HOOP, WANHOOP EN HERINNERING

Een chassidische legende verhaalt dat de grote rabbi Israël Baal Sjem-Tov, de Meester van de Goede Naam, bijgenaamd de Besjt, een dringende en gevaarlijke onderneming op touw zette: hij wilde de komst van de Messias verhaasten. Het joodse volk ende gehele mensheid leden te zeer en waren aan te veel kwaad uitgeleverd; ze moesten snel gered worden. Omdat hij geprobeerd had de loop van de geschiedenis te veranderen werd hij gestraft; hij werd verbannen naar een verafgelegen ontoegankelijk eiland. Zijn trouwe dienaar was bij hem. Wanhopig smeekte hij de Meester gebruik te maken van zijn geheimzinnige krachten om hen naar huis terug te brengen. ‘Onmogelijk’, antwoordde de Besjt. ‘De krachten zijn me ontnomen’. ‘Zeg dan een gebed, zing een litanie, doe een wonder’. ‘Onmogelijk’, antwoordde de Meester. ‘Ik ben alles vergeten’.
Toen begonnen ze allebei te huilen. Plotseling wendde de meester zich tot zijn dienaar en vroeg hem: ‘Breng me een gebed in herinnering, het geeft niet welk’. ‘Dat kan ik niet’, zei de dienaar. ‘Ook ik ben alles vergeten’. Alles? Werkelijk alles?’ Ja, behalve … ‘ ‘Behalve wat ?’ ‘Behalve het alfabet’.
De Besjt richtte zich op en riep: ‘Waarom wacht je dan nog? Vooruit, zeg het alfabet op, ik zal het je nazeggen … ‘ En allebei begonnen ze eerst heel zacht, daarna steeds harder op te zeggen: alef, bet, gimmel, dalet … Ze begonnen opnieuw, met meer ijver, met meer vuur; aan het eind vond de Besjt zijn gaven terug, want hij vond de herinnering terug.
Ik houd van dit verhaal, want het illustreert het wachten op de Messias -dat iets van mij blijft -en de rol van de vriendschap in de hoop van de mens; ik houd er vooral van omdat het de nadruk legt op de mystieke kracht van de herinnering; zonder herinnering zou ons bestaan neutraal zijn, passief en ondoorzichtig. Als een gevangeniscel waarin het licht van buiten niet doordringt. Als een grafkamer die de levenden uitstoot. Juist de herinnering heeft de Besjt gered; zij zal de mens redden uit de wanhoop. Laten we het meteen maar zeggen: hoop zonder herinnering is als herinnering zonder hoop.
Welnu, zoals de mens niet kan leven zonder droom, zo kan hij ook niet vooruitkomen zonder .hoop. Maar terwijl de droom alleen maar hemzelf betreft, sluit de hoop de anderen in. Terwijl de droom het verleden weerspiegelt, doet de hoop een beroep op de toekomst. Betekent dit dat de mens de voorrang zou moeten geven aan de toekomst ten koste van het verleden? Laten we zeggen dat de keuze niet nodig is. Die twee begrippen, die twee tijden zijn niet onverenigbaar. Het tegenovergestelde van het verleden is niet de toekomst, maar de afwezigheid van toekomst; het tegenovergestelde van toekomst is niet het verleden maar het vergeten van het verleden. Het verliezen van het ene staat gelijk aan het opofferen van het andere.
Een herinnering. Na de oorlog, in Parijs. Een jonge jood die zich moeizaam aanpast aan zijn status van wees, tracht door studie en vriendschap een taal te vinden die een wereld in puin kan aankleden. Hij moest wel bedroefd zijn, en dat is hij; hij moest wel erg wanhopig zijn en hij is aan wanhoop gewend. Maar toch zinkt hij niet neer in berusting. Integendeel, hij doet zijn best zich te verzetten tegen de verleiding van de droef geestigheid en te wedden op het wonder. Zoals velen van zijn tijdgenoten zei hij tot zichzelf: de herinnering aan de gruwel zal dienen als schild tegen de gruwel; de herinnering aan de dood zal dienen tegen de dood. Zware taak, aan de grens van het mogelijke en toch onomkeerbaar. De jonge jood komt van verre terug.
Hij komt terug uit een heelal waar God zelf, verraden door zijn schepselen, zich het gelaat bedekte om niet de val van zijn kroon te zien. De mens was erin geslaagd om een omgekeerde toren van Babel te bouwen, niet om naar de hemel te gaan maar naar een soort anti-hemel, en naast, zo niet in plaats van de samenleving, een wereld te bouwen, parallel aan de andere, een nieuwe ‘schepping’ met eigen wetten, eigen beginselen, eigen gewoonten, eigen doelstellingen, eigen structuren, eigen tempels en monumenten, eigen vorsten en goden.
Het verleden telde daar niet, betekende niets. Beroofd van zijn goederen, afgesneden van zijn banden kon de gevangene geen steun vinden, noch bij zijn maatschappelijke positie noch bij zijn culturele verworvenheden.
‘Vergeet’, zei men tot de gevangenen. ‘Vergeet waar je vandaan komt; vergeet wie je bent’. Alleen het heden was begiftigd met gewicht. En het heden, wat was dat? Een knipoog van de Heer. Ende Heer was de doder. Hij was het die besliste: wie zou leven, wie zou sterven, en op welke manier; wie gemarteld en wie beloond zou worden. Krankzinnig systeem: het functioneerde zonder belemmering. De nachtelijke stoeten verdwenen in de nacht, de hemel werd licht, de vrees beheerste het heelal: het ging wel om een ander heelal; de wetten van de natuur waren er veranderd. De kinderen zagen eruit als grijsaards, de grijsaards jammerden als kinderen. Verzameld uit de vier hoeken van Europa drukten mannen en vrouwen – zonder naam of gezicht – zich uit in dezelfde taal, duchtten hetzelfde einde, wachtten op dezelfde portie brood en zwegen op dezelfde wijze, denkend aan de afwezigen.
Een behekst en vervloekt heelal. Voor de nieuwe mensensoort die er leefde leek alles verstoord, ontaard. Wakker wordend te midden van de doden wist men niet meer of men nog leefde. Men vroeg zich af: ‘Als ik nu eens gestorven was zonder het te weten ?’

Maar de echte wanhoop grijpt ons pas later aan. Later. Na de marteling. Uit de nachtmerrie gekomen begonnen wij te zoeken naar de zin van het gebeuren. Al die georganiseerde doodsstrijd, al die gesystematiseerde wreedheden zouden iets moeten betekenen. Al die rechtsgeleerden en artsen en theologen, al die vereerders van Bach en Goethe die heel koel en intelligent de massamoord hadden bevolen en eraan hadden deelgenomen: wat betekende hun gedaanteverwisseling? Hoe moest men hun verlies aan ethische, culturele, godsdienstige herinnering verklaren? En de passiviteit van de toeschouwers, het stilzwijgen van de geallieerden, hoe moest men die begrijpen? Ende vraag der vragen: God? Onmogelijk Auschwitz te begrijpen met God of zonder God. Alles moest dus opnieuw bezien, opnieuw overdacht worden.
Op slag leken de overwinningen van de mens in de loop der eeuwen belachelijk. Ontknoping of af dwaling van een beschavingsproces, Auschwitz maakte ze problematisch zoals het alles wat aan Auschwitz was voorafgegaan of er vorm aan had gegeven, problematisch maakte. Het godsdienstig fanatisme, het nationalisme, het racisme en de uiterste vorm daarvan, het antisemitisme, de wetenschappelijke abstracties, de totalitaire verleidingen, de maatschappelijke conflicten, de economische troebelen, de tot het uiterste doorgedreven angst voor vreemdelingen, de verdachte allianties, de collectieve hysterie en de daverende haat: de samenvloeiing, de aaneensmelting ervan heet Auschwitz.
Maar dan: waarom verdergaan? Als de herinnering ons onophoudelijk daarheen terugbrengt, waarom dan een gezin stichten, waarom kinderen hebben in een wereld waar alle goden hun eigen beginselen ende onze verraden lijken te hebben? Waarom onze weg vervolgen die immers vervuld is van de spookbeelden van dood en moordenaar? Zeker, we zouden het verleden kunnen vergeten. Na alles wat er gebeurd is, waarom niet? Is het voor een mens niet natuurlijk, datgene wat hem pijn doet, datgene waardoor hij zich schaamt, weg te drukken naar het onderbewuste? Evenals het lichaam kan de herinnering zijn wonden omvormen tot littekens. Als het licht wordt dwingt men de spookbeelden zich terug te trekken; men beveelt de doden terug te keren naar hun graven. Behalve dat onze doden geen graf hebben. Voor de eerste keer in de joodse geschiedenis konden de slachtoffers, onze slachtoffers niet begraven worden; verbrand stegen zij op ten hemel. Hun graven zijn wij die hen dragen, in ons.
Voor ons was ook de vergetelheid nooit een mogelijke keuze. De <loden vergeten zou betekenen hen verraden. De slachtoffers vergeten zou betekenen aan de kant van hun beulen gaan staan. Vooral niet vergeten: dat was het eerste gebod zonder hetwelk de andere geen waarde hebben. Tegenover de vastberadenheid van de vijand om de herinnering aan de joden te verstikken kwam zo de koppige, woeste jood te staan die haar wilde laten spreken. Om het verleden op te roepen? Ja, maar ook om de toekomst te beschermen. Rijk aan lijden moest de herinnering zich op de voorgrond plaatsen als mogelijkheid van heil. Ja, ik weet het wel: juist vanwege het verleden is de toekomst bedreigd, juist vanwege het verleden moeten wij de toekomst redden. De herinnering tart de dood, want de dood zet de herinnering stil; de herinnering ontkent de haat, want de haat ontkent de herinnering.

Dat de plicht om zich te herinneren een noodzakelijke en nobele daad is, daaraan twijfelt niemand: de oproep van de herinnering, het beroep op de herinnering komen tot ons sinds het eerste begin van de geschiedenis. Geen enkel gebod komt zo vaak en met zoveel aandrang voor in de Bijbel. Het is ons opgelegd ons het ontvangen goede en het ondergane kwaad te herinneren. Nieuwjaarsdag, Rosj ha-sjana, heet Jom Hazikaron, dag der herinnering, dag waarop men zich herinnert, dag die zelf een herinnering is. Op die dag, dag van het algemeen oordeel, doet de mens een beroep op de herinnering van God: ons heil hangt daarvan af, collectief heil, individueel heil. Op die dag zijn de joodse geschiedenis en de geschiedenis van de wereld nauw met elkaar verbonden, bijna onscheidbaar: als God zich onze voorbije beproevingen wil herinneren, zal alles goed gaan; als hij het weigert, zijn wij verloren: op dat niveau wordt de weigering van herinnering goddelijke vervloeking. Terwijl de verlossing geworteld is in de herinnering, wordt de ballingschap voortgebracht door de vergetelheid. Vergeten is de herinnering loslaten, is verraden en zichzelf verraden. Anders gezegd: vergeten is oorlog riskeren.
Welnu, niets wekt zoveel afschuw en zoveel tegenwerking in de joodse traditie – waarop ik me beroep – dan de oorlog. Als twee landen oorlog voerden verloor het joodse volk altijd, zelfs als het er niet bij betrokken was. Maimonides beveelt ons te bidden opdat er geen oorlog komt zelfs niet tussen landen zonder joden, want de joden zullen ervan te lijden hebben, minstens indirect.
Onze afschuw van de oorlog was zo sterk dat ze een heilzame uitwerking had op onze letterkunde: in het jodendom is de oorlogsliteratuur verrassend armzalig. Daarentegen is die over de vrede majestueus en bloeiend. God zou de Tora alleen maar geschapen hebben om de vrede te doen heersen onder de mensen. De vrede is alle zegeningen waard, want ze omvat en rechtvaardigt ze alle. Onder de twee onbeperkte deugden die de mens van God ontvangt, is de vrede. De vrede is de hoogste plicht, de hoogste beloning, de hoogste verplichting ende hoogste verwachting.
De oorlogvoerders hebben geen goede pers in de Talmoed. Judas de Makkabeeer wordt er zelfs niet genoemd. Bar Kochba wordt wel vermeld, maar negatief. De grote strijder en overwinnaar David heeft niet het recht de tempel te bouwen; zijn zoon Salomo, man van vrede, heeft het verblijf van God kunnen bouwen. Zeker, sommige oorlogen konden misschien noodzakelijk zijn en onvermijdelijk, maar geen van hen werd beschouwd als een heilige oorlog. Een heilige oorlogvoerder is een tegenstrijdigheid in de woorden zelf. Adel of heiligheid kan men niet bereiken door te vechten tegen andere mensen, door andere mensen te doden. De oorlog ontmenselijkt, de oorlog verkleint, de oorlog onteert degenen die haar voeren. En wij geven de voorkeur aan de geleerden, de leermeesters, de wijzen – de Talmidei chachamim sjemarvin sjalom baolam – want zij dragen bij tot de vrede in de wereld. Door wat te doen? Door een beroep te doen op de traditie, anders gezegd: de herinnering.
Maar toch – waarom zouden we het ontkennen? – de vergetelheid maakt deel uit van de menselijke natuur. De Ouden zagen er zelfs een goddelijke gave in, voor de mens uitgevonden voordat hij werd geschapen. Terwijl de herinnering ons helpt de overleven, staat de vergetelheid ons toe te leven. Hoe zouden wij het klaarspelen het brood en de wijn te zegenen, te geloven in liefde en geluk, ons te baden in zonneschijn en vreugde, als we ons voortdurend bewust waren van de gevaren die ons bedreigen, van de doden die ons vaak overstelpen en ons beschuldigen? Zonder vergetelheid, zegt de Talmoed, zou de mens na enkele j aren ophouden met leren. Zonder zijn vermogen tot vergeten zou de mens leven in de voortdurende angst voor de dood; en die angst zou hem verlammen. Geïsoleerd en weggezonken in zijn angst zou de mens niet meer menselijk zijn. Alleen Goden God alleen is in staat alles te onthouden. De mens echter heeft er behoefte aan, te vergeten, terwijl hij het ook noodzakelijk acht te vechten tegen diezelfde behoefte te vergeten.
Ambivalente toestand. Heen en weer geslingerd door tegenstrijdige krachten. Wat te doen om ze te combineren? Wat te doen om de zeer verheven plicht tegenover de herinnering te verzoenen met de vergetelheid die nodig is voor het leven, voor het werk, voor het avontuur van elke dag? Geen enkele generatie heeft zo dringend moeten optornen tegen een dergelijke paradox. De boodschappers van de <loden zouden alles willen zeggen, alles willen doorgeven aan de levenden: de eenzaamheid van de slachtoffers, de droefheid van hun kinderen, hun wijsheid ook; de zwijgende tranen van de moeders, in het nauw gedreven tot ze er krankzinnig van werden, de gebeden van de dwazen onder een brandende hemel, het bloed van d rechtvaardigen in de vuile sneeuw.
Zij zouden willen vertellen over het kind dat in een ondergrondse schuilplaats na een mensenjacht aan zijn moeder vroeg met een zacht, heel zacht stemmetje: ‘Mag ik al huilen ?’ En over de zieke bedelaar die in de verzegelde treinwagon begon te zingen om iets aan te bieden, om zijn ziel aan te bieden aan zijn lotgenoten. En over het kleine meisje dat de hand van haar grootmoeder vasthield en haar toefluisterde: ‘Wees niet bang, grootmoeder, wees niet bang om te sterven … Weet u, het leven is niet zo mooi als ze zeggen … Ik stap eruit zonder spijt’. Ze was zeven jaar, dat kleine meisje dat zonder spijt de dood aanvaardde.
Men moet alles vastgrijpen om in staat te zijn alles door te geven. Dat was de wil van de stervenden, dat was het testament van de doden; omdat de zogenaamd beschaafde wereld hen niet levend wilde hebben, wordt ze bewoond door hun dood.
De grote joodse historicus Sjimon Dubnov diende ons als gids en inspirator. Tot zijn kameraden in het getto van Riga herhaalde hij alvorens te sterven: ‘Yidden, shreibt un fershreibt. Joden, schrijft alles op, noteert alles’. Aan zijn oproep werd gehoor gegeven. Ontelbare kroniekschrijvers en historici vervulden hun zending in alle getto’s, in alle kampen van de dood, daarbij inbegrepen sommige van de ‘Sonderkommandos’ die de lijken van de slachtoffers verbrandden alvorens op hun beurt verbrand te worden. Overal, het is een obsessie geworden. Men schreef gedichten en brieven, herinneringen en commentaren, brokstukken van romans en gezegden, onuitgegeven of bekend geworden: heel de wereld begreep dat de herinnering een wapen kon worden, misschien het enige, om de misdadige plannen, doelstellingen, strevingen te doen stranden.
Naarmate de vijand ons deed wanhopen aan de mensheid, kwamen aldus zijn slachtoffers ons nader. Aangezien de stervenden ons boodschappen nalieten, hoopten zij gelezen en begrepen te worden; op ons rustte dus de plicht ons hun vertrouwen, zo niet hun hoop, waardig te tonen. Op ons rustte de plicht hun boodschap te ontvangen en te doen lezen. Om hun heil? Te laat. Om het heil van de levenden, om het heil van de kinderen.

Een vlaag van hoop, misschien van irrationele hoop tilde ons op na de oorlog. We zeiden tot onszelf: als we alleen maar erin slagen te getuigen van het verleden, zullen wij de toekomst redden. We zeiden tot onszelf: het zal voldoende zijn te vertellen over een nacht in Treblinka, de afschuwelijkheid van de wreedheid, de absurditeit van de agressie, de vernedering ontstaan uit de moord ende schaamte ontstaan uit de onverschilligheid; het zal voldoende zijn het juiste woord te vinden, het gunstige ogenblik, de geschikte middelen om heel de mensheid wakker te schudden uit haar verstijving, om haar te doen verhinderen dat de folteraar foltert, de dictator vernedert, de onderdrukker triomfeert. Het zal voldoende zijn om een gedicht, geschreven door een kind in het getto van Terezin te lezen, om ervoor te zorgen dat geen enkel kind, waar ook, nog lijdt aan honger, ziekte en eenzaamheid. Het zal voldoende zijn hardop het testament voor te lezen van een politieke, ter dood veroordeelde gevangene in de gevangenis van een bezet land om de dictators overal, van links en van rechts, te verplichten hun gevangenissen te sluiten ende beulen te ontslaan uit hun functies. We zeiden tot onszelf: het zal voldoende zijn de hallucinerende herinnering aan de <loden op te roepen om de slachtingen van onschuldigen tegen te houden. Het zal voldoende zijn om de doodsnood te beschrijven van een man of vrouw, onverschillig wie, tijdens een ‘selectie’ om de rechten van de mens op waardigheid en zelfbeschikking nooit meer te doen schenden. We zeiden tot onszelf: het zal voldoende zijn te vertellen over de haat die in die tijd is losgebarsten over het joodse volk om de mensen overal en voor altijd te doen besluiten een eind te maken aan de haat – aan de haat tegen de jaden, tegen de Arabieren, tegen de immigranten, tegen de vreemdelingen, tegen de anderen, de haat tegen de ander … Kinderlijk geloof? Zeker. Maar niet verstoken van een zekere logica. In plaats van de wanhoop te ontkennen of te omzeilen moest ze tot haar uiterste grenzen gedreven worden en daar overheen, om haar om te vormen tot een machtige, onweerstaanbare oproep tot hoop.
Goed, we probeerden het. Het was niet eenvoudig. Allereerst vanwege de taal; die schoot ons te kort. We moesten een nieuwe taal uitvinden, want de onze leek ons bleek, armzalig, vervalst.
En vervolgens: de mensen om ons heen, de niet-ingewijden, weigerden te luisteren; zij die luisterden weigerden te geloven; zij die geloofden konden het niet begrijpen. Dat was niet hun schuld. Zij konden het werkelijk niet begrijpen; evenals het mysterie van de mystieken bleef de ervaring van het concentratiekamp hun ontzegd; ze kon slechts van binnen uit verworven worden. Anders gezegd: dat u het niet kon begrijpen kwam niet omdat wij het u niet konden uitleggen; wij konden het u niet uitleggen omdat u niet in staat was het te begrijpen.
Zouden wij mislukt zijn? Vaak word ik overstelpt door twijfel. De wereld wordt opnieuw bedreigd. Zal het dan nooit veranderen? Als iemand ons in 1945 gezegd had dat wij nog tijdens onze levensdagen duizenden kinderen zouden zien sterven van honger en ziekte in Afrika en Azië, en dat dictatoriale regeringen van links en van rechts de gevangenissen vol zouden stoppen, en dat regeringen marteling en vervolging zouden goedkeuren, zouden wij het niet geloofd hebben. Als iemand ons toen had gezegd dat wij nog tijdens onze levensdagen de opkomst zouden meemaken van racisme, fanatisme en antisemitisme, zouden wij het niet geloofd hebben; wij waren ervan overtuigd dat het antisemitisme was omgekomen samen met zijn slachtoffers, in Auschwitz en Treblinka. We hadden ongelijk: de joden zijn omgekomen, het antisemitisme blijft levend. Hoe moet men deze nederlaag van de herinnering verklaren? Ende oorlogen in al hun lelijkheid, die ongeveer overal ter wereld doorgaan: hoe die te verklaren? En de schande van de apartheid die maar voortduurt, hoe die te verklaren? En de terreur, waarmee moet men die in verband brengen? En hoe moet men verklaren dat een Lech Walesa zijn land niet kan verlaten? dat een Andrej Sacharov, groot humanist en ziener, zijn stad niet kan verlaten? En dat mijn vrienden Vladimir en Masja Slepak, en Ida Nudel,Josif Begun, Victor Brailowski, Zakhar Zonshein en Yuli Edelstein zich niet bij hun familie in Israël kunnen voegen? Hoe moeten we ons daarin schikken? En Israël zelf dat na tweeduizendjaar ballingschap en achtentwintig jaar soevereiniteit, doorkruist door vijf oorlogen, nog altijd niet het recht op vrede heeft: hoe lang zal dit volk dat het mijne is, dan moeten leven terwijl het de haat van zijn nabije en verre huren trotseert? En de bahaïs die evenals de joden onderdrukt worden in Iran – hoe kan men hen te hulp komen? Ende atoomoorlog die ons allen bedreigt – hoe kunnen we die verwijderen van onze planeet? Zou de wereld dan niets geleerd hebben? Doch om haar te redden doen wij een beroep op de herinnering. Hoe selectief ook, de herinnering wil edelmoedig zijn, wij willen dat zij edelmoedig is. Liever opening dan omheining, betekent ze scheiding. Wanneer ik de marteling van mijn volk vertel, roep ik het lijden op van alle volken die in het bezette Europa beroofd waren van hun vrijheid. Ik heb het eerder gezegd en ik herhaal het: niet alle slachtoffers waren joden, maar alle joden waren slachtoffers, allen bestemd voor de uitroeiing. Toch houden wij niet op te herinneren aan de bruutheden, bedreven tegen de Fransen, de Belgen, de Nederlanders, de Noren, de Denen, aan de vervolging van de vrijmetselaars en de homoseksuelen, de gevangenneming van de communisten en socialisten, de collectieve moord op de zigeuners, de afslachtingen van de Polen, de Russen en de Slavische volken in het algemeen – juist integendeel: wij getuigen voor ieder slachtoffer, wij dringen erop aan dat zijn recht op een eigen identiteit erkend wordt. Babi Jar is het voorbeeld dat niet moet worden nagevolgd: het aldaar opgerichte monument is een ontheiliging; het woord jood komt er zelfs niet op voor. De waarheid en alleen de waarheid moet bewaard en bestudeerd worden; zo niet, dan zullen de onbeschaamde lieden die durven beweren dat Auschwitz nooit bestaan heeft, zich alleen maar verheugen.
Voor mijn generatie lag de keuze niet tussen de waarheid en de leugen – niemand van ons is door de leugen verleid – maar tussen de waarheid en het stilzwijgen, beter gezegd: tussen het stilzwijgen van de waarheid ende waarheid van het stilzwijgen, want ook het stilzwijgen maakt deel uit van de geschiedenis.
Waarom hechten wij zoveel waarde aan het vastleggen, aan het vertellen? Alle gevangenen overal zullen u antwoorden zoals wij: wie niet een desnoods terugwerkende zin geeft aan zijn belevenissen, een zin die naar de mens toegaat, zal zelfs na de beproeving weer slachtoffer worden: slachtoffer van zichzelf.
Deze uitdaging is moeilijk en heeft zware consequenties; het was niet gemakkelijk haar te formuleren. Het zou gemakkelijker en ‘normaler’ voor ons geweest zijn, aan iedereen die het wilde horen te verklaren:
‘Luister, wij hebben God en de mens een meedogenloos gevecht zien leveren; we kunnen hun de rug toekeren; we kunnen verder afzien van het avontuur van de mens in de geschiedenis. De maatschappij interesseert ons niet meer; we zijn haar niets verschuldigd. Laat anderen maar hun plicht vervullen jegens de gedoemden van deze aarde, jegens de onterfden en degenen die hongeren naar brood of rechtvaardigheid; wij hebben aan onze verplichtingen voldaan. Leven in een vernieuwd, totaal geluk gedurende duizendjaar zou zelfs niet voldoende zijn om op te wegen tegen de last die op ons bestaan drukt’. Hadden we dit gezegd niemand zou hebben geprotesteerd.
Maar we hebben het niet gezegd. Integendeel, wij zouden onszelf graag willen zien als boodschappers niet van de berusting maar van de bevestiging. Als voorbeelden van humanisme en niet van egocentrisme. Gevoeliger voor het lijden en de vreugde van anderen hebben wij verkozen boven onze nood uit te stijgen om te zingen over de hoop en die te rechtvaardigen.
Zoals Job die, nadat hij alles had verloren -zijn bezittingen, zijn kinderen, zijn vrienden en zelfs zijn proces tegen God – ondanks alles opnieuw begon te leven, te werken, een gezin te stichten, hebben de mannen en vrouwen van mijn generatie, die alles verloren hadden, ook besloten de schepping die God hun had toevertrouwd, niet te verloochenen.
Job, onze voorganger. Job, onze tijdgenoot. We roepen zijn ellende op om de onze toe te lichten, we gebruiken zijn beelden om ons lijden te beschrijven. En toch, hij was geen jood, neen, maar zijn beproeving betreft heel de mensheid. Juist zoals het lijden van de joden heel de mensheid zou moeten betreffen. Zal de dag komen waarop de misdaden tegen de joden beschouwd zullen worden als misdaden tegen de mensheid, ende misdaden tegen de mensheid als misdaden tegen het joodse volk?

Parallel aan de geschiedenis van Job is onze geschiedenis er ook een vol vragen. Wat is de mens, tenzij een vraagteken, verrijkt met een ander vraagteken? Vragen is ook zoeken. Zoeken naar de mens en zoeken naar God: beiden zijn in ballingschap. De een ver van de ander. De een in de ander. Allebei zoeken zij een antwoord. Misschien is het hetzelfde antwoord. Heeft Job zijn geloof verloren? Zo ja, dan zal hij het terugvinden in het binnenste van zijn opstandigheid. Zo zal hij bewijzen dat het geloof noodzakelijk is voor de opstandigheid, dat de opstandigheid mogelijk is binnen het geloof, dat de hoop mogelijk is binnen in de wanhoop.
Het geheim heet herinnering. De herinnering lost heel wat tegenstellingen op. Omdat ik me herinner, heb ik het recht te wanhopen; omdat ik me herinner heb ik de plicht de wanhoop te verwerpen. De herinnering is een bron van angst maar vormt zich om tot een voorwendsel voor moed: hoe dieper de angst, des te stralender de hoop.
lk herinner me de moordenaars en ben bereid afstand te doen van mijn status als mens; ik herinner me de slachtoffers en dwing me duizend redenen te vinden om te hopen. Ja, het is mogelijk weerstand te bieden aan het geweld anders dan met geweld; het is mogelijk aan de woorden hun machten adel terug te geven; het is mogelijk de wereld te redden door een menselijk wezen te redden.
Weliswaar is het menselijk wezen niet meer dan een brokje stof, maar dit brokje stof wordt gezien door God. Dit brokje stof spreekt tot God. En zolang hij spreekt, heiligt hij het leven; zolang hij niet dood is, is hij onsterflijk, want dit brokje stof is begiftigd met herinnering. En de herinnering van de mens voegt zich bij die van God. Is dit niet voldoende reden om te hopen?
‘G’walt yidden, zeit zich nisht meyaesh. Om de liefde van de hemel, joden, wanhoopt niet’, riep de grote chassidische verteller rabbi Nachman van Bratzlav, kleinzoon van de Besjt. Alles is beter dan de wanhoop. Wat het antwoord op de tragische elementen van ons lot ook is, het ligt niet in de wanhoop; de wanhoop – die van onze naaste, van onze levensgezel zoals men reisgenoot zegt -is een ondervraging, niet een antwoord.

Zeker, de geschiedenis van de mensen bevat tragedies en gruwelen die ons verlangen te leven kunnen verstikken; de horizon is donker en we bezien haar met een zwaar hart. Maar het lot van de mensen blijft de verantwoordelijkheid van de mensen: wij moeten vorm geven aan ons lot, het sturen, ik zou bijna zeggen: het vermenselijken.
Vaak zijn we dan wel te zwak om het onrecht tegen te houden; maar het is ons gegeven ertegen te protesteren. We bezitten dan wel niet de macht om de honger uit te bannen; maar door een hongerig kind te voeden klagen wij de honger aan. We zijn dan wel te machteloos om alle gevangenissen te openen en alle gevangenen te bevrijden, maar door ons solidair te verklaren met de gemartelde en gefolterde gevangenen verheffen wij ons tegen de cipiers. Wij zijn dan wel niet in staat om de oorlog uit te bannen, maar het minste wat wij kunnen doen is haar niet langer te verheerlijken en haar integendeel te laten zien in al haar afschuwelijke verwerpelijkheid; zij veredelt de mens niet, zij brengt hem terug tot de status van een wild dier of van een machine; zij laat geen overwinnaars achter, zij brengt alleen maar slachtoffers voort.
Er zijn wel redenen te leven in angst, maar het is onze taak juist aan die angst de beweegredenen te ontlenen om te willen leven en aan de anderen reden te geven tot hoop.
Wat heb ik geleerd van het kind dat, in mij, me ziet en beoordeelt? lk heb geleerd dat net als de wanhoop de menselijke hoop een zaak is van mensen; dat wat hen scheidt is ook dat wat hen verenigt: ons diepe verlangen om te leven en aan onze herinnering toe te staan ons te overleven.

E. Wiesel, Hoop, wanhoop en herinnering, Hilversum 1987 (Gooi & Sticht)

Das hohle Wunder

G.Steiner, Sprache und Zweigen. Essays über Sprache. Literatur und das Unmenschliche, Berlin 2014 (Suhrkamp) p. 155-176

Das hohle Wunder (1)

Zugegeben: Deutschland nach dem Kriege ist ein Wunder. Aber es ist ein recht seltsames, ein sehr wunderliches Wunder. An der Oberfläche gedeiht und pulsiert das Leben prachtvoll, doch im Innern herrscht eine krankhafte Stille, Man gehe nur einmal selber hin: schließe vorübergehend die Augen vor dem Wunderwerk neuer Produktionsstätten und beide Ohren vor dem Brausen der Motoren. Was in Deutschland so tot und abgestorben wirkt, ist die Sprache. Man schlage nur die Tageszeitungen auf, die Illustrierten, die Flut der populären und gelehrten Bücher, die sich aus den neuen Druckerpressen ergießt; man höre sich im Theater ein neues deutsches Stück an, achte auf die Sprache, die im Radio oder im Bundestag gesprochen wird. Das ist nicht mehr die Sprache von Goethe, Lessing, Heine und
Nietzsche, auch nicht die von Thomas _Mann. Etwas ungeheuer Verderbliches ist mit dieser Sprache passiert – sie macht Krach, sie teilt sich sogar mit, doch das Gefühl eines Gedankenaustauschs, einer Gemeinsamkeit schafft sie nicht.
Sprachen sind lebendige Organismen. Unendlich komplex in sich, doch nichtsdestoweniger zusammenhängende Organismen. In sich tragen sie eine bestimmte Lebenskraft sowie gewisse Kräfte zum Absorbieren und Wachsen. Aber sie können ebensogut auch verfallen und absterben.
Eine Sprache lässt erkennen, dass sie den Keim der Auflösung nach verschiedenen Richtungen in sich trägt. Geistige Prozesse, die ehemals spontan aus eigenem Antrieb erfolgten, werden zu mechanisch festgelegten Gewohnheiten (tote Metaphern, feststehende Vergleiche, Schlagworte, leere Redensarten). Die Wortgebilde werden länger und doppeldeutiger. Rhetorik tritt an die Stelle von Stil, und anstelle eines genauen, allgemeinverständlichen Sprachgebrauchs treten Kauderwelsch und Jargon. Fremde Wurzeln und entlehn~e Worte werden nicht mehr absorbiert im Blutstrom der Muttersprache, sie werden unverdaut geschluckt und bleiben ein Fremdkörper. Alle diese technischen Mängel und Versager häufen sich dann an bis zum eigentlichen Bankrott: die Sprache schärft nicht mehr das Denken, sondern verwässert es. Anstatt jeden einzelnen Ausdruck mit der größtmöglichen Energie und Direktheit aufzuladen, lockert und zerstreut sie die Intensität des Empfindens. Die Sprache hört auf, ein Abenteuer zu sein (und die lebensvolle Sprache bedeutet das höchste Abenteuer, dessen die menschliche Intelligenz fähig ist). Kurz gesagt, die Sprache wird nicht mehr gelebt, sie wird nur noch gesprochen.
Dieser Zustand kann unter Umständen sehr lange Zeit anhalten; man denke nur daran, wie lange Latein noch im Gebrauch war, nachdem die Lebensquellen der römischen Zivilisation längst versiegt waren. Wo aber dieser Zustand einmal eingetreten ist, wird sich ein lebenswichtiger Bestandteil einer Zivilisation nicht mehr erholen. Und in Deutschland ist er eingetreten. Deshalb herrscht dort inmitten des Wunders der materiellen Wiederauferstehung geistig eine derart tiefgreifende Totenstille, ein so ausgeprägter Hang zur Trivialität und Verstellung.
Was hat den Tod der deutschen Sprache herbeigeführt? Das ist ein interessantes und verwickeltes Stück Geschichte. Es beginnt mit der paradoxen Tatsache, dass die deutsche Sprache am lebendigsten war, bevor es einen einheitlichen deutschen Staat gab. Die dichterischen Genies eines Luther, Goethe, Schiller, Kleist, Heine und zum Teil auch das von Nietzsche, gehen der Gründung der deutschen Nation voraus. Die Meister deutscher Prosa und Dichtung waren allesamt Männer, die sich nicht haben einfangen lassen vom dynamischen C!iJ Sog eines preußisch-germanischen Nationalbewusstseins, der sich nach der Reichsgründung 1870 entfaltet hat. Wie Goethe waren sie Bürger Europas und lebten in den fürstlichen Staaten, die zu unbedeutend waren, um nationalistische Gefühlswallungen zu schüren. Oder sie haben, wie Heine und Nietzsche, ihre Werke außerhalb Deutschlands geschrieben, was für den besten Teil der deutschen Literatur bis in die Moderne hinein gültig bleibt. Kafka schrieb in Prag, Rilke in Prag, Paris und Duino.
Schon zu Bismarcks Zeiten trugen Amtssprache und offizielle Literatur die Elemente der Auflösung in sich. Es war dies die große Zeit für militante Historiker, für die Philologen und die unverständlichen Metaphysiker. Diese Mandarine des neuen Preußenreiches produzierten jene angsterregende Zusammensetzung aus grammatikalischer Unbedarftheit und Humorlosigkeit, die aus dem Begriff »germanisch« ein Äquivalent für plumpe Wichtigtuerei gemacht haben. Jene, die der Verpreussung der Sprache damals entgingen, waren die Meuterer und die Exilierten, wie jene Juden, die eine hervorragende journalistische Tradition begründeten, oder wie Nietzsche, der im Ausland schrieb.
Der akademischen Gestelztheit und Schwerfälligkeit, wie sie zwischen 1870 und dem Ersten Weltkrieg von den Spitzen in Erziehung und Gesellschaft praktiziert wurden, hat das Kaiserliche Regime seine eigenen Gaben aus Pomp und Mystifizierung beigesteuert. Der in den Amtsstuben und Kanzleien der neuen Reichsregierung ausgeübte »Potsdamer Stil« war eine Mischung aus Grobheit (»der raube aber herzliche Soldatenton «) und hochfliegender romantischer Erhabenheit (der Wagner-Klang). Auf diese Weise verbanden sich’ Universitäten, Obrigkeit, Armee und Hof, um der deutschen Sprache Angewohnheiten einzuexerzieren, die sich nicht weniger gefährlich ausnahmen als diejenigen, die man dem deutschen Volke eindrillte: eine entsetzliche Schwäche für leere Schlagworte und hochtrabende Klischees (»Lebensraum«, »die gelbe Gefahr«, »die nordischen Tugenden«); ein automatisches Sich-Verbeugen vor dem umständlich langen Wort oder der lauten Stimme; eine fatale Neigung zum Sacharin-Pathos (Gemütlichkeit), hinter der sich bekanntlich jede Menge Ruppigkeit und Täuschung verbergen lässt. Bei dieser Abrichtung spielte die zu Recht gerühmte Schule der deutschen Philologie eine merkwürdige und komplexe Rolle. Philologie ordnet Wörter in ein System mit älteren und verwandten Worten ein, nicht aber in ihrem Zusammenhang mit moralischem Zweck und moralischer Handlungsweise. Die Philologie gibt der Sprache Formalität, nicht Form. Es kann also kein bloßer Zufall sein, dass die im wesentlichen philologische Struktur der deutschen Erziehung Preußen und dem Nazireich so getreue Diener gestellt hat. Den besten Aufschluss darüber, wie der Klassenzimmer-Drill zum Kasernenhofdrill führte, geben die Romane von Heinrich Mann, vor allem Der Untertan. Als 1914 die Soldaten in den Krieg marschierten, zogen auch die Worte in den Krieg. Vier Jahre später kehrten die Soldaten zwar geschlagen und gequält zurück, doch die Worte, die Worte blieben an der Front und errichteten zwischen dem deutschen Geist und den harten Tatsachen eine Mauer aus Mythus und Fabel; sie haben die erste jener grandiosen Lügen in die Welt gesetzt, die für so manches im neuen Deutschland förderlich gewesen sind; die Lüge vom »Dolchstoß
in den Rücken«. Die tapfere deutsche Armee sei nicht besiegt worden, vielmehr sei sie von hinten durch Verräter, Schwächlinge und Bolschewisten« erstochen worden. Der Vertrag von Versailles sei nicht ein unbeholfener Versuch gewesen, in einem verwüsteten Europa die Scherben zu ordnen, sondern ein ränkevoller Racheplan, der Deutschland von seinen habgierigen Gegnern aufgezwungen wurde. Die Verantwortung, den Krieg entfesselt zu haben, lag bei Russland oder bei Österreich oder den kolonialen Machenschaften im. »perfiden England«, aber nicht beim preußischen Deutschland.’
Es hat viele Deutsche gegeben, die erkannten, dass es sich hierbei um reine Legendenbildungen handelte, und die auch den Anteil kannten, den der deutsche Militarismus und die Rassen-Arroganz bei der Ausführung des Massenmordes gespielt haben. Dem wurde in den politischen Kabaretts der zwanziger Jahre Ausdruck gegeben, ferner im Experimentiertheater von Brecht, in den Büchern der Brüder Mann, in der graphischen Kunst von Käthe Kollwitz und George Grosz.
Der deutschen Sprache entsprang eine Lebendigkeit, die sie vorher unter dem Kommando der Junker und Philologen so niemals an den Tag gelegt hatte. Es war die glänzende, aufrührerische Übergangsperiode: Brecht gab der deutschen Sprache wieder ihre lutherische Einfachheit zurück, und Themas Mann führte seinem Stil die leuchtende, geschmeidige Eleganz aus der klassischen und mediterranen Überlieferung zu. Diese Jahre zwischen 1920 bis 1930 waren die Wunderjahre im modernen deutschen Geistesleben. Rilke dichtete die Duineser Elegien sowie die Sonette an Orpheus im Jahre 1922 und verlieh der deutschen Verskunst damit Flügelschlag und Musik, die sie seit Hölderlin nicht mehr gekannt hat. Der Zauberberg erschien 1924, Kafkas Schloß 1926. Die Dreigroschenoper
hatte 1928 ihre Premiere, und 1930 produzierte der deutsche Film den Blauen Engel. Im gleichen Jahr erschien der erste Band von Der Mann ohne Eigenschaften, Robert Musils ungewöhnliche und weitgespannte Betrachtung zum Niedergang der abendländischen Werte. In diesen zehn Jahren hatten deutsche Literatur und Kunst teil an jener großen schöpferischen Flutwelle westlich-abendländischer Phantasie, die auch Faulkner, Hemingway, Joyce, Proust, D. H. Lawrence, Picasso, Schönberg und Strawinski mit einschloss.
Aber es sollte nur eine kurze Atempause bleiben. Das Obskurantentum, die Bildungsfeindlichkeit und die Hassgefühle, seit 1870 im deutschen Temperament angelegt, waren schon zu tief verwurzelt. In einem unheimlich prophetischen »Brief aus Deutschland« vermerkte D. H. Lawrence, wie »der alte, borstige, heissspornige Geist wieder erwacht ist«. Er sah, wie dieses Land sich abwandte aus dem Kontakt mit dem westlichen Europa, um in den östlichen Steppen zu verebben«.
Brecht, Kafka und Thomas Mann sollte es nicht beschieden sein, ihre eigene Kultur zu zähmen und ihr etwas von der humanen und maßvollen Besonnenheit ihrer eigenen Talente zu vermitteln. Zuerst sahen sie sich als Sonderlinge, dann als Verfolgte. Neue Sprachregler erschienen auf dem Plan, um aus der deutschen Sprache eine politische Waffe zu schmieden, totaler und wirksamer als in jedem anderen Abschnitt der Geschichte, so dass die Würde der menschlichen Sprache auf das Niveau heulender Wölfe degradiert worden ist.
Dabei wollen wir ein Faktum nicht aus dem Auge lassen: die deutsche Sprache war an den Schreckenstaten des Nazismus nicht ganz unschuldig. Es ist kein bloßer Zufall, dass ein Hitler, ein Goebbels, ein Himmler deutsch sprachen. Das Nazitum fand in dieser Sprache genau vor, was es brauchte, um seiner Grausamkeit Stimme und Nachdruck zu verleihen.
Hitler vernahm in seiner Muttersprache die latente Hysterie, das geistige Durcheinander, die Eigenschaft zur hypnotischen Trance, er tauchte mit untrüglichem Gespür ins Unterholz dieser Sprache, in jene Zone des embryonalen Aufschreis und der Finsternis, die der artikulierten Rede vorangehen und sich bilden, bevor das Wort sich einstellt. Er spürte in der deutschen Sprache eine andere Musik als die von Goethe, Heine oder Mann auf; eine rauhe, krächzende Kadenz, halb nebuloses Kauderwelsch, halb Gossenjargon. Und das deutsche Volk, anstatt sich ungläubig und angeekelt abzuwenden, gab dem Gebrüll des Mannes einen massiven Widerhall. Das Echo kam zurück aus Millionen Kehlen und Marschtritten.
Ein Mann wie Hitler hätte in jeder Sprache ein Reservoir an Giftstoffen und moralischer Unbildung vorfinden können, nur standen sie ihm nirgends so bequem zur Verfügung, lagen nirgends so nahe an der Oberfläche der Umgangssprache.
Eine Sprache, mit der man ein »Horst-Wessel-Lied« schreiben kann, kümmert sich einen Dreck um Muttersprache. Und wie soll das Wort spritzen« je wieder gesunde Bedeutung gewinnen, nachdem es für Millionen Menschen das Kennzeichen für . das vom Messer spritzende Judenblut war? Und .genau das ist geschehen im »tausendjährigen Reich«. Nicht Schweigen oder Ausflucht, sondern ein immenser Erguss von präzisen, zweckdienlichen Ausdrücken. Es gehört zu den eigentlichen Schaudern der Nazizeit, dass alles, was geschah, festgehalten, katalogisiert, aufgezeichnet und niedergeschrieben wurde; dass man den Worten Dinge auszudrücken aufgab, die eigentlich von keinem Menschenmund ausgesprochen und auf keinem von Menschenhand hergestellten Stück Papier festgehalten werden sollten. Ekelerregend und nahezu unerträglich ist es, wenn man sich heutzutage vergegenwärtigt, was da getan und gesagt worden ist aber tun muss man es.
In den Kellerräumen der Gestapo haben Stenographen, gewöhnliche f:’rauen, alle Laute der Furcht und der Agonie der gebrannten, geschlagenen oder gemarterten .Menschen sorgfältig aufgeschrieben. Die experimentellen Torturen, die in Belsen und Mauthausen an lebenden Wesen vorgenommen wurden, sind genauestens festgehalten. Die Anordnungen über die Zahl der Hiebe, die an den Marterpfählen von Dachau verabfolgt wurden, waren schriftlich fixiert. Wenn polnische Rabbiner gezwungen wurden, mit Hand und Mund offene Latrinen auszuräumen, standen deutsche Offiziere dabei, um den Tatbestand zu photographieren, zu protokollieren und zu etikettieren. Trennten die Wachmannschaften der SS an den Eingängen zu den Todeslagern Mütter und Kinder voneinander, gingen sie dabei nicht schweigend vor, sondern proklamierten die bevorstehenden Greuel durch lautstarken Hohn: »Heidi, heida, juchheisassa, Scheissjuden in den Schornstein!«
So wurde zwölf Jahre lang immer wieder das Unaussprechliche ausgesprochen, das Undenkbare aufgeschrieben, registriert, tabellisiert und zur Akte genommen. Männer, die Ätzkalk in die Kanalisationsrohre von Warschau gossen, um die noch Lebenden zu. töten, und den Gestank der Toten zu ersticken, haben darüber in Briefen nach Hause berichtet. Sie sprachen davon, sie hätten >’Ungeziefer ausgerottet<< – wohlgemerkt in Briefen, in denen Familienphotos erbeten oder Weihnachtsgrüße ausgetauscht wurden. Stille Nacht, Heilige Nacht, Gemütlichkeit. Eine Sprache, aus der die Hölle spricht, nimmt auch die Gewohnheiten der Hölle in ihrer Syntax an. Allmählich verloren die Worte ihren ursprünglichen Sinn und nahmen alpdruckhafte Bedeutung an. Aus Jude, Pole, Russe wurden »zweibeinige Läuse«, faules Ungeziefer, die nach einem Leitfaden der Partei von jedem Arier zerquetscht werden müssen, »wie Wanzen an einer dreckigen Wand«. Das Wort ))Endlösung« bedeutet den Tod von sechs Millionen Menschen in Gaskammern.
Die Sprache wurde nicht nur vergiftet durch diese ungeheuren Bestialitäten, sie wurde auch dazu bestimmt, zahllose Unwahrheiten mit Nachdruck durchzusetzen, den Deutschen einzureden, dass der Krieg gerechtfertigt und an allen. Fronten siegreich sei. Als die Niederlage über das tausendjährige Reich hereinzubrechen begann, verdichteten sich die Lügen zu einem beständigen Schneetreiben. Die Sprache wurde auf den Kopf gestellt, um »Licht<( zu sagen, wo Finsternis herrschte, und »Sieg<<, wo Unheil lag. Gottfried Benn, einer der wenigen anständigen Schriftsteller, die im Nazi-Deutschland verblieben, hat einige der neuen Definitionen aus dem Wörterbuch für Hitler-Deutsch mit seinen Anmerkungen versehen:

Im Dezember 1943, also zu einer Zeit, in der die Russen uns fünfzehnhundert Kilometer vor sich hergetrieben und unsere Front dutzendfach durchlöchert hatten, sagt ein Oberstleutnant, klein wie ein Kolibri und sanft wie ein Kaninchen, mittags bei Tisch: “Hauptsache, die Schweine brechen nicht durch.” Durchbrechen, Aufrollen, Säubern, bewegliche Kampfführung – was für eine Gewalt haben diese Worte, positiv, um zu bluffen, und negativ, um Tatbestände zu verschleiern. Stalingrad: ein tragischer Unfall; die Niederlage der U-Boote: eine zufällige kleine technische Entdeckung der Engländer; dass Montgomery den Rammel von EI Alamein bis Neapel viertausend Kilometer vor sich herjagte: Verrat der Badoglio-Clique.

Und als sich dann der Kreis der Rächer um Deutschland schließt, wird aus dem Schneegestöber ein wahnwitziger Schneesturm. Im Radio tönt, zwischen den Unterbrechungen durch Luftalarme, die Stimme von Goebbels und versichert dem deutschen Volk, dass »eine titanenhafte Geheimwaffe« kurz vor dem Einsatz stehe. An einem der endgültig letzten Tage der Götterdämmerung entstieg Hitler seinem Bunker, um eine angetretene Reihe von fünfzehnjährigen Jungen mit aschgrauen Gesichtern abzuschreiten, die man in Berlin als letztes Aufgebot für den Grabenkrieg ausgehoben hatte. Der Wehrmachtbericht sprach von “Freiwilligen” und Elitetruppen, die sich, unüberwindlich, um den Führer geschart hätten. So verpuffte der Alpdruck mit einer schamlosen Lüge. Dem Herrenvolk wurde feierlichst mitgeteilt, Hitler sei im Kampf gegen die roten Horden an der Spitze seiner Truppen gefallen. In Wahrheit lag er tot mit seiner Maitresse in der Tiefe seines bombensicheren Bunkers.
Sprachen besitzen starke Lebensreserven, mit deren Hilfe sie große Mengen von Hysterie, Analphabetentum und Gemeinheit absorbieren können (Orwell hat das für die englische Sprache dargelegt). Aber es gibt auch eine Belastungsgrenze. Benutzt man eine Sprache dazu, um Belsen zu organisieren, zu ersinnen und zu rechtfertigen, benutzt man sie dazu, um den Menschen in zwölfjähriger wohlüberlegter Bestialität zu entmenschen- dann passiert etwas mit ihr. Man mache us den Worten, was Hitler, Goebbels und hunderttausend Untersturmführer aus ihnen gemacht haben: Übermittler von Unwahrheit und Terror- und mit den Worten passiert etwas. Etwas von der Lüge und dem Sadismus setzt sich im Mark der Sprache fest. Unmerklich zunächst, so wie radioaktive Ausstrahlungen sich stillschweigend im Knochenmark festsetzen. Aber das Krebsgeschwür beginnt seine tiefsitzende Zerstörungstätigkeit Die Sprache gedeiht nicht mehr, sie frischt sich nicht mehr von innen auf, und sie erfüllt nicht mehr so gut wie sonst ihre beiden wesentlichsten Funktionen: die Übermittlung von menschlicher Ordnung, die wir Gesetz und Recht nennen, und die Vermittlung des Bebenden im Menschengeist, was wir Anmut und Anstand nennen. Im Jahre 1940 äußerte Klaus Mann in einer gequälten Tagebuchnotiz, er lese keine zeitgenössischen deutschen Bücher mehr:
»Ob wohl die Sprache Hölderlins und Nietzsches durch Hitler geschändet worden ist?« Sie ist es. Und was geschah mit denen, die Wächter einer Sprache sind, den Trägern ihres Gewissens? Was wurde aus den deutschen Schriftstellern? Eine ganze Anzahl ist in den Konzentrationslagern umgekommen. Andere, wie Walter Benjamin, gaben sich selbst den Tod, um nicht der Gestapo in die Hände zu fallen. Die bekanntesten aber gingen ins Exil. Die besten Dramatiker: Brecht und Zuckmayer. Die bedeutendsten Erzähler: Thomas Mann, Werfe!, Feuchtwanger, Heinrich Mann, Stefan Zweig, Hermann Broch. Dieser Exodus ist von größter Bedeutung, wenn wir verstehen wollen, was man der deutschen Sprache und ihrer Seele, deren stimmliches Organ sie ist, angetan hat. Einige dieser Schriftsteller flohen um ihr Leben, da sie Juden, Marxisten oder »unerwünschtes Ungeziefer« waren. Viele aber hätten durchaus als “Ehrenarier” oder Gäste des Regimes dableiben können. Nur zu gern hätten die Nazis den Glanz von Thomas Manns Gegenwart und sein Prestige für sich gesichert. Nur Mann wollte nicht dableiben. Er wußte genau, was man der deutschen Sprache antun würde, und er spürte, dass er diese Sprache für sich nur im Exil vor dem endgültigen Ruin bewahren könne. Als er emigrierte, entzogen ihm die speichelleckerischen Akademiker der Universität Bonn das Ehrendoktorat ln seinem berühmten Offenen Brief an den Dekan hat Mann dargelegt, dass jemand, für den die deutsche Sprache ein Organ zur Vermittlung der Wahrheit und humaner Werte ist, nicht im Reiche Hitlers verbleiben könne:

Das Geheimnis der Sprache ist groß; die Verantwortlichkeit für sie und ihre Reinheit ist symbolischer und geistiger Art, sie hat keineswegs nur künstlerischen, sondern allgemein moralischen Sinn, sie ist die Verantwortlichkeit selbst, menschliche Verantwortlichkeit schlechthin, auch die Verantwortung für das eigene Volk, die Reinerhaltung seines Bildes vorm Angesicht der Menschheit … Ein deutscher Schriftsteller, an Verantwortung gewöhnt durch die Sprache; ein Deutscher, dessen Patriotismus sich – vielleicht naiverweise – in dem Glauben an die unvergleichliche moralische Wichtigkeit dessen äußert, was in Deutschland geschieht, – und sollte schweigen, ganz schweigen zu all dem unsühnbar Schlechten, was in meinem Lande an Körpern, Seelen und Geistern, an Recht und Wahrheit, an Menschen, und an dem Menschen täglich begangen wurde und wird?
Natürlich hatte Thomas Mann recht. Aber der Preis, den ein Schriftsteller für solche Lauterkeit zu zahlen hat, ist kaum zu ermessen.
Die deutschen Schriftsteller mussten verschiedene Verlustgrade auf sich nehmen und reagierten auf verschiedene Weise. Sehr wenige nur hatten das Glück, in der Schweiz ein Asyl zu finden, wo sie mit dem Lebensstrom ihrer eigenen Sprache verbunden blieben. Andere wie Werfel, Feuchtwanger und Heinrich Mann siedelten sich in naher Nachbarschaft zueinander an, so dass sie im fremden Land Inseln ihrer angeborenen Sprache bilden konnten. Stefan Zweig, sicher in Südamerika angekommen, versuchte das kunstvolle Gewebe seiner Prosa dort wieder aufzunehmen. Doch die Verzweiflung übermannte ihn. Er war überzeugt, dass die Nazis aus der Sprache ein unmenschliches Kauderwelsch machen würden, er sah für einen der deutschen Sprache und Literatur ergebenen Menschen keine Zukunft und beging Selbstmord.
Andere wieder hörten überhaupt zu schreiben auf, denn nur die zähesten und begabtesten brachten es fertig, das Grausame ihres Schicksals in Kunst umzusetzen. Brecht, von den Nazis von einer Zuflucht in die andere gejagt, machte aus jedem seiner Bühnenstücke ein glänzendes Nachhutgefecht. Seine Mutter Courage erlebte ihre erste Aufführungsserie in Zürich während der unheilschwangeren Frühjahrsmonate von 1941. Je weiter er gehetzt wurde, um so klarer und kraftvoller wurde sein Deutsch. Diese Sprache schien wie aus einem Elementarlehrbuch für das ABC der Wahrheit zu kommen. Zweifellos kam Brecht seine politische Einstellung zugute. Als überzeugter Marxist fühlte er sich als Bürger einer Welt, die weiterreichend als Deutschland war, und als Teilhaber arm Fortschrittsmarsch der Geschichte. Er war bereit, Entweihung und Ruin des deutschen Geisteserbes hinzunehmen als ein notwendiges tragisches Vorspiel für die Gründung einer neuen Gesellschaftsform. In seinem Traktat »Fünf Schwierigkeiten beim Schreiben der Wahrheit« stand Brecht eine neue deutsche Sprache vor Augen, eine Sprache, in der das Wort mit der Tatsache und die Tatsache mit der Menschenwürde bruchlos im Einklang stehen. Ein weiterer Schriftsteller, der aus dem Exil eine Bereicherung machte, war Hermann Brach. Der Tod des Vergil zählt nicht nur zu den bedeutendsten Romanen der europäischen Literatur seit Joyce und Proust, er ist auch die eigentümlich spezifische Behandlung der tragischen Situation eines Wortmenschen im Zeitalter der rohen Gewalt. Der Roman handelt von dem Entschluss des Vergil, das Manuskript der Äneiden zu vernichten. In seiner Todesstunde erkennt er, dass alles Wahre und Schöne in der Sprache nicht ausreichen, um mit dem menschlichen Leiden und der heraufziehenden Barbarei fertig zu werden. Man müsse eine Poesie finden, die von größerer Unmittelbarkeit und Hilfe für den Menschen sei, als die der Worte: eine Poesie der Aktion. Überdies hat Broch Grammatik und Rede weit über ihre herkömmlichen Bezirke hinausgetragen, als wären sie zu eng geworden, um den Belastungen aus Kummer, Gram und Einsicht standzuhalten, die dem Schriftsteller durch die Unmenschlichkeit unserer Zeit aufgebürdet werden. Gegen Ende seines vereinsamten und zurückgezogenen Lebens (er starb als ein nahezu Unbekannter in New Haven) gelangte er mehr und mehr zu der Einsicht, dass Kommunikation auch in anderen als den sprachlichen Mitteln, nämlich in der Mathematik liegen könnte.
Von all den im Exil Verbannten erging es am besten Thomas Mann. Immer schon ein Weltbürger, war er für den eigenen Geist fremder Sprachen und Kulturen von vornherein empfänglich. Im letzten Teil der Joseph-Trilogie scheinen in den Thomas-Mann-Stil gewisse Klangfarben aus dem Englischen einzudringen, der Sprache, in deren Mitte er nun lebte. Nach wie vor ist sein Deutsch das eines Wortkünstlers, doch hin und wieder scheint fremdes Licht durch. Dem Verfall des deutschen Geistes wendet sich Mann unmittelbar im Doktor Faustus zu. Der Roman gewinnt seine innere Form aus dem Gegensatz zwischen der Sprache des Erzählers und den Ereignissen, die er wiedergibt. Die Sprache ist die des klassischen Humanisten mit einem Anflug altmodischer Umständlichkeit, doch stets geöffnet für die Stimmen der Vernunft, der Skepsis und der Toleranz. In anderer Hinsicht ist die Geschichte vom Leben Adrian Leverkühns eine Parabel von Unvernunft und Katastrophe. Leverkühns Tragödie nimmt den Wahnsinn des deutschen Volkes im weiteren Sinne vorweg.
Noch während der Erzähler sein pedantisches doch menschliches Zeugnis ablegt über die zügellose Vernichtung eines Genies, wird der Absturz des Reiches ins blutige Chaos aufgezeigt. Im Doktor Faustus werden auch direkte Überlegungen angestrengt über die jeweilige Rolle, die die Sprache und die Musik in der deutschen Seele spielen. Themas Mann scheint darzulegen, dass sich die tieferen Kräfte der deutschen Seele seit je mehr in der Musik als im Wort geäußert haben. Und wie die Geschichte Adrian Leverkühns zu verstehen gibt, haben wir es hier mit einem gefahrvollen Faktum zu tun. Denn es liegen in der Musik Möglichkeiten zur völligen Irrationalität wie zur Hypnose beschlossen. Nicht daran gewöhnt, in der Sprache ein Richtmaß, eine letzte Norm zu finden waren die Deutschen für den untermenschlichen Jargon de; Nazisprache auch so geöffnet. Und hinter diesem Jargon klangen die schweren, dunklen Akkorde Wagnerscher Ekstase durch. In dem Erwählten, einem seiner letzten Werke, kehrte Themas Mann mit den Mitteln von Parodie und Pastiche zurück zum Problem der deutschen Sprache. Die Erzählung ist geschrieben in einer sorgfältigen Nachahmung des mittelalterlichen Deutsch, als wollte er sie so weit wie möglich vom Deutsch der Gegenwart entfernen.
Aber trotz all ihrer Fähigkeiten konnten die deutschen Schriftsteller ihr geistiges Erbe vor der Selbstzerstörung nicht bewahren. Sie bewahrten sich die Lauterkeit ihrer Persönlichkeit, sie waren Zeugen des Beginns der Katastrophe gewesen, nicht ihrer vollen Entfaltung. So schrieb einer der Zurückgebliebenen: ))Sie hatten nicht mit der Preisgabe ihrer eigenen Würde zu zahlen – wie also können sie sich denen mitteilen, die es taten?« Die Bücher, die Mann, Hesse und Brach in der Schweiz oder in Kalifornien oder in Princeton verfassten, werden im heutigen Deutschland zwar gelesen, hauptsächlich aber als wertvolle Beweisstücke dafür, dass “woanders” eine privilegierte Welt weitergelebt hat, die außerhalb von Hitlers Reichweite lag.
Was wurde nun aber aus denen, die tatsächlich dageblieben waren? Die einen wurden zu Lakaien im amtlichen Hurenhaus »arischer Kultur«, der Reichsschrifttumskammer, andere logen sich so lange mit Zweideutigkeiten durch, bis sie darüber die Fähigkeit einbüßten, irgend etwas Klares und Bedeutsames zu sich selber zu sagen. Eine kurze Glosse von Klaus Mann gibt Aufschluss darüber, wie Gerhart Hauptmann, der alte Löwe des Realismus, mit den neuen Realitäten fertig wurde:

»Hitler … schließlich, … Aber meine verehrten Freunde! . .. nur nicht tragisch nehmen! … Wir wollen doch … Nein, bitte erlauben Sie mir … objektiv bleiben … Darf ich mir noch ein Glas einschenken? Dieser Sekt … sehr beachtenswert, in der Tat- ich meine Hitler als Mensch … eine sehr ungewöhnliche, eine außerordentliche Entwicklung … die deutsche Jugend … sieben Millionen Stimmen … Wie ich oftmals meinen jüdischen Freunden gegenüber geäußert habe… Diese Deutschen… unberechenbar. . . wirklich, sehr mysteriös. . . kosmische Impulse .. ·, Goethe… die Nibelungensage … im gewiss en Sinne drückt Hitler … das habe ich meinen jüdischen Freunden klarzumachen versucht, .. dynamische Tendenzen … elementar, unwiderstehlich … «

Andere, wie Gottfried Benn oder Ernst Jünger, suchten ihre Zuflucht in der von Benn so bezeichneten »aristokratischen Form der Emigration«. Sie traten der deutschen Wehrmacht bei in der Meinung, dort »auf alte, ehrenvolle Weise« im Offizierskorps zu dienen und der Flutwelle allgemeiner Beflekkung zu entgehen. Jünger schrieb einen Bericht vom siegreichen Frankreich-Feldzug, ein lyrisch reizvolles kleines Buch unter dem Titel Gärten und Straßen. Nicht ein einziger grober Zug ist darin. Der Offizier alten Stils, der väterlich um seine französischen Gefangenen bemüht ist und »korrekte«, ja sogar huldvolle Beziehungen zu seinen neuen Staatsbürgern unterhält. Hinter seinem Ordonnanzwagen rollen die frisch aus Warschau eingetroffenen LKW’s der Gestapo und der Eliteeinheiten. Jünger aber erwähnt keine dieser Unannehmlichkeiten. Er schreibt über Gärten.
Benn sah klarer und zog sich zuerst in eine Stilverdunkelung, dann in völliges Schweigen zurück. Doch die einfache Tatsache seiner Anwesenheit im Deutschland der- Nazis scheint sein Fassungsvermögen für die Wirklichkeit abgetötet zu haben. Nach dem Kriege brachte er etwas aus seinen Erinnerungen zu Papier. Dabei stoßen wir auf einen unglaublichen Satz. Während er sich über den Druck auslässt, den das Regime auf ihn ausgeübt hat, trifft Benn folgende Feststellung: »Ich schildere das Vorstehende nicht aus Ressentiment gegen den Nationalsozialismus, der liegt am Boden und ich schleife Hektar nicht.« Es schwindelt einem, wenn man sich das Ausmaß geistiger Verwirrung vorsteHt, das einen anständigen Schriftsteller veranlasst, so etwas zu schreiben. Indem er sich eines altakademischen Klischees bedient, setzt er den Nazismus gleich mit dem vornehmsten homerischen Helden.
Sobald eine Sprache leer und abgestorben ist, wird sie zur Lüge. Eine Handvoll Schriftsteller blieb in Deutschland, um einen heimlichen Widerstand durchzuführen. Einer von diesen wenigen war Ernst Wiechert. Einige Zeit brachte er im Lager Buchenwald zu. Im Kriege lebte er in selbstgewählter Zurückgezogenheit. Was er schrieb, vergrub er in seinem Garten. In beständiger Gefahr stand er die Zeit durch. Er hielt sich als ehrlicher Mann und hat Zeugnis abgelegt für die Geflohenen wie für die Überlebenden.
In seinem Totenwald gibt er einen knappen, ruhigen Rechenschaftsbericht von dem, was er im Konzentrationslager mit ansah. Ruhig, denn er wollte nicht, dass der Horror der Tatsachen die nackte Wahrheit übertöne. Er sah mit an, wie Juden unter der Last schwerer Holz- oder Steinmassen zu Tode gefoltert wurden (jedesmal wenn sie nicht mehr weiter konnten, wurden sie ausgepeitscht, bis sie tot umfielen). Als sich an Wiecherts Arm eiternde Geschwüre entwickelten, erhielt er eine Bandage. Juden oder Zigeuner aber hätte der Lagerarzt nicht einmal mit Handschuhen berührt, »um nicht schon vom Geruch ihrer Haut infiziert zu werden«. So starben sie, schreiend unter Brandschmerzen oder gejagt von Polizeihunden. Wiechert beobachtete es, und er erinnerte sich. Bei Kriegsende grub er das Manuskript in seinem Garten aus, und im Jahre 1948 erschien es in Buchform. Aber es war schon zu spät.
In den drei Jahren unmittelbar nach dem Kriege waren unzählige Deutsche bemüht,· zu einer realistischen Einsicht der Ereignisse aus der Hitlerzeit zu kommen. Überschattet von Ruinen und wirtschaftlicher Misere, gab man sich dem Gedanken hin, das monströse Übel des Nazismus sei aus der Welt geschafft. In langen Reihen defilierten Männer und Frauen an den Knochenhaufen der Todeslager vorbei.
Zurückgekehrte Soldaten bekannten sich zu allerlei, was sich unter der Besatzung in Norwegen, Polen, Frankreich oder Jugoslawien getan hatte: Die Massenerschießungen von Geiseln, die Folterungen, die Plünderungen. Die Kirchen erhoben ihre Stimme und machten ihren Einfluss geltend. Es war eine Zeit moralischer Prüfung und bekümmerter Rückschau. Worte, die zwölf Jahre lang nicht laut ausgesprochen waren, wurden wieder gesprochen. Doch sollte die Zeit, da man der Wahrheit ins Auge sah, nicht lange andauern.
Der Wendepunkt scheint im Jahre 1948 eingetreten zu sein. Mit der Währungsreform, der Einführung der neuen Deutschen Mark, setzte in Westdeutschland ein wirtschaftlicher Aufschwung von übernatürlichem Umfang ein. Das Land betäubte sich buchstäblich durch angestrengtes Arbeiten. Das waren die Jahre, wo Männer in ihren wieder eingerichteten Werkstätten und Fabrikanlagen bis in die Nacht hinein arbeiteten, da ihre Wohnungen noch nicht recht bewohnbar waren. Und mit diesem Aufschwung materieller Kräfte zog ein neuer Mythus herauf. Millionen von Westdeutschen redeten sich und allen leichtgläubigen Ausländern ein, das Vergangene habe irgendwie gar nicht stattgefunden, und dass die Greuel durch Propaganda der Alliierten und der sensationslüsternen Presse gröblich übertrieben worden seien. Ja, Konzentrationslager hat es dem Vernehmen nach einige gegeben, und eine gewisse Anzahl von Juden und andere Unglückliche sind ausgerottet worden. »Aber nicht sechs Millionen, lieber Freund, nicht annähernd so viel. Das ist ja alles Propaganda. « Zweifellos sind auf fremdem Gebiet durch die SS und SA bedauerliche Brutalitäten passiert. »Aber diese Burschen waren eben Lumpenhunde, Raufbolde, die reguläre Wehrmacht hat sowas nicht getan, nicht unser tapferes deutsches Heer. Und über eins wollen wir uns doch ruhig klar sein, an der Ostfront standen wir ja auch keinen normalen Menschen gegenüber. Die Russen, lieber Freund waren wie tolle Hunde! Und was sagen Sie zu Dresden?, « Solche Argumente bekam man in Deutschland zu hören, wohin man auch reiste. Allmählich glaubten die Deutschen selber mit Inbrunst daran. Doch Schlimmeres war im Kommen. Deutsche aller sozialen Stuffen fingen an zu erklären von den Greueltaten der Nazis nichts gewusst zu haben. »Wir haben keine Ahnung gehabt, was da vor sich ging. Über Dachau, Belsen oder Auschwitz hat uns kein Mensch was gesagt. Wie hätten wir da dahinterkommen sollen? Dafür kann man uns nicht verantwortlich machen.« Gewiss, ein solcher Anspruch auf Schuldfreiheit ist nicht ohne weiteres zu widerlegen. Es gab zahllose Deutsche, die kaum eine blasse Ahnung hatten was außerhalb ihres eigenen kleinen Gärtchens vor sich gehen mochte.
Weite ländliche Gebiete und kleine, entlegene Ortschaften wurden Sich der Wirklichkeit erst in den letzten Kriegsmonaten bewusst, als das Schlachtfeld ihnen näherrückte. Doch eine große, eine ungeheuer große Anzahl wußte. Wiechert beschreibt seine eigene lange Fahrt nach Buchenwald aus den relativ idyllischen Tagen von 1938 Er berichtet wie sich johlende Menschenmassen an diversen Haltepunkten ansammelten, um die in Güterwagen gefesselten Juden und politischen Gefangenen zu verhöhnen und anzuspeien. Als die Todeszüge dann während des Krieges durch Deutschland rollten und die Luft immer dicker wurde, stellte m an sie bei München auf Nebengleisen ab, ehe sie nach Dachau weiterfuhren. Im Innern der plombierten Waggons wurden Männer, Frauen und Kinder vor Durst und Furcht wahnsinnig. Sie schrieen nach Luft und Wasser, sie schrieen die ganze Nacht. Die Münchner hörten das und berichteten es weiter. Ein Zug auf dem Weg nach Belsen hielt auf einem anderen Bahnhof in Süddeutschland an; die Gefangenen wurden rennend den Bahnsteig entlang gejagt, während einer der Gestapobeamten seinen Hund mit dem Ruf losließ: “Mensch fass die Hunde!” un einem Haufen Deutscher stand dabei und sah zu. Solche Fälle sind zahllos festgehalten worden.
Die meisten Deutschen mögen über die Einzelheiten der Liquidierungen nichts erfahren haben, sie mögen von den Mechanismen der Gaskammern (die ein amtlicher NaziHistoriker den Arsch der Welt« genannt hat) kaum etwas gehört haben. Wenn aber das Haus nebenan über Nacht ausgehoben wurde, oder wenn Juden mit dem gelben Erkennungsstern auf der Kleidung vom Luftschutzkeller ausgesperrt und genötigt wurden, sich irgendwo im Freien niederzukauern, dann kann nur ein blinder Ochse nichts davon gemerkt haben.
Dennoch setzte sich der Mythus durch. Gewiss, Ende der fünfziger Jahre ist das deutsche Publikum in den Theatern durch die Dramatisierung des Tagebuchs der Anne Frank ernstlich bewegt worden, doch blieb selbst der Terror aus diesem Tagebuch eine Ausnahme-Mahnung. Was Anne Frank im Innern des Lagers widerfahren ist, darüber sagen ja die Aufzeichnungen nichts. Für dererlei ist in Deutschland der Markt klein. Vergesst das Vergangene, arbeitet tüchtig und werdet wieder wohlhabend. Die Zukunft gehört dem neuen Deutschland. Als man unlängst die Jugend befragte, was der Name Hitler für sie bedeute, gaben beachtlich viele Schulkinder, Oberschüler und Studenten zur Antwort, das sei der Mann, der die Autobahnen gebaut und die Arbeitslosigkeit beseitigt habe. Ob sie gehört hätten, dass er auch ein böser Mensch gewesen ist? Ja, doch warum, das wüssten sie nicht recht. Den Lehrern, die es unternommen hatten, ihnen etwas über die Geschichte der Nazizeit zu erzählen, wurde von offizieller Seite erklärt, derartige Dinge seien für die Kinder nicht geeignet. Lehrer, die trotzdem darauf bestanden, sind entweder aus dem Schuldienst entlassen worden oder wurden durch Elternschaft und Kollegen kräftig unter Druck gesetzt. Weshalb noch einmal ausgraben, was doch vorbei ist.
Hier und da sind die alten Gesichter wieder auf die öffentliche Bildfläche zurückgekehrt. Das steht heute fest. Auf den Gerichtsbänken sitzen Richter und Staatsanwälte, die ehedem die Hitlerschen Blutgesetze angelegt haben. Auf vielen Professorenstühlen sitzen Gelehrte, die als erste befördert worden waren, als man daranging, ihre jüdischen oder ‘sozialistischen Lehrer in den Tod zu schicken. An unzähligen Universitäten in Deutschland wie in Österreich stolzieren wieder die patriotischen Renommierer mit ihren Mützen, Bändern und Schmissen »in couleur« und »rein germanischen Idealen« umher. Die ewige Litanei in der neu-deutschen Ära lautet: Davon wollen wir nichts mehr hören. Auch diejenigen, denen das schnelle Vergessen selbst schwer wird, nötigen andere, es zu tun. Eines der ganz wenigen Beispiele hochwertiger Literatur das sich. mit dem Entsetzen der Vergangenheit uneingeschränkt auseinandersetzt, ist das Brandopfer von Albrecht Goes. Eine jüdische Frau, der ein Beamter der Gestapo eröffnet, dort, wohin sie gebracht würde, bliebe ihr keine Zeit, um ein Kind zur Welt zu bringen, hinterlässt ihr Kinderwägelchen bei einer anständigen arischen Ladenfrau. Am darauffolgenden Tag wird sie zu den Gaskammern abtransportiert. Für den Erzähler wird der leere Kinderwagen zum Inbegriff dessen, was angerichtet worden ist. Die Frau fasst den Entschluss ihr eigenes Leben als ein Brandopfer für Gott hinzugeben: Eine ganz hervorragende, niet- und nagelfeste Erzählung. Am Beginn zögert Goes, ob er sie überhaupt erzählen soll: “Man hat vergessen. Und es muss ja auch vergessen werden, denn wie könnte leben, wet nicht vergessen kann”. Vielleicht besser.
Alles vergisst- nur die Sprache nicht. Ist sie erst einmal infiziert mit Falschheit, Lüge und Unwahrheit, kann sie nur mit Hilfe der kräftigsten und vollsten Wahrheit gereinigt werden. Statt dessen aber hat die deutsche Sprache nach dem Kriege einen Werdegang gehabt, der von Verstellung, Heuchelei und vorsätzlichem Vergessen gekennzeichnet war. Die Rückerinnerung an das Grauen der Vergangenheit ist weitgehend getilgt worden, und dies um einen hohen Preis, den die deutsche Literatur heute schon bezahlt. Es gibt begabte Schriftsteller unter den Jüngeren und auch eine ganze Anzahl junger Dichter von Qualität und Eigenart. Der weitaus größere Teil dessen aber, was als seriöse Literatur verlegt wird, ist flach und birgt kein echtes Leben.(2) Man vergleiche einmal die besten Arbeiten auf journalistischem Gebiet mit einer beliebigen Ausgabe der Frankfurter Zeitung aus vorhitlerischen Tagen, und man muss zeitweilig daran zweifeln, dass beide in deutscher Sprache geschrieben sind.
Das soll durchaus nicht heißen, dass der deutsche Geist verstummt sei. Es ist ein glänzendes Musikleben zu verzeichnen, und nirgendwo anders in der ganzen Welt kann die experimentelle moderne Musik auf ein verständnisbereiteres Publikum zählen. Außerdem herrscht wieder lebhafte Aktivität in den Bereichen der Mathematik und Naturwissenschaften. Doch Musik und Mathematik sind “Sprachen”, anders als die Sprache, reiner und weniger durch vergangene Implikationen beschmutzt als diese, und somit möglicherweise auch geeigneter, um mit dem neuen Zeitalter der Automatisierung und elektronischen Steuerung fertig zu werden. Die Sprache scheint es nicht zu sein. Und doch ist sie, soweit die Historie erweist, stets ein Behälter für den Reiz und Anstand des Menschen, der eigentliche Träger der Zivilisation gewesen.

Noten
1. Dieser im Jahre 1959 geschriebene Essay hat verständlicherweise vielVerstimmung und Verärgerung ausgelöst. Seine Diskussion und seine falsche Auslegung in Deutschland dauern an bis zum heutigen Tage. Die Zeitschrift Sprache im technischen Zeitalter widmete der Debatte eine Sondernummer, und im Frühjahr 1966, auf der Tagung der deutschen Schriftsteller Gruppe 47 in den Vereinigten Staaten, entsprang die Kontroverse aufs neue. Eine besonders feindselige Einstellung gegenüber dem Fall bezog der akademische Berufsstand, dem ich selber mit einem gewissen Unbehagen zugehöre. Wenn ich “Das hohle Wunder” in diesem Buche erneut vorstelle, so geschieht es, weil ich der Meinung bin, das es sich bei den Wechselbeziehungen zwischen Sprache und politischer Unmenschlichkeit um einen Gegenstand von sehr ernster- Bedeutung handelt; und weil ich glaube, dass sich dieses mit besonders tragischer Dringlichkeit ablesen lässt am Gebrauch der deutschen Sprache während der Nazi-Periode und an der Vergesslichkeits-Akrobatik, die dem Sturz Hitlers nachfolgte. Joseph de Maistre und George Orwell haben beide zum Thema Politik und Sprache geschrieben und wie das Wort unter dem Gewaltdruck politischer Bestialität und Verlogenheit seine menschlichen Sinnbedeutungen einbüßen kann. Bis jetzt aber haben wir kaum einen Anfang gemacht, ihre Einsichten auf die eigentliche Entwicklung von Sprache und Fühlen anzuwenden. Hier bleibt fast alles noch zu tun übrig. Auch veröffentliche ich den Essay erneut, weil ich glaube, dass seine Beweisführung im großen und ganzen gültig geblieben ist. Bei seiner Niederschrift war mir das bemerkenswerte Buch von Victor Klemperer (LTI) Aus dem Notizbuch eines Philologen nicht bekannt, das 1946 in Ost-Berlin erschienen ist und jetzt unter dem Titel “Die unbewältigte Sprache” (im Verlag Joseph Melzer, Darmstadt). Weit mehr als ‘ich es vermochte, spürt Klemperer, ein geschulter Linguist, dem deutschen Sprach-Kollaps zum Nazi-Jargon und den sprachwissenschaftlich-historischen Hintergründen dieses Zusammenbruchs nach. Im Jahre 1957 erschien ein schmales und vorläufiges Lexikon der NaziSprache: Aus dem Wörterbuch des Unmenschen, zusammengestellt von Dolf Sternberger, Gerhard Storz und W. E. Süßkind. Im Jahre 1964 griff Cornelia Berning die von mir gemachte Anregung zu eingehenderen Untersuchungen in ihrer Schrift »Vom Abstammungsnachweis zum Zuchtwart« auf, und Do!f Sternherger ist auf den gesamten Fragenkomplex in seinem Essay über “Maßstäbe der Sprachkritik« in seinem Buch Kriterien (Frankfurt, 1965) zurückgekommen. In Rolf Hochhuths Der Stellvertreter, namentlich in den Szenen um Eichmann und seine Spießgesellen, wird dem Nazideutsch ein peinlich genauer, nahezu Übelkeit erregender Ausdruck verliehen. Das Gleiche trifft zu für Peter Weiss’ Ermittlung und auch für den Roman Hundejahre von Günter Grass, auf den ich in dem hier nachfolgenden Essay zu sprechen komme. Dazu kommt, dass für den komplexen Werdegang der deutschen Sprache und ihrer Äußerungsformen in der politischen Wirklichkeit ein neuer Abschnitt eingesetzt hat. In Ostdeutschland entwickelt sich in der Sprache aufs neue ein Stil totalitärer Vereinfachungen und grammatikalischer Lügen, der sich in der Ära der Nazis in hohem Maße durchgesetzt hat. Mauern lassen sich nicht umziehen zwischen zwei Hälften einer Stadt, man kann sie auch zwischen Wörtern und ihrem menschlichen Inhalt errichten.
2. Diese Feststellung trifft für das Jahr 1959 nicht aber für heute zu. Gerade dadurch, dass sie sich dem Vergangenen zuwenden, haben deutsche Bühnenwerke und die erzählende Literatur in Deutschland eine heftige, häufig journalistische,  aber nicht zu bestreitende Lebenskraft wiedererlangt.

De donkere wind

De donkere wind
Uit: Curzio Malaparte, De Huid, Antwerpen Amsterdam 2007 p. 175-195

Tegen zonsopgang begon de donkere wind te waaien en ik werd wakker, nat van het zweet. In mijn slaap had ik zijn droeve geluid, zijn donkere geluid herkend. Ik ging voor het raam staan,zocht op de muren, de daken, de straatklinkers, in de bladeren van de bomen, in de lucht boven Posillipo de tekenen van zijn aanwezigheid. Als een blindemannetje dat op de tast loopt, met zijn vooruitgestoken handen de lucht strelend en de voorwerpen bevoelend, zo doet de donkere wind: hij is blinden ziet nietwaar hij gaat, en nu eens raakt hij die muur, dan weer die tak,dan weer dat mensengezicht, en dan weer de oever, dan weer de berg, waarbij hij in de lucht en op de dingen de donkere afdruk van zijn lichte streling achterlaat.
Het was niet voor het eerst dat ik het geluid van de donkere wind hoorde, en meteen herkende ik het. Ik werd wakker, nat van het zweet, en toen ik voor het raam was gaan staan, speurde ik de huizen, de zee, de lucht, de hoge wolken boven zee af.
De eerste keer dat ik zijn geluid hoorde was in de Oekraïne, in de zomer van 1941. Ik bevond me in het kozakkengebied van de Dnjepr en op een avond zeiden de oude kozakken uit het dorp Kostantinovka, die op de drempel van hun huis een pijp zaten te roken: «Kijk, de donkere wind, daarginds.» De dag liep ten einde, in de verte aan de einder verzonk de zon in de aarde. De laatste zonneschijn raakte, rozig en doorzichtig, de hoogste takken van de witte berken, en op dat treurige moment dat de dag ten einde loopt, zag ik voor het eerst de donkere wind.
Hij was als een donkere schaduw, als de schaduw van een donker paard dat onzeker her en der over de steppe doolde, en nu eens voorzichtig op het dorp afkwam, dan weer verschrikt wegliep. Iets als de vleugel van een nachtvogel beroerde de bomen, de paarden, de honden her en der in de omgeving van het dorp, die meteen een donkere kleur kregen, zich verfden met denacht. De stemmen van mens en dier leken stukken zwart papier die in de rozige lucht van de zonsondergang fladderden.
Ik liep weg naar de rivier, en het water was dik en donker. Ik sloeg mijn ogen op naar de kruin van een boom, en de bladerenwaren glimmend en donker. Ik raapte een steen op, en in mijnhand was de steen donker en zwaar, ondoorgrondelijk, als een klont nacht. De meisjes die van de akkers terugkeerden naar de lange, lage afdaken van de kolchoz hadden donkere, glanzende ogen, hun vrije, frisse, lachende stemmen stegen op in de lucht als donkere vogels. En toch was de dag nog licht. Die bomen, die stemmen, die dieren, die mensen, al zo donker in de nog lichte dag, vervulden mij van een ijle huiver.
De oude kozakken met hun rimpelgezicht, met de grote lok boven op hun kaalgeschoren hoofd zeiden: «Dat is de donkere wind, de ciorni vetier,»en ze schudden hun hoofd, ter wijl ze zagen hoe de donkere wind onzeker her en der over de steppe doolde als een verschrikt paard. Ik zei: «Misschien is het de schaduw van de avond, die die wind donker kleurt.» De oude kozakken schudden hun hoofd en zeiden: «Nee, het is niet de schaduw van de avond die de wind kleurt. Het is de ciorni vetier die alles wat hij aanraakt donker kleurt.» En ze leerden me het geluid van de donkere wind te herkennen, met zijn geur,zijn smaak. Ze namen een lam op de arm, bliezen in de donkere wol, en onderaan bleek de vacht wit. Ze namen een vogeltje in de hand, bliezen in de donkere, zachte veertjes, en onderaan waren ze geel, rood, blauw gekleurd. Ze bliezen op het pleister van een huis, en onder het donkere dons dat door de streling van de windwas achtergelaten, schemerde het wit van de kalk. Ze begroeven hun vingers in de donkere manen van een paard, en tussen hunvingers dook weer het roodbruine haar op. De donkere honden die over het dorpspleintje scharrelden, lichtten, telkens als ze uit de wind achter een hekwerk of achter een muur liepen, op in die rossige kleur die de kleur van kozakkenhonden is, en doofden meteen zodra ze weer de wind in doken. Een oude man groef met zijn nagels een witte steen op uit de grond, nam hem in de palm van zijn hand, wierp hem in de stroom van de wind: het leek op een gedoofde ster, een donkere ster die verzonk in de lichte stroom van de dag. Zo leerde ik de donkere wind te herkennen aan de geur, die de geur is van droog gras, aan de bittere smaak, bitter en sterk als de smaak van laurierbladeren, en aan het geluid, dat verbazingwekkend treurig is, vol van een diepe nacht.

De volgende dag ging ik naar Dorogò, op drie uur afstand van Kostantinovka. Het was al laat en mijn paard was moe. Ik ging in Dorogò de beroemde kolchoz bezoeken waar de beste paarden van heel de Oekraïne werden gefokt. Tegen vijf uur ’s middags was ik uit Kostantinovka vertrokken en ik rekende erop voor het donker in Dorogò aan te komen. De recente regens hadden de weg echter in een modderpoel veranderd en de bruggen over de veelvuldige riviertjes in dat gebied meegesleurd, waardoor ik gedwongen was weer omhoog te gaan of langs de oever af te dalen op zoek naar een doorwaadbare plaats. En ik was nog ver van Dorogò af toen de zon met een doffe klap in de aarde zonk,in de verte aan de einder. De zon gaat in de steppe plotseling onder, valt als een steen in het gras, met de klap van een steen die op de aarde stuit. Na Kostantinovka had ik een lang stuk samen gereisd met een groep Hongaarse ruiters die naar Stalin gingen. Onder het rijden rookten ze lange pijpen en af en toe hielden ze stil om met elkaar te praten. Ze hadden zachte, zangerige stemmen. Ik dacht dat ze elkaar raadpleegden over welke weg ze moesten nemen,maar op een gegeven moment vroeg de sergeant die het bevel over hen voerde mij in het Duits of ik mijnpaard wilde verkopen. Het was een kozakkenpaard, het kende iedere geur, iedere kleur, elk geluid van de steppe. «Het is mijn vriend,» antwoordde ik, «ik verkoop geen vrienden.» De Hongaarse sergeant keek me lachend aan: «Het is een fraai paard,»zei hij, «maar het zal u niet veel geld gekost hebben. Kunt u me zeggen waar u het hebt gestolen?» Ik wist hoe je paardendievenmoest aanpakken en zei: «Ja, het is een fraai paard, het draaft de hele dag onvermoeibaar als de wind, maar het heeft schurft.»Ik keek hem recht aan en lachte. «Heeft het schurft?» vroeg de sergeant. «Geloof je me niet?» zei ik, «voel maar, als je me niet gelooft, dan zul je zien dat je er schurft van krijgt.» En met de neus van mijn schoen de flank van het paard strelend reed ik langzaam door zonder nog om te kijken. Ik hoorde ze geruime tijd lachen en schreeuwen en op me schelden: toen zag ik vanuit mijn ooghoek dat ze afgebogen waren naar de rivier en zwaaiend met hun armen en groupe galoppeerden. Na een paar mijl kwam ik een paar Roemeense ruiters tegen die aan het plunderen waren geweest en over hun zadel hopen zijden kamerjassen en schapenvachten droegen, die vast in een of ander Tartaars dorp waren gestolen. Ze vroegen me waar ik heen ging. «Naar Dorogò,» antwoordde ik. Ze zouden me willen vergezellen, zeiden ze, tot aan Dorogò om me in de steppe te verdedigen, in het geval van een onaangename ontmoeting, vervolgden ze, wantje had daar Hongaarse roverbendes, maar hun paarden waren moe. Ze wensten me een goede reis en reden weg, nu en dan omdraaiend met een groet.
Het was al bijna nacht toen ik in de verte, voor me, een schijnsel van vuur zag Het was het dorp Dorogò. Opeens herkende ik de geur van de wind en mijn hart stond stil. Ik keek naar mijnhanden, ze waren donker, droog, als het ware verkoold. En donker waren de schaarse bomen, her en der op de steppe, donkerde stenen, donker de aarde: maar de lucht was nog licht en leek van zilver. De laatste gloed van de dag ging ten onder aan de hemel achter mij, en de wilde paarden van de nacht snelden me in galop tegemoet vanuit de uiterste horizon in het oosten, waarbij ze donkere stofwolken deden opstuiven.
Ik voelde hoe de donkere streling van de wind over mijn gezicht ging, hoe de donkere nacht van de wind mijn mond vulde. Een dikke, plakkerige stilte als een modderstroom stagneerde op de steppe. Ik boog me over de hals van het paard, zei zachtjes iets in zijn oor. Het paard hoorde zoetjes hinnikend mijnwoorden aan en richtte zijn grote schuine oog op mij, dat grote donkere oog vol weemoedige, kuise waanzin. Inmiddels was de nacht al gevallen, de vuren van het dorp Dorogò waren inmiddels dichtbij toen ik plotseling hoog boven mijn hoofd stemmen van mensen hoorde.
Ik sloeg mijn ogen op: en het was of op dat punt een dubbele rij bomen de weg flankeerde, waarvan de takken boven mijnhoofd een boog vormden. Maar ik zag geen stammen of takken of bladeren, ik bespeurde alleen de aanwezigheid van bomen om me heen, een merkwaardige aanwezigheid, iets sterks in de donkere nacht, iets levends in de donkere muur van de nacht. Ik hield mijn paard in, spitste mijn oren. Ik hoorde echt boven mijn hoofd praten, stemmen van mensen door de donkere lucht gaan, hoog boven mijn hoofd.«Wer da?»riep ik.
Voor me, daarginds aan de horizon in de verte verspreidde zich een licht rozig schijnsel aan de hemel. De stemmen kwamen hoog boven mijn hoofd voorbij, het waren echt stemmen van mensen, Duitse, Russische, Hebreeuwse woorden. De stemmen waren luid, ze spraken wel onderling, maar waren wat schel: soms hard, soms kil en breekbaar als de wind, en vaak braken ze aan het eind van de woorden af met het getinkel van glas dat opeen steen stoot Toen riep ik opnieuw:«Wer da?»
«Wie ben je? Wat moet je? Wie is dat? Wie is dat?» antwoordden een paar stemmen die hoog boven mijn hoofd voortsnelden.
De rand van de horizon was rozig en doorschijnend als de dop van een ei, het leek of aan de horizon in de verte langzaam een ei uit de schoot van de aarde kroop.
«Ik ben een man, ik ben een christen,» zei ik.
Een schrille lach snelde door de donkere hemel, ging ver in de nacht  verloren. En een stem, harder dan de andere, riep: «Zo,ben jij een christen?» Ik antwoordde: «Ja, ik ben een christen.»Mijn woorden werden onthaald op een hoongelach dat zich hoog boven mijn hoofd verwijderde en geleidelijk aan wegebde in de nacht
«En schaam je je niet om een christen te zijn?» riep de stem. Ik zweeg. Gebogen over de hals van het paard, mijn gezicht begraven in de manen, zweeg ik.
«Waarom geef je geen antwoord?» riep de stem.
Ik zweeg en keek hoe de horizon geleidelijk aan lichter werd. Een gouden licht, zoals het doorzichtige van een eierdop, breidde zich langzaam aan de hemel uit. Het was werkelijk een ei dat daarginds ontstond, dat geleidelijk aan vanuit de aarde opkwam,dat langzaam uit de diepe, donkere tombe van de aarde oprees.
«Waarom zwijg je?» riep de stem.
En ik hoorde hoog boven mijn hoofd een geritsel als van takken in de wind, een geruis als van bladeren in de wind, en hoe een woedende lach en harde woorden door de donkere hemel snelden, hoe iets, als een vleugel, mijn gezicht beroerde. Het waren vast en zeker vogels, het waren grote donkere vogels, misschien waren het raven, die gewekt uit hun slaap opvlogen, klapwiekend met hun dikke donkere vleugels wegvluchtten. «Wie
bent u?» riep ik. «Geef in godsnaam antwoord!» De maneschijn verspreidde zich aan de hemel. Het was werkelijk een ei dat daarginds uit de schoot van de nacht ontstond, het was werkelijk een ei dat uit de schoot van de aarde ontstond, dat langzaam aan de horizon opkwam. Geleidelijk aan zag ik de bomen die de weg flankeerden uit de nacht treden, zich tegen de gulden hemel af tekenen, en daar boven tussen de takken donkere schaduwen bewegen.

Een kreet van afschuw brak in mijn keel. Het waren gekruisigde mannen. Het waren mannen die aan de stammen van de bomen waren gespijkerd, hun armen wijd in een kruis, hun voeten bij elkaar,met lange spijkers aan de stam vast, of met ijzerdraden om de enkels. Sommigen hielden hun hoofd opzij, anderen op hun borst, weer anderen hieven hun gezicht op om naar de opkomende maan te kijken. Velen hadden een zwarte joodse kaftan aan, velen waren naakt,en hun vlees glansde kuis in de kille lauwte van de maan. Als het gezwollen levensei dat de doden in de Etruskische graven van Targuinia tussen twee vingers ophouden, het symbool van vruchtbaarheid en eeuwigheid, kwam de maan op uit het ondergrondse, zweefde wit en koud als een ei in de lucht hij bescheen de bebaarde gezichten, de donkere kringen om de ogen, de wijd open monden, de verwrongen ledematen van de gekruisigde mannen.
Ik richtte me op in de stijgbeugels, stak mijn handen uit naar een van hen, ik probeerde met mijn nagels de spijkers uit te trekken die zijn voeten doorboorden. Maar verontwaardigde stemmen klonken om me heen op en de gekruisigde man brulde:«Raak me niet aan, ellendeling.»
«Ik wil u geen pijn doen,» riep ik, «laat me in godsnaam helpen!»
Een gruwelijke lach ging van boom tot boom, van kruis tot kruis, en ik zag de hoofden heen en weer bewegen, de haarden schudden, de monden open en dichtgaan: en ik hoorde het knarsen van de tanden.
«Ons helpen?» riep de stem van bovenaf. «Waarom dan wel? Omdat je misschien medelijden met ons hebt? Omdat je een christen bent? Vooruit, geef antwoord: omdat je een christenbent? En denk je dat dat een goede reden is? Heb je medelijden met ons omdat je een christen bent?» Ik zweeg en de stemhervatte luider: «Zijn degenen die ons gekruisigd hebben soms geen christenen zoals jij? Zijn degenen die ons aan deze bomen gespijkerd hebben soms honden, paarden of ratten? Ha! Ha!Ha! Een christen!»
Ik boog mijn hoofd boven de hals van het paard en zweeg.
«Vooruit, geef antwoord! Met welk recht wil je ons te hulp komen? Met welk recht wil je medelijden met ons hebben?»
«Ik ben het niet,» riep ik, «ik ben het niet die jullie aan de bomen heeft gespijkerd! Dat was ik niet!»
«Ik weet het,» zei de stem met een klank van onbeschrijflijke zachtheid en haat, «ik weet het, het waren de anderen, het waren alle anderen zoals jij.»
Op dat moment klonk van ver een gekreun, het was een luid, hard gejammer. Het was een jeugdig geween, onderbroken door de snik van de dood, en van boom tot boom bereikte ons een gemurmel. Wanhopige stemmen riepen: «Wie is dat? Wie is dat? Wie sterft daarginds?» En andere klaaglijke stemmen antwoordden en achtervolgden elkaar van huis tot kruis tot ze bij ons waren: «Het is David, het is David van Samuel, het is David de zoon van Samuel, het is David, David…» Samen met die van boom tot boom herhaalde naam kwamen een ingehouden snikken, een broos en hees gehuil, en gesteun, verwensingen, kreten van pijn en woede tot ons.
«Het was nog een jongen,» zei de stem.
Toen keek ik op en beschenen door de nu hoge maan,door de witte, kille weerschijn van dat zwevende ei aan de donkere hemel zag ik degene die het tegen me had: het was een naakte man meteen zilveren, ingevallen, bebaard gezicht. Hij had gespreide armen in een kruisvorm, zijn handen zaten vastgespijkerd aan tweedikke takken die van de stam van de boom uitstaken. Hij keek me strak aan met glinsterende ogen, en plotseling schreeuwde hij: «Wat is dat voor medelijden van jullie? Wat moeten we met jullie medelijden? We spugen op jullie medelijden, ja naplivajoe, ja naplivajoe.»
«In godsnaam,» riep ik, «jaag me niet weg! Laat me jullie van je kruisen halen! Duw mijn hand niet weg: het is de hand van een mens.»
Rondom steeg een boosaardig gelach op, ik hoorde hoe boven mijn hoofd de takken kreunden, hoe een gruwelijk geritsel zich door de bladeren verspreidde.
«Ha! Ha! Ha!» riep de gekruisigde man. «Hebben jullie het gehoord? Hij wil ons van het kruis halen! En hij schaamt zich niet eens! Smerig stelletje christenen, jullie martelen ons, spijkeren ons aan de bomen, en dan komen jullie met je medelijden aan! Jullie willen graag je ziel redden, hè? Jullie zijn bang voorde hel! Ha! Ha! Ha!»
«Jaag me niet weg,» riep ik, «duw mijn hand niet weg, in godsnaam!»
«Wil je ons van het kruis afhalen?» zei de gekruisigde man met een ernstige, sombere stem. «En dan? De Duitsers zullen ons als honden afmaken. En jou ook, jou zullen ze ook als een dolle hond afmaken.»
«Ze zullen ons als honden afmaken,» herhaalde ik inwendig,mijn hoofd buigend.
«Als je ons wilt helpen, als je ons lijden wilt verlichten… schiet ons dan een voor een door het hoofd. Vooruit, waarom schiet je niet?Waarom maak je ons niet af?Als je echt medelijden met ons hebt, schiet dan, geef ons het genadeschot. Vooruit, waarom schiet je niet? Ben je bang dat de Duitsers je vermoorden omdat je medelijden met ons had?» Bij die woorden keek hij me strak aan, en ik voelde die donkere glinsterogen dwars door me heengaan.
«Nee, nee!» riep ik. «Heb medelijden, vraag me dat niet, in godsnaam! Vraag me niet zoiets, ik heb nog nooit op een mens geschoten, ik ben geen moordenaar! Ik wil geen moordenaar worden!» En huilend en schreeuwend sloeg ik mijn hoofd tegen de hals van het paard.
De gekruisigde mannen zwegen, ik hoorde hen ademen, ik hoorde een scherp gesis van tussen hun tanden komen, ik voelde hoe hun blikken op me rustten, hoe hun ogen van vuur mijnbetraand gezicht verschroeiden, door mijn borst heen gingen.
«Maak me af; als je medelijden met me hebt!» riep de gekruisigde man. «O, schiet een kogel door mijn hoofd! O, schiet door mijn hoofd, heb medelijden met me! In godsnaam, maak me af,o,maak me af, in godsnaam!»
Huilend van ellende en met pijn en moeite mijn loodzware armen bewegend ging ik met mijn hand naar mijn zij en omvatte de kolf van het pistool. Langzaam hief ik mijn elleboog, trok het pistool uit de holster en nadat ik in de stijgbeugels was gaan staan, pakte ik met mijn linkerhand de manen van het paard vast om niet uit het zadel te glijden, zo zwak, versuft en gegrepen door afgrijzen was ik, ik hield het pistool op, richtte het op het gezicht van de gekruisigde man: en op dat moment keek ik hem aan. Ik zag zijn donkere, diepe, tandeloze mond, zijn haak neus met neusgaten vol bloedklonters, zijn warrige baard, zijn donkere schitterogen.
«Ah, ellendeling!» riep de gekruisigde man. «Is dat jullie medelijden? Kunnen jullie niet anders, lafbekken? Spijkeren jullie ons aan de bomen en maken jullie ons dan af met een schot door het hoofd? Is dat jullie medelijden, lafbekken?» En twee, drie keer spuugde hij me in het gezicht.
Ik viel terug in het zadel, terwijl een gruwelijk gelach van boom tot boom snelde. Gemaand door de sporen kwam het paard in beweging en ging in draf: en met mijn kop in, met mijn twee handen aan het zadel, ging ik onder die gekruisigde mannen door, en elk van hen spuugde op mij en schreeuwde:«Lafbek! Vervloekte christen!» Ik voelde hoe de fluimen mijn gezicht, mijn handen ranselden en klemde mijn tanden opeen,diep over de hals van het paard gebogen, onder die fluimenregen.
Zo kwam ik in Dorogò aan, en ik viel uit mijn zadel in de armen van een paar Italiaanse garnizoenssoldaten in dat afgelegen steppedorp. Het waren cavaleristen van het regiment van Lodi en ze stonden onder bevel van een piepjonge Lombardische onderluitenant, een kind haast nog. ’s Nachts kreeg ik koorts,en tot aan de ochtend lag ik te ijlen met de jonge officier naast mijn bed. Ik weet niet wat ik allemaal geijld heb,maar toen ik weer bij mijn positieven kwam zei de officier dat ik geen enkele schuld had aan het gruwelijke lot van die stakkers en dat een Duitse patrouille die ochtend ook een boer had doodgeschoten toen die erop betrapt was dat hij die gekruisigde mannen te drinken gaf. Ik begon te schreeuwen. «Ik wil geen christen meer zijn,» schreeuwde ik, «ik walg ervan een christen te zijn, een vervloekte christen!» en ik spartelde opdat ze me lieten gaan om die stakkers te drinken te brengen, maar de officier en twee van zijn soldaten hielden me tegen in bed. Langdurig wrong ik me in allerlei bochten, totdat ik in zwijm viel: toen ik weer bijkwam,werd ik door een nieuwe koortsaanval bestookt en de hele dagen de daaropvolgende nacht lag ik te ijlen.
De volgende dag bleef ik in bed, te zwak om op te staan. Ik keek door het raam naar de witte hemel boven de gele steppe,naar de groene wolken aan de horizon in de verte, ik luisterde naar de stemmen van de boeren en de soldaten die langs het tuinhek kwamen. De jonge officier zei me die avond dat we die afschuwelijke dingen niet konden vermijden en ze daarom maar
moesten vergeten om niet gek te worden, en hij vervolgde dat hij de volgende dag, als ik me weer beter voelde, mee zou gaan  om de kolchoz van Dorogò en de beroemde stoeterij te bezoeken. Ik bedankte hem echter voor zijn vriendelijkheid en zei dat ik zo snel mogelijk terug wilde naar Kostantinovka. Op de derde dag stond ik op en nam afscheid van de jonge officier (ik weet nog dat ik hem omhelsde en bij die omhelzing trilde); al voelde ik me krachteloos, ik hees me in het zadel en met twee cavaleristen vertrok ik in de voormiddag naar Kostantinovha.
Op een drafje reden we het dorp uit; toen we de met bomen geflankeerde laan insloegen, sloot ik mijn ogen, gaf mijn paard de sporen en ging in galop tussen de twee vreselijke rijen gekruisigde mannen door. Ik reed diep over het zadel gebogen, met mijn ogen dicht en mijn tanden op elkaar. Opeens hield ik het paard in. “Wat is dat voor stilte?” riep ik «Vanwaar die stilte?» Ik had die stilte herkend. Ik deed mijn ogen open en keek.
Die gruwelijke Christussen hingen slap aan bun kruisen, hun ogen opengesperd, hun mond wagenwijd open, en ze staarden mij aan. Her en der snelde de donkere wind als een blind paard over de steppe, bewoog de vodden aan die geplaagde, verwrongen lichamen, schudde de bladeren aan de bomen – maar veroorzaakte niet het minste geritsel. Zwarte raven zaten roerloos op de schouders van de doden en staarden mij aan.
Het was een afschuwelijke stilte. Het licht was doods, de geur van het gras, de kleur van de bladeren, de stenen, de in de grauwe lucht dolende wolken, alles was doods in die enorme, lege, ijzige stilte. Ik gaf mijn paard de sporen. Het steigerde en ging toen over in galop. En schreeuwend en huilend vluchtte ik over de steppe in de donkere wind die her en der de heldere dag door snelde, als een blind paard.

Ik had die stilte herkend. In de winter van 1940 had ik een heenkomen gezocht in Pisa in een doods huis aan het eind van een van de mooiste en meest doodse straten van die schitterende doodse stad, dit om de oorlog en de mensen te ontvluchten, om te genezen van de walgelijke pijn die de oorlog in het hart van mensen teweegbrengt. Ik had Febo bij me, mijn hond Febo, die ik op het strand van Marina Corta op het eiland Lipari had opgeraapt en van de hongerdood gered, die ik had verzorgd en groot gebracht in mijn doodse huis op Lipari, en die mijn enige gezelschap had gevormd in die eenzame jaren van ballingschap op dat sombere eiland, dat me zo dierbaar is.
Nog nooit heb ik zoveel van een vrouw, een broer, een vriend gehouden als van Febo. Hij was een hond als ik voor hem heb ik de liefdevolle bladzijden van Een hond als ik geschreven. Hij was een nobel wezen, het meest nobele schepsel dat ik ooit in mijn leven ben tegengekomen. Hij was van die familie hazewindhonden, die inmiddels zeldzaam en teergevoelig zijn, in de oudheid met de eerste Ionische migranten van de oevers van Azië meegekomen en door de Liparische herders cerneghi genoemd.
Hij had een maankleurige vacht, rozig en goudkleurig, in de kleur van de maan boven zee, de kleur van de maan op de donkere citroen- en sinaasappelbladeren, op de schubben van de dode vissen die de zee na een storm op de oever achterliet, voor de deur van mijn huis. Hij had de kleur van de maan boven de Griekse zee van Lipari, van de maan in de versregel van de Odyssee, van de maan boven de wilde zee van Lipari, die Odysseus bevoer om bij de eenzame oever van Aeolus, de koning der winden, te komen. De kleur van de doodse maan, kort voor zonsopgang. Ik noemde hem Maanhond.
Hij week geen moment van mijn zijde. Hij volgde me als een hond. Ik zeg dat hij me volgde als een hond. Zijn aanwezigheid in mijn armzalige huis op Lipari, dat onophoudelijk door wind en zee werd geranseld, was iets geweldigs. ’s Nachts bescheen hij mijn kale vertrek met de heldere lauwte van zijn maanogen. Hij had ogen in een bleekblauw, in de kleur van de zee, wanneer de maan ondergaat. Ik voelde zijn aanwezigheid als die van een schaduw, mijn schaduw. Hij was als de weerspiegeling van mijngeest. Alleen al door zijn aanwezigheid hielp hij me de minachting te hervinden voor de mensen, die de eerste voorwaarde is voor rust en wijsheid in een mensenleven. Ik voelde dat hij op me leek, dat hij enkel het beeld van mijn bewustzijn, mijn geheime leven was. Het portret van mezelf, van alles wat er in mij het diepst, het meest innerlijk, het meest eigen is: mijn onderbewustzijn en om zo te zeggen, mijn schim.
Meer dan van de mensen, hun beschaving, hun ijdelheid, heb ik van hem geleerd dat moraal onbaatzuchtig is, een doel op zichzelf, dat ze niet het voornemen had om de wereld te redden (niet om de wereld te redden!), maar alleen om steeds nieuwe aanleidingen voor haar belangeloosheid, haar vrije spel te creëren. De ontmoeting tussen een man en een hond is altijd de ontmoeting van twee vrije geesten, twee vormen van waardigheid, twee onbaatzuchtige vormen van moraal. De meest onbaatzuchtige en meest romantische der ontmoetingen. Van het soort dat de dood verlicht met zijn bleke glans, als de kleur van een doodse maan boven zee, aan de groene lucht van de dageraad.
In hem herkende ik mijn diepste roerselen, mijn geheimste aandriften, mijn twijfels, mijn angsten, mijn verwachtingen. Zijn waardigheid tegenover de mensen was de mijne, van mij was zijn moed en trots tegenover het leven, van mij zijn minachtingvoor de gemakkelijke sentimenten van een mens. Maar meer dan ik was hij gevoelig voor de duistere voortekenen van de natuur, voor de onzichtbare aanwezigheid van de dood, die altijd zwijgzaam en achterdochtig om de mensen heen waart Door de nachtlucht voelde hij van ver de sombere schimmen van de dromen aankomen, als de dode insecten die de wind God mag weten waarheen voert. En in sommige nachten volgde hij, aan mijn voeten in mijn kale vertrek op Lipari, met zijn ogen een onzichtbare gestalte om me heen, die naderbij kwam, wegging, me lange uren van achter het glas van de ruit bleef bespieden. Nu en dan, als de geheimzinnige aanwezigheid op me af kwam tot ze mijn voorhoofd raakte, gromde Febo dreigend, het haar op zijn rug recht overeind: en ik hoorde een klaaglijke kreet in de nacht wegebben, geleidelijk aan wegsterven.
Hij was de dierbaarste van mijn broers, mijn ware broer,degene die niet verraadt, niet vernedert. De liefhebbende, behulpzame, begrijpende, vergevende broer. Alleen wie lange jaren ballingschap op een primitief eiland heeft doorstaan en zich,weer onder de mensen, gemeden en ontweken ziet worden door iedereen die op een dag, als de tiran dood is, de vrijheidsheld zal uithangen, alleen hij weet wat een hond voor een mens kan betekenen. Febo keek me vaak aan met een nobel, somber verwijt in zijn liefdevolle blik. Ik voelde dan een vreemde schaatste, berouw haast, voor mijn somberheid, een soort schroom tegenover hem. Ik voelde dat Febo me op die momenten minachtte: met leedwezen, met een tedere genegenheid, maar er school in zijn blik beslist iets van medelijden en tegelijk minachting. Hij wasniet alleen mijn broer, maar ook mijn rechter. Hij was de hoeder van mijn waardigheid en tegelijkertijd, zal ik met een oud Grieks woord zeggen, mijn doruforema.
Het was een droeve hond met ernstige ogen. Elke avond zaten we urenlang op de hoge winderige drempel van mijn huis te kijken naar de zee. O, de Griekse zee van Sicilië, O, de rode rots van Scylla, daar, tegenover Charybdis, en de besneeuwde top van de Aspromonte, en de blanke helling van de Etna, de Olympus van Sicilië. Ter wereld bestaat er werkelijk niets mooiers, zoals Theocritos zingt, dan het van bovenaf van een oever beschouwen van de zee van Sicilië. Op de bergen werden de vuren van de herders ontstoken, de schepen voeren uit naar boven de maan tegemoet, en de klaaglijke roep van de zeehoorn, waarmee de vissers elkaar op zee beroepen, verdween in de zilverige maannevel. De maan kwam op boven de rots van Scylla, en Stromboli, de hoge, ontoegankelijke valkaan midden in zee, laaide op als een eenzame brandstapel in het diepe blauwe woud van de nacht. Wij keken naar de zee, de bittere geur opsnuivend van zout en de scherpe bedwelmende geur van de sinaasappelboomgaarden en de geur van geitenmelk, van de brandende jeneverstruiktakken in de haarden en die warme, diepe vrouwen geur die de geur van de Siciliaanse nacht is, wanneer de eerste sterren zich bleek in de verte aan de horizon verheffen.
Toen werd ik op een dag met de boeien om van Lipari naar een ander eiland geleid, en vandaar na lange maanden naar Toscane. Febo volgde me op afstand, zich verstoppend tussen de vaten ansjovis en de kabeltrossen op de brug van de Santa Maria,de kleine stoomboot die nu en dan van Lipari naar Napels vaart, en tussen de manden vis en tomaten op het motorschip dat pendelt tussen Napels, Ischia en Ponza. Met de moed die lafaards eigen is, en die de enige verdienste van slaven vormt op grond waarvan ook zij recht op vrijheid hebben, bleven de mensen staan om me met ogen vol verwijt en minachting aan te kijken, terwijl ze mij tussen hun tanden uitscholden. Alleen de «dagdieven» in de zon op de kades van de haven van Napels lachten stiekem naar me, op de grond spugend tussen de schoenen van de carabinieri. Af en toe draaide ik me om om te kijken of Febo achter me aankwam, en ik zag hem met zijn staart tussen de poten langs de muren over de straten van Napels lopen, van de Immacolatella naar de Molo Beverello, met een schitterende treurigheid in zijn heldere ogen.
Terwijl ik in Napels geboeid tussen de carabinieri door deVia Partenope liep, kwamen twee dames glimlachend op me af:het waren de vrouw van Benedetto Croce en Minnie Casella,de vrouw van mijn dierbare Gaspare Casella. Ze groetten me met de moederlijke vriendelijkheid van de Italiaanse vrouw, staken bloemen tussen mijn handboeien en polsen, en mevrouw Croce verzocht de carabinieri mij wat te laten drinken, mij wat
te laten nuttigen. Ik had al twee dagen niet gegeten. «Laat hem tenminste in de schaduw lopen,» zei mevrouw Croce. Het was de maand juni, en de zon beukte op je hoofd. «Dank u, ik heb niets nodig,» zei ik, «ik zou u alleen willen vragen mijn hond te drinken te geven.»
Febo was op een paar passen afstand van ons blijven staan en keek mevrouw Croce met een bijna pijnlijke intensiteit in haar gezicht aan. Dat was voor het eerst dat hij het gezicht van de menselijke goedheid, het medelijden en de vriendelijkheid van de vrouw zag. Hij snuffelde lang aan het water voordat hij ervan dronk. Toen ik een paar maanden later naar Lucca werd overgeplaatst, werd ik in de gevangenis opgesloten waar ik lang verbleef. En toen ik tussen de cipiers naar buiten kwam om naar mijn nieuwe deportatieplek te worden geleid, wachtte Febo me voor de gevangenisdeur op, mager en onder de modder. Zijn ogen glansden helder, vol van een gruwelijke zachtheid.
Nog twee jaar duurde mijn ballingschap, en twee jaar lang woonden we in het kleine huis diep in het bos, waar Febo en ik in het ene vertrek en de bewakende carabinieri in het andere woonden. Eindelijk herkreeg ik. dan mijn vrijheid, wat in die tijden de vrijheid was, en voor mij was het alsof ik een raamloos vertrek verliet om een smal vertrek zonder muren binnen te gaan. We gingen in Rome wonen: en Febo was somber, het schouwspel van mijn vrijheid leek hem te krenken. Hij wist dat vrijheid niet iets voor een mens was, dat mensen niet vrij kunnen en misschien ook niet weten te zijn, dat vrijheid in Italië, in Europa, net zo stinkt als slavernij.
Alle tijd die we in Pisa doorbrachten, bleven we bijna de hele dag binnenshuis, en pas tegen de middag gingen we wandelen langs de rivier, langs de mooie Pisaanse rivier, de Arno met zijn zilverkleur, over de heldere, koude oevers: vervolgens gingen we naar de Piazza dei Miracoli, waar de scheve toren staat die Pisa in de wereld w beroemd maakt. We gingen de toren op en van bovenaf bewonderden we de Pisaanse vlakte tot aan Livorno, tot aan Massa, en de pijnbossen en de zee daarginds, het glinsterende ooglid van de zee, en de Apuaanse Alpen, wit van sneeuw en marmer. Dat was mijn dorp, dat was mijn Toscaanse dorp, dat waren mijn bossen en dat mijn zee, dat waren mijn bergen, dat mijn landstreken, dat mijn rivieren.
Tegen de avond gingen we op de borstwering van de Arno zitten (die smalle stenen borstwering waarop Lord Byron tijdens zijn dagen van ballingschap in Pisa elke ochtend galoppeerde in het zadel van zijn fraaie ros onder de angstkreten van de brave burgers) en keken we hoe de rivier in zijn heldere stroom door de winter verschroeide bladeren meesleurde en hoe de zilveren wolken aan de klassieke hemel van Pisa voorbijdreven.
Febo bracht lange uren aan mijn voeten door, en nu en dan stond hij op, liep op de deur af en draaide zich dan om om me aan te kijken. Ik ging de deur voor hem opendoen: en Febo liep naar buiten, kwam een, twee uur later hijgend terug, zijn haar geschuwd door de wind, zijn ogen lichter geworden door de koude winterzon. ’s Nachts hief hij zijn kop op om naar het geluid van de rivier te luisteren, het geluid van de regen in de rivier.
En ik voelde soms, als ik wakker werd, zijn warme, lichte blik op me rusten, ik voelde die levende, liefdevolle aanwezigheid van hem in het donkere vertrek, en die treurigheid van hem, dat eenzame voorgevoel van de dood. Op een dag ging hij naar buiten en kwam niet meer terug.
Tot de avond wachtte ik op hem en toen de nacht gevallen was, ging ik de straten af en riep hem bij zijn naam. In het holst van de nacht keerde ik terug naar huis en wierp me op bed met mijn gezicht naar de deur op een kier. Nu en dan ging ik voor het raam staan en riep hem langdurig en luid. Bij zonsopgang ging ik weer de uitgestorven straten af, tussen de zwijgende gevels van de huizen door die onder de grauwe hemel van wil papier leken.  Toen het licht geworden was, snelde ik naar de  gemeentelijke hondengevangenis. Ik ging een grauw vertrek binnen, waar honden in stinkende kooien zaten te kamen met op hun keel nog de sporen van de strakke lus. De bewaker zei dat mijn hond misschien onder een auto was gekomen of was gestolen of door  een groep rotjongens in de rivier was gegooid. Hij adviseerde me de kennels af te gaan, wie weet of Febo niet in de winkel van een of andere kennel zat? De hele ochtend vloog ik van kennel naar kennel, en ten slotte vroeg een hondentrimmer in een zaakje bij de Piazza dei Cavalieri of ik al in de diergeneeskundekliniek van de universiteit was geweest, waaraan de hondendieven voor een krats de dieren voor klinische experimenten verkochten. Ik naar de universiteit, maar het was al twaalf uur geweest, de diergeneeskundekliniek was gesloten. Ik toog weer naar huis, ik voelde in mijn oogkassen iets kils, iets hards, iets glads, het was of ik ogen van glas had.
’s Middags keerde ik terug naar de universiteit, ik betrad de diergeneeskundekliniek. Mijn hart bonsde, ik kon haast niet lopen, zo zwak en stijf van angst was ik. Ik vroeg naar de dienstdoende  arts: ik zei hem mijn naam. De arts, een blonde jongeman, bijziend en met een merkwaardige glimlach, ontving me beleefd en zag me lang aan alvorens me te antwoorden dat hij al het mogelijke zou doen om me te helpen. Hij deed een deur open, we betraden een groot helder glimmend vertrek met een vloer van blauw linoleum. Langs de wanden stonden op een rij naast elkaar, als de bedjes in een kinderziekenhuis, merkwaardige cellovormige wiegen: in elk van de wiegen lag een hond op zijn rug met zijn buik, zijn schedel of zijn borst open.
Dunne staaldraden rond diezelfde soort van houten schroeven, die bij die muziekinstrumenten dienen om de snaren te spannen, hielden de randen van diepe lelijke wonden open: je zag het blootliggende hart kloppen, de longen met de aderen van de bronchiën als boomtakken net zo zwellen als de kruin vaneen boom in de wind, de rode glanzende lever zich heel langzaam samentrekken, lichte huiveringen over de witte en rozige hersenmassa lopen als in een beslagen spiegel, het kluwen ingewanden zich traag ontwarren als een kluwen slangen bij het ontwaken uit hun lethargie. En geen gekerm dat uit de halfgesloten bek van de gekruisigde honden kwam.
Bij ons binnenkomen hadden alle honden hun ogen op ons gericht, ons aankijkend met een smekende blik, waarin tegelijkertijd diep wantrouwen school: met hun ogen volgden ze elk gebaar van ons, trillend begluurden ze onze lippen. Roerloos midden in het vertrek voelde ik het bloed ijskoud omhoog komen in mijn ledematen; geleidelijk aan werd ik van steen. Ik kon mijn lippen niet meer vaneen doen, ik kon geen voet meer verzetten. De arts legde een hand op mijn arm en zei: «Sterkte.» Dat woord betekende het eind van mijn roerloosheid, langzaam kwam ik in beweging, ik boog me over de eerste wieg. En naarmate ik meer wiegen had gehad, stroomde het bloed terug in mijn gezicht en begon de hoop in mij te herleven. Opeens zag ik Febo.
Hij lag op zijn rug, zijn buik open, in zijn lever een sonde. Hij keek me recht aan en zijn ogen stonden vol tranen. In zijn blik school een wonderschone zachtheid. Hij ademde lichtjes,zijn bek, die gruwelijk trilde, halfgesloten. Hij keek me rechtaan en een stekende pijn schoot door mijn borst. «Febo,» zei ik zachtjes. En Febo keek me met een wonderschone zachtheid in zijn ogen aan. Ik zag Christus in hem, ik zag Christus in hem gekruisigd, ik zag Christus die me met zijn ogen vol wonderschone zachtheid aankeek. «Febo,» zei ik zachtjes, terwijl ik over hem heen boog en zijn kop streelde. Febo kuste mijn hand en gaf geen kik.
De arts kwam naderbij, hij raakte mijn arm aan: «Ik mag het experiment eigenlijk niet staken,» zei hij, «dat is verboden. Maar voor u… Ik zal hem een spuitje geven. Hij zal niet lijden.» Ik nam de hand van de arts tussen de mijne en zei, terwijl de tranen over mijn gezicht rolden: «Zweer me dat hij niet zal lijden.» «Hij zal voorgoed inslapen,» zei de arts, «ik mocht willen dat ik zo’n zachte dood krijg als hij.» Ik zei: «Ik doe mijn ogen dicht. Ik wil hem niet zien sterven. Maar doe het snel, doe het snel!»
«Eén momentje,» zei de arts, en hij liep geluidloos weg over het zachte linoleum. Hij liep naar achter in het vertrek en trok een kast open. Ik bleef voor Febo staan, ik beefde verschrikkelijk, de tranen rolden over mijn gezicht. Febo keek me recht aan en niet het geringste gekerm ontsnapte aan zijn keel, hij keek me met een wonderschone zachtheid in zijn ogen recht aan. Ook de andere honden op hun rug in hun wieg keken me recht aan, allemaal hadden ze een wonderschone zachtheid in hun ogen, en niet het geringste gekerm ontsnapte hun keel.
Opeens ontviel me een kreet van schrik. «Vanwaar die stilte?»riep ik. «Wat is dat voor stilte?» Het was een huiveringwekkende stilte. Een ontzaglijke, ijzige, doodse stilte, een stilte van sneeuw. Met een injectiespuit in de hand kwam de arts op me af:«Voordat de operatie begint,» zei hij, «worden hun stembanden doorgesneden.»
Nat van het zweet werd ik wakker. Ik ging voor het raam staan en keek naar de huizen, de zee, de lucht boven de Posillipoheuvel, het eiland Capri aan de kim in de rozige ochtendnevel. Ik had het geluid van de wind herkend, zijn donkere geluid. Haastig kleedde ik me aan, ging op de rand van het bed zitten en wachtte. Ik wist dat ik op iets treurigs, iets pijnlijks wachtte: ik kon niet verhinderen dat iets treurigs, iets pijnlijks me tegemoet zou komen.