Theresia van Avilla 4: De weg naar het rijk

DSCN9256
DE WEG NAAR HET RIJK

GELOOF
…wie tot God wil naderen, moet geloven dat Hij bestaat
en beloont die Hem zoeken. Hebr. II, 6.

Het gebed in het algemeen als de richting naar het Rijk

Inwendig gebed is niets anders, dunkt mij, dan een vriendschappelijke omgang, waarbij wij ons telkens weer alleen met de Ene onderhouden, van Wie wij weten, dat Hij ons liefheeft. (Leven 8, nr. 5.)
Om een grondslag te leggen voor wat ik zeggen ga, beschouwe men de eigen ziel eens als een uit één enkele diamant of uit een allerklaarst kristal bestaand kasteel met vele vertrekken, zoals er in de ‘hemel ook vele verblijven zijn. Want goed beschouwd, is de ziel van de gerechtvaardigde inderdaad een paradijs. En de Heer zegt ervan, dat Hij er graag verblijft. Als dit dan zo is, wat dan te zeggen van de verblijfplaats, waar een zo machtig, wijs, zuiver en alle goeds in zich dragend Koning graag tegenwoordig is! (. ..)
Is dit nu zo -en zo is het -dan hoeven wij ons ook niet af te tobben met de schoonheid van dit kasteel te willen doorgronden. Ook al is het verschil tussen dit kasteel en God dat van Schepper en schepsel, Zijne Majesteit zegt toch, dat het naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen is. Dit volstaat om te maken, dat wij ons nauwelijks enig idee kunnen vormen van de waardigheid en de schoonheid van de ziel.
Nu zou het toch wel erbarmelijk en vernederend zijn, als wij door eigen schuld onszelf niet kennen en niet weten, wie wij zijn. Is het geen grote domheid (. ..) wanneer iemand, gevraagd wie hij is, niets van zichzelf afweet, zijn vader en moeder niet kent en niet eens weet, waar hij thuishoort? Als dat nu al redeloos dom zou zijn, dan is het toch nog onvergelijkelijk dommer, wanneer wij geen zorg dragen goed te weten, wat we eigenlijk zijn en ons bepalen tot onze lichamelijkheid, dat wil zeggen tot de buitenkant. We weten – want we hebben dat gehoord en het geloof zegt het ons – dat wij een ziel hebben. Maar wat die ziel aan rijkdommen bezit, of wie ,binnen in die ziel verblijf houdt, of de hoge waarde van die ziel, daar houden wij ons maar zelden mee op en bijgevolg maakt het ons ook niet veel of wij er met alle zorg voor waken, dat de schoonheid ervan ongerept
blijft. Alle zorg wordt besteed aan de grove zetting (van de edelsteen) of aan de ringmuur van het kasteel. Dat is dan het lichaam. (. ..)
Nu moeten wij dan eens zien, hoe we er binnen kunnen komen. En het lijkt wel, of ik iets ongerijmds zeg. Want als het kasteel de ziel zelf is, spreekt het vanzelf, dat zij er niet binnen hoeft te gaan. Ze is het immers zelf! Zo zou het ook dwaasheid zijn aan iemand te zeggen, dat hij een vertrek moet binnengaan, waar hij zich al bevindt. Toch moet men wel weten, dat er tussen ergens-zijn en ergens-zijn een hemelsbreed verschil kan bestaan. Heel veel zielen bevinden zich in de naaste omgeving van hun kasteel: daar, waar de wachten op post staan. Zij bekommeren er zich niet om ook eens naar binnen te gaan. Zij weten ook niet, wat er binnen die kostelijke ruimte te beleven valt, of wie daar verblijf houdt, of wat voor afdelingen er zijn. Maar u heeft toch wel eens in sommige boeken over het gebed de raad horen geven, dat de ziel in zichzelf moet keren? Nu, dát is het juist!
Een zeer geleerd iemand zei mij onlangs, dat de zielen die zich niet op het gebed toeleggen, op verlamde lichamen lijken: krachteloos, wel voorzien van handen en voeten, maar zonder zeggingsmacht daarover. Zo zijn er ziekelijke
zielen, dermate gewend zich alleen maar met uiterlijkheden op te houden, dat zij blijkbaar met geen mogelijkheid in zichzelf kunnen keren. (. ..)
Voor zover ik kan nagaan, is echter de poort waardoor men het kasteel binnentreedt, het GEBED en de OVERDENKING. Ik heb hier nog geen voorkeur voor inwendig –of mondgebed. Want gebed -wil het gebed wezen – moet met overdenking gepaard gaan. Immers als men niet bedenkt met wie men spreekt of wat men vraagt en wie het is die vraagt of gevraagd wordt, dan noem ik dat niet ‘gebed’, ook al roert men nog zo druk zijn lippen. Soms zal er misschien, zonder dat men er acht op geeft, toch nog sprake kunnen zijn van ‘gebed’, doordat men het meermalen tevoren wel overdacht heeft. Toch lijkt het me geen gebed, wanneer iemand de gewoonte zou hebben met de Goddelijke Majesteit te spreken als met een slaaf, tegenover wie men niet oplet of men zich al dan niet goed uitdrukt en hij maar zegt, wat hem voor de mond komt, omdat hij het al eens meer gezegd heeft en het daarom van buiten kent. En geve God, dat er geen christenmens is die zoiets wél gebed noemt.
(. ..) Wij richten ons dus niet tot dat soort verlamde zielen. Want als de Heer zelf niet tot hen komt en hun beveelt op te staan, zoals Hij deed met de man, die dertig jaar lang aan het Schaapsbad gelegen had, dan ziet het er slecht voor hen uit en lopen ze groot gevaar. Wij richten ons echter tot
de zielen die tenslotte toch het kasteel binnengaan. Want al worden ze ook erg door de wereld in beslag genomen, ze hebben toch goede verlangens en soms – zo af en toe -,bevelen zij zich aan Onze Heer aan en denken er eens
over na, wie zij zijn: Niet intens overigens. Enkele keren per maand bidden ze eens wat, waarbij ze vol zijn van wat ze omhanden hebben, omdat hun geest daar gewoonlijk mee bezig is. Gehecht als ze eraan zijn, gaat hun hart daarheen, waar hun schat is. Toch komen zij er een enkele keer uit los
en dan is het al heel wat,als er enige zelfkennis is en het inzicht, dat zij op zo’n manier de poort niet zullen vinden. (Kasteel der ziel I: 1, nrs. 1, 2, 5, 6, 7, 8.)
Op de eerste plaats wil ik, voorzover mijn armzalig begrip reikt, uiteenzetten, waarin het wezen van het volmaakte gebed bestaat. Want er zijn er, die menen, dat het hem zit in het denken. En als zij hun denken maar voortdurend op God gericht kunnen houden, ook al kost het hun de grootste moeite, dan beelden zij zich terstond in geestelijke lieden te zijn. En worden ze daarvan afgehouden, omdat er wat anders te doen is, ook al is het terwille van iets goeds, dan zijn ze terstond ontroostbaar en menen, dat ze verloren zijn. Zulke dingen en zulke domme opvattingen komen
niet zozeer voor bij geleerden (ofschoon ik ze bij enkelen onder hen toch heb aangetroffen) maar wij, vrouwen, moeten op dit soort dingen gewezen worden. Ik beweer niet, dat het geen gunst des Heren is, wanneer iemand aldoor bezig kan zijn met het overdenken van Zijn werken. Het is goed zich daarop toe te leggen. Maar men moet wel bedenken, dat niet ieders voorstellingsvermogen daartoe van nature in staat is. Iedere ziel, daarentegen is wel in staat te beminnen. Elders heb ik al eens de oorzaken aangegeven van de grilligheid van onze verbeelding. Mijns inziens niet
alle, maar enige ervan. Daarom spreek ik er hier nu niet meer over en wil alleen maar te verstaan geven, dat de ziel niet louter denkkracht is en dat de wil niet enkel door het denken gedreven wordt. Want dan zou het er slecht voor haar uitzien. Bijgevolg is de vooruitgang van de ziel niet
gelegen in veel denken, maar in veel beminnen.
Hoe komt men nu tot die liefde? Men geraakt ertoe door met vastberadenheid voor werken en lijden te optéren en wel metterdaad, als de gelegenheid zich voordoet. Weliswaar loopt de overdenking van wat wij de Heer verschuldigd zijn, wie Hij is en wat wij zijn, toch hierop uit, dat het de ziel vastberaden maakt. Dit is dan ook van groot belang en voor beginnelingen zeer aanbevelenswaardig.
Wel te verstaan alleen, wanneer datgene wat de gehoorzaamheid en het heil van de naaste ons oplegt, niet in het gedrang komt. Als één van die beide zaken zich voordoet, hebben zij recht op de tijd die wij liever aan God zouden wijden, wat -naar wij menen -bestaat in alleen te zijn en dan
aan Hem te denken met wat dit aan vertroosting voor ons meebrengt. Dit prijsgeven om één van deze beide redenen is Hem behagen en iets voor Hem doen. Hij zegt immers zelf: ‘Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan. (Matt. 25, 40)
En wat de gehoorzaamheid betreft, Hij wil zeker niet, dat men een andere weg volgt dan die welke Hij voor Zichzelf gekozen heeft: gehoorzaam te worden tot de dood. (Pil. 2, 8) Als dit dan zo is, waarvandaan komt dan meestal die ontstemming, wanneer men niet een groot deel van de dag alleen en in God verslonden heeft kunnen zijn, maar door allerlei zaken in beslag is genomen? Mij dunkt, dat dit twee oorzaken heeft. De eerste en voornaamste is de eigenliefde, die hier meespreekt en wel heel subtiel, zodat we er geen erg in hebben en toch meer onszelf dan God zoeken te behagen. Het spreekt immers vanzelf dat, zodra een ziel begint te proeven,
hoe zoet de Heer is; zij veelliever in rust en zonder werk is naar het lichaam en in geneugten naar de ziel.
O liefde van hen, die Onze Heer waarlijk beminnen en Zijn aard kennen! Hoe zouden zij zichzelf enige rust gunnen, wanneer zij de mogelijkheid zien een weinig te kunnen bijdragen tot de vooruitgang van een ziel, zodat die wat
meer van God gaat houden of haar troost te verschaffen of vrijwaren voor enig gevaar! Zij zouden toch niet tot rust kunnen komen in een zichzelf voorbehouden rust! En, kunnen ze niet helpen door daden, dan doen ze het door gebed. (. ..)
Nooit is er dus reden voor mistroostigheid. Wanneer de gehoorzaamheid u met uitwendige beslommeringen belast, weet dan, als het bijvoorbeeld in de keuken is, dat de Heer daar omgaat tussen de potten en pannen en u helpt naar het uit – en inwendige. ( …) Hier (. ..) is het nu, dat men die liefde moet kunnen zien. Niet in verborgen hoekjes, maar midden in de gegeven omstandigheden. En geloof mij, al begaan we daarbij ook fouten en al loopt het zelfs eens mis, wij zullen er toch onvergelijkelijk veel profijt van hebben. Bedenk echter wel: ik ga steeds uit van de veronderstelling, dat men er zich omwille van de gehoorzaamheid of van de naastenliefde mee bezig houdt. Zo niet, dan moet de eenzaamheid de voorkeur
hebben. Dat zal ik steeds blijven herhalen. En zelfs moeten wij naar de eenzaamheid blijven verlangen, wanneer wij datgene doen, waar ik het zoëven over had. In feite toch blijft in zielen, die God waarlijk liefhebben, dit verlangen steeds voortduren.
En als ik beweer, dat wij er steeds profijt van zullen hebben, dan komt dat, omdat wij zullen gaan begrijpen, wat wij eigenlijk zijn en hoe het staat met onze deugdzaamheid. Immers iemand, die altijd afgezonderd leeft, kan, al lijkt hij nog zo heilig, niet weten of hij geduldig of nederig is en het ook niet aan de weet komen. Hoe kan bijvoorbeeld een man, al is hij nog zo dapper, zich van zijn dapperheid bewust worden, wanneer hij nooit een veldslag heeft meegemaakt? De heilige Petrus meende stellig, dat hij moedig was, maar bedenk eens, hoe hij bleek te zijn, toen het erop aan kwam. Hij trok uit zijn échec echter het profijt, dat hij nooit meer op zichzelf vertrouwde en daarom kwam hij er toe zijn vertrouwen te stellen op God. En naderhand onderging hij, naar men weet, het martelaarschap.
Godbewaar! Kenden wij toch maar goed onze eigen ellende! En daarom is het een groot goed, dat ons van alles wordt opgedragen. Dan krijgen wij onze kleinheid te zien. Er is één dag van vernederende zelfkennis, zelfs ten koste van veel verdriet en inspanning, beschouw ik als een grotere
genade van Godswege dan vele dagen van gebed. En wel des te meer, naarmate een waarachtig minnaar toch overal en in alle omstandigheden liefheeft en zijn beminde indachtig is. Het zou toch wel erg zijn, wanneer men alleen maar in schuilhoekjes het gebed zou kunnen beoefenen! Het ligt voor de hand, dat er dan niet veel uren voor over zouden schieten. Maar, o Heer, van hoeveel invloed op U is al één enkele zucht, die uit ons binnenste opstijgt uit verdriet, dat we het hier op aarde niet alleen moeten uithouden, maar men er ons zelfs geen plekje Iaat om alleen met U te zijn en van U te genieten! (Kloosterstichtingen 5, nrs. 2, 3, 4, 8, 15, 16.)
Er zijn zielen en geesten, die zo rusteloos zijn als op hol geslagen paarden, die niemand tot staan kan brengen. Zij hollen in voortdurende onrust van het een naar het ander. Dit ligt in hun aard. Ook kan het zijn, dat God het toelaat. Ik heb met hen te doen, want ze gelijken mijns inziens op mensen, die erge dorst hebben, heel in de verte water zien en wanneer ze daarheen willen gaan, lieden aantreffen, die hun de pas afsnijden, hetzij in het begin, hetzij onderweg, hetzij op het eind.
Het komt voor, dat zij met veel inspanning -zware inspanning -de eerste vijanden overwonnen hebben en er vanaf zien de volgende nog te bevechten en liever van dorst sterven dan water te drinken, dat hun zoveel kost. De krachten geven hun, de moed ontzinkt hun. En al brengen sommigen het zover, dat zij ook nog de volgende vijanden overwinnen, bij de derde is het gedaan met hun kracht. En wellicht zijn ze nog maar een paar passen verwijderd van
de bron van levend water, waarover de Heer tot de Samaritaanse zei: Wie ervan drinkt, krijgt geen dorst meer. Zeer juist .en waar is het, wat de Waarheid zelf hier zegt, dat men geen dorst meer krijgen zal naar iets van dit leven, tenminste niet op een wijze, waardoor wij God zouden verliezen. Of het moest zijn, dat men Hem de rug toekeert. Zodat men toch steeds in vreze moet voortgaan, ook al wordt de dorst naar de dingen van het andere leven te hevig om hem nog met natuurlijke dorst te kunnen vergelijken. Maar
met wat een dorst verlangt men dan deze dorst te ervaren! Want de ziel wordt zich de grote waarde ervan bewust en beseft tevens dat deze dorst wel kwelt en afmat, maar toch dezelfde bevrediging met zich meebrengt, als een geleste dorst. Zo namelijk, dat deze dorst niet de dorstende doodt, maar veeleer diens dorst naar aardse zaken. De dorstende echter geeft zij bevrediging. Als God deze dorst stilt, is het bijgevolg een der grootste genaden, die Hij de ziel schenken kan, haar in diezelfde dorstigheid te laten, ja, dat haar nog groter dorst bijblijft, om steeds weer van dit water te drinken. (. ..)
De lust, die van het denken komt, hoe groot ook, noodzaakt het water over de aarde te stromen. Men drinkt het dan niet aan de bron. Nooit is het vrij van het slijk, waarmee het in aanraking komt. Het is nooit zo zuiver en helder (als bronwater). Het gebed, dat..zogezegd-a1 redenerend met het verstand ontstaat, noem ik geen levend water. Want al willen we het nog zo goed doen, voortdurend krijgt de ziel van haar gang door het stroombed iets mee van wat ze niet mee zou willen hebben, juist doordat zij geholpen wordt door het lichaam en door haar laag-bij-de-grondse aard.
Om mij nader te verklaren: we zijn aan het overwegen, wat de wereld feitelijk is en hoe aan alles een eind komt, om zodoende tot wereldverachting te komen. En haast zonder erg raken we bezig met de dingen van deze wereld, omdat we eraan gehecht zijn. Terwijl wij ze juist wensen te ontvluchten, hindert ons op zijn minst de bijgedachte aan hoe het geweest is en zijn zal en wat men gedaan heeft en doen zal. En door na te gaan, wat ons in een bepaald geval te doen staat om onthecht te raken, stellen wij ons soms opnieuw aan gevaar bloot.
Niet, dat wij dit soort overweging daarom achterwege moeten laten. Maar we moeten ermee oppassen en niet onbezorgd te werk gaan. Weg der volmaaktheid 9 nrs. 2, 6, 7.)

Theresia van Avilla 3: Raadgevingen

DSCN6532

RAADGEVINGEN
Misschien van Teresa van Avila of van haar biechtvaders
Teresa deelde ze mee aan haar zusters en hechtte er belang aan.
1. Onbewerkte grond brengt distels en doornen voort, ook al is hij vruchtbaar. Zo ook het menselijk verstand.
2. Spreek goed over al wat geestelijk is, zoals over religieuzen, priesters en kluizenaars.
3. Zeg weinig daar, waar velen samen zijn.
4. Wees bescheiden in al wat je doet en zegt.
5. Wees nooit eigenzinnig, vooral wanneer het gaat over weinig belangrijke zaken.
6. Spreek tot iedereen met matige opgewektheid.
7. Spot nooit met iets.
8. Wijs nooit iemand terecht zonder bescheidenheid, nederigheid en schaamte over jezelf.
9. Schik je naar de stemming van hen met wie je spreekt: wees blij met de blijden, droef met de bedroefden. In een woord, wees helemaal aan allen om allen te winnen
10. Spreek nooit ondoordacht, zonder dat je de Heer vroeg nooit iets te zeggen dat Hem mishaagt.
11. Verontschuldig je nooit zonder ernstige reden.
12. Zeg nooit iets over jezelf dat lof verdient, of het nu gaat over je kennis, je deugden of je afkomst, tenzij je er nut van verwacht. Maar doe het dan met nederigheid, bedenkend dat het gaven zijn uit Gods hand.
13. Doe je best in niets te overdrijven, maar zeg met mate wat je meent.
14. Meng in elk onderhoud en gesprek iets geestelijks. Zo zal je ijdele woorden en kwaadsprekerij vermijden.
15. Bevestig nooit wat je niet zeker weet.
16. Geef nooit ongevraagd over alles en nog wat je oordeel, tenzij men je erom verzocht of de naastenliefde het eist.
17. Spreekt iemand je over geestelijke zaken, luister dan nederig als een leerling, en trek voordeel uit het goede dat gezegd wordt.

18. Onthul al je bekoringen, onvolmaaktheden en weerzin aan je overste en biechtvader, opdat hij je raad en een heelmiddel kan geven om ze te overwinnen.

19. Vertoef niet buiten je cel of verlaat haar niet zonder reden, en vraag bij het buitenkomen aan God de gunst, Hem niet te beledigen.
20. Eet en drink slechts op de gewone uren, en wees God dan zeer dankbaar.
21. Volbreng alle dingen alsof Zijne Majesteit werkelijk zichtbaar was. Langs deze weg wint de ziel veel.
22. Beluister nooit kwaad over wie dan ook, tenzij het over jezelf gaat. Vind je daar vreugde in dan maak je grote vorderingen.
23. Richt elk van je daden op God, bied ze Hem aan, en vraag dat het Hem tot eer en glorie mag strekken.
24. Wanneer je vrolijk bent, behoed je voor uitbundig lachen. Je vrolijkheid moet nederig, bescheiden, beminnelijk en opbouwend zijn.
25. Zie steeds in jezelf alleen maar de dienares van allen, en beschouw in ieder Christus, onze Heer. Zo zul je Hem eerbiedigen en eren.
26. Wees altijd bereid te gehoorzamen, net of Jezus Christus je beveelt door tussenkomst van je prior of overste.
27. Onderzoek je geweten op elk ogenblik en bij al wat je doet. En, na je fouten te hebben ingezien, tracht je ervan te verbeteren met Gods hulp. Langs deze weg zal je de volmaaktheid bereiken.
28. Overweeg de fouten van je naasten niet, maar zijn deugden en je eigen fouten.
29. Leef altijd met het vurig verlangen te lijden voor Christus, in alles en bij alle gelegenheden.
30. Draag jezelf vijftig maal per dag aan God op, en dit met grote vurigheid en verlangen naar Hem.
31. Bewaar heel de dag in de geest wat je ’s morgens overweegt; leg je vol ijver erop toe. Dit is zeer voordelig.
32. Bewaar zorgvuldig de gevoelens die de Heer je meedeelt, en breng in praktijk de verlangens die Hij je geeft in het gebed. 33. Vermijd zoveel mogelijk zonderling te doen, want dit is zeer nadelig voor de gemeenschap.
34. Lees dikwijls de voorschriften en de Regel van onze Orde en onderhoud ze echt.
35. Beschouw in al het geschapene Gods voorzienigheid en wijsheid en loof Hem om alles.
36. Onthecht je hart van alle dingen. Zoek God en je zult Hem vinden.
37. Toon nooit een uiterlijke vroomheid die er innerlijk niet is; maar je vroomheid mag je wel verbergen.
38. Toon je innerlijke vroomheid enkel in geval van dringende noodzaak; mijn geheim is van mij, zeggen Sint-Franciscus en Sint-Bemardus.
39. Beklaag je niet over het voedsel, of het goed of slecht bereid is. Gedenk de gal en azijn van Jezus Christus.
40. Spreek met niemand aan tafel, en sla de ogen niet op om iemand te bekijken.
41. Beschouw de hemelse tafel. Daar is God het voedsel, en de genodigden zijn de engelen. Sla de ogen op naar deze tafel en verlang eraan plaats te nemen.
42. Zeg tegen je overste, in wie je Jezus Christus moet zien, enkel het nodige, en dit met grote eerbied.
43. Doe nooit iets wat je niet kan doen voor het oog van iedereen.
44. Vergelijk nooit de ene persoon met de andere, want vergelijken is hatelijk.
45. Wanneer je berispt wordt, aanvaard het innerlijk en uiterlijk met nederigheid. En bid voor wie je de berisping geeft.
46. Wanneer een overste je iets beveelt, breng er niet tegen in dat iemand anders je het tegenovergestelde beval. Denk alleen dat allen met heilige bedoelingen bezield zijn, en gehoorzaam aan het bevel.
47. Toon je niet nieuwsgierig, noch door commentaar noch door vragen, ten overstaan van zaken die je, van dichtbij of ver, niet aanbelangen.
48. Denk aan je voorbije leven om het te bewenen, aan je tegenwoordige lauwheid, en aan wat je ontbreekt om van hier op te trekken naar de hemel. Herinner je het om in vrees te leven. Dit is bron van groot goed.
49. Doe steeds wat je huisgenoten je zeggen, als het niet tegen de gehoorzaamheid ingaat. En antwoord hen nederig en zacht.
50. Vraag alleen in geval van ernstige noodzaak iets bijzonders voor voedsel of kleding.
51. Laat nooit na je te vernederen en te versterven in alles tot aan de dood.
52. Maak je gewoon talrijke liefdedaden te stellen. Zij ontvlammen en vertederen de ziel.
53. Stel daden van alle andere deugden.
54. Draag alles op aan de eeuwige Vader, in vereniging met de verdiensten van zijn Zoon Jezus Christus.
55. Wees zacht voor allen, en streng voor jezelf.
56. Overweeg op het feest van de heiligen hun deugden, en vraag de Heer je deze te geven.
57. Verzorg degelijk je gewetensonderzoek van elke avond.
58. Beschouw in je gebed, de dag waarop je communiceert, hoe je in je ellende God gaat ontvangen. En in je gebed van de avond hoe je Hem
ontvangen hebt.
59. Ben je overste, berisp dan nooit iemand in toorn, maar eens deze voorbij, zal de berisping van nut zijn.
60. Streef ernstig naar volmaaktheid en godsvrucht, en pas dit toe op alles.
61. Oefen je veelvuldig in de vrees voor God. Zo blijft je ziel rouwmoedig en nederig.
62. Bedenk goed hoe vlug de mensen veranderen, en hoe weinig je op hen kunt vertrouwen. Hecht je daarom aan God want Hij verandert niet.
63. Tracht over je zieleleven te spreken met een geestelijke en onderlegde biechtvader, aan wie je zult gehoorzamen en volg zijn raad in alles.
64. Vraag telkens als je communiceert een gave aan God, uit kracht van de grote barmhartigheid waarmee Hij in je arme ziel gekomen is.
65. Ook al heb je talrijke heiligen als advocaten, doe toch bijzonder beroep op Sint-Jozef. Hij verkrijgt veel van God.
66. Geef in tijden van droefheid en verwarring de goede werken van gebed en boete waaraan je gewoon bent, niet op. De duivel zoekt je te verontrusten opdat je ze zou nalaten. Beleef ze eerder intenser en je zult zien hoe spoedig de Heer je zal begunstigen.
67. Spreek niet over je bekoringen en onvolmaaktheden met de minst ijverige van het huis. Je zou jezelf schaden en ook de andere. Maar doe het met de meest volmaakten.
68. Denk eraan, je hebt maar één ziel, je zult maar eenmaal sterven, je hebt maar één kort leven, één dat je eigen is, er bestaat maar één hemel en die is eeuwig. Zo zul je aan vele dingen verzaken.
69. Verlang ernaar God te zien. Vrees Hem te verliezen. Hem nog niet te genieten zij je pijn. Dat Hij je eens bij zich brengt zij je vreugde. En je zult in diepe vrede leven.

LOSSE FRAGMENTEN
1. HET WARE MARTELAARSCHAP IS DE LIEFDE
“Leer van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig”
Sint-Chrysostomus : Het martelaarschap is niet enkel volmaakt wanneer het bloed vloeit. Martelaarschap is ook de waarachtige onthouding van zonden, de beoefening en het onderhouden van Gods geboden. Het oprechte geduld bij tegenspoed maakt ook martelaren.
Wat waarde geeft aan onze wil is hem te verenigen met die van God, zodat we niets anders meer willen dan wat Zijne Majesteit wil. Het is roemvol deze liefde volmaakt te bezitten.
2. COMMUNIE OP DE DAG VAN PROFESSIE EN KLEDING
De oude constituties schrijven voor dat de zusters te communie gaan op de dag van hun professie en inkleding.
3. HEELMIDDEL BIJ VERVOLGING EN ONRECHT
Bedenken hoe het eerder God treft dan mezelf. Want wanneer de slag mij bereikt, heeft de zonde Zijne Majesteit reeds getroffen. Ook bedenken dat de ware minnaar reeds met zijn Bruidegom overeenkwam helemaal van Hem te zijn, en niets voor zich te willen. Waarom zouden wij dan ook niet verdragen wat Hij verdraagt? Wij zouden slechts de belediging moeten voelen die Zijne Majesteit wordt aangedaan, daar het onze ziel niet raakt, enkelons stoffelijk lichaam dat zozeer verdient te lijden. Sterven en lijden, dit moeten we verlangen. Niemand wordt boven zijn krachten beproefd. Niets gebeurt buiten Gods wil. Mijn vader, jij bent Israëls strijdwagen en zijn ruiterij, zei Elisa tegen Elia.
4. DE BIECHT
Antiochus verspreidde zo’n stank door zijn talrijke zonden, dat hij het zelf niet meer kon verdragen noch diegenen die hem vergezelden. De biecht dient om zijn fouten en zonden te zeggen, en niet de deugden of dergelijke dingen over het gebed, tenzij het gaat om iemand aan wie je er mag over spreken. Het komt de priorin toe hierover te oordelen. De zuster die er nood aan heeft moet het haar zeggen, opdat zij kan beslissen wat passend is. Want, zegt Cassianus, wie daar geen weet van heeft is als iemand die noch zag noch wist dat mensen kunnen zwemmen. Ziet hij dat ze zich in de stroom werpen, dan denkt hij dat ze allen gaan verdrinken. De Heer heeft gewild dat Jozef zijn visioen vertelde aan zijn broeders, en dat het geweten werd, hoewel het, gelijk dit bij Jozef het geval was, hem zo duur te staan kwam. Men begrijpt dat de vrees, die de ziel ondergaat wanneer God haar een grote gunst wil verlenen, een neerbuigen is van de geest, zoals bij de vierentwintig oudsten over wie de Schrift spreekt. Onwetend zondigt men niet. Zo liet God niet toe dat deze koning zondigde met de vrouw van Abram. Hij dacht immers dat zij zijn zuster was, en niet zijn vrouw.

Theresia van Avilla 2: Poesias/Poëzie

poesias

Iceland – poetry in the landscape

 

POESIAS

1
ASPIRACIONES DE VIDA ETERNA
Vivo sin vivir en mí,
y de tal manera espero,
Que muero porque no muero.

Vivo ya fuera de mí,
Después que muero de amor ;
Porque vivb en el Señor,
Que me quiso para sí :
Cuando el corazón le di
Puso en él este letrero,
Que muero porque no muero.

Esta divina prisión,
Del amor con que yo vivo,
Ha hecho a Dios mi cautivo,
y libre mi corazón ;
y causa en mí tal pasión
Ver a Dios mi prisionero,
Que muero porque no muero.

Ay, qué larga es esta vida!
Qué duros estos destierros!
Esta cárcel yestos hierros
En que el alma está metida!
Sólo esperar la salida
Me causa un dolor tan fiero,
Que muero porque no muero.

Ay, qué vida tan amarga
Do no se goza el Sefior!
Porque si es dulce el amor,
No lo es la esperanza larga:
Quíteme Dios esta carga,
Más pesada que el acero,
Que muero porque no muero.

Sólo con la confianza
Vivo de que he de morir,
Porque muriendo el vivir
Me asegura mi esperanza;
Muerte do el vivir se alcanza,
No te tardes, que te espero,
Que muero porque no muero.

Mira que el amor es fuerte;
Vida, no me seas molesta,
Mira que sólo me resta,
Para ganarte perderte.
Venga ya la dulce muerte,
El mor ir venga ligero
Que muero porque no muero.

Aquella vida de arriba,
Que es la vida verdadera,
Hasta que esta vida muera,
No se goza estando viva:
Muerte, no me seas esquiva;
Viva muriendo primero,
Que muero porque no muero.

Vida, qué puedo yo darte
A mi Dios, que vive en mí,
Si no es el perderte a ti,
Para merecer ganarte?
Quiero muriendo alcanzarte,
Pues tanto a mi Amado quiero,
Que muero porque no muero.

VERZUCHTING NAAR HET EEUWIG LEVEN
Ik leef, maar niet in mij,
en mijn hopen is zo hunkerend
dat ik sterf van niet te sterven.

Ik leef reeds buiten mij
sinds ik van liefde sterf.
Want leven doe ik in de Heer,
die mij heeft gewild voor Zich.
Toen ik Hem gaf mijn hart,
plaatste Hij dit schild erin:
dat ik sterf van niet te sterven.

Dit goddelijk gevang van
de liefde waarmee ik leef
heeft God mijn gevangene gemaakt
en vrij mijn hart.
En het doet mij zoveel leed
God te zien nu mijn gevangene:
dat ik sterf van niet te sterven.

Ach, wat duurt dit leven lang!
En hoe hard die ballingschap!
Deze kerker, deze boeien,
waarin de ziel is opgesloten!
Alleen al ’t wachten los te komen
geeft mij pijn zo vreselijk :
dat ik sterf van niet te sterven.

Ach, hoe bitter is het leven
daar waar men de Heer niet smaakt !
Want zo de liefde zoet is,
het durend hunkeren is dit niet.
Mocht God mij deze last ontnemen,
drukkender dan staal :
dat ik sterf van niet te sterven.

Enkel met het diep vertrouwen
eens te sterven, leef ik.
Want sterven dat is leven,
verzekert mij mijn hoop.
Dood, die ’t leven doet bereiken,
talm niet langer, jou verwacht ik:
dat ik sterf van niet te sterven.

Bedenk hoe sterk de liefde is;
leven, val mij niet meer lastig,
bedenk hoe enkel overblijft
om jou te winnen, je te verliezen.
Laat de zoete dood maar komen,
laat de dood snel komen:
dat ik sterf van niet te sterven.

Dit leven van Hierboven
dat het ware leven is,
tot aan ’t sterven van dit leven
smaakt men, al levend, niet.
Dood, wil mij dan niet ontvluchten;
laat, eerst stervend, mij toch leven:
dat ik sterf van niet te sterven.

Leven, hoe kan ik jou geven
aan mijn God die leeft in mij,
tenzij door je te verliezen
zó verdienend je te winnen?
Stervend wil ik jou verkrijgen
daar ik zozeer min mijn Liefste :
dat ik sterf van niet te sterven.

2
EN LAS MANOS DE DIOS
Vuestra soy, para Vos nací,
Qué mandáis hacer de mÍ?

Soberana Majestad,
Etema sabiduría,
Bondad buena al alma mía;
La gran vileza mirad
Dios, alteza, un ser, bondad,
Que boy os canta amor asi.
Qué mandáis hacer de mÍ?

Vuestra soy, pues me criastes,
Vuestra, pues me redimistes,
Vuestra, pues que me sufristes,
Vuestra, pues que me llamastes,
Vuestra porque me esperastes,
Vuestra, pues no me perdí.
Qué mandáis hater de mí?

Qué mandáis, pues, buen Señor,
Que baga tan vil criado?
Cuál oficio Ie babéis dado

A este esclavo pecador?
Veisme aquí, mi dulce Amor,
Amor dulce, veisme aquí,
Qué mandáis hacer de mí?

Veis aquí mi corazón,
Yo le pongo en vuestra pa1ma,
Mi cuerpo, mi vida y alma,
Mis entrañias y afición ;
Dulce Esposo y redención
Pues por vuestra me ofrecí
Qué mandáis hacer de mí?

Dadme muerte, dadme vida:
Dad salud o enfermedad,
Honra o deshonra me dad,
Dadme guerra o paz crecida,
Flaquezá a fuerza cumplida,
Que a todo digo que sí.
Qué mandáis hacer de mí?

Dadme riqueza o pobreza,
Dad consuelo o desconsuelo,
Dadme alegría o tristeza,
Dadme infiemo o dadme cielo,
Vida dulce, sol sin velo,
Pues del todo me rendí.
Qué mandáis hacer de mí?

Si queréis, dadme oración,
Si no, dadme sequedad,
Si abundancia y devoción,
Y si no esterilidad
Soberana Majestad,
Sólo hallo paz aqí,
Qué mandáis hacer de mí?

Dadme, pues, sabiduría,
O por amor, ignorancia,
Dadme añios de abundancia,
O de hambre y carestía;
Dad tiniebla o claro día,
Revolvedme aquí o allí.
Qué mandáis hacer de mí?

Si queréis que esté holgando,
Quiero por amor holgar .
Si me mandáis trabajar,
Morir quiero trabajando.
Decid, dónde, cómo y cuándo?
Decid, dulce Amor, decid.
Qué mandáis hacer de mí?

Dadme Calvario o Tabor,
Desierto o tierra abundosa,
Sea Job en el dolor,
O Juan que al pecho reposa;
Sea viña fructuosa
O estéril, si cumple asi.
Qué mandáis hacer de mí?

Sea José puesto en cadenas,
O de Egipto Adelantado,
O David sufriendo penas,
O ya David encumbrado,
Sea Jonás anegado,
O libertado de allí,
Qué mandáis hacer de mí?

Esté callando o hablando,
Haga fruto o no le haga,
Muéstrame la ley mi llaga,
Goce de Evangelio blando;
Esté penando o gozándo,
Sólo Vos en mi vivid,
Qué mandáis hacer de mí?

Vuestra soy, para Vos nací,
Qué mandáis hacer de mí?

IN GODS HANDEN
Ik ben van U, voor U werd ik geboren.
Wat wilt Gij met mij doen?

Soevereine Majesteit,
eeuwige wijsheid,
goedheid voor mijn ziel zó goed;
God, hoogheid, eenheid, goedheid,
zie neer op mijn geringheid
nu ik uw liefde zó bezing:
wat wilt Gij met mij doen?

Ik ben van U, daar Gij mij hebt geschapen,
van U, daar Gij mij hebt verlost,
van U, daar Gij mij hebt verdragen
van U, daar Gij mij riep,
van U, want Gij hebt zó op mij gewacht,
van U, daar ik toch niet verloren ging:
wat wilt Gij met mij doen?

Dus, wat beveelt Gij, goede Heer,
dat een zo nietig schepsel doen zal?
Welke taak hebt Gij gegeven
aan deze slaaf, zo zondig toch?
Zie mij hier, mijn zoete Liefde;
zoete Liefde, zie mij hier:
wat wilt Gij met mij doen?

Hier ziet Gij nu mijn hart,
ik leg het in uw handpalm;
mijn lichaam, ziel en leven,
mijn diepste diep, genegenheden.
Zoete Bruidegom, Bevrijder,
‘k gaf mij zo geheel aan U:
wat wilt Gij met mij doen?

Geef mij de dood, geef mij het leven,
geef mij ziekte of gezondheid;
eer of oneer, geef het mij,
geef mij strijd of grotere vrede,
zwakheid of volkomen kracht;
daar ik “ja” op alles zeg:
wat wilt Gij met mij doen?

Geef mij rijkdom ofwel armoe;
geef mij troost of troosteloosheid;
geef mij blijdschap ofwel droefheid,
geef de hel of geef de hemel.
Leven zoet, Zon zonder sluier,
‘k gaf mij heel en al uit handen:
wat wilt Gij met mij doen?

Zo Gij wilt, geef mij het bidden,
en zo niet, geef dorheid dan;
ofwel overvloed en godsvrucht,
indien niet, onvruchtbaarheid.
Soevereine Majesteit,
enkel hierin vind ik vrede!
wat wilt Gij met mij doen?

Welaan, geef mij grote wijsheid,
of, uit liefde, onwetendheid;
geef mij jaren vol van weelde,
of van honger of gebrek;
duisternis of heldere dag,
slinger mij maar her en der:
wat wilt Gij met mij doen?

Als Gij wilt dat ik zou rusten,
wil ik rusten ook uit liefde;
als Gij mij beveelt te werken,
wil ik, werkend, sterven dan.
Zeg mij waar, hoe en wanneer,
zeg maar, zoete Liefde, zeg het:
wat wilt Gij met mij doen?

Geef mij Golgota of Tabor ,
woestenij of welig land;
laat mij Job zijn in het lijden,
of Johannes, bij U rustend;
laat m’een wijngaard zijn vol vruchten
of onvruchtbaar zo dit schikt:
wat wilt Gij met mij doen?

Laat mij Jozef zijn in boeien
of Egyptes onderkoning;
David in zijn boetepijnen
ofwel David aan de top;
laat mij Jona zijn, verdronken
of terug in veiligheid:
wat wilt Gij met mij doen?

Of ik zwijgen moet of spreken,
vruchtbaar zijn of vruchteloos;
moet de wet mijn wonde tonen
of ’t evangelie mij vredig smaken;
moet ik lijden of genieten,
als Gij alleen maar leeft in mij:
wat wilt Gij met mij doen?

Ik ben van U, voor U werd ik geboren.
Wat wilt Gij met mij doen?

3
SOBRE AQUELLAS PALABRAS “DlLECTUS MEUS MIHI”
Yo toda me entregué y di,
y de tal suerte he trocado,
Que mi Amado para mi,
y yo soy para mi Amado.

Cuando el dulce Cazador
Me tiró y dejó rendida,
En los brazos del amor
Mi alma quedó calda,
Y cobrando nueva vida
De tal manera he trocado,
Que mi Amado para mí,
y yo soy para mi Amado.

Tiróme con una flecha
Enerbolada de amor,
Y mi alma quedó hecha
Una con su Criador ;
Ya yo no quiero otro amor,
Pues a mi Dios me he entregado,
y mi Amado para mí
y yo soy para mi Amado.

MIJN BEMINDE IS VAN MIJ
Over de woorden “DILECTUS MEUS MIHI”
Gegeven, overgeleverd heel en al,
deed ik zulk een ruil
dat mijn Beminde is van mij
en ik van mijn Beminde.

Toen mij trof de zoete Jager
en mij overwon,
viel mijn ziel in d’armen
van de Liefde ;
en herkrijgend een nieuw leven
deed ik zulk een ruil :
dat mijn Beminde is van mij
en ik van mijn Beminde.

Hij schoot op mij een pijl af,
purperrood gekleurd door liefde,
en, omgevormd, werd mijn ziel
met haar Schepper één ;
geen andere liefde wil ik meer,
want ‘k gaf mij aan mijn God gewonnen :
en mijn Beminde is van mij
en ik van mijn Beminde.

4
COLOQUIO AMOROSO
Si el amor que me tenéis,
Dios mío, es como el que os tengo.
Decidme en qué me detengo ?
O Vos en qué os detenéis ?
Alma qué quieres de mi?
-Dios mío, no más que verte.
-y qué temes más de ti?
-Lo que más temo es perderte.

Un alma en Dios escondida
Qué tiene que desear,
Sino amar y más amar,
Yen amor toda escondida
Tomarte de nuevo a amar?

Un amor que ocupe oS pido,
Dios mío, mi alma os tenga,
Para hacer un dulce nido
Adonde más la convepga.

LIEFDEVOLLE SAMENSPRAAK
Indien de liefde die Gij hebt voor mij,
mijn God, zó is als die ik heb voor U,
zeg mij waarom ik talmen zou?
Of Gij, waarom talmt Gij?
Wat verlang je, ziel, van Mij?
-Niets anders, God, dan U te zien.
-En wat vrees je ’t meest voor jou ?
-U te verliezen is mijn grootste vrees.

Een ziel in God verborgen,
wat kan zij nog verlangen
dan te minnen en nog meer te minnen ?
En geheel in liefde ontvlamd
opnieuw beginnen te beminnen ?

‘k Vraag U een liefde, overweldigend,
mijn God, en dat mijn ziel U mag bezitten
om een zachte thuis te maken
dáár, waar het haar het best bevalt.

5
FELIZ EL QUE AMA A DIOS
Dichoso el corazón enamorado
Que en solo Dios ha puesto el pensamiento;
Por él renuncia todo lo criado,
Yen él halla su gloria y su contento.
Aun de si mismo vive descuidado,
Porque en Dios está todo su intento,
Y asi alegre pasa y muy gozoso
Las hondas de este mar tempestuoso.

GELUKKIG HIJ DIE GOD BEMINT
Gelukkig het verliefde hart
dat op God alleen zijn gedachte heeft gevestigd;
dat voor Hem verzaakt aan al ’t geschapene,
en in Hem zijn roem en zijn voldoening vindt.
Het leeft zelfs onbezorgd over zichzelf,
want zijn bedoeling ligt geheel in God.
Zo overstijgt het licht en zeer verheugd
de golven van deze stormachtige zee.

6
ANTE LA HERMOSURA DE DIOS
Oh Hermosura que excedéis
A todas las hermosuras!
Sin herir dolor hacéis,
y sin dolor deshacéis,
El amor de las criaturas.

Oh, ñudo que asi juntáis
Dos cosas tan designales,
No sé por qué os desatáis,
Pues atado fuerza dais
A tener pbr bien los males.

Juntáis quien no tiene ser
Con el Ser que no se acaba:
Sin acabar acabáis,
Sin tener que amar amáis,
Engrandecéis nuestra nada.

VOOR GODS SCHOONHEID
O Schoonheid
alle schoonheid overstijgend!
Zonder te kwetsen doet gij pijn
en zonder pijn brengt gij tot niet
de liefde van de schepselen.

O knoop, aldus verbindend
twee dingen zó verschillend,
‘k weet niet waarom gij u ontwart
daar, gebonden, gij de kracht geeft
de kwalen voor een goed te houden.

Wie niet het zijn bezit, verbindt gij
met het eindeloze Zijn.
Afmakend zonder af te maken,
beminnend zonder iets om te beminnen,
maakt Gij groot ons niets.

7
AYES DEL DESTIERRO
Cuán triste es, Dios mío,
La vida sin ti!
Ansiosa de verte,
deseo morir.

Carrera muy larga
Es la de este suelo,
Morada penosa,
Muy duro destierro
Oh duefio adorado!
Sácamelde aquí.
Ansiosa de verte,
deseo morir.

Lúgubre es la vida,
Amarga en extremo;
Que no vive el alma
Que está de ti lejos.
Oh dulce bien mío,
Que soy infeliz!
Ansiosa de verte,
deseo morir.

Oh muerte benigna,
socorre mis penas!
Tus golpes son dulces,
Que el alma libertan.
Qué dicha, oh mi amado,
Estar junto a Ti!
Ansiosa de verte,
deseo morir.

El amor mundano
Apega a esta vida;
El amor divino
Por la otra suspira.
Sin ti, Dios eterno,
Quién puede vivir?
Ansiosa de verte,
deseo morir.

La vida terrena
Es continuo duelo:
Vida verdadera
La hay sólo en el cielo.
Permite, Dios mío,
Que viva yo allí,
Ansiosa de verte,
deseo morir.

Quién es el que teme
La muerte del cuerpo,
Si con elia logra
Un placer immenso?
Oh! sl, el de amarte,
Dios mío, sin fin.
Ansiosa de verte,
deseo morir.

Mi al ma afligida
Gime y desfallece.
Ah! Quién de su amado

Puede estar ausente?
Acabe ya, acabe
Aqueste sufrif.
Ansiosa de verte,
deseo morir.

El barbo cogido
En doloso anzuelo,
Encuentra en la muerte
El fin del tormento.
Ay! también yo sufro,
Bien mío, sin ti,
Ansiosa de verte,
deseo morir.

En vano mi alma
Te busca, oh mi dueño;
Tu siempre invisible
No alivias su anhelo.
Ay! esto la inflama
Hasta prorrumpir :
Ansiosa de verte,
deseo morir.

Ay! cuaudo te dignas
Entrar en mi pecho,
Dios mío, al instaute
El perderte temo.
Tal pena me aflige,
y me hace decir:
Ansiosa de verte,
deseo morir.

Haz, Señor, que acabe
Tau larga agonía;
Socorre a tu sierva
Que porti suspira.
Rompe aquestos hierros
y sea feliz.
Que ansiosa de verte,
deseo morir.

Mas no, dueño amado,
Que es justo padezca ;
Que expíe mis yerros,
Mis culpas immensas.
Ay! logren mis lágrimas
Te dignes oír
Ansiosa de verte,
deseo morir.

KLACHT UIT DE BALLINGSCHAP
Hoe droevig is, mijn God,
het leven zonder U!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Een zeer lange baan
is die van deze aarde;
een kommervolle woonplaats,
zeer harde ballingschap.
Aanbiddelijke Meester,
o neem mij weg hieruit!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Somber is het leven
en bitter tot het uiterste;
want leven doet de ziel
die ver van U is, niet.
O zoete Welbeminde,
wat ben ik onfortuinlijk!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

O liefelijke dood,
verlicht mijn pijnen !
Jouw slagen zijn zoet
daar zij de ziel bevrijden.
Wat een geluk, Geliefde,
met U vereend te zijn!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Wereldse liefde hecht
ons aan dit leven vast;
de goddelijke liefde
hunkert naar het andere.
Wie kan, eeuwige God,
leven zonder U?
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Het aardse leven is
onafgebroken rouw;
het ware leven vindt men
alleen maar in de hemel.
O laat me toe, mijn God,
daarginder te gaan leven.
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Wie is er die de dood
van ’t lichaam dan nog vreest,
zo hij daardoor verkrijgt
een mateloos genieten?
O ja! U eindeloos
te mogen minnen, God!
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Mijn diepbedroefde ziel
klaagt en begeeft geheel.
Ach, wie kan ver
van zijn Beminde leven?
Mocht het een einde nemen,
dit lijden, mocht het eindigen.
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

De vis die door een haak
pijnlijk gevangen is,
vindt in het sterven vlug
het einde van de kwelling.
Ach! zonder U, mijn God,
is ook mijn lijden zó.
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Mijn ziel zoekt tevergeefs
naar U, mijn Meester.
Gij, altijd onzichtbaar,
verlicht haar smachten niet.
Ach! dat ontvlamt haar zó
tot ze onstuimig roept:
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Wanneer Gij U gewaardigt
te treden in mijn diepste diep,
vrees ik terstond, mijn God,
U weder te verliezen.
Die pijn bedroeft mij zeer
en doet mij zeggen:
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Maak Heer, dat voleind wordt
een doodstrijd, o zo lang;
en kom je dienares te hulp
die zó verzucht naar U.
Breek deze boeien,
Iaat haar gelukkig zijn.
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

Maar neen, geliefde Meester,
het past wel dat ik lijd;
dat ik mijn fouten boet,
mijn schuld onmetelijk.
Laat mij geween bekomen
dat Gij mij wilt aanhoren:
Onrustig tot ik U zie
verlang ik te sterven.

8
BUSCANDO A DIOS
Alma, buscarte has en Mí,
Y a Mí buscarme has en tí.

De tal suerte pudo amor,
Alma, en mí te retratar,
Que ningún sabio pintor
Supiera con tal primor
Tal imagen estampar.

Fuiste por amor criada
Hermosa, bella, y así
En mis entrañas pintada,
Si te perdieres, mi amada,
Alma, buscarte has en Mí.

Que yo sé que te hallaras
En mi pecho retratada,
y tan al vivo sacada,
Que si te ves te holgaras
Viéndote tan bien pintada.

y si acaso no supieres
Donde me hallarás a Mí,
No andes de aquí para allí.
Sino, si hallarme quisieres
A Mí buscarme hos en ti.

Porque tu eres mi aposento,
Bres mi casa y morada,
Y así llamo en cualquier tiempo,
Si hallo en tu pensamiento
Estar la puerta cerrada.

Fuera de ti no hay buscarme,
Porque para hallarme a Mí,
Bastará Sólo llamarme,
Que a ti iré sin tardarme,
Y a Mí buscarme hos en ti.

OP ZOEK NAAR GOD
Ziel, jij moet je in Mij zoeken
en Mij, Mij moet je in jou zoeken.

De liefde wist op zulke wijze
jou te tekenen, ziel, in Mij
dat niet één talentvol schilder
met zodanige begaafdheid
zulk een beeld graveren kon.

Schoon, bekoorlijk, eens geschapen
door de liefde, en zo sta je
in mijn diepste diep geschilderd ;
zo jij jezelf verloor, mijn liefste,
ziel, je moet je in Mij zoeken.

Want ‘k weet dat jij je vinden zult
in mijn binnenste getekend,
zó getekend naar het leven,
dat bij ’t zien, je zult verheugd zijn
je zó goed te zien geschilderd.

Mocht bij toeval jij niet weten
waar je Mij kunt vinden, Mij,
ga dan toch niet her en der;
maar als jij Mij wenst te vinden,,
Mij, Mij moet je in je zoeken.

Want mijn kamer dat ben jij,
jij mijn huis en mijn verblijf;
om ’t even welk uur roep Ik dus
zo Ik van jouw gedachten
de deur gesloten Vind.

Buiten jou hoef je Mij niet te zoeken
want om Mij te vinden, Mij,
volstaat het Mij te roepen :
aanstonds kom Ik dan tot jou,
en Mij, Mij moet je in je zoeken.

9
EFICACIA DB LA PACIENCIA
Nada te turbe,
Nada te espante,
Todo se pasa,
Dios no se muda,
La paciencia
Todo lo alcanza;
Quien a Dios tiene
Nada le falta:
Sólo Dios basta.

GOD ALLEEN VOLDOET
Krachtdadig geduld
Laat niets je verstoren.
Laat niets je beangstigen.
Alles gaat voorbij.
God verandert niet.
Geduld verkrijgt alles.
Niets ontbreekt
aan wie God bezit.
God alleen voldoet.