Grammaticale gezondheid

mystiek

 

Rosenstock-Huessy, E., Het wonder van de taal, Vught 2003 (Skandalon) p. 116-128

 

HOOFDSTUK 12

Grammaticale gezondheid

 

Wij moeten aangesproken worden om niet gek of ziek te worden. De eerste voorwaarde voor gezondheid is dat iemand ons aanspreekt met een eenduidig oogmerk, alsof wij de enige zijn. In haar roman ‘Paradise’ laat Esther Forbes een jonge vrouw in barensnood op een wonderbaarlijke manier herstellen omdat de geliefde uit haar kindertijd de kamer binnenkomt en tot haar praat op een unieke toon die alleen werkt tussen haar en hem. (1). Deze relatie tussen onze gezondheid en het toegesproken worden met de kracht van onze unieke ‘vocatief’ betekent dat we ons moeten verzetten tegen pure staatsopvoeding. Een kind dat nooit alles is geweest voor iemand en niet is aangesproken alsof hij het enige kind op aarde was, zal nooit gemoedsrust vinden.

Onlangs nam een moderne psycholoog een kleuterschool in New York over. De moeders van de kinderen wisselden elkaar daar af en hielden van het werk. De psycholoog werd woedend: ze las deze arme moeders de les, zei dat ze niet in staat waren om onpartijdig te zijn, dat jaloezie, afgunst en complexen het gevolg zouden zijn. Ze stuurde ze gekleineerd naar huis en onderwierp de crèche – het betrof kinderen van 3 en 4 jaar – aan de objectieve psychologische aanpak. Omdat wij zo beschaafd zijn, geeft niemand zo’n onverlaat een pak rammel. Dankzij de moderne regels wordt deze psycholoog gevierd en trekken de moeders zich gekwetst terug.

De hele fase van het leven waarin een kind opgetogen luistert naar de stem  van iemand die alleen maar aan hem denkt en alleen maar voor hem zorgt, wordt door deze fabrieksmentaliteit onderdrukt. De professionele psycholoog is zelf, met zijn hele aanpak, degene die geestelijk ziek is. Hij is een machtsbelust dier, een roofdier, grammaticaal een ego dat de kinderen ziet als geobjectiveerd ‘het’. Alle psychologische tekstboeken worden ontsierd door dezelfde fout die ook de psychologie van William James ontsierde. Aan het eind van zijn leven bekende James dat hij gedwaald had. De grondslag van de psychologie, zei hij boetvaardig, is het feit dat we door anderen gewaardeerd willen worden.

Tegenwoordig staat dit zelfs in onze leerboeken. Maar ze melden het terloops en het is louter een toevoeging aan de voorafgaande beschrijving van het zelf door zichzelf. Vijfentwintig jaar geleden vertelde een oude arbeider mij op zijn sterfbed: “Het maatschappelijke vraagstuk draait alleen maar hierom: de mens wil bemind zijn geweest en liefgehad hebben,”- de voltooid verleden tijd van deze formulering is veelzeggend – “en de arbeider wordt door de maatschappij niet liefgehad als arbeider.” Wat James met een modern eufemisme ‘waardering’ noemde en de stervende arbeider Haasis ‘liefde’, is grammaticaal gesproken een aanroep die uitsluitend wordt gericht tot de geliefde.

Het maakt heel veel uit of iemand op de schouder geklopt wordt als een Amerikaanse soldaat of als Joe De Vivo, de kok. Liefde is het tegendeel van een cijfermatige benadering. Wie geen selectieve en exclusieve betekenis voelt achter het ‘hou van mij’, kan niet geloven in deze uitdaging. Iedere opvoeder kan rechtvaardigheid, gelijkheid, voorzichtigheid of eerlijkheid doorgeven. Maar de meeste opvoeders zijn getraind door psychologen die exclusiviteit verafschuwen en stellen dat het zonde is om te zeggen: ‘Hou van mij’ en ‘Ik hou van jou alleen’. Ze proberen kinderen te laten leven op het tweede niveau van algemene relaties voordat ze het eerste niveau van exclusieve en persoonlijke relaties hebben ervaren. Dit vooroordeel tegen de exclusieve oproep verstoort de grammaticale gezondheid van de mens. Als een oproep ons niet uitkiest, antwoorden we nooit met ons hele hebben en houwen. De mate waarin we antwoorden is recht evenredig met de exclusiviteit van de aan ons gerichte oproep.

Het duivelse van de New Yorkse psychologe is hetzelfde als dat van alle duivels: ze ontwijken de incarnatie van werkelijke personen. Ze wist niet dat exclusiviteit de basis is van het antwoord van een mens. Ze zag alleen het risico dat al doende sommige kinderen beter zouden worden behandeld dan anderen. Bederf van het beste is altijd het slechtste. Niets is verschrikkelijker dan een moeder die een hoer wordt of een genie dat zich aan Hollywood verkoopt. Is dit een reden om moederschap of genialiteit af te wijzen? Corruptio optimi pessima, inderdaad, maar het beste is nog steeds het beste. Zeker, een psycholoog kan de fatale vergissingen van een jaloerse moeder niet maken. Maar niemand die zich beroepsmatig bezighoudt met tientallen kinderen en daar zijn brood mee verdient, kan ooit die ene kwaliteit bereiken die zelfs de slechtste moeder bij de gratie Gods heeft: zo te spreken, te denken en te handelen alsof het haar eigen kind is.

Eigendom is vaak slecht, maar het is ook de oorsprong van alle grandeur, wanneer het bestaat in de ware en onvervalste geest van exclusiviteit. Deze geest bestaat eenvoudig in het besef: ‘Niemand anders zal het doen’, ‘Ik ben de enige persoon in de wereld’, ‘dit is het enige kind ter wereld’. Wie deze geest  van exclusiviteit met betrekking tot een ander mens heeft, bezit een kwaliteit, een ‘grammaticale’ kwaliteit, die niemand anders heeft en die onvervangbaar is. Deze kwaliteit is de kwaliteit om opdrachten te geven, om te zeggen: luister, kom, eet, hou van me, ga slapen. Anderen kunnen zulke opdrachten geven door deze kwaliteit na te bootsen. In een weeshuis kan aan 160 kinderen gezegd worden om te eten, te komen, te luisteren, te gaan slapen. Maar hier is het recht om deze opdrachten te geven afgeleid. Het is  afgeleid van echt ouderschap. Het recht om opdrachten te geven hangt af van het kwalitatieve vermogen om degenen aan wie de opdrachten gegeven worden boven al het andere te plaatsen. Een leider van een peloton die er niet om maalt dat dit zijn peloton is en om het feit dat zijn mannen moeten weten dat hij geen bevel zou geven zonder te weten dat hij gecontroleerd wordt door zijn besef van ‘dit is mijn peloton’, telt niet mee. Iemand die er niet over piekert om de verantwoordelijkheid af te schuiven, die weet dat hij de verantwoordelijkheid niet kan afschuiven, krijgt het recht om te bevelen.

Waarom zette de psychologe de moeders van ‘haar’ eigen kleuterschool, de psychologie-kleuterschool buitenspel? Ze moest wel en het was in haar eigen ogen ruimschoots gerechtvaardigd. Want een normale moeder en haar kind hebben namelijk geen weet van de twee eerste psychologische categorieën. Ze weten noch van ego noch van het.

Alleen tijdens van het geven van opdrachten, het zingen van liedjes en het vertellen van verhalen aan hun kinderen worden moeders zich ervan bewust dat ze moeder zijn. En kinderen worden zonen en dochters door hun moeders stem. De oorspronkelijke kracht van het ritueel van de taal ligt tussen moeder en kind. En we hebben gezien dat de werkingskracht van elke imperatief  afhangt van de spreker die zich buiten zichzelf stelt en zich helemaal werpt op het geven van de opdracht, waardoor de luisteraar zich helemaal werpt op het doen. Beiden zijn dus naar buiten gericht of zoals we gewoonlijk zeggen, ze zijn niet op zichzelf gericht. Als een moeder roept: ‘Kom, Jan’, brengt de oproep ‘Jan’ het innerlijk van de moeder naar buiten en het werkwoord ‘komen’ brengt bij het kind het innerlijk naar buiten. Beiden geven zich over aan een wederzijdse wisselwerking.

De rol van de vocatief wordt tegenwoordig even slecht begrepen als die van de imperatief. Weinig mensen schenken enige aandacht aan het feit dat alle talen speciale vocatieven hebben. Ik twijfel er niet aan dat onze vormen Nick, Jack en Jim op z’n minst gedeeltelijk echte vocatieven zijn. Maar ze worden door onze grammaticaboeken en woordenboeken aangeduid als ‘verkleinwoorden’, ‘bijnamen’, ‘grappige benamingen’. Daardoor onderdrukken wij ons inzicht in het feit dat de vocatief een universele noodzaak is. Het schijnt een toevalligheid of een luxe van de taal. Dit is niet het geval. Een vocatieflaat de taal in haar creatieve stadium zien, omdat we in het begin niet over dode dingen maar tot levende mensen spreken. De hele taalkundige wereld van de filologie dacht dat het normaal was om haar analyse van de taal te beginnen met zinnen als ‘Zeus regent’, ‘de zon schijnt’, ‘de soldaten marcheren of erger nog, met de nominatieven Zeus, zon of soldaten. Plato’s ‘Cratylos’ vormt het droevige model voor deze banale manier van omgaan met de taal. Hoe de auteur van deze dialoog beschouwd kan worden als de heilige van de universiteit der vrije kunsten, is een mysterie op zich. Plato moet zeker het contact met zijn mensen kwijt zijn geraakt, want die begonnen niet met het spreken in nominatieven, maar met het schreeuwen van: ‘Zend regen, o Zeus!’

Laat niemand denken dat ik hier wat speel met grammaticale vormen. Hele volken zijn door vocatieven veranderd. Het grootste voorbeeld hiervan is de stad Rome. In de zesde eeuw wees dit kleine vlekje binnen het Latijnse territorium  de aanbidding van Zeus Veiovis af, de kleine Zeus voorgesteld als adolescent en god van de onderwereld. Ze ontwikkelden hun eigen opvattingen, en concentreerden zich op Jupiter, de vocatief van Vader Zeus. De Latijnse naam werd naar de achtergrond gedrongen door deze vocatief van Vader Zeus; hij kwijnde weg op het platteland waar de familie van Julius Caesar hem nog diende. De burgers van Rome konden neerkijken op die achterlijke boeren. En de Romeinen hadden nooit een ‘nominatieve naamval’ voor hun hoogste god. (2)

Regen Zeus; Regen, Jupiter!

Marcheer, soldaten!

Schijn, zon!

Wees mijn vrouw!

is de eerste laag van de taal. In een levend universum komen benaming en oproep voor zelfstandige naamwoorden.

In onze grammatica zijn vocatieven gecatalogiseerd. Men zegt dat personen die worden toegesproken door deze ‘naamval’ worden geroepen. Maar het weifelen tussen de termen aanroepen, roepen, vocatief en benaming, adres en juiste naam voor deze centrale handeling, verraadt al een onzekerheid. Ook wordt de term ‘invocatie’ los gezien van ‘vocatief’ en ‘appelatief’. Maar vocatief, invocatie en appèl horen noodzakelijkerwijs bij elkaar. De spreker projecteert zichzelf erin. Wij vinden onszelf in onze vocatieven. Zoals de moeder een moeder wordt door het roepen van de naam van haar kind zo worden we officieren door het aanspreken van onze mannen, bazen door het aanspreken van onze arbeiders en onderwijzers door het aanspreken van onze studenten. De vocatieven doen iets met hun sprekers. Ze roepen ze tevoorschijn. Onze vocatieven zijn ons geloof. Vocatieven gaan vooraf aan nominatieven, wat onze grammatici ook mogen zeggen.

Het geestige Franse gezegde ‘Je suis leur chef, il faut que je les suive’, ik ben hun baas; ik moet hen volgen, is eenvoudigweg waar. Wij zijn gebonden aan degenen wier ‘hoofd’ (chef), wier sprekers we zijn, aan degenen die ons in de vocatief roepen en ik heb dit persoonlijk ervaren op bijzondere momenten toen er een  beroep op me werd gedaan. Degene die bereid is zichzelf prijs te geven en al zijn geloof in de naam van een ander te steken, wordt buiten en boven zichzelf uitgetild, hij wordt de vertrouweling, de leider en de vertegenwoordiger van de aangeroepen namen. Bij het uitbreken van de oorlog werd ik in een treinstation gedwongen te geloven in de stem die ongeveer 20.000 mensen uitdaagde, een werkelijke zee van opgewonden menselijkheid. De stem schreeuwde zonder gêne mijn naam uit volle borst. Ik moest wel geloven, omdat degene die mijn naam schreeuwde in mij geloofde en mij dit in deze zee van opwinding liet weten.

Wanneer Homerus de muze aanroept, speelt hij niet met een of andere archaïsche vorm zoals een dichter uit de baroktijd. Homerus verliest zichzelf, zijn eigen prozaïsche, niet-poëtische zelf in de aanroep en schiet wortel in het poëtische gebied van de Olympische muze. Het kan lastig voor ons zijn dit gevoel voor het aanroepen weer op te delven, omdat we alexandrijnen zijn. Maar we kunnen het grote uur van de geboorte van de poëzie niet begrijpen tenzij we Homerus zien, hoe hij zich werpt op deze weide buiten zijn dagelijkse zelf, wat hij als eerste menselijke wezen ontdekte.

Wij bewonen of vestigen ons in onze vocatieven zodra ze echt zijn. Er is een ander literair voorbeeld. De Fransen van de 19e eeuw maakten een cultus van Athene.  Daarom moest Graaf Gobineau, toen hij zijn middeleeuwse ‘Amadis’ vervaardigde, Athene daarin binnenhalen zoals dat door Clemenceau, Anatole France, Flaubert en ontelbaar veel schrijvers was gedaan. Hoe deed hij dat? Gobineau doet ons door een eenvoudige vocatief begrijpen dat zijn geestelijk huis Athene is. Het vers, hij moet er trots op zijn geweest, luidt: ‘Et toi, Athènes, Athènes, Athènes, Athènes’, Dat is nogal een vocatief. Maar de ziel van de dichter bereikt haar werkelijke thuis in de aanroep. Door een krachttoer wordt Athene tot een deel van zijn middeleeuwse wereld gemaakt.

Julia doet dat ook wanneer ze de naam van Romeo roept. Maar Shakespeare de alwetende (en door hem weet ik het) voegt er de heldere uitleg van Romeo aan toe: ‘Het is mijn ziel die roept tot mijn naam’. De vocatief en de aanroep hebben in de taalkunde niet gekregen wat hen toekomt. Als ze dat wel hadden gekregen, zouden de eerste regels van zowel de Ilias als van de Odyssee meer respect hebben ingeboezemd bij degenen die hun eenheid ontkennen. Als de oproep zou zijn erkend als het oproepen van het geestelijk thuis van de spreker, dan zou men hebben begrepen dat ‘toorn’ en ‘mensen’ de thema’s waren waar de grote dichter op bouwde toen hij de muze aanriep en dat geen gedachte achteraf ooit de tijdkom van verwachting en vervulling zo volmaakt met slechts een enkel woord kon oproepen.

Er bestaat een nogal versleten term voor deze vorm van gezondheid van een spreker: we noemen haar ‘verantwoordelijkheid’. Maar de term heeft zijn glans verloren aangezien hij te actief is gemaakt. ‘Kom, Jantje!’ is een beurtzang waarin moeder en kind zichzelf verliezen, zij door al haar gewicht in de vocatief te leggen, hij door toe te staan dat de imperatief op hem rust als op een ‘voetenbankje’, het subject van de actie. Niemand kan ‘verantwoordelijk’ zijn zonder antwoord; dat zou een te eenzijdig bestaan zijn. (3)

Moderne grammatici zien over het hoofd dat alle leven ambivalent is; het pendelt heen en weer tussen actief en passief. Het moet een ‘middenstem’ zijn geweest voordat het actiever dan passief of passiever dan actief is. We maken mensen niet ‘verantwoordelijk’ door te preken. Ze moeten zich baden in de middenstem van solidariteit en individualiteit, de rest zal volgen. In zinnen die gevormd worden door een vocatief plus een imperatief hebben we de ‘middenstem-situatie’ (in het Grieks het medium) vrij duidelijk. De kapitein die tot zijn mensen kan zeggen: ‘Mannen van de C-compagnie, neem dat dorp in’, maakt ze actief omdat hij zelf geactiveerd is door zich te werpen op hun aangeroepen namen. De soldaten die het dorp innemen zijn niet ‘passief’ gemaakt in de grammaticale zin, want ze hebben het bevel van hun kapitein gehoord. Hij is grammaticaal gesproken niet ‘actief’. Beiden zijn zowel actief als passief. En dit is de menselijk norm. Elke onvoorwaardelijke, ongedwongen, gelukkige en begenadigde groep leeft in de middenstem, waarin de verdeling tussen actief en passief onontwikkeld blijft en minder belangrijk is dan de beurtzang tussen mensen die in hun unieke solidariteit geloven.

Het huwelijk zou onmogelijk zijn zonder deze wisselwerking tussen vocatief en imperatief. Hier leeft de spreker in de vocatief, de luisteraar leert te leven in de imperatief. Dat ‘schat, doe de afwas’ en ‘lieveling, hou je mond’ verschrikkelijk

worden misbruikt, vormt geen weerlegging van de grote waarheid die schuilt in het juiste gebruik ervan. Maar een psycholoog zou het huwelijk afschaffen omdat het misschien wel kan mislukken.

Grammatici behandelen de middenstem vaak als een absurditeit van Griekse grammatica en van het Latijnse deponentia. Maar het is de taal van het paradijs en de onschuld, de taal van de ongebroken solidariteit.

Een ander voorbeeld van grammaticale gezondheid kan ontleend worden aan de historische vorm van taal: Als een kind wordt gevraagd ‘wat heb je gegeten?’ hoort het normaal te antwoorden ‘we aten kool’. Wanneer het antwoordt ‘ik at kool’ kunnen we er zeker van zijn dat er thuis iets behoorlijk mis is. Niet alleen horen maaltijden gemeenschappelijke ervaringen te zijn waarin voedsel wordt geheiligd door te delen, het schijnt ook een feit te zijn dat we er toe neigen de geschiedenis tot de onze te maken en in de wij-vorm te bespreken, en over sociale gebeurtenissen te spreken in de pluralis majestatis: wij, onze, ons. Dezelfde moeder en kind die de unieke situatie van ‘Kom Jantje’ beleven door de vocatief en imperatief, die elkaar uitkiezen en de rest van de wereld omwille van elkaar vergeten, zullen over ditzelfde tafereel vertellen in termen van ‘wij’. Terugblikkend zal de moeder zelfs het feit dat Jantje haar opdrachten gehoorzaamde speels opvatten. Het verslag van een incident waarbij de jongen instinctief niet onmiddellijk gehoorzaamde wordt erg vaak gegeven in de vorm van ‘wij’. De moeder zal, vooral in de aanwezigheid van Jantje, met zeggen ‘hij kwam’ noch ‘jij Wam’, maar ze zegt gewoonlijk ‘en tenslotte kwamen we!’

‘Wij’ is het geluk van de geschiedenis en van het geheugen. Zolang ik mijn verleden moet vertellen in termen van ‘ ik’, ben ik er nog niet mee verzoend. Terugblikkend proberen we in algemeenheden te spreken. Een man kan zeggen: ‘Wel, ik was zeventien en ik denk dat we op ons zeventiende allemaal zo handelen’. Waarom? Ik heb geen vooraf bepaalde theorie over deze grammaticale  observaties afzonderlijk. Maar ik zie er de grote wet van menselijke transsubstantiatie in. De mens verandert substantieel van dat wat gedaan moet worden in de toekomst tot handelingen uit het verleden, door over te gaan van ‘gij’ in de toekomst tot ‘wij’ in het verleden. De wij-vorm verzacht onze eenzaamheid als pioniers.

Misschien hunkeren we naar gemeenschap en zien we in op elke roep uit de  toekomst een kans op nieuwe gemeenschap. De eenzame pionier gaat alleen

voorwaarts, maar waarom zou hij dat doen als zijn pionieren niet zou kunnen resulteren in de vorming van de staat Wyoming? De eerste daad wordt alleen gedaan, maar in het succesverhaal heeft de voorzienigheid er altijd voor gezorgd dat de daad algemeen bezit en algemene kennis werd. De relatie tussen echte toekomst en echte geschiedenis is die van incognito en algehele herkenning, van groot risico en veiligheid. Deze substantiële verandering wordt uitgedrukt wanneer ‘gij’ wordt vervangen door ‘wij’. Zolang de daad niet is verricht, moet de grootst mogelijk druk worden geconcentreerd op één persoon die bij name is geroepen. De daad bestaat nog niet, daarom bestaat uitsluitend het verlangen van de ontvanger die de onvermijdelijke noodzaak van deze daad in wil zien.

Iedereen weet dat een opdracht pas op de juiste manier wordt gegeven wanneer Iemand volledig verantwoordelijk wordt gemaakt voor haar uitvoering. Terugblikkend is dit allemaal veranderd. De bevolen daad is nu losgemaakt van de vocatief en haar uitvoerder, omdat in de tussentijd de daad ‘geboren  is. De uitvoerder staat nu met langer onder de macht van deze vocatief en is klaar om gehoor te geven aan een nieuwe. Zolang de daad ‘zijn’ daad wordt genoemd, is ze nog niet opgenomen door de gemeenschap en is hij nog niet helemaal van haar bevrijd. IJdelheid kan de dader verleiden om zijn naam te exclusief met de daad te verbinden. De grammaticale gezondheid vereist dat hij niet langer exclusief aan de daad kan vasthouden. Wie handelt wordt ook ontslagen van verdere verantwoordelijkheid door deze overgave aan ‘wij’. Hij kan nu een nieuwe imperatief krijgen.

Toen ik onlangs afscheid nam van een vriend die me bezocht, waagde ik het om op de drempel te zeggen: ‘Breng mijn hartelijke groeten over aan je vrouw’. Ik kon mijn tong wel af bijten vanwege deze blunder van ‘mijn’ voor ‘hartelijke groeten’. Ik had de rest van de dag een gevoel van frustratie. Waren we geen gezin, geen eenheid in ons huis? Waarom had ik niet gezegd: ‘breng onze hartelijke groeten’? In elk geval kan niemand namens een ander ‘mijn’ hartelijke groeten zeggen.

Deze twee posities, die van de vocatief en van de narratief, kunnen de term grammaticale gezondheid illustreren. Een mens is gezond wanneer hij voortdurend wordt omgevormd door de juiste grammaticale vormen. Het is ‘gezonder’ tegen jezelf te zeggen ‘doe niet zo gek’ dan ‘ik ben gek’; het is gezonder om te zeggen ‘dat hebben we goed gedaan’ dan ‘dat heb ik goed gedaan’. Het is ook gezonder om te zingen ‘ik zou vrij willen zijn’, of ‘o, ik wilde dat je van me hield’ dan ‘dat zij gelukkig mogen zijn’ en vergelijkbare vrome frasen.

De religieuze, de poëtische, de sociale en de wetenschappelijke geest horen in onze ziel allemaal hun uitdrukkingsmogelijkheden te hebben en grammaticaal vertegenwoordigd te zijn. We moeten ‘jij’ zijn voor we ‘ik’, ‘wij’ of ‘het’ voor onszelf zijn. We moeten steeds weer omgezet worden en veranderen van de ene in de andere vorm. Alle gij’s in ons moeten op een dag objectief begraven worden. Maar er moet altijd weer een nieuwe oproep zijn, een ander gij, dat nog steeds aanroept en alle historische en geanalyseerde gij’s, ik’s en wij’s overlevend. De dood van de ziel volgt meteen op het verdwijnen van het menselijke vermogen om te antwoorden op zijn roeping.

Grammaticale gezondheid is de gezondheid van de transsubstantiatie, van het substantieel veranderen. Want het is ons eigen wezen dat verandert wanneer we van vocatief naar nominatief gaan, van het benoemen tot het rangschikken. Grammaticale gezondheid betekent zowel het wegsterven als het tot leven komen van de geest. De grammaticale gezondheid aanvaardt dat de geest moet sterven om weer te ontwaken.

Wanneer de zaken er zo voorstaan, levert dat grote problemen op. Hele gemeenschappen kunnen ontkennen dat een specifieke inspiratie ooit stierf. Andere gemeenschappen kunnen ontkennen dat een specifieke inspiratie ooit gezag kan claimen.

De vloek van de oude wereld was het bestaan van onsterfelijke en toch dode geesten. De vloek van onze gemechaniseerde wereld is het bestaan van ongeboren, niet te aanvaarden bezieling. Ter illustratie de volgende voorbeelden: (A en B) het grote voor-christelijke probleem van onsterfelijke geesten en (C en D) het probleem van doodgeboren inspiraties van tegenwoordig.

A. Om de vier jaar kiezen we een president. Volgens de Amerikaanse grondwet mag de president in die vier jaar geen nieuwe verkiezingen uitschrijven. Hij heeft, houdt en behoudt zijn macht vier jaar. Zou hij willen aftreden, dan neemt zijn vice-president het over en blokkeert daardoor een rechtstreeks beroep van de president op het volk. In 1938, met de naderende Tweede Wereldoorlog, had de president grote moeite met de neutraliteitswetgeving. Hull, onze staatssecretaris, huilde toen Senator Borah elke redelijke politiek blokkeerde. De president kon niet terugtreden om zo door een moedige campagne het land het inzetten van een snelle bewapening op te leggen. Churchill en iedere minister-president van een ander land hadden dat wel gekund.

Met andere woorden, de Amerikaanse grondwet is niet flexibel. Ze laat niet toe dat het land wordt bevrijd uit het keurslijf waarin de vierjaarlijkse verkiezingen het hebben geplaatst. Er is geen manier om een verkiezingsresultaat  in de Verenigde Staten ongedaan te maken. De president kan niet aftreden omdat de vice-president zijn politieke alter ego is. Lichamelijk kan de president aftreden. Maar de geest van het podium waarop hij werd gekozen zou voortleven in de persoon van de vice-president. De politieke doeleinden en de betekenis van een ingrijpende reorganisatie van de politiek die het gevolg zijn van een aftreden, liggen niet in de macht van de president van de Verenigde Staten, terwijl het een van de machtigste wapens is geweest van mannen als Disraeli, Clemenceau of Briand.

Deze beperking van de presidentiële macht leek vanwege de korte termijn van vier jaar niet onredelijk. Misschien was er voor 1938 nooit een moment geweest waarop het ontbreken van dit vermogen om afstand te doen van de macht als een gemis gevoeld werd. Maar door te beseffen dat dit in onze eigen wereldcrisis een ernstige zaak is geworden, krijgen we inzicht in de grotere handicaps van andere tijden. Waar wij al zozeer geloven in de starheid van de geest dat een verkiezingsuitslag binnen een periode van vier jaar niet herroepen kan worden, wisten de mensen uit de oudheid helemaal niet hoe ze iets moesten herroepen. De heksensabbat is wat dit betreft een belangrijk voorbeeld. Het oude lenteritueel van de stam werd door de christenheid afgeschaft. Maar hoe konden deze magische liederen over vruchtbaarheidsriten ooit hun greep en hun macht over de zielen van de mensen verliezen? Dat kon niet zolang er een directe ingewijde in leven was. Goethe’s ‘Faust’, bevat in zijn ‘Walpurgisnacht’ de laatste resten van een traditie die tot 1700 had geduurd. De heksen van wie we betreuren dat ze werden verbrand, geloofden feitelijk van zichzelf dat ze heksen waren. Hun hekserij was het ontwortelde, niet gelokaliseerde ritueel van de voor-christelijke maatschappelijke orde.

Clyde Kluckhohn heeft ons een opmerkelijke monografie nagelaten over de hekserij van de Navaho’s (4). Hij heeft de feiten met bijzondere omzichtigheid onderzocht. Maar ook hij erkent dat de vernietiging van de stamstructuur het oude ritueel uitleverde aan ontwortelde individuen. ‘Hekserij’ werd een ritueel dat zonder verantwoordelijkheid uitgeoefend werd, omdat het gezag bleef waar de verantwoordelijkheid was verdwenen. De kenners van de toverformules konden niet uit hun macht onzet worden.

Toen de Erinyen op het punt stonden verzoend te worden met het toevluchtsoord dat in Athene was gemaakt, beschreef Aeschylus eerst het magische vlechtwerk van hun bezweringen en liet ze toen een nieuwe, eufemistische naam krijgen, ze werden de Eumenides genoemd. Geen toverformule die ooit was gemaakt kon vernietigd worden, ze moest omgebogen worden in nieuwe betekenissen.

Tovenarij is dus bij uitstek het voorbeeld van inspiratie die niet kan worden geobjectiveerd en begraven nadat de groep waaraan ze leven gaf ophoudt te functioneren.

B. De problematiek van het terugtreden van een heerser, een koning of keizer, is het tweede grote probleem van het ‘afstand doen van de macht’. In feite verbindt de geschiedenis deze term specifiek met het gedwongen terugtreden van een keizer, Lodewijk de Vrome, in 834.

Heidense Romeinse keizers die niet meer te handhaven waren, moesten omgebracht worden. Maar op de drempel van het christelijke tijdperk was Diocletianus de eerste die het keizerschap zag als een ambt waarvan men afstand kon doen. In 305 legde hij vrijwillig het purper van ‘Augustus’ neer en toen een collega er later op aandrong de macht weer naar zich toe te trekken, sprak hij smalend over dit hoge ambt:  ‘Wanneer je kon zien wat voor prachtige groenten ik in Spalato kweek, zou je me dit niet voorstellen’.

In zijn godsdienst keerde Diocletianus terug naar de tijden voordat caesars tot goden waren gemaakt. Hij was een oude Romein van de Republiek en hij zei dus: “Mijn vrome en religieuze geest komt het voor dat de instituties die door de wetten van  Rome zijn gemaakt eeuwig en op religieuze wijze gerespecteerd moeten worden. Ik twijfel er niet aan dat, wanneer dit vrome en religieuze, rustige en kuise leven voortduurt, de onsterfelijke goden De Romeinse naam zullen blijven begunstigen en beschermen.” Dit werd niet geschreven door een ‘onsterfelijke’ god, maar door een bescheiden man.

Door deze weloverwogen reactie stapte hij buiten de magische cirkel waarbinnen de godheid van de keizer (caesar) bewaard was gebleven. Diocletianius, die als laatste de christenen vervolgde, liep door zijn eigen praktijken vooruit op de eerste aanspraak van het nieuwe geloof: dat Caesar een sterfelijk mens was. In dit opzicht was Diocletianus een echte christen; Constantijn die hem opvolgde en de eerste christelijke keizer werd, was in zijn handelen minder christelijk. De tragedie van de vervolging door Diocletianus was juist het feit dat de christenen in zijn rijk machtsbelust waren en hij, Diocletianus, niet. Zijn vijanden hebben zijn geschiedenis verdraaid, maar ze realiseerden zich zijn dilemma van de exauctoratio. ‘Toen Diocletianus zag dat zijn naam al tijdens zijn leven werd uitgewist, iets dat geen andere keizer was overkomen, besloot hij te sterven’. (Lactantius 42) Exauctoratio, troonsafstand, is onmogelijk zolang men gelooft dat de inspiratie bona fide is.

In de Verenigde Staten worden de verkiezingen beschouwd als een geïnspireerde handeling en daarom kan geen president het resultaat van de verkiezingen ongedaan maken voordat de termijn voorbij is. Maar door zijn archaïsche, bijna republikeinse terugtreden verbrak Diocletianus de betovering van de inspiratie die door de goddelijke naam van keizer Augustus was ontstaan; als een Cincinnatus keerde hij terug naar zijn akker. Vandaar dat het voor Constantijn tenslotte geen probleem was om te concluderen dat keizers best christen konden worden. Het grootste obstakel voor zijn doop, levenslange goddelijke inspiratie, was door de vervolger Diocletianus uit de weg geruimd!

Vijfhonderd jaar later probeerden de bisschoppen van Gallië de keizer van zijn troon te stoten. Ze ontnamen hem als strijder zijn zwaard en koppelriem en lieten hem een verklaring van exauctoratio ondertekenen. Het was vergeefs. De mensen geloofden dat een gezalfde heerser altijd en eeuwig de juiste heerser zou zijn. Ze moesten hem opnieuw installeren. Aan het eind van dezelfde negende eeuw barstte de heksensabbat uit in het pausdom zelf. Dat wil zeggen dat de paus zelf verscheen aan die teutoons geworden kerkmensen alsof hij eeuwigdurende, onherroepelijke magie uitoefende. Paus Formasus was overgeplaatst van het ene bisdom in Dalmatië naar een ander en had tijdens een korte regeringsperiode priesters in Rome gewijd. Zijn vijanden wilden bewijzen dat een bisschop niet kon worden overgeplaatst van de ene zetel naar een andere zonder dat zijn ambt daardoor ongeldig werd verklaard, een regel die inderdaad een oud sacrament van de kerk was. Daarom groeven ze zijn lijk op uit het graf, zetten het op zijn troon en hielden een regulier proces tegen het lijk. Daarna sneden ze zijn hand af, want door de hand die de wijding had verricht weg te nemen, overtuigden ze zichzelf dat zijn daden nu ongedaan gemaakt waren. Het probleem om hem van zijn autoriteit te ontdoen scheen zo onoverkomelijk, dat hij zijn vleselijke hand moest verliezen voordat men het gevoel kreeg dat de betovering was verbroken! Maar laten we even stilstaan bij de erkenning in welke problemen deze arme mensen waren geraakt. Zie hoe de Navaho-indianen op het punt stonden elkaar om te brengen door hekserij en de daaruit voortvloeiende anarchie door ‘betoveringen’, als de Amerikaanse  regering niet tussenbeide was gekomen (5).

En laten we nu kijken naar de tegenovergestelde moeilijkheden van onze eigen wereld: te vroege bespiegelingen over creatieve handelingen.

C. Ik heb persoonlijk ervaren dat twee projecten waaraan ik me had gewijd, strandden door voorbarige publiciteit. Een imperatiefkan alleen gedijen als hij zijn eerste exclusieve antwoord ontvangt door een handelen dat plaatsvindt voor er veralgemeniserend over wordt nagedacht en hij aan het publiek bekend wordt gemaakt. De verlichte ‘tijdkom’ van een opdracht moet door vuur en warmte zijn ronding verkrijgen voordat de eerste objectieve analyse kan beginnen, want anders treedt het krachtenveld waarbinnen een groep kan samenwerken nooit in werking. In een of twee gevallen was de kleine man die ons werk te niet deed dringend verzocht niet te vroeg over ons te schrijven. Hij had de kans om door ons geld te verdienen met een artikel voor de New York Herald Tribune. Zijn artikel mobiliseerde degenen die alleen maar nieuwsgierig waren vier weken te vroeg en wij waren nergens meer. De man dacht dat hij de schade kon beperken door ons te prijzen. Lof en kritiek zijn even destructief in zo’n geval van voortijdige publiciteit.

Ik zou veel meer details kunnen geven. Maar mijn eigen redenen kunnen te persoonlijk lijken om hier geanalyseerd te worden. De grote oorlogsinspanning van het hele land is een beter voorbeeld en het verloop van de gebeurtenissen is duidelijk genoeg. In de herfst van 1944 had de imperatief ‘oorlog’ bijna zijn betoverende kracht verloren. Gouverneur Dewy voerde zijn campagne voor de presidentsverkiezingen met de slagzin: ‘De oorlog zal op 20 Januari 1945, wanneer ik benoemd zal worden, voorbij zijn’. Een imperatief werkt niet meer wanneer we verder kijken dan zijn voltooiing. Alles op zijn tijd. Zodra een menselijke ziel zich niet gevat weet door de tijdkom van zo’n onbetwijfelbare eerste ‘prioriteit’, is ze niet meer in staat om het beste te geven voor de voltooiing. De mensen keerden zich af van het fabriekswerk. Tussen oktober en Kerst 1944 beëindigden vijf van mijn eigen vrienden hun deelname aan de oorlogsinspanning, elk om een andere reden. Maar redenen zijn er in overvloed wanneer de betovering van het beslissende moment verdwijnt. De betovering van de verkiezing vermengde zich met de betovering van de oorlog. Beide betoveringen zijn doeltreffend en dat horen ze ook te zijn. Hier botsten ze. Dit betekent niet dat een samenleving zonder kan.

D. De banen in onze fabrieken en de huwelijken van onze echtscheidende mensheid zijn de individuele tegenhangers van de ‘beperkte inzet’ in de oorlog. Het simpele feit dat mensen ervan uitgaan dat scheiden mogelijk is, doet veel huwelijken stranden. Wanneer we ‘voorbij’ de trouwbelofte kunnen zien, doen we niet meer ons uiterste best om die waar te maken. Vooral een vrouw die door veranderende begeerten van haar man wordt bedreigd, moet zich heel anders gedragen dan een normale vrouw. Een vriendin van ons die haar man hartstochtelijk liefhad en twee kinderen van hem had, zag hem weglopen met een andere vrouw. Ze had geen plek om te gaan, haar hart verbood haar om in dezelfde stad als hij te wonen. Ze verhuisde naar de plek waar ze als kind drie zomers in een zomerkamp was geweest. Omdat ze er niet op voorbereid was, was dit de enige woonplaats die ze kon bedenken, Schrandere vrouwen die zo’n kwelling voorzien, zullen vrienden, plaatsen en activiteiten buiten het echtelijk gebied cultiveren voordat het ergste gebeurt. Ze willen iets hebben om op ‘terug te vallen’ voor het geval dat … , maar dit betekent dat aan het huwelijk geloof, energie en toewijding worden onthouden. Het maakt van het huwelijk een onderneming zoals andere. De cirkel is rond. Wanneer we met het huwelijk omgaan als een betrekkelijke opgave, zal het alleen van betrekkelijk belang worden. Op het moment dat het van betrekkelijk belang is kan het eindigen, zoals alle betrekkelijke zaken. En hierdoor zal het eenvoudigweg eindigen.

leder meervoud zal de groei doden. Onze vrees voor het absolute belet ons vaak de groei te beschermen. Iets dat belangrijk is kan niet worden voltooid wanneer het wordt behandeld als één van vele. We stelden dat telbaarheid het resultaat is van de afkoelende wijs van de abstracte indicatief, van de naamloze taal van alle analyses: ‘dit is gewoon een huwelijk uit vele; dit is een oorlog zoals andere; dit is een plan zoals vele’. Het opsommen kan in geen enkel groeiproces worden toegelaten. Het breekt de betovering van het moment, het ontmantelt de ziel van het taalritueel. Dan blijft de ziel onvolgroeid. Veel van onze jonge arbeiders leefden als onvolgroeide mensen, omdat hun baan alleen maar ‘baan vierentwintig’ of ‘vierendertig’ was en daarom niets in hun leven betekende.

Betoveringen hun macht ontnemen en eerbied voor de tijdkom zijn de twee belangrijkste opgaven, willen we grammaticaal gezond worden. Wij zullen ziek worden door enerzijds ons onvermogen om op te houden en anderzijds de fout om te beginnen aan het eind, door te reflecteren en te classificeren.

Een gezonde ziel spreekt over zichzelf religieus als gij, poëtisch als ik, sociaal als wij en wetenschappelijk als het, hij of zij, in het juiste ritme van haar vervulling. De ziel kan niet beginnen met het noch eindigen met gij of wij. Sinds onze samenleving heeft geprobeerd om het ‘publiek’ ervan te overtuigen dat het een het is, id est, bestaat het publiek niet meer uit mensen die door de geest bewogen worden vanuit het geloof door het zingen en ervaren, tot kennis van de eerste tot de laatste dingen, van hun roeping tot hun verpersoonlijking. De zielen van veel Navaho-indianen blijven in de ban van de tovenarij. De zielen van veel jonge Amerikanen blijven onvolgroeid door gebrek aan grammaticale gezondheid

noten:

  • Esther Forbes, ‘Paradise’, (New York: Harcourt Brace & Co., 1937).
  • ‘Hercules’ is eveneens een vocatief. De Mamertins werden zo genoemd omdat ze Mars voortdurend opriepen (Mars Mars, Mar-Mar) W. Schulze, ‘Zeitschriftfor Vergleichende Sprachwissenschaft’, 32, 195 A.r en in ‘Fes/schrift Jakob Wackernagel zur Vollendung des 70. Lebenljahres am n. Dezember 1923, gewidmet von Schülern, Freunden und Kollegen’, Göttingen: Vandenhoede en Ruprecht, 1923.
  • In het ‘Handbook of.lndian Languages’ geeft E. Sapir interessant materiaal over overeenkomstige vocatieven tussen familierelaties. (Edward Sapir, ‘The Takilina Language if South-Western Oregon’, (Franz Boaz, ‘Handbook of American Indian Languages, Part 2 Smithsonian Institution, (U.S.) Bureau of American Ethnology, Bulletin 40. Washington: U.S. Goveroment Printing Office, 1922, blz. 1-296. hier blz. 232 e.v. net als Trachtenberg (Lev.J.Trachtenberg, ‘Coos’ (idem blz. 303-430), hier blz. 366. Meinhof meldt dat de vocatief haar geslachtsuitgang kwijtraakt (Carl Meinhof, ‘Die  Korandialekt des Hottentottischen’ (Berlijn: D. Reimer (E. Vohsen), 1930).
  • Clyde Kluckhohn, ‘Navaho Witchcraft’, Papers of the Peabody Museum of American archaeology and Ethnology (Harvard Universiteit, XXII, nr. 2, Cambridge, Mass.: The Museum 1944)
  • Kluckhohn, ‘Navaho Witchcraft’, blz.

 

 

Rosenstock-Huessy: Genus, geslacht en leven

Genus (geslacht) en leven

Rosenstock-Huessy, E., Het wonder van de taal, Vught 2003 (Skandalon)  p. 129-133

 

HOOFDSTUK 13

Genus (geslacht) en leven

 

Het spreken van de mensheid is het spreken van mannen en vrouwen over de wereld en daarom zijn er altijd drie elementen bij betrokken. Mannen moeten voortdurend vrouwen het hof maken door woorden, namen, cadeaus en  huishoudgeld en vrouwen moeten steeds gezag uitoefenen, zorgen voor orde en onderwijs en zorgen dat er voldoende in huis is. Dit komt tot uitdrukking in de religieuze goden en godinnen en de twee geslachten van de grammatica.

De twee grammaticale vormen hebben meer gemeen dan op het eerste gezicht lijkt. Het is een goede zaak dat de grammatica niet spreekt over sekse maar over geslacht. Want geslacht verleent de benamingen ‘hij’ of ‘zij’ niet  alleen aan lichamen op basis van sekse. Een schip en een auto kunnen vrouwelijk zijn, net als de kerk en Europa, en een andere keer kan over auto’s, kerken en continenten gesproken worden als over ‘het’. Dit simpele feit geeft aan dat er sprake is van meer dan alleen een verdeling op basis van anatomische seksuele organen. Goden en godinnen daarentegen dalen af van boven, van verheven afdelingen in de hemel. ‘Zeus’ en aarde, ‘Gaea’, splitsen zich op in Jupiter en Juno, Freya (Vrijdag) en Wodan (Woensdag), en dalen daardoor af naar het aardse niveau van de biseksuele mensheid. Wij begrijpen de geslachten of de goden pas als we inzien dat mannelijke en vrouwelijke seksualiteit aanvankelijk door de taal zijn gebruikt om te wijzen op meer universele verdelingen dan alleen fysiologische mannelijkheid en vrouwelijkheid.

Het is met het geslacht als met alle grammatica. Zoals we hebben gezien werden stoffelijke dingen gebruikt om ons de poorten van het ritueel binnen te doen gaan en ons op andere gedachten te brengen. We tooiden ons met kronen, kralen, kransen, stokken en schoenen om ons een duurzamer rijk binnen te brengen dan onze lichamelijke zintuigen zouden kunnen ervaren. Een jongeman ging door de poorten van een ritueel zijn bestemming tegemoet en daarom deed hij aan de andere kant van de poort een lendendoek om opdat hij zijn blijvende rol vanaf de dag van inwijding niet zou vergeten. Door alle wederwaardigheden van jeugd, volwassenheid en ouderdom, ziekte en gezondheid, vrede en oorlog, thuis of alleen in de woestijn, ballingschap en gevangenschap, ging zijn lendendoek, net als zijn naam, met hem mee. Vijftig of zestig jaar werden door één naam uitgehakt en tot een samenhangende tijd gemaakt, met de initiatie als vaststaand begin en de begrafenis als vaststaand eind. Mensen begroeven hun doden omdat, sociaal gesproken in het rijk van de geest het einde van de lendendoek belangrijker was dan het einde van iemands fysieke lichaam. Bij de begrafenis werden tatoeage, kleren en wapenschild van iemand begraven, die zestig jaar tekens van zijn waardigheid waren geweest in zijn strijd om het bestaan in het rijk van de samenleving, op de jachtvelden en in dorpen en vergaderingen van zijn stam. Ze bevestigden hem in de bewust gecreëerde plaats en tijd, het land en de periode waarin hij geleefd had.

Het grammaticale geslacht is van belang bij dit binnengaan door de poorten van het ritueel in de Elyseese velden van duurzame orde. Ons huidige voornaamwoordelijk onderscheid tussen ‘zij’, ‘het’ en ‘hij’ is natuurlijk maar een klein overblijfsel van het geslacht in haar volledige vorm in het hoge ritueel. Toch schijnt zelfs dit overblijfsel voor de jongere Schotse theologie zo fundamenteel te zijn, dat het dogma van de Triniteit noodzakelijk werd geacht aangezien God hij, zij en het moest zijn teneinde alles in allen te zijn.

Onderzoek naar de grammaticale rijkdom van het geslacht in de voorchristelijke taal zou weleens overtuigender kunnen zijn dan deze overweging. Opmerkelijk genoeg kon bijna elk woord in het Grieks of oud-Duits in een mannelijke, vrouwelijke of onzijdige vorm worden omgezet, Het Griekse woord voor leger zou stratus (m), stratia (v) of strateuma (o) kunnen zijn. In veel gevallen krijgen we de indruk dat ‘oorspronkelijk’ het onderscheid naar geslacht niet werd gebruikt voor mannelijk, vrouwelijk en ‘onzijdig’ maar alleen voor de verdeling in ‘bezielde’ en ‘zielloze’ voorwerpen. Aan de andere kant is gesteld dat mannelijke en vrouwelijke woorden hun geclassificeerde uitgangen hadden; maar dat de het-vormen dat niet hadden en zich pas veellater tot een categorie ontwikkelden. Bovendien komen er in Afrikaanse talen meer dan drie categorieën voor.

Als we vasthouden aan ons uitgangspunt dat elke mogelijkheid en elke variëteit binnen een gegeven horizon van maatschappelijke integratie door de mensheid uitgeprobeerd moet worden op elke sport van de ladder die reikt van vandaag tot in het verleden van onze soort, zouden we verwachten dat we alle bestaande variaties in de grammaticale geslachten en bij de goden en godinnen, zouden aantreffen. Maar we kunnen ook met ons eigen verstand ontdekken dat het nodig is om het geslacht op al deze talrijke paden van grammaticale categorieën en vormen uit te drukken. Als we dat doen, geeft onze eigen nadelige of bevoorrechte positie ons het recht om te verklaren dat het geslacht een fundamentele categorie van de taal is, die niet is bedoeld om de sekse te beschrijven. Alle talen moeten door de feitelijke situatie waarin we spreken, een manier hebben om het geslacht uit te drukken. En in geen enkele taal onthulde het ‘geslacht’ het anatomische feit van sekse, maar sekse werd gebruikt als symbool voor de rollen in taal en gesprek. Aangezien we allemaal met iemand ergens over praten, werd het mannelijk geslacht gebruikt als overwegend sprekend, het vrouwelijk als overwegend ontvankelijk en het onzijdig als overwegend datgene waarover werd gesproken.

Misschien ontvingen vader en moeder daarom hun eigen naam. Beide woorden, ‘vad-er’ en ‘moeder’ zijn een vergelijkende trap zoals ‘ander’, ‘be-ter’, ‘groter’. De vader heeft ‘meer van’ een vader dan de moeder; de moeder ‘meer van’ een moeder dan de vader. Zuster en broeder zijn op een vergelijkbare manier opgebouwd.  Hierboven verklaarden we de situatie van mannelijk, vrouwelijk en onzijdig nogal onhandig als overwegend actief sprekend, overwegend  ontvankelijk luisterend en overwegend iets waarover wordt verteld. Het woord ‘overwegend’ is nu opgenomen in de structuur van de woorden ‘vader’ en ‘moeder’. De vader luistert ook en de moeder spreekt net zoveel als hij. Toch is het fundamenteel waar dat een naam gewicht in de schaal legt. We spreken met nadruk. Een gegeven naam, een bepaalde geschapen orde, beschermt een vrouw voor altijd. Namen dwingen respect af, ze dwingen manieren af. Duidelijk omschreven namen maken alle woorden duurzaam. De kwaliteiten van goden en godinnen zijn op dezelfde manier in de hele niet-joodse wereld verspreid. Het scheppende en het bewarende, het plotselinge en het duurzame, het agressieve en het beschermende, het luide initiatief en de rustige hartenklop van het heelal, het zijn allemaal goden en godinnen. Daarom ziet het ernaar uit dat de verdeling van de klassen van het geslacht in ‘bezielde’ en ‘zielloze’ voorwerpen onjuist is. Er zijn geen bezielde voorwerpen. Het gaat om een verdeling in onderwerpen en voorwerpen. Bezield zijn betekent een subject zijn. We maken onderscheid tussen degenen die deelnemen aan een bezielde conversatie en de voorwerpen die dat niet doen.

In stamverbanden sloten mannen vrede in hun grote nominale overeenkomsten en schiepen zo de ‘pronominale’ families waarin vrouwen bescherming vonden voor verkrachting. Het geslacht weerspiegelt het bestaan van stormachtige, opgewonden feesten en van het ritmische dagelijkse leven. Degenen die tijdens bijeenkomsten spraken waren van het ene geslacht. Degenen die achterbleven of alleen luisterden waren van het andere en degenen die helemaal niet deelnamen waren van een derde soort.

Dit onderscheid, zo mogen we aannemen, was voor ons fundamenteel. Als ik de vraag ‘wat is God?’ analyseer, zal ik nooit in staat zijn om iets anders te bewijzen dan de ‘goddelijke kwaliteit’ of het ‘goddelijke zijn’, dat wil zeggen iets in de categorie van onbezielde voorwerpen. De analyse spreekt over dingen alsof ze niet kunnen meeluisteren. De theologie analyseert God alsof hij op dit ene moment niet luistert. Met als gevolg dat de theologie zich richt op het goddelijke van onzijdig geslacht en als een onbezield object. Theologie als de wetenschap om God te kennen, ligt overhoop met het geloof in God, de onkenbare.

Er zijn twee andere manieren. Poëtisch kan ik spreken over ‘de Godheid’. Dit laat de mogelijkheid open dat zij leeft. Ik ben eerbiedig hoewel ik niet verwacht dat zij  spreekt. De natuur, de wetenschap of de marine kunnen als godheden behandeld worden, dat wil zeggen als ‘zij’. Ik gebruik ook de categorie van een luisterend subject, in voorlopige zin, wanneer ik over mijn schip of mijn auto als ‘zij’ spreek.

Maar wanneer ik het woord God werkelijk en voluit durf te gebruiken, moet ik het risico van godslastering nemen, het ijdel gebruiken van zijn naam, en de kans lopen gestraft te worden door zijn plotselinge tussenkomst. Want als ik in dit geval ‘God’ zeg, probeer ik uit te drukken dat ik geloof in zijn macht om tot mij te spreken. ‘God’, ‘Godheid’, ‘het goddelijke’ kunnen vergeleken worden met de drie Griekse geslachten voor een leger. Als stratos is het de soevereine natie, bijeengekomen op het veld en klaar om wetten uit te vaardigen. Als stratia gaat het om het leger als gebiedster van haar generaals, de eenheid die klaar is om hun orders te ontvangen en te antwoorden door gehoorzaamheid en discipline. Als strateuma is het het geheel van mensen dat zich zichtbaar uitstrekt over het veld, leiders en mannen, telbaar in het blikveld van de toeschouwers.

De sekse is nu omgezet in een grammaticaal geslacht omdat de woede en haat van mensen werd overwonnen door de namen van de vrede. Als we nu een sociale cyclus zouden beginnen waarin de jaloezie en haatdragendheid van vrouwen de eerste viool zou spelen, dan moeten we van ‘geslacht’ veranderen en vrouwen ‘hij’ en ‘hen’ noemen en de aantrekkelijke jongens die deze vrouwen begeren ‘zij’. De sociale situatie zou kunnen veranderen. De grote taken van de taal zouden onveranderd blijven, namelijk het onderscheiden van degenen die de voorwaarden en namen van de vrede durven vast te stellen van degenen die zo moedig zijn om ze te beleven, de dramatische held van de geschiedenis en de niet-dramatische heldin van de gemeenschap. Want zonder de niet-dramatische moeders en dochters zouden de dramatische mannen nooit enige bestendige tijdelijke of geografische organisatie tot stand brengen. Iemand moet doen wat er gezegd is, moet de vrede in de praktijk brengen nadat er vrede is gesloten. En dat niet alleen, er moet een halve  samenleving zijn die dit ‘doen wat is gezegd’ tot haar prioriteit maakt. De term ‘overwegend ‘ slaat op de realiteit. Sommige mensen dienen meer geïnteresseerd te zijn in het bewaren van de vrede dan in het voeren van de volgende oorlog, net zoals anderen vast zullen moeten houden aan het afschaffen van de volgende onrechtvaardigheid, door die te stigmatiseren, een naam te geven die haar aan de kaak stelt en buiten de wet stelt.

Geslacht is een eeuwige categorie in de strijd om gerechtigheid. Want alle wetten moeten gehandhaafd worden, alle wetten moeten overtreden worden en alle wetten moeten vervangen worden door betere. De moeders houden zich overwegend aan de wetten, de zonen ontduiken ze overwegend. De dochters sporen ons aan om onze wetten nog eens te overdenken. De vaders vaardigen nieuwe wetten uit.

In de merkwaardige taal van het recht komt de goddelijke positie van de koning tot uitdrukking in: De kroon kan Smith, Brown en Robinson aanklagen. Smith, Brown en Robinson kunnen de kroon niet aanklagen. De kroon kan geen lijdend voorwerp zijn. Dit is dus de belangrijkste parallel met God. God wordt aangeroepen: Jupiter, als een eeuwige vocatief. De wetgever, de koning, kan niet beschuldigd worden van wetsovertreding. Hij maakt de wetten. Onzijdige begrippen verschijnen altijd in de accusatief, de veronderstelde nominatief van onzijdig begrippen bestaat niet. De koning en de god verschijnen in de nominatief, genitief of datief, nooit in de accusatief. God moet mens worden voordat hij in de accusatief gezet kan worden en besproken kan worden (1). Geslacht is in het leven van de taal de wisselwerking van spreker en uitvoerders van ‘het woord’, van de revolutionaire daad en de evolutie, van het onverwachte en het geleidelijke proces, van vandaag en altijd. Het meester worden van mond en oor, de verzoening van spreken en luisteren, dat is het ambitieuze doel van het geslacht in de grammatica.

De duivel schiep een derde geslacht. Onze grammaticaboeken spreken over het onzijdig als een derde geslacht. Maar in de wereld van bezielde lichamen zijn er maar twee geslachten. Onzijdig is zonder geslacht, niet een derde geslacht. Deze conclusie mag dom schijnen, maar is erg belangrijk. Tegenwoordig behandelt objectieve wetenschap ons allemaal als onzijdig, als schepsels zonder mond en oren. De psychologen en sociologen spreken over mij alsof ik geen mond heb die ik elk moment kan gebruiken, noch oren die horen wat ze over me zeggen. Voor hen ben ik onzijdig.

De mensheid heeft altijd gesproken over dingen zonder mond of oren. Vooral bij het werk moeten we onze gereedschappen, onze doelen en plannen bespreken. Ons werk, ons beroep en onze gereedschappen zijn toepasselijk genoeg zonder geslacht omdat ze noch mond noch oren hebben. Het zijn dingen. Er zijn veel onzijdige zaken in de wereld. Daarom gaven de Grieken de badkuip terecht een voor-Griekse naam en spreken wij over auto’s, telefoons en kilometers om deel te hebben aan het werk op de wereld.

Grammaticale geslachten zijn de dragers van het leven. Onzijdige woorden zijn voedings-middelen en instrumenten. De voorwerpen zonder oren en mond leiden altijd tot een speciale vorm van taal. De talen van de goden en van de objecten zijn totaal verschillend en toch zijn ze allebei essentieel, net als vieren en werken. Het niet-geslachtelijke stelt ons in staat om het geheim van het geslacht te bestuderen. Een stuk gereedschap is zonder heden ( Gegenwart). Daarom noemen we het een ding ( Gegenstand). Maar ik kan alleen in het heden getuigen. Getuigenis en levende getuige, geslacht en taal, scheppen de tijden.

 

(1) Jane Lane (pseudoniem van Elaine Daker) ‘King James the Last’ (London; A. Dakers Ltd., ‘942 blz. VI)

 

QUASI STELLA MATUTINA IN MEDIO NEBULAE

QUASI STELLA MATUTINA IN MEDIO NEBULAE ET QUASI LUNA PLENA IN
DIEBUS SUIS LUCET ET QUASI SOL REFULGENS, SIC ISTE REFULSIT IN
TEMPLO DEI – BOEK JEZUS SIRACH 50, 6

‘Als een morgenster midden in de nevel en als een ronde maan ten tijde dat zij vol is en als een tegemoet stralende zon, zo heeft deze geschenen in de tempel van God.’
Dit woord past men gewoonlijk toe op de heilige goddelijke leermeesters, die met hun deugdzaam leven en hun goddelijk vermogen een licht zijn geweest en geschenen hebben in de aardse harten die, in de schepselen gevangen, door de nevel en het moeras of de duisternis der onwetendheid als blinden op de weg naar het eeuwige heil ronddwalen, zoals voor ons uit straalt de heilige vader die we vandaag gedenken, de heilige Dominicus namelijk, een beschermer van de christenheid en stichter van een predikersorde, die hij is begonnen en heeft opgebouwd om het woord van God te verkondigen en de arme zondaars te helpen.
Nu staat er geschreven: ‘Hij heeft geschenen in de tempel van God.’ Van die laatste woorden ga ik eerst uit: tempel van God. Wat is ‘God’ en wat is ‘tempel van God’? Vierentwintig filosofen kwamen bij elkaar om erover te praten wat God is, maar ze kwamen er niet uit. Daarna zochten ze elkaar op een goed moment weer op en weer bracht ieder zijn mening naar voren. Op twee of drie van die uitspraken ga ik nu in. De een zei: ‘God is iets, waartegenover alle veranderlijke en tijdelijke dingen niets zijn, en alles wat zijn heeft, is tegenover Hem gering.’ De tweede zei: ‘God is iets dat noodzakelijk boven het zijn staat, iets dat in zichzelf niemand nodig heeft en dat alle dingen nodig hebben.’ De derde zei: ‘God is een intellect dat louter leeft in zelfkennis.’ Ik laat de eerste en derde uitspraak even rusten en zal iets zeggen over de tweede, namelijk dat God iets is dat noodzakelijk boven het zijn staat. Iets wat zijn, tijd en plaats bezit, raakt niet aan God: Hij staat daar boven. God is in alle schepselen, voor zij zijn bezitten, en toch is Hij daarboven verheven. Wat Hij in alle schepselen is, datzelfde is Hij toch daarbovenuit hetgeen in veel dingen een en het zelfde is, dat moet noodzakelijkerwijs boven die dingen uit gaan.

Verschillende leermeesters beweren dat de ziel zich alleen in het hart bevindt. Dat is niet waar, en daarin hebben zich grote leermeesters vergist. De hele ziel is ongedeeld volledig in de voet en volledig in de ogen en zo in alle ledematen stuk voor stuk. Neem ik een stukje van de tijd, dan is dat noch de dag van vandaag, noch de dag van gisteren, Neem ik ed1ter het Nu, dan is daarin alle tijd begrepen. Het Nu waarin God de wereld maakte is even dicht bij deze tijd als het nu waarin ik op dit moment spreek, en de jongste dag is even dicht bij dit nu als de dag van gisteren.
Een leermeester zegt: ‘God is iets dat in eeuwigheid ongedeeld in zichzelf werkzaam is, dat geen werktuig nodig heeft en geen hulp van iemand en dat in zichzelf blijvende is; dat zelf niets nodig heeft, maar dat alle dingen nodig hebben, en alle dingen streven ernaar daarin terug te keren als in hun uiteindelijke doel.’ Dit einddoel heeft geen bepaalde zijnswijze, het ontgroeit aan elke zijnswijze en is alomvattend. De heilige Bernardus zegt: ‘God liefhebben gebeurt op een wijze zonder wijze.’ Een dokter die een zieke gezond wil maken, bezit niet een bepaalde manier van gezondheid waardoor hij die zieke gezond wil maken; hij heeft wel een bepaalde manier waarmee hij hem gezond wil maken, maar hoe gezond hij hem wil maken is niet te bepalen: zo gezond als hem maar mogelijk is. Hoe lief wij God moeten hebben, daarvoor bestaat geen bepaalde manier zo lief als we maar kunnen, en dat is niet op een bepaalde wijze.
Elk ding werkt zoals het is, geen ding kan meer doen dan zoals het is. Het vuur kan alleen maar werken in het hout. God werkt boven het zijn uit, in de ruimte waarin Hij zich bewegen kan, Hij werkt in het niet-zijn; voor er nog zijn was, werkte God; Zijn werk was het zijn, toen er nog geen zijn was. Sommige leermeesters beweren domweg dat God een louter zijn is. God staat zo hoog boven het zijn als de hoogste engel staat boven een mug. Als ik God ‘een zijn’ zou noemen, zou dat even onjuist zijn als wanneer ik de zon bleek of zwart zou noemen. God is niet dit of dat. En een leermeester zegt: ‘Wie meent dat hij God kent, en hij kent dan iets, dan kent hij God niet.’ Maar door te zeggen dat God niet een zijn is en dat Hij boven het zijn staat, heb ik Hem niet zijn ontzegd, integendeel, ik heb dat in Hem verhoogd. Meng ik koper door goud, dan is dat daar in en wel op een hogere wijze dan het van zichzelf is.
Augustinus zegt: ‘God is wijs zonder wijsheid, goed zonder goedheid, almachtig zonder almacht.’ Leraren op school onderwijzen dat alle wezens zijn in te delen naar tien zijnswijzen, en die ontzeggen ze God allemaal. Geen van deze zijnswijzen heeft betrekking op God, en toch ontbreekt Hem ook geen daarvan. De eerste zijnswijze, waarin zijn het sterkst aanwezig is en waardoor alle dingen zijn ontvangen, is substantie; en het laatste, dat het minste zijn bevat, heet relatio, ‘verhouding’. In God de Allergrootste, die het meeste zijn bezit, is verhouding gelijkheid: alle dingen hebben een gelijk oerbeeld in God. Van alle dingen zijn de beelden in God gelijk; maar die beelden zijn oerbeeld van ongelijke dingen. De hoogste engel en de ziel en de mug hebben een gelijk beeld in God. God is niet zijn of goedheid. Goedheid is gebonden aan zijn en gaat zijn niet te boven want als er geen zijn was, zou er geen goedheid zijn, en zijn is nog zuiverder dan goedheid. God is noch goed, noch beter, noch het allerbeste.
Wie zegt dat God goed is, doet Hem evenzeer onrecht, als wanneer hij de zon zwart zou noemen. Nu zegt God toch: ‘Niemand is goed dan God alleen.’ Wat is goed? Datgene is goed, wat zichzelf geeft. Een mens die zichzelf geeft en nuttig is, noemen we goed. Daarom zegt een heidens leermeester: ‘Een kluizenaar is in die zin noch goed noch slecht, dat hij zichzelf niet geeft en nuttig is.’ God is de zichzelf het meest gevende. Geen ding geeft iets van zichzelf, want alle schepselen zijn van zich zelf niets. Wat zij geven, hebben ze van een ander. Ze geven ook niet werkelijk zichzelf. De zon geeft haar schijnsel, maar blijft waar ze staat; het vuur geeft zijn hitte, maar blijft vuur. God echter maakt van het Zijne deelachtig, want Hij is van zichzelf wat Hij is, en in alle gaven die Hij geeft, geeft Hij in de eerste plaats zichzelf. Hij geeft zich als God zoals Hij in al Zijn gaven is, voor degene die Hem wil ontvangen daarvoor open staat. Jacobus zegt: ‘Alle goede gaven stromen van boven neer van de vader der lichten.’ Wanneer we God in het zijn veronderstellen, veronderstellen we Hem in Zijn voorhof, want zijn is de voorhof waarin Hij woont. Maar waar is Hij dan in Zijn tempel, waarin Hij heilig straalt? Het zuivere intellect is de tempel van God. Nergens woont God eigenlijker dan in Zijn tempel, in zuiver intellect, zoals die andere leermeester zei: ‘God is een zuiver intellect, dat leeft in het uitsluitend kennen van zichzelf’, strikt in zichzelf blijvend waar niets Hem raakte, want daar is Hij alleen in Zijn stilheid. In Zijn zelfkennis kent God zichzelf in zichzelf.
Nu kijken we naar de ziel, die een druppeltje zuiver intellect bezit, een vonkje, een twijgje. Zij heeft krachten die in het lichaam werken. Met behulp van een daarvan verteert de mens zijn voedsel; die werkt ’s nachts meer dan overdag en daardoor groeit de mens en neemt hij in omvang toe. De ziel heeft ook een kracht in de ogen; daardoor zijn die zo verwend en fijn afgesteld, dat zij de dingen niet opnemen in de grove gedaante die deze op zichzelf bezitten. Die moeten eerst gezeefd worden en kleiner gemaakt in de lucht en in het licht. Dat komt doordat het oog de ziel bij zich heeft. Met een andere kracht die de ziel in zich heeft denkt zij. Deze kracht maakt zich een voorstelling van de dingen die niet aanwezig zijn, zodat ik die dingen even goed onderken als wanneer ik ze met mijn ogen zag, en nog beter – ik kan een roos heel goed in de winter denken- en met deze kracht werkt de ziel in het niet-zijn en volgt zij God, die in het niet-zijn werkt.
Een heidens leermeester zegt: ‘De ziel die God liefheeft ziet Hem in het gewaad van de goedheid’ –wat hierboven werd aangehaald waren allemaal woorden van heidense leermeesters, die niet dan in het natuurlijke licht kenden; ik kwam nog niet toe aan de woorden van de heilige leermeesters, die in een veel hoger licht kenden- hij zegt dus: ‘De ziel die God liefheeft ziet Hem in het gewaad van de goedheid.’ Het zuivere intellect echter trekt God dat gewaad van de goedheid uit en ziet Hem naakt, nu van goedheid en van zijn en van alle namen ontkleed.
Ik zei in de school dat intellect edeler is dan wil, en toch behoren beide in dit licht. Toen stelde een leermeester in een andere school dat de wil edeler is dan intellect, omdat de wil de dingen neemt zoals ze op zichzelf zijn, terwijl het intellect de dingen neemt zoals het die in zich weet. Een oog is edeler in zichzelf dan een oog dat op een wand is geschilderd. Ik zeg echter dat het intellect edeler is dan de wil. De wil begrijpt God in het gewaad van de goedheid. Intellect vat God naakt, namelijk van goedheid en van zijn ontkleed.
Goedheid is een gewaad waaronder God verborgen is, en de wil beoogt God onder het gewaad van de goedheid. Was er aan God geen goedheid, dan zou mijn wil Hem niet willen. Als iemand een koning zou willen kleden op de dag dat men hem tot koning ging maken, en hij zou hem kleden in grauwe klederen, dan had hij hem niet goed aangekleed. Niet omdat God goed is, ben ik zalig. Ik zal nooit verlangen dat God mij zalig maakt met Zijn goedheid, want Hij zou dat ook nooit kunnen doen. Ik ben uitsluitend zalig doordat God intellect is en ik dat onderken. Een leermeester zegt: ‘Het is Gods zuivere intellect waaraan het zijn van de engel geheel en al hangt.’ je kunt je afvragen waar het zijn van het beeld allereigenlijkst is: in de spiegel of in degene van wie het uitgaat. Het is eigenlijker in degene van wie het uitgaat. Het beeld is in mij, van mij en bij mij.
Zolang de spiegel precies tegenover mijn gezicht staat, is mijn beeld daar in; als de spiegel zou vallen, verging het beeld. Voor de engel is Gods zuivere intellect een tegenwoordigheid en hij kent zichzelf daarin, en daaraan hangt ook zijn zijn.
‘Als een morgenster midden in de nevel.’ Het gaat me nu om dat woordje ‘quasi’, dat ‘zoals’ betekent en dat door kinderen op school een ‘bijwoord’ wordt genoemd. En dit is het waar het me in al mijn preken om gaat. Het allereigenlijkste wat men van God kan zeggen, is ‘woord’ en ‘waarheid’. God noemde zichzelf een woord. Johannes zei: ‘In den beginne was het woord’, en bedoelt dat men bij dat woord een bijwoord moet zijn.
Zoals de vrije ster, waarnaar de vrijdag is genoemd, Venus: die heeft verschillende namen. Als hij aan de zon voorafgaat en eerder opkomt dan de zon, heet hij morgenster; wanneer hij de zon volgt, zodat die eerder ondergaat, heet hij avondster. Soms is zijn loop boven de zon, soms onder de zon. Van alle sterren is hij degene die aldoor even dicht bij de zon staat; hij raakt er niet verder van af en komt er niet dichter bij en hiermee is bedoeld, dat een mens die zo’n ‘bijwoord’ wil zijn, altijd in Gods nabijheid en tegenwoordigheid moet zijn, zodat niets hem van God kan verwijderen, geluk noch ongeluk noch enig schepsel.
Er staat verder: ‘Als een ronde maan ten tijde dat zij vol is.’ De maan heeft de heerschappij over alles wat vochtig is in de natuur. Nooit staat de maan zo dicht bij de zon als wanneer zij vol is en zij haar licht heel direct van de zon ontvangt. En omdat zij dichter bij de aarde staat dan welke ster ook, heeft zij twee gebreken: dat zij bleek en vlekkig is en dat zij haar licht verliest. Nooit is zij zo krachtig als wanneer zij het verst van de aarde verwijderd is, want dan werpt zij de zee het allerverste uit; hoe meer ze afneemt, des te minder kan zij die uitwerpen. Hoe meer de ziel verheven is boven aardse zaken, des te krachtiger is zij. Wie niets anders dan de schepselen zou kennen, hoefde geen gedachten aan een preek te wijden, want elk schepsel is vol van God en is een boek. De mens die zo ver wil komen als in het voorafgaande is aangeduid – en hierop spitst zich mijn hele betoog toe – die moet zijn als een morgenster: voortdurend bij God aanwezig en voortdurend even dicht bij Hem en verheven boven alle aardse zaken en bij het Woord een bijwoord zijn.
Er is een uitgebracht woord: dat is de engel en de mens en al het geschapene. Er is een ander woord, gedacht en uitgebracht: daardoor is het mogelijk dat ik me voorstellingen maak. Er is nog een ander woord: dat is onuitgebracht en ongedacht, dat komt nooit naar buiten, ja, het blijft eeuwig in degene die het spreekt. Dat woord is in de Vader, die het ontvangend en in zichzelf blijvend voortdurend spreekt. Intellect verwerkt alles innerlijk. Hoe fijner en geestelijker iets is, des te krachtiger is de innerlijke werking ervan; en hoe krachtiger en fijner het intellect is, des te meer wordt hetgeen het onderkent ermee verenigd en wordt het intellect daarmee één. Zo is het niet met materiële dingen; hoe krachtiger die zijn, des te meer werken ze naar buiten toe. Gods zaligheid is gelegen in het naar binnen toe werken van het intellect, waar het woord binnen blijft. Daar moet de ziel een bijwoord zijn en met God één werk verrichten, namelijk door in een in zichzelf zwevend onderkennen haar zaligheid te ontvangen in hetzelfde kennen waarin God zalig is .
Dat wij te allen tijde bij dat Woord een bijwoord mogen zijn, daartoe helpe ons de Vader en dat Woord zelf en de Heilige Geest. Amen.

 

avond stilte