar wel dat het iets is, maar wat het is kan ik niet begrijpen, alleen komt het me voor dat, als ik het zou kunnen grijpen, ik de hele waarheid zou kennen.’ Toen zei de ander: ‘Geloof me, jaag dat na! Want als je het zou kunnen grijpen, bezat je samenvatting van allo goedheid en een eeuwig leven.’ In die zin sprak ook Augustinus: ‘Ik word iets in me gewaar dat als een voorspel voor mijn ziel oplicht: zou dat in mij tot voltooiing en bestendiging gebracht worden, dan moet dat eeuwig leven zijn.’ Het verbergt zich en vertoont zich toch; maar het komt als een dief, en dat betekent dat het aan de ziel alles wil ontnemen en ontstelen. Maar door zich een beetje te vertonen en te openbaren wil het de ziel prikkelen en haar achter zich aan trekken en haar van zichzelf beroven en aan zichzelf ontstelen.
Daarover zei de profeet: ‘Heer, ontneem hun hun geest en geef hun Uw geest daarvoor in de plaats.’ Dit bedoelde ook de liefhebbende ziel toen ze zei: ‘Mijn ziel smolt weg en vloeide uit toen de geliefde zijn woord sprak.’ Dat is: toen hij binnenging, moest ik minder worden. Dat bedoelde ook Christus toen Hij zei: ‘Wie iets prijsgeeft om Mijntwille, die zal het honderdvoudige terug ontvangen, en wie Mij wil hebben, die moet zich van zichzelf en alle dingen losmaken, en wie Mij wil dienen,
die moet Mij volgen, hij moet niet het zijne volgen.’ Nu zou je kunnen zeggen: ‘Wat nou, Eerwaarde, u wilt de natuurlijke gang van de ziel omkeren! Het is immers de natuur van de ziel dat zij via de zintuigen en in beelden de dingen in zich opneemt, wilt u die gang van zaken omkeren?’ Zeker niet! Wat weet je ervan welk een adel God in die natuur heeft gelegd, die nog niet goed is beschreven, maar nog verborgen is? Want zij die over de adel van de ziel hebben geschreven waren toen nog niet verder gekomen dan hun natuurlijke verstand hen droeg; ze waren nooit tot in de grond gekomen: daarvan moest voor hen veel verborgen zijn en ongekend blijven. Daarom zei de profeet: ‘Ik wil zitten en wil zwijgen en wil horen wat God in mij spreekt.’
Omdat het zo verborgen is, daarom kwam dit woord in de nacht, in de duisternis. Johannes zegt: ‘Het licht schijnt in de duisternis, het kwam tot het zijne, en allen die het ontvingen werden overmachtig Gods zonen: hun werd de macht gegeven om Gods zonen te worden.’ Letten jullie dan nu op het nut en de vrucht van dit heimelijke woord en deze duisternis. Niet alleen de Zoon van de hemelse Vader wordt geboren in die duisternis die de Zijne is: ook jij wordt daar geboren als kind van dezelfde hemelse Vader en van niemand anders, en Hij geeft ook jou de macht. Letten jullie nu op hoe groot het nut daarvan is. Wat alle leermeesters ooit aan waarheid leerden met hun eigen verstand en begrip of ooit nog zullen leren tot aan de jongste dag,
ze hebben nooit ook maar het minste begrepen van dit weten en van deze grond. Mag het dan een onweten en een ongekendheid heten, toch heeft het meer in zich
dan al het weten en kennen daarbuiten; want dit onweten lokt en trekt je weg van alle weetbaarheden en ook van jezelf. Dat bedoelde Christus toen Hij zei: ‘Wie
zichzelf niet verloochent en niet vader en moeder verlaat en alles wat uiterlijk is, die is mij niet waardig.’
Alsof Hij zeggen wilde: wie niet alle uiterlijkheden van de geschapen wereld achter zich laat, die kan in deze goddelijke geboorte niet ontvangen of geboren worden. Maar door jezelf te beroven van jezelf en van alles wat uiterlijk is, daardoor wordt het je in waarheid gegeven. En naar waarheid geloof ik en ben ik er zeker van dat mensen die daarin standhouden nooit van God gescheiden kunnen worden, door niets en niemendal, op geen enkele wijze. Ik zeg: zij kunnen op geen enkeIe manier tot doodzonde vervallen. Eerder zouden ze de smadelijkste dood sterven, zoals ook de heiligen die ondergingen, dan dat ze de allergeringste doodzonde zouden begaan. Ik zeg: ze kunnen zelfs geen dagelijkse zonde begaan of bewust voor zichzelf of bij anderen toelaten als ze dat kunnen verhinderen. Ze worden zo sterk en met zo’n gewenning tot die geboorte gelokt en getrokken, dat zij zich nooit tot een andere weg kunnen wenden, ze richten al hun zinnen en krachten daarop.
Tot deze geboorte helpe ons God die telkens opnieuw menselijk wordt geboren, opdat wij zwakke mensen in Hem goddelijk worden geboren; daartoe helpe Hij ons eeuwig. Amen.

Alleenspraak aan de grens Hans Andriessen

DSCN0731

ALLEENSPRAAK AAN DE GRENS

Nu eens niet over de grenzen van anderen
maar over die van jezelf.
Hoe groot is je pretentie
anderen te willen begeleiden.
Alsof je zou weten waar hun grenzen liggen
en je zou kunnen zeggen:
‘tot hier en niet verder’.
En alsof je je eigen grenzen zou kennen
en je je zelf zou kunnen zeggen:’verder niet’.
Er is er een die de grenzen heeft gesteld;
in de Aanvang.
En die ze nog steeds stelt:
aan de Oorsprong.
Wie was daarbij in de Aanvang?
En wie ziet nu toe aan de Oorsprong?
Keek je soms mee toen Hij je weefde in de schoot?
En heb je toegang tot zijn geheim-zinnig werken
tot in dit uur?
‘Grens” is de stekel aan mens, dier of plant;
stekel die pijn doet en prikt en terugslaat;
angel in het vlees;
pijn die je wilt ontvluchten;
terugslag die je niet past.
Grenzen zijn de stekels aan jezelf.
Je zet ze op omdat je verder wilt en dat gaat niet.
* * *
Maar wie ben je zelf dat je je zelf kunt steken
juist daar waar je ‘eindigt’?
Zegt niet elke grens, elk einde dat er m‚‚r is?
Wie de grens ziet, keek er al over heen.
Waarom dan je stekels: je woede, je onmacht, je verwijt;
zelfs je aanvaarding.
Ze zijn goedkoop en doorzichtig.
Ze gaan alle over jezelf:
over wat je van je zelf had gedacht
– het bleek een vergissing –
en over wat je allemaal kon
– je had jezelf opgeblazen –
en over wat allemaal moest kunnen
– het oude verhaal van de mens.
Slechts over het bekende en vertrouwde gaan ze,
over het gemakkelijke, het min of meer moeilijke;
alles m‚‚r van hetzelfde.
Juist niet over het onbekende gaan ze;
het onbekende van jezelf en van de ander;
niet over het geheim dat zich in alles
en in iedereen nestelt;
niet over het Geheim waarin wij leven, bewegen en zijn.
* * *
Hoe zou het zijn als je de grens zou zien
als een doorgang naar een ander gebied,
naar de voorhof van het Geheim?
Welk een helderheid zou er ontstaan
in het besef dat er andere wegen zijn dan de bekende;
andere woorden dan de vertrouwde;
andere gevoelens dan die waarin je leerde wonen
als in een gewoonte.
Nieuwe helderheid ten aanzien van jezelf
en van wat je eigenlijk bent;
en ten aanzien van de ander
en van wat die eigenlijk is.
Doortrekken hier, aan de grens,
naar het geheim van bestaan
waarin geen weg valt te gaan
noch een woord te spreken
noch een gevoel te onderzoeken
noch een probleem op te lossen.
Doortrekken naar dit geheim-zin-nig gebied
waar een andere macht werkt:
de bescheiden welhaast onmerkbare macht
van dit Geheim.
Hoe zou het zijn als daar ontstaat de vraag
naar jezelf,
naar de bronnen waaruit je werkelijk leeft
en de woorden die je werkelijk hoort?
Hoe zou het zijn als je stoot op je eigen geheim
en daaraan rijpt in stilte
niet meer gesloten door de eigen stekels
maar opgeroepen tot een nieuw wachten?
* * *
Aan de grens – plaats van doorgang-ervaren
dat niet de oplossing belangrijk is
maar dat wat de vraag met je doet
in het aandachtig wachten.
Niet de vraag die zich niet liet oplossen
en die je bracht naar de grens en de eigen, bittere stekels
maar die van het Geheim
dat vraagt op je te mogen inwerken
eenmaal dat je doordrong in zijn voorhal
Geheim dat je beduidt
hoe betrekkelijk is je weten
en hoe kortzichtig je doen
en hoe ongelovig je verlangen;
dat je beduidt hoe wij allen zijn als een eiland
een klein eiland, omgeven door de slaap;
als trekvogels die wel vliegen
maar niet weten waardoor en waarheen;
Geheim dat je zegt hoe de ander ontschiet
aan inzicht en regel, aan wet en methode;
en dat je noopt tot een inkeer
waarin de aandacht voorrang heeft op het doel,
de weg op het aankomen,
de belangeloosheid op het belang,
de ontzelving op de edele inzet.
Geheim dat je doet weten
– zekerder weten dan alle begrijpen –
dat er andere wegen zijn die je niet ziet
en een andere leiding dan die jij geeft
en een andere schikking van het leven der mensen
dan die jij vermoedt.
* * *
Pas aan de grens leer je geloven,
aan de stekels,
wanneer alles je ontvalt
en in je stilte.
eindelijk bevrijd van de moedwil der woorden
en van de macht van het willen
en van de nooddruft van het verlangen,
beseft dat wij verlossing behoeven
wij allen
in deze advent van bestaan;
dat wij uitzien naar een andere wijze van zijn,
en een ander bestel
en neer aan ander haven voor het onttakelde schip.
* * *
Aan de grens, pas aan de grens
breekt het hart
uit zijn oeroude schubben en pantsers
– zeven ijzeren ringen, zeggen de oude verhalen –
en breekt het open naar een andere wereld
waar onze woorden -ontledigd-
nieuw worden gevuld met verwachting
en onze harten -gebroken-
met nieuwe aandacht en trouw.
* * *
aan de grens leidt niemand;
daar worden allen begeleid.
* * *
Is er een licht dat allen
verlicht en dat wij van elkander ontvangen
maar dat ons niet behoort?
Is er een licht achter de stekels,
oorspronkelijk licht waarop alle woorden
pas kunnen worden geijkt?
Oorspronkelijk licht voor zon en sterren,
voor het zachte licht van de maan in de nacht?
En is er een Wijsheid met wie Hij speelt,
God met Sophia, Vrouw en Wijsheid,
geboren nog voor alles begon?
Zij speelde in het gezicht van de Schepper,
omspeelde al wat hij schiep
en stelde, licht dansend van inval tot inval,
Hem nog nieuwe scheppingen voor.
Speelt zij met ons aan de grens
aan de stekels voorbij
in een nieuw en oorspronkelijk licht?
Speelt zij met mij die de grenzen
dacht te kunnen bepalen;
omspeelt zij de grens, licht dansend,
van inval tot inval;
nog steeds?
Leer ik nog dansen, dansen nog
in een nieuw licht?
* * *
Worden wij daartoe gevoerd
tot aan de uiterste grenzen waar niets nog helpt:
dat wij toch nog gaan zien
– al onze maten verstoord,
al onze gedachten ontmachtigd,
al onze plannen vervluchtigd-
wie wij zijn?
Wacht ons daar eindelijk het inzicht?
* * *
In de wereld heerst altijd de angst,
bondgenoot van al onze woorden,
geheime gezel op de weg,
begeleider van alle begeleiding,
laatste woord aan de grens,
woord dat ons steekt.
De angsten aanzien in het einde
en weten: aan allen gemeenzaam zijn zij.
Aan de grens onderkennen hun ware gelaat;
rug tegen de muur, zonder woorden.
In de wereld heerst altijd de angst.
* * *
Van over de grens klinkt het aan:
‘Vrees niet, ik heb overwonnen’.
Maar wat is een woord door zoveel tijden
overgeleverd, wat het verhaal van die ene
Grensganger, Vreemdeling, afdalend
diep onder de aarde, gestegen
alle grenzen voorbij
tot in een andere wereld,
zeven hemelen hoog; hoger nog
tot in Aanvang en oorsprong;
Alpha-Omega?
* * *
wagen de grens en vertrouwen?
* * *
‘Wat is geloven anders dan Wagen?’
wagen aan de stekels voorbij.
H. Andriessen