ANTWOORD EN VERZOENING

ANTWOORD EN VERZOENING

dialoog met Francisco de Quevedo

 

1

Is daar iemand? Geen levende ziel die antwoord geeft?

Zijn woorden rollen voort, geëtste bliksemflitsen

in jaren die eerst rotsen waren en nu nevel zijn.

Het leven geeft nooit antwoord.

Het heeft geen oren, het luistert nooit naar ons;

het zegt ons niets, het heeft geen tong.

Het gaat niet voorbij, het blijft niet achter.

Wij zijn het zelf die spreken,

wij zijn het die voorbijgaan

terwijl wij onze woorden horen rollen

van echo tot echo en van jaar tot jaar

door een eindeloze tunnel.

 

Hetgeen wij leven noemen

is in onszelf te horen, het spreekt met onze tong

en kent zichzelf door ons.

Als we het beschrijven, zijn wij ervan de spiegel, vinden wij het uit.

Uitvinding van een vinding; het schiep ons

Zonder te weten wat het schiep,

wij zijn een denkend toeval.

Schepsel van spiegelingen,

door ons geschapen toen wij eraan dachten,

dat omlaag start in denkbeeldige afgronden.

Diepe gronden, doorschijnendheden

waar niet het leven stroomt af verzinkt, maar het idee ervan.

Steeds is het elders, steeds is het anders,

het heeft duizend gestalten en geen een,

nooit beweegt het, nooit staat het stil,

het wordt geboren om te sterven, en bij het sterven wordt het geboren.

 

Is het onsterfelijk, het leven? Vraag dat niet

omdat je dan niet weet wat leven is.

Wij weten het wel degelijk:

ook het leven moet eens sterven,

het zal teruggaan naar het begin, de traagheid van de oorsprong.

Einde van gisteren, vandaag en morgen,

verdamping van de tijd

en van het niets, zijn keerzij.

En daarna- is er wei een daarna,

zal de oervonk wei de schoot

der werelden ontsteken,

eeuwig herbegin van de domme wenteling?

Geen levende ziel die antwoord geeft, die weet heeft.

Wil weten dat te leven is zich uit te leven.

 

2

Heftige lente, meisje dat ontwaakt

in een groen bed, met doornen bewaakt;

boom van de middag, zwaar van appelsienen;

jouw kleine zonnetjes, vruchten van frisse schitter,

die de zomer legt in transparante manden;

de herfst is streng, zijn koude licht

wet zijn mes aan de rode ahorn;

januari en februari: hun baarden zijn van ijs,

hun ogen zijn saffieren die aprillaat smelten;

de golf die zich verheft, de golf die weer gaat liggen,

verschijningen – verdwijningen

in de kringloop van het jaar.

 

Al wat wij bekijken, al wat wij vergeten,

de harp van de regen, het teken van de zonnestraal,

de snelle gedachte, de spiegeling die vogel werd,

de tafels van het voetpad tussen krommingen,

het huilen van de wind

dat het voorhoofd van de bergen priemt,

de maan op zijn tenen op het meer,

uitwaseming van tuinen, de nachtelijke hartenklop,

het tentenkamp van sterren in de verbrande woestenij,

de strijd van spiegelingen in de witte zoutpan,

de bron en zijn alleenspraak,

het langzaam adem en van de uitgestrekte nacht

en de rivier die haar omvat, de pijnboom onder de avondster

en de golven op zee, standbeelden van een moment lang,

de wolkenkudde die door de wind gehoed wordt

in sluimerende dalen, de toppen en ravijnen,

de tijd die rots geworden is, ijstijden,

de tijd die rozen en plutonium maakt,

de tijd die maakt terwijl hij uiteenvalt.

 

De mier, de olifant, de spin en het lam,

hoe vreemd is onze wereld met zijn aardse schepselen

die geboren worden, eten, doden, slapen, spelen, paren

en in stilte weten dat ze moeten sterven;

onze wereld van de mens, die vreemde en die naaste,

het dier met ogen in zijn handen,

dat het verleden doorboort en de toekomst doorvorst,

met zijn histories en lotgevallen:

de extase van de heilige, de sluwheid van de booswicht,

de gelieven en hun vreugden, ontmoetingen en onenigheden,

de slapeloosheid van de grijsaard die zijn vergissingen telt,

misdadig en rechtvaardig: een dubbel raadsel,

de Vader van de volkeren, zijn urnengaarden,

zijn galgenvelden en zijn gedenknaalden van skeletten,

de overwinnaars en de arme sloebers,

de lange tijd van het zieltogen en het kort moment van zaligheid,

de bouwer van woningen en die ze verwoest,

dit vel dat ik vol schrijf lettervoor letter

en dat jij verstrooid doorkijkt,

zij allemaal, dat alles, ze zijn

een schepsel van de tijd die aanvangt en afloopt.

 

Van geboorte tot dood sluit de tijd ons in

tussen zijn ontastbare muren,

Wij vallen omlaag met de eeuwen, de jaren, de minuten.

Is de tijd slechts een val, slechts een muur?

Een oogwenk lang zien wij soms

– niet met onze ogen, maar met ons denken dat

in een pauze de tijd tot rust komt.

De wereld gaat dan even open en vaag zien wij

het onbevlekte rijk,

de pure vormen, de voorstellingen

dit onbeweeglijk drijven

op het uur, besluiteloze stroom:

de waarheid, de schoonheid, de getallen, het idee

– en de goedheid, dat verbannen woord

in onze eeuw.

Ogenblik zonder gewicht of duur,

ogenblik buiten het ogenblik:

onze gedachten zien het, onze ogen denken het.

 

De driehoeken, de kubussen, de bolvorm, de piramide

en de andere geometrische figuren,

die gedacht zijn en getekend door sterfelijke blikken

maar die er zijn van vóór het oerbegin,

ze zijn de wereld die zo leesbaar is, geheimschrift van de wereld,

de grond en oorsprong van de wenteling der dingen,

de spil van de verandering, de vastheid zonder stut

die in zichzelve rust, de schaduwloze werkelijkheid.

Het gedicht, de muziek, het theorama,

het zijn onbesmeurde voorstellingen geboren uit de leegte,

gewichtloze bouwsels

boven een afgrond geconstrueerd:

in hun eindige vormen passen de oneindige vormen,

hun duistere symmetrie beheerst tevens de chaos.

Hoewel wij dat weten, zijn wij geen toeval:

het lot dat is ingelost keert terug tot de orde.

Het den ken, dat vast zit aan de aarde en

aan het uur, dat een vluchtigheid is die niet weegt,

verdraagt de werelden en hun gewicht,

wervelingen van zonnen die verkeerd zijn

tot een handvol tekens

op een willekeurig blad papier.

Wervelende zwermen

van doorschijnende evidenties

waar de ogen van het verstand

een water drinken zo eenvoudig als water.

Het rijmt met zichzelf, het heelal,

het verdubbelt zich, is tweevoudig, veelvoudig

zonder op te houden één te zijn.

De beweging, die rivier die zander eindpunt stroomt1

keert met open ogen, met domeinen van duizeling

-want er is geen boven noch onder, en veraf is wat nabij is tot

zichzelf terug

-zonder terug te keren, ineens veranderd

in een boom van rust.

De mens, die boom van bloed, die voelt, denkt, bloeit

en draagt zijn ongewone vruchten: woorden.

Het gevoelde en gedachte omarmen elkaar.

We raken zo ideeën aan: ze zijn lichaam en getal.

 

En terwijl ik zeg hetgeen ik zeg

vallen tijd en ruimte duizelingwekkend,

onophoudelijk omlaag. Ze vallen in zichzelf.

De mens en de nevelvlek keren weer in stilte.

Heelt het belang? Jazeker, maar het heelt geen belang:

we weten al dat het muziek is, deze stilte,

wij zijn maar een akkoord in het concert.

 

Octavio Paz

antwoord

akker van het leven

 

If you want to buy one of this paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a piece, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Collectioners in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

More information about my work and my paintings, and my vison on art, you can find on: www.canandanann.nl

R. Barthes over zin en tekens en (zen)Boeddhisme

R. Barthes over zin en tekens en (zen)Boeddhisme

jurk

R. Barthes, Das Reich der Zeichen (vertaling M. Bischoff)
Frankfurt am Main 1981 (Suhrkamp) p. 94-104

Der Einbruch des Sinns

Der Haiku hat jene etwas trügerische Eigenschaft, dass man stets meint, leicht selbst einige schreiben zu können. Man sagt sich: Was bietet sich mehr der spontanen Niederschrift an als dieser (von Buson stammende) Haiku:

Ein Abend im Herbst.
Ich denke nur
an meine Eltern.

Der Haiku macht Lust: Welcher westliche Leser hätte nicht davon geträumt, im Leben umher zu spazieren, ein Notizbuch in der Hand, und hier und da die »Impressionen« aufzuzeichnen, deren Kürze Vollkommenheit und deren Schlichtheit Tiefe garantierte (und dies dank eines zweifachen Mythos, eines klassischen, der treffende Kürze zum Beleg für Kunst erhebt, und eines der romantischen Tradition entstammenden, welcher der Improvisation einen Bonus auf Wahrheit zubilligt). Bei all seiner Klarheit will der Haiku doch nichts sagen, und gerade aufgrund dies er doppelten Voraussetzung scheint er offen für den Sinn zu sein, scheint er auf besondere Weise verfügbar und dienstbar, wie ein höflicher Gastgeber, der es Ihnen gestattet, sich mit Ihren Eigenheiten, Werten und Symbolen bei ihm niederzulassen. Die »Abwesenheit« des Haiku (von »Abwesenheit« spricht man bei einem wirklichkeitsfremden Menschen und bei einem Eigentümer, der verreist ist) gemahnt an Verführung, an Einbruch, mit einem Wort, an die höchste Gier, die Gier nach Sinn. Diesen Sinn, der so kostbar, so lebenswichtig und begehrenswert ist wie Glück und Geld, scheint uns der Haiku, der (zumindest in den Obersetzungen, die wir besitzen) frei von metrischen Zwängen ist, im Oberfluss, billig und ganz nach Bedarf zu bieten. Im Haiku, möchte man sagen, kosten Symbol, Metapher und Lehre beinahe nichts: ein paar Worte, ein Bild, ein Gefühl-wo unsere Literatur gewöhnlich ein Gedicht, eine Entwicklung oder (im kurzen Genre) einen gestochenen Gedanken, kurz: eine lange rhetorische Arbeit verlangt. Auch scheint der Haiku dem Westen Rechte zu geben, welche die westliche Literatur verweigert, und Waren, die auch diese verkauft. Sie haben das Recht, sagt der Haiku, belanglos, knapp und gewöhnlich zu sein. Fassen Sie, was Sie sehen, in einen engen Horizont von Worten und Sie werden interessant sein. Sie haben das Recht, selbst (von Ihnen selbst ausgehend) zu bestimmen, was beachtenswert ist. Gleich wie Ihr Satz beschaffen ist, er wird eine Lehre offenbaren, ein Symbol freisetzen; Sie werden tief sein; ohne große Kosten wird Ihre Schrift voll sein.
Der Westen tränkt alle Dinge mit Sinn, ganz in der Art einer autoritären Religion, die ganze Bevölkerungen unter die Taufe zwingt. Die Sprachobjekte (die durch Sprechen erzeugt werden) sind offenbar de jure Konvertiten: der erste Sinn der Sprache appelliert auf metonyme Weise an den zweit en Sinn der Rede, und dieser Appell hat den Wert einer universellen Verpflichtung. Zwei Mittel haben wir, um der Rede die Infamie des Unsinns zu ersparen, und wir unterwerfen die Äußerung systematisch (durch hastiges Zustopfen der Lücken, in denen die Leere unserer Sprache sichtbar werden könnte) der einen oder der anderen dieser beiden Signifikationen (d.h. aktiven Herstellung von Zeichen): Symbol und Schlug, Metapher und Syllogismus. Der Haiku, dessen Sätze stets einfach und flüssig sind -mit einem Wort, akzeptabel (wie man in der Linguistik sagt) -, wird einem dieser beiden Reiche des Sinns zugeordnet. Da er ein ),Gedicht« ist, ordnet man ihn jenem allgemeinen Code der Gefühle zu, den man als »poetische Empfindung« bezeichnet (Poesie meint für uns gewöhnlich »Diffuses«, “Unsagbares«, meint “Sinnliches«, die Poesie ist die Klasse der nicht klassifizierbaren Eindrücke). Man spricht von “konzentriertem Gefühl«, von der »wahrhaften Aufzeichnung eines ausgezeichneten Augenblicks« und vor allem von “Stille« (wobei die Stille für uns das Zeichen von Sprachfülle ist). Wenn der eine (loco) schreibt:

Wie viele Menschen
Sind schon im Herbstregen
Über die Setabrücke gegangen!

so erblickt man darin ein Bild für die Vergänglichkeit der Wenn der andere (Bashô) schreibt:

Ich komme über den Gebirgspfad.
Ah! Wie wunderbar!
Ein Veilchen!
so, weil er einem buddhistischen Eremiten mit Namen »Blume der Tugend« begegnet ist -und so weiter. Kein Zug, den der westliche Kommentar nicht mit Symbolen befrachtete. Oder man sucht mit aller Gewalt im Dreisatz des Haiku (den drei Versen zu fünf, sieben und fünf Silben) ein syllogistisches Muster mit drei Zeiten zu sehen (Aufstieg, Schwebezustand, Schluss):

Der alte Teich:
Ein Frosch springt hinein.
Oh! Das Geräusch des Wassers.

(in diesem besonderen Syllogismus erfolgt die Inklusion mit Gewalt: um darin enthalten zu sein, muJ3 der Untersatz in den Obersatz springen). Wenn man auf die Metapher oder den Symbolismus verzichtete, würde ein Kommentar natürlich unmöglich: über den Haiku sprechen hieJ3e dann schlicht und einfach ihn wiederholen. Und dies tut ganz unschuldig ein Kommentator Bashôs:

Schon vier Uhr …
Ich bin neunmal aufgestanden,
Um den Mond zu bewundern.

»Der Mond ist so schön«, sagt er, dass der Dichter wieder und wieder aufsteht, um ihn vom Fenster aus zu betrachten. « Gleich ob Dechiffrierung, Formalisierung oder Tautologie, die Wege der Interpretation, die bei uns dazu bestimmt sind, den Sinn Z’U durchdringen, d.h. in ihn einzubrechen und nicht, ihn zu erschüttern und ausfallen zu lassen wie den Zahn des Absurditätenbeissers, welcher der Zen-Schüler angesichts seines Koan sein soll -, die Wege der Interpretation können den Haiku mithin nur verfehlen, denn die Lesearbeit, die mit ihm verbunden ist, liegt darin, die Sprache in der Schwebe zu halten, und nicht darin, sie zu provozieren: ein Unterfangen, dessen Schwierigkeit und Notwendigkeit gerade der Meister des Haiku, Bashô, wohl gekannt zu haben scheint:

Wie bewundernswert ist doch,
Wer nicht denkt: »Das Leben ist vergänglich«,
Wenn er einen Blitz sieht

Die Befreiung vom Sinn

Der ganze Zen kämpft gegen die Pflichtvergessenheit des Sinns. Bekanntlich durchkreuzt der Buddhismus den verhängnisvollen Selbstlauf jeder Behauptung (oder Negation), indem er empfiehlt, sich niemals in den folgenden vier Sätzen fangen zu lassen: Das ist A das ist nicht A das ist zugleich A und nicht-A -das ist weder A noch nicht-A. Diese vierfache Möglichkeit entspricht dem vollständigen Paradigma, das die strukturale Linguistik aufgestellt hat (A nicht-A weder A noch nicht-A [Nullzustand] -A und nicht-A [komplexer Zustand]); anders gesagt: der buddhistische Weg ist die Verhinderung des Sinns: die Arkana der Bedeutung, d.h. das Paradigma, wird unmöglich gemacht. Wenn der sechste Patriarch seine Instruktionen zum Mondo, einer Frage-Antwort-Übung, gibt, empfiehlt er, um das Funktionieren des Paradigmas so nachhaltig wie möglich zu stören, sich bei der Setzung eines Ausdrucks sogleich mit dessen Gegenteil zu beschäftigen (» Wenn jemand euch in der Frageübung nach dem Sein fragt, s0 antwortet mit dem Nichtsein. Wenn er euch nach dem Nichtsein fragt, so antwortet mit dem Sein. Wenn er euch nach den gewöhnlichen Menschen fragt, so sprecht ihm vom Weisen, und so weiter. «), um auf diese Weise die Lächerlichkeit des paradigmatischen Einrastens und den mechanischen Charakter des Sinns hervortreten zu lassen.

Worauf hier abgezielt wird (durch eine geistige Technik, deren Präzision, Geduld, Verfeinerung und Wissen belegen, für wie schwierig das östliche Denken die Sinnverwirrung hält), worauf hier abgezielt wird, ist die Grundlage des Zeichens, d.h. die Klassifikation (Maya). An die Klassifikation par excellence, die der Sprache, gebunden, operiert der Haiku zumindest im Blick auf eine flache Sprache, in der es keine übereinander gelagerten Sinnschichten gibt (wie es in der westlichen Poesie ganz unvermeidlich ist), etwas, das man als »Blätterteig« aus Symbolen bezeichnen könnte. Wenn man uns sagt, das Geräusch eines Frosches habe in Bashô die Wahrheit des Zen geweckt, so kann man verstehen (obgleich auch dies noch eine allzu westlich Redeweise ist), das Bashô in diesem Geräusch zwar gewiss nicht das Motiv einer »Erleuchtung«, einer symbolischen Hyperästhesie entdeckt hat, wohl ab er ein Ende von Sprache: Es gibt einen Augenblick, da die Sprache endet (ein Augenblick, der mit größten Übungsanstrengungen erreicht wird), und dieser Schnitt ohne Echo liegt sowohl der Wahrheit des Zen als auch der knappen und leeren Form des Haiku zugrunde. Die Ablehnung einer »Entwicklung« ist hier radikal, denn es geht nicht darum, die Sprache in einer lastenden, vollen, tiefen und mystischen Stille anzuhalten oder auch in einer Leere der Seele, die sich der Kommunikation mit Gott öffnete (im Zen gibt es keinen Gott); was hier gesetzt wird, darf sich nicht entwickeln, weder in der Rede noch am Ende der Rede; was gesetzt wird, ist matt, und man kann nur eines damit tun: es wiederholen. Einem Schüler, der an einem Koan (einer Anekdote, die der  Meister ihm vorstellt) arbeitet, wird geraten: ihn nicht zu lösen, als hätte er einen Sinn, auch nicht, seine Absurdität zu erkennen (die auch noch ein Sinn wäre), sondern ihn zu kauen, »bis der Zahn ausfällt«.

Der ganze Zen und der Haiku ist nur dessen literarischer Zweig -erscheint so als ein gewaltiges Verfahren, das dazu bestimmt ist, die Sprache anzuhalten, jene Art innerer Radiophonie zu brechen, die unablässig in unserem Inneren sendet, und dies noch bis in den Schlaf hinein (vielleicht hindert man die übenden deshalb am Schlafen), um das unbezwingliche Geplapper der Seele zu leeren, auszutrocknen und in Sprachlosigkeit zu versetzen. Und vielleicht ist das, was im Zen Satori genannt wird und das sich im festen nur durch Ausdrücke mit vage christlicher Konnotation übersetzen lässt (Erleuchtung, Offenbarung, Schau), nur ein panischer Schwebezustand der Sprache, die Leerstelle, die in uns die Herrschaft des Codes auslöscht, der Bruch in unserem inneren Monolog, der für unsere Person konstitutiv ist. Und wenn dies er sprachfreie Zustand eine Befreiung ist, so weil das Wuchern des sekundären Denkens (das Denken über das Denken) oder, wenn man es vorzieht, die endlose Ergänzung der überzähligen Signifikate ein Kreis, dessen Träger und Modell die Sprache selbst ist dem buddhistischen Denken als Blockierung erscheint: In Wirklichkeit ist es die Aufhebung des sekundären Denkens, die den unendlichen Zirkel der Sprache bricht. Bei all diesen Erfahrungen handelt es sich nicht darum, 50 scheint es, die Sprache unter der mystischen Stille des Unsagbaren zu erdrücken, sondern darum, sie zu zügeln, jenen sprachlichen Kreisel anzuhalten, der in seiner Drehung das zwanghafte Spie! des Symbolersatzes fortführt. Letztlich ist das Symbol als semantische Operation das Ziel dieses Angriffes.
Im Haiku ist die Beschränkung der Sprache Gegenstand einer Anstrengung, die uns unbegreiflich ist, denn es geht nicht um konzisen Ausdruck (d.h. darum, den Signifikanten möglichst knapp zu fassen, ohne die Dichte des Signifikats zu verringern), sondern im Gegenteil darum, auf die Wurzel des Sinns einzuwirken, um zu erreichen, das der Sinn sich nicht erhebt, sich nicht verinnerlicht, sich nicht einschlich, nicht ablöst, sich nicht ins Unendliche der Metaphern, in die Sphären des Symbols verliert. Die Kürze des Haiku ist nicht formaler Natur; der Haiku ist kein reicher Gedanke, der auf eine kurze Form gebracht wäre, sondern ein kurzes Ereignis, das in einem Zuge seine richtige Form findet.

Die Zügelung der Sprache ist das, wozu der westliche Mensch am wenigsten geeignet ist, und zwar nicht, weil er sich zu lang oder zu kurz fasste, sondern weil seine ganze Rhetorik ihn zwingt, Signifikant und Signifikat in ein disproportionales Verhältnis zu bringen, sei es, indem er das Signifikat in der schwatzhaften Flut des Signifikanten »verdünnt«, sei es, indem er die Form in Richtung auf implizite Regionen des Inhalts »vertieft«. Die Richtigkeit des Haiku (der keineswegs ein exaktes Gemälde der Wirklichkeit ist, sondern die Angleichung von Signifikant und Signifikat, die Unterdrückung der Ränder, Nähte und Zwischenräume, die in der Regel über die semantische Beziehung hinausgehen oder sie erhellen),  diese Richtigkeit hat offensichtlich etwas Musikalisches (eine Musik des Sinns und nicht der Töne): Der Haiku hat die Reinheit, die Sphärenhaftigkeit und die Leere einer Note; und vielleicht ist das auch der Grund, weshalb er zweimal gesagt wird, wie mit einem Echo versehen. Diese ausgesuchten W orte nur einmal sprechen hieße der Überraschung, der Pointe, der Plötzlichkeit seiner Perfektion einen Sinn beilegen; ihn mehrmals sprechen hieße Befördern, dass der Sinn zu entdecken sei, hieße Tiefe simulieren. Zwischen beiden Möglichkeiten zieht das Echo, das weder Besonderheit noch Tiefe beansprucht, lediglich einen Strich unter die Nichtigkeit des Sinns.

 

taal

 

If you want to buy one of this paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a piece, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Collectioners in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

More information about my work and my paintings, and my vison on art, you can find on: www.canandanann.nl

Simone Weil: zwaartekracht en genade

ten

Zwaartekracht en genade 
I N H O U D
Zwaartekracht en Genade
Leegte en Compensatie
De Leegte aanvaarden
Onthechting
De Verbeelding, die opvult
Afzien van de Tijd
Wensen zonder Object
Het ik
Ontschepping
Mijzelf uitvlakken
Noodzaak en Gehoorzaamheid
Illusies
Afgodendienst
Liefde
Het Kwaad
Ongeluk
Geweld
Het Kruis
Weegschaal en Hefboom
Het Onmogelijke
Tegenspraak
De Afstand tussen Noodzaak en Goed
Toeval
Die wij beminnen moeten, is afwezig
Louterend Atheïsme
Aandacht en Wil
Dressuur
Verstand en Genade
Interpreterend Lezen (« lectures »)
De Ring van Gyges
Zin van het Universum
Metaxu’s
Schoonheid
Algebra
Het sociale Probleem…
Het dikke Beest
Israël
Sociale Harmonie
Mystiek van de Arbeid

ZWAARTEKRACHT EN GENADE
Alle natuurlijke bewegingen van de ziel worden geregeerd door wetten, die analoog zijn aan die van de zwaartekracht. Alleen de genade maakt een uitzondering.
Steeds moet verwacht worden, dat de dingen gebeuren volgens de zwaartekracht,  behalve in het geval van bovennatuurlijke tussenkomst.
Twee krachten regeren het heelal: licht en zwaartekracht.
Zwaartekracht. -In het algemeen gezien, wordt, wat wij van anderen verwachten, bepaald door de effecten van de zwaartekracht in ons; wat wij van hen ontvangen wordt bepaald door het effect van de zwaartekracht in hen. Soms valt dit toevallig samen, dikwijls niet.
Hoe komt het, dat, zodra een menselijk wezen te kennen geeft, dat hij in mindere of meerdere mate een ander nodig heeft, deze laatste zich terugtrekt ? Zwaartekracht.
Lear is de tragedie van de zwaartekracht. Alles wat laagheid genoemd wordt is een verschijnsel van de zwaartekracht. De term zelf, « laagheid » geeft dit trouwens aan.
Het object van een handeling en het niveau van de energie, nodig om haar te volvoeren, zijn twee verschillende dingen. Iets moet gebeuren. Maar waar de energie vandaan te halen? Een goede daad kan op lager niveau terecht komen, als er op het juiste niveau geen energie beschikbaar is.
Het lage en het oppervlakkige bevinden zich op hetzelfde niveau. Men kan zeggen: iemand bemint heftig, maar zijn liefde is van lage orde. « Hij bemint diep, maar op laag niveau », kan niet gezegd worden.
Als het waar is, dat eenzelfde smart heel wat gemakkelijker te dragen is om een reden van hoger orde, dan om een van lager (mensen, die tijdens de oorlog van één tot acht uur lang onbeweeglijk in de rij bleven staan om één ei te bemachtigen, zouden zoiets nauwelijks doen, als het om de redding van een mensenleven ging) , dan is misschien een deugd van lager soort in zekere opzichten beter bestand tegen moeilijkheden, bekoringen en ongelukken, dan een hogere deugd. Voorbeeld: Napoleons soldaten.
Daar komt het toepassen van wreedheid uit voort, waarmee de moraal van de soldaat op peil gehouden of weer op peil gebracht wordt. Iets om niet te vergeten in verband met het tekortschieten. Dat is een bijzonder geval van de wet, die gewoonlijk het geweld plaatst aan de zijde van daden van laagheid. De zwaartekracht is er als het ware een symbool van.
Rijen, wachtend voor een kruideniers- of slagerszaak. Eenzelfde daad is gemakkelijker, als het motief van lager orde is, dan wanneer het een hoger doel betreft. In motieven van lager orde schuilt meer energie dan in die van verhevener orde. Het probleem is dus: hoe energie, ontnomen uit lagere motieven, over te dragen op die van hoger orde?
Ik moet niet vergeten, dat ik op bepaalde ogenblikken van mijn hoofdpijnaanvallen, als de crisis kwam, één heftig verlangen .bezat om een ander menselijk wezen te laten lijden, door het precies op dezelfde plaats van het hoofd te slaan, waar ik leed; Gelijksoortige verlangens komen veelvuldig bij mensen voor. In die toestand ben ik dikwijls bezweken voor de begeerte om althans woorden te zeggen, die verwonden. Dit was gehoorzamen aan de wetten van de zwaartekracht. En dat is de grootste zonde. De functie van het gesproken woord, die immers geen andere is dan de uitdrukking van het verband der dingen wordt daardoor bedorven.
Houding van iemand, die smeekt: noodzakelijkerwijze moet ik mij tot iets anders dan mijzelf keren, waar het er immers om gaat van mijzelf verlost te worden. Ik moet die bevrijding niet uit eigen kracht trachten te bereiken. Dat zou hetzelfde zijn, als wat een koe doet, die aan de kluister trekt en daardoor op haar knieën valt. Op die wijze maakt men in zich energie los, op gewelddadige wijze, die er nog meer van verlaagt. Een soort compensatie in de zin van de thermodynamica, waaruit men alleen verlost kan worden van bovenaf.
De bron van morele energie bevindt zich ‘buiten de mens, precies als die van fysieke energie (voedsel, ademhaling). Meestal vindt hij die bron ook, en zo heeft hij de indruk –precies als in fysieke aangelegenheden -dat het principe van zijn instandhouding zich in hem zelf bevindt. Het gemis alleen doet de behoefte gevoelen. En, in geval van ontbering, kan de mens zichzelf niet weerhouden, zich te keren naar alles, wat dan ook, dat eetbaar is. Daarentegen bestaat maar één middel: chlorophyl, dat iemand in staat stelt, zich met licht te voeden.
Dus geen oordeel uitspreken. Alle fouten bevinden zich op hetzelfde niveau. Er is maar één fout: het niet bezitten van de eigenschap om zich met licht te voeden. Daar die eigenschap vernietigd is, zijn alle fouten mogelijk.
« Mijn voedsel is de wil te doen van Hem, die mij gezonden heeft ». Er bestaat geen ander goed, buiten deze eigenschap.
Neerkomen in een beweging, waarbij de zwaartekracht geen enkele rol speelt. De zwaartekracht drukt naar beneden, een vleugel verheft: welke vleugel-in-de-tweede macht kan neer laten komen zonder de zwaartekracht?
De schepping is gemaakt uit een neerdrukkende beweging van de zwaartekracht, een omhoogstuwende beweging van de genade en de neergaande beweging van de genade in de tweede macht.
De genade is de wet van de neerdalende beweging.
Zich vernederen betekent: stijgen ten opzichte van de morele zwaartekracht. De morele zwaartekracht laat ons naar boven vallen. Een té groot ongeluk brengt een mens beneden het peil van het medelijden: walging, afgrijzen – en verachting. Medelijden daalt tot een zeker niveau, daarbeneden niet meer. Hoe legt de liefde het aan, om nog lager te dalen? Hebben degenen, die zo laag gevallen zijn, misschien medelijden met zichzelf?
LEEGTE EN COMPENSATIE
Menselijke reactie: iedereen, die lijdt, tracht zijn smart aan een ander mede te delen -hetzij door een ander pijn te doen, hetzij door medelijden te wekken – met het doel, zijn eigen pijn te verminderen. En op die wijze slaagt hij er ook in, zijn smart te verminderen. Wie geheel beneden is, wie door niemand beklaagd wordt en geen mogelijkheid heeft, iemand te mishandelen (als hij geen kind heeft of iemand, die hij liefheeft), diens smart blijft in hem en vergiftigt hem. Dat is even onverbiddellijk als de wet van de zwaartekracht. Hoe kan iemand zich daarvan verlossen ? Hoe kan iemand zich trouwens bevrijden van iets, dat gelijk de zwaartekracht is?
Die neiging om het kwaad rond zich te verspreiden : ik heb haar nog steeds! Wezens en dingen zijn mij nog niet voldoende heilig. God geve, dat ik niets bezoedelen kan, als ik eenmaal geheel tot slijk geworden ben. Ik mag niets bevuilen, zelfs niet in gedachte.  Immers, zelfs in mijn ergste ogenblikken zou ik nog geen Grieks beeld of een fresco van Giotti vernielen. Waarom dan wél iets anders? Bijvoorbeeld een ogenblik in een menselijk leven, dat een gelukkig ogenblik zou kunnen zijn?
Het is onmogelijk, het kwaad te vergeven, als dit kwaad ons omlaag getrokken heeft. Wij dienen te overwegen, dat het ons niét omlaag getrokken heeft, maar slechts ons ware niveau aan de dag heeft gebracht.
Eigenlijk komt dit er op neer, dat men anderen wil zien lijden, wat men zélf lijdt. Behalve in tijden van sociale onzekerheid, richt de wrok van ellendigen zich dan ook op hunsgelijken.
Dat is dus een factor voor sociale stabiliteit.
De neiging om het lijden buiten zichzelf te verbreiden. En als iemand, uit overdreven zwakheid, geen medelijden weet op te wekken of geen kwaad aan anderen kan doen, dan doet hij kwaad aan wat in hem het heelal vertegenwoordigt. Alles, wat goed en mooi is,  wordt dan tot een belediging.
Kwaaddoen aan anderen betekent: iets van hen terugkrijgen. Wat? Wat wint men (en wat zal dus terugbetaald moeten worden!) als men kwaad aan anderen berokkent ? Wel, er is iets bijgekomen in ons. Wij worden ruimer. Een leegte is opgevuld in ons, doordat wij die leegte bij anderen geschapen hebben. Straffeloos kwaad doen aan een ander -bijvoorbeeld door zijn woede te koelen op een ondergeschikte, terwijl deze laatste verplicht is, te zwijgen – betekent, dat men zichzelf een verspilling van energie bespaart, die deze andere op zich neemt. Ditzelfde geldt voor ieder voldoen van welk ongeoorloofd verlangen ook. Maar die, aldus bespaarde, energie wordt onmiddellijk gedegradeerd.
Vergeven: het is niet mogelijk. Wanneer iemand ons kwaad berokkend heeft, ontstaan er in ons reacties. Het verlangen naar wraak is essentieel het begerig zoeken naar herstel van even wicht. Dit zoeken naar evenwicht dien! op een ander plan gebracht te worden. Wij moeten door onszelf heen, naar dié limiet komen. Daar raken wij de leegte aan (Help jezelf, dan zal de hemel je helpen…)
Mijn hoofdpijn. In die ogenblikken lijd ik minder, als ik mijn pijn in het universum werp, maar dan in een veranderd universum; eenmaal op zijn plaats gebracht, wordt die pijn heviger, maar er is iets in mij, dat géén pijn lijdt en dat in contact blijft met een ongeschonden universum. Op dezelfde wijze moet met de hartstochten gehandeld worden. Die moeten omlaag gebracht worden naar een punt, waar wij er onze belangstelling voor kunnen verliezen. Ze moeten speciaal als onze pijnen behandeld worden, door hen dus te verhinderen, in contact te komen met de dingen.
Het zoeken naar het evenwicht is slecht, omdat dit ingebeeld is. De wraakneming bijvoorbeeld: zelfs als men in feite zijn vijand doodt of kwelt, dan is dat, in zekere zin, ingebeeld.
Een man leeft voor zijn volk, zijn gezin, zijn vrienden, of om zich te verrijken, om zijn maatschappelijke positie te verbeteren. Er komt een oorlog en hij wordt als slaaf weggevoerd. Vanaf dit ogenblik en voor altijd, moet hij gaan tot de uiterste limiet van zijn krachten, alléén om te kunnen blijven bestaan Dat is afschuwelijk, onmogelijk, en daarom doemt voor zijn geest geen enkel, nog zo miserabel doeleind op, of hij klampt er zich aan vast, al was het alleen maar door er voor te zorgen, dat de slaaf aan zijn zijde gestraft wordt. Hij heeft geen keuze meer in zijn doeleinden. Willekeurig welk betekent voor hem een tak, waaraan hij zich vastgrijpt om niet te verdrinken.
Geen verleden en geen toekomst bleef er meer over voor hen, wier staat verwoest was en die in de slavernij gevoerd waren: waarmee konden zij nog hun geest vullen ? Leugens van de laagste soort, de meest ellendige begeerlijkheden, bereid om de kruisdood te riskeren door een kip te stelen, en dat gemakkelijker, dan zij voordien de dood aanvaard zouden hebben bij de verdedigingsstrijd voor hun stad. Zéker zelfs, want anders waren die afschuwelijke doodstraffen niet nodig geweest. ..Of zij zouden de leegte in hun geest moeten kunnen verdragen. Om de kracht te bezitten, het ongeluk onder ogen te zien, wanneer men ongelukkig is, is het bovennatuurlijk brood nodig.
Het mechanisme, waardoor een àl te ondraaglijke toestand op lager niveau komt, bestaat daaruit, dat de door hogere gevoelens geleverde energie, in het algemeen, beperkt is; als de situatie vereist, dat men deze begrenzing overschrijdt, is men gedwongen zijn toevlucht te nemen tot gevoelens van lager orde ( angst, begeerlijkheid, record-lust, eerbewijzen van buiten ) , die rijker bronnen van energie vormen. Die begrenzing is oorzaak van vele omkeringen.
Dat is de tragedie van degenen, die zich, uit liefde voor het goede op een weg begeven hebben, waar hun lijden wacht, en die dan na zekere tijd aan het einde komen van hun krachten. Zij glijden omlaag.
Er ligt een steen op de weg. Men moet zich op die steen werpen, zo, alsof vanaf een zeker punt van intensiteit van het verlangen die steen niet eens meer bestaat. Of: weggaan, alsof men zelf niet meer bestond. In het verlangen ligt iets van het absolute opgesloten; en als het zijn doel niet bereikt, (als eenmaal de energie uitgeput is) , dan wordt dat absolute op de hinderpaal overgedragen. Dat is de zieletoestand van overwonnenen en onderdrukten.
Wij dienen te begrijpen, dat er in ieder ding een limiet bestaat, die wij niet zonder bovennatuurlijke steun kunnen overschrijden (of althans niet heel ver) en die daarop betaald moet worden met een vreselijke vernedering.
De energie, die vrij gekomen is, na het verdwijnen van de objecten, die motieven vormden, streeft er steeds naar, omlaag te gaan Gevoelens van lager orde, ( afgunst, wrok) , zijn gedegradeerde energie.
Iedere vorm van beloning is een degradatie van energie.
Het gevoel van tevredenheid met zich zelf, na het stellen van een goede daad, (of het voltooien van een kunstwerk), is een degradatie van een hoger soort energie. Daarom dient de rechterhand niet te weten. ..
Een louter ingebeelde beloning, (een glimlach van Lodewijk XIV) is het nauwkeurige equivalent van wat men ingezet heeft, want zij heeft inderdaad precies de waarde van de bestede kracht – in tegenstelling tot wérkelijke beloningen, die als zodanig, altijd boven of onder die waarde blijven. Alleen ingebeelde voordelen dan ook leveren de energie om ongelimiteerde krachtsinspanningen te verrichten. Maar dan moet Lodewijk XIV ook wérkelijk glimlachen: als hij dat niet doet, is dat een onuitsprekelijk zware ontzegging. Een koning kan alleen maar beloningen uitdelen, die meestentijds imaginair zijn, of anders zou hij spoedig insolvent zijn. Op zeker niveau bestaat daarvoor in de godsdienst een equivalent. Bij gebrek aan de glimlach van Lodewijk XIV, zoekt men zichzelf een God te fabriceren, die ons toelacht. Of men prijst zichzelf. Een gelijkwaardige beloning is onontbeerlijk. Onvermijdelijk als de zwaartekracht.
Een geliefd wezen, dat mij een teleurstelling bezorgt. Ik heb hem geschreven, en het is ondenkbaar, dat hij mij niet als antwoord stuurt, wat ik al tot mijzelf in zijn naam gezegd heb. De mensen zijn ons verschuldigd, wat wij ons inbeelden, dat zij ons zullen geven. Die schuld moeten we hun vergeven. Wij moeten aanvaarden, dat zij anders zijn dan de schepselen van onze verbeelding; dat is een nabootsing van Gods manier van afstand doen. Ikzelf ben immers ook anders dan ik mij verbeeld te zijn. Dit te weten komt neer op vergeven.
DE LEEGTE AANVAARDEN
« Volgens overlevering geloven wij, wat betreft de goden, en naar onze ervaring weten wij, wat de mensen betreft, dat zij natuurnood zakelijk alle macht uitoefenen, waarover zij beschikken » (Thucydides) .Zoals een gas, streeft de ziel ernaar, de gehele ruimte, die haar gegeven wordt, op te vullen. Als een gas zich samen zou trekken en ergens een leegte zou laten, dan zou dit in tegenspraak zijn met de wet van de entropie. Zo is het niet met de God der christenen, die een bovennatuurlijke God is, terwijl Jehovah een  natuurlijke God is. Het betekent de leegte aanvaarden, als iemand niet de gehele macht, waarover hij beschikt, uitoefent. Dat is in tegenspraak met alle natuurwetten: alleen de genade is er toe in staat. De genade vult volledig op, maar zij kan slechts daar binnendringen, waar er ruimte gemaakt is om haar te ontvangen. En zij maakt bovendien die ruimte.
De noodzaak van een beloning, die het equivalent is van wat men geeft. Maar als men die noodzaak geweld aandoet, blijft er een ruimte en er ontstaat een soort aanzuiging van lucht: dan komt de bovennatuurlijke beloning. Zij komt echter niet, als men al een andere vorm van compensatie ontvangen heeft: die leegte laat haar komen. Hetzelfde geldt voor de kwijting van schulden ( en dat betreft niet slechts het kwaad, dat anderen ons aangedaan hebben, maar ook het goede, dat men hun doet). Ook daarbij aanvaardt men het ontstaan van een leegte. De leegte aanvaarden in zichzelf is iets bovennatuurlijks. Waar de kracht te vinden voor een daad, waartegenover geen compensatie bestaat?
Die energie moet dus van elders komen. Maar voordien is een zelfonthechting nodig, iets wanhopigs, voordat dit vacuüm ontstaan kan. Leegte: diep-donkere nacht. Bewondering, mededogen ( en vooral die beide tezamen) leveren werkelijk energie op. Maar men dient zich die te kunnen ontzeggen. Gedurende enige tijd moet men zonder énige beloning blijven; of die nu van natuurlijke of bovennatuurlijke aard is.
Men dient zich een voorstelling van de wereld te maken, waarin een leegte bestaat; opdat de wereld God van node heeft. En dat vooronderstelt het kwaad, De waarheid beminnen betekent de leegte verdragen, en dus, de dood aanvaarden. De waarheid staat aan de kant van de dood.
De mens kan slechts voor de duur van een bliksemflits aan de wetten van deze wereld ontsnappen. Dat zijn ogenblikken van stilstand, van contemplatie, van pure intuïtie, van het geestelijk vacuüm, en van aanvaarding van het morele vacuüm. In die ogenblikken is hij in staat tot het bovennatuurlijke En wie een ogenblik van leegte verdraagt, ontvangt het bovennatuurlijke brood, of valt. Dit is een verschrikkelijk risico, maar men dient het te lopen, en zelfs, gedurende enige tijd, zonder enige hoop. Maar men dient er zich niet in te werpen. ..
ONTHECHTING
Ongeluk alleen is niet voldoende om volledige onthechting te bereiken. Het dient een ongeluk zonder enige vertroosting te zijn. Er mag geen troost zijn, tenminste geen voorstelbare troost. Dan daalt de onuitsprekelijke vertroosting uit den hoge.
Schulden betalen. Het verleden aanvaarden, zonder aan de toekomst een tegenwaarde te vragen. De tijd stopzetten op dit ogenblik. Dat is tevens aanvaarding van de dood.
« Hij heeft zich van zijn godheid ontdaan ». Wij moeten ons van de wereld ontdoen. Weer De natuur van een slaaf omdoen. En onszelf beperken en terugbrengen tot het punt alleen, dat wij in ruimte en tijd innemen. Dat wil zeggen: tot niets. Wij moeten ons bevrijden van het schijn-koningschap van deze wereld. Volledige eenzaamheid. Dan bezit men de waarheid van de wereld.
Er zijn twee manieren om afstand te doen van materiële goederen: Er zich van te beroven, met het oog op een geestelijk goed. Ze op te vatten en te zien als voorwaarden of vormen van geestelijke goederen (voorbeeld : honger, vermoeidheid en vernedering verduisteren het verstand en hinderen de meditatie) en er desondanks van afzien. Deze laatste soort onthechting is slechts de enige mogelijkheid tot volkomen zielenaaktheid.
Meer nog: materiële goederen zouden nauwelijks gevaarlijk zijn, als zij zich alleen, en niet gebonden aan geestelijke goederen zouden vertonen. Afzien dus van alles, wat niet genade is, en de genade niet begeren.
De uitdoving van de begeerte (boeddhisme) – ofwel: onthechting -of ook amor fati – of het verlangen naar het absolute goed, dat zijn alles dezelfde dingen: de begeerte leegmaken, het streven van zijn inhoud ledigen, in de leegte, wensloos begeren. Onze begeerte losmaken van alle goederen en wachten. De ervaring bewijst, dat dit wachten vervuld wordt. Dan raken wij het absolute goed.
In alles trouwens moeten wij boven en buiten het speciale object wat dit ook zij, de leegte willen, léég-willen. Want het goed wat wij ons niet kunnen voorstellen noch omschrijven of bepalen, is inderdaad een leegte voor ons. Maar die leegte is voller dan alle volten. Als iemand zover gekomen is, dan is de zaak gered, want God vult de leegte. Dit is geenszins een verstandelijk proces, in de zin, zoals wij dat thans verstaan. Het verstand heeft daarbij niets te zoeken, het dient om op te ruimen. Het dient alleen om ondergeschikte taken te verrichten. Het goede is voor ons een Niets, omdat geen enkel ding goed is. Maar dat Niets is niet onwerkelijk. Alles wat bestaat is, in vergelijking met dat niets, irreëel.
Alle soorten van geloof, die deze leegten moeten opvullen, en die de bitterheid kunnen verzachten, dienen verwijderd te worden. Bijvoorbeeld het geloof aan de onsterfelijkheid. Of dat van het nut der zonden: etiam peccata. Of het geloof in de voorzienigheid bij alles wat gebeurt -kortom, al die «vertroostingen », die men gewoonlijk zoekt in de godsdienst.
Wij moeten God liefhebben, dwars door de verwoesting van Troje en Carthago heen en zonder naar vertroosting te streven. Liefde is geen vertroosting, maar licht.
Onze gehechtheid maakt de realiteit van de wereld uit. Het is de werkelijkheid van het ik, die wij op de dingen overdragen. Maar het is in het geheel niet de werkelijkheid buiten ons. Deze laatste is alleen waarneembaar door totale onthechting. Al bleef er nog maar één enkele draad over, dan zou er nog sprake van gehechtheid zijn.
Het ongeluk, dat er toe leidt, onze gehechtheid te richten op zaken zonder waarde, legt het nietswaardig karakter van de gehechtheid bloot. “” En daaruit blijkt duidelijk de noodzakelijkheid ! van de onthechting.
De gehechtheid fabriceert illusies, en wie werkelijk streeft naar de realiteit moet onthecht zijn. Zodra men weet, dat iets werkelijk is, kan men er niet meer aan gehecht blijven. Gehechtheid is niets anders dan: ontoereikendheid in het voelen van de werkelijkheid. Wij zijn gehecht aan het bezit van een ding, omdat wij geloven, dat het zal ophouden te Bestaan, zodra wij het niet meer bezitten. Heel veel mensen voelen t niet met hun ganse ziel aan, dat er een enorm verschil is tussen de verdelging van een stad en hun onverbiddelijke verbanning buiten die stad.
De menselijke ellende zou ondragelijk zijn, als zij niet langzaam in de tijd vervloeide en oploste. Wat wij dienen te vermijden is, dat zij zich oplost; opdat zij ondraaglijk worde. « En toen zij zich met tranen verzadigd hadden » (Ilias) : dat is nóg een manier om het ergste lijden dragelijk te maken. Wij moeten niet schreien; om niet getroost te worden.
Een smart, die ons niet onthecht, is een vruchteloze smart. Er bestaat niets afschuwelijkers, het is als een kille woestenij, een in elkaar gewrongen ziel. Ovidius. Of de slaven bij Pilatus.
Wij moeten nooit denken aan een ding of aan een wezen, dat wij liefhebben, zonder de mogelijkheid te overwegen, dat zulk een ding of wezen wellicht vernietigd of dood is. En die gedachte moet het gevoel van de werkelijkheid niet oplossen, maar het integendeel veel intenser maken.
En telkens als wij de woorden uitspreken: « Dat Uw wil geschiede » moeten wij ons alle mogelijke ongelukken tezamen voorstellen.
Er bestaan twee manieren om zichzelf te doden: zelfmoord en onthechting. Door denken dient men alles te doden, waarvan men houdt: dat is de enige manier van sterven Maar alléén dat, waarvan men houdt (Wie zijn vader, of zijn moeder niet haat… Maar: hebt uw vijanden lief. ..) Ook mogen wij niet wensen, dat, wat wij liefhebben, onsterfelijk zij. Een menselijk wezen wie hij ook zij, moeten wij ons noch onsterfelijk noch dood wensen.
Uit verlangen naar zijn schat, berooft de gierigaard zich ervan. Als men al zijn bezittingen
kan plaatsen in iets, wat in de aarde begraven is, waarom dan niet in God ? Maar als God voor ons even betekenisvol geworden is, als de schat voor de vrek, dan dienen wij ons voortdurend te herhalen, dat hij niet bestaat. Wij moeten voelen van hem te houden, zelfs als hij niet bestaat. Hij maakt gebruik van de nachtelijke duisternis,
om zich terug te trekken, opdat hij niet bemind wordt, zoals een vrek zijn schat bemint.
Electra beweent de dode Orestes. Als wij God liefhebben, overwegende, dat hij niet bestaat, dan zal hij zijn bestaan openbaren.
DE VERBEELDING, DIE OPVULT
De inbeelding werkt er voortdurend aan om alle spleten op te vullen, waardoor de genade zou kunnen binnendringen. Iedere leegte, die niet aanvaard is, brengt haat voort, bitterheid en wrok. Het kwade, dat men toewenst aan wat men haat, en wat men zich voorstelt, herstelt het evenwicht.
De miliciens uit het « Spaans testament », die overwinningen verzonnen om de dood te kunnen verdragen, zijn een goed voorbeeld van de inbeelding, die de leegte moet opvullen. Ofschoon de overwinning geen enkele winst oplevert, verdraagt men gemakkelijker te sterven voor een zaak, die de overwinning behaalt, dan voor een, die de nederlaag lijdt, Voor iets, wat iedere krachtsuiting volkomen ontbeert, zou dit
bovenmenselijk zijn (de leerlingen van Christus) De gedachte aan de dood roept een tegenwicht op. Maar, uitgezonderd als dat tegenwicht de genade is, kan het slechts leugen zijn.
De verbeelding, die de leegte moet opvullen, is essentieel leugenachtig. Zij sluit de derde dimensie uit, want alleen werkelijk bestaande dingen bevinden zich in alle drie dimensies.
Veelzijdige bindingen sluit zij uit. Laten wij trachten, een bepaling te vinden voor de dingen, die zich wel werkelijk voordoen, maar die in zekere zin alleen verbeelding zijn. Oorlog. Misdaden. Wraakoefeningen. Alleruiterst ongeluk. In Spanje hadden die misdaden inderdaad plaats. En toch leken zij op louter opschepperij. Het zijn namelijk realiteiten, die niet meer dimensies hebben dan een droom. In het boze, precies als in de droom, zijn er geen verschillende interpretaties, lezingen mogelijk.  Vandaar de eenvoud bij misdadigers. Platte misdaden, van beide kanten trouwens – net als dromen: aan de kant van de beul, zowel als aan die van het slachtoffer. Bestaat er iets afgrijselijkers dan te sterven in een nachtmerrie?
Compensatie. Marius droomde van een toekomstige wraak. Napoleon dacht aan het nageslacht. Wilhelm II wilde een kopje thee. Zijn verbeelding was niet voldoende vastgehaakt aan de macht om jaren te kunnen duren: zij keerde zich naar een kopje thee.
Verering van de groten door het volk in de XVlle eeuw (La Bruyêre) .Dat was het effect, een van de effecten, van de verbeelding, die de leegten opvult. Een effect, dat verdwenen is, sinds het geld ervoor in de plaats gekomen is. Beide zijn het effecten van lager orde, maar het meest nog het geld.
Als de leegte-opvullende verbeelding geremd wordt, ontstaat er, in welke situatie dan ook, de leegte ( armen van geest). En in welke situatie dan ook ( maar: ten koste van welke verlaging, in bepaalde situaties! ) kan de verbeelding de leegte opvullen. Zo kunnen dooisnee wezens gevangenen, slaven, prostituées zijn en ieder lijden doormaken zonder zelfloutering.
Voortdurend dus in onszelf het werk van de leegten-vullende verbeelding tegengaan. Als wij welke leegte dan ook aanvaarden, welke slag van het noodlot kan ons dan verhinderen, het universum lief te hebben  Want wij zijn er dan zeker van, dat, wat er ook gebeure, het universum vol is.
AFZIEN VAN DE TIJD
De tijd is een afbeelding van de eeuwigheid, maar ook een Ersatz van de eeuwigheid.
De vrek, die men van zijn schat berooft. Dat is als een bevroren verleden, dat van hem weggenomen wordt. Verleden en toekomst: de enige rijkdommen van de mens.
De toekomst is een opvuller van leegten. Soms vervult het verleden die rol ook ( ik was, ik heb gedaan. ..) .In andere gevallen maakt het ongeluk de gedachte aan het geluk onverdraaglijk; het berooft de ongelukkige van zijn verleden (nessun maggior dolore…)
Verleden en toekomst dwarsbomen het heilzame effect van het ongeluk, door een ongelimiteerde ruimte voor ingebeelde zelfverheffing te leveren. Daarom is het afzien van het verleden en van de toekomst de voornaamste van alle ontzeggingen.
Het tegenwoordige ruimt geen plaats in aan finaliteit. De toekomst evenmin, want die is alleen maar, wat eens het nu zal zijn. Maar dat weet men niet. Als wij de punt van dat verlangen in ons, dat met finaliteit correspondeert, op het huidige overdragen, dan steekt zij er doorheen tot aan het eeuwige. Dat is de manier om gebruik van de wanhoop te maken, die ons van de toekomst afkeert.
Wanneer wij teleurgesteld worden door een plezier, dat wij verwachtten en dat komt; dan is de oorzaak van die teleurstelling, dat men op toekomst wachtte. Als die dan eenmaal daar is, dan is die het tegenwoordige geworden. Het zou zo moeten zijn, dat de toekomst nu zou kunnen zijn, zonder op te houden toekomst te zijn. Dat is een waanzin, waarvan alleen de eeuwigheid ons genezen kan.
Tijd en spelonk. Uit die rotsspelonk te voorschijn treden, er los van komen, komt neer op: zich niet meer naar de toekomst oriënteren.
Nog een wijze van loutering: God bidden, niet alleen in het geheim, in verband met mensen, maar met de gedachte, dat God niet bestaat. Piëteit ten opzichte van de doden: alles doen voor wat niet bestaat. De smart, die wij ondergaan ,bij de dood van anderen, is juist die smart, die wij ervaren door de leegte, de verstoring van het evenwicht. Inspanning, die voortaan geen effect meer heeft, dus zonder enige beloning. Als de verbeelding daarvoor inspringen moet, betekent dat een verlaging. « Laat de doden hun doden begraven ». En is onze eigen dood niet precies hetzelfde? Object en beloning zijn in de toekomst. Beroving van die toekomst, leegte en evenwichtstoring. Daarom is wijsbegeerte beoefenen : leren sterven. En daarom ook is « bidden gelijk doodgaan ».
Als smart en uitputting aan het punt gekomen zijn, waarop zij, in de ziel, het gevoel van voortduring verwekken, en als wij die duur met onderwerping en liefde beschouwen, dan komt men werkelijk los voor de eeuwigheid.
WENSEN ZONDER OBJECT
De loutering betekent: de scheiding tussen het goéde en de begeerlijkheid, Neerdalen tot aan de bron van de verlangens, om energie te ontnemen aan hun object. Daar worden de wensen pas echt, in zoverre zij energie zijn. Het object alleen is vals. Maar het betekent een onzegbaar wreed gevoel van losscheuring in de ziel, die scheiding tussen wens et1 object van wens, Als iemand in zichzelf daalt, dan ziet hij, dat hij precies al datgene bezit, wat hij verlangt. Als iemand een bepaald wezen (dood wezen!), verlangt, dan verlangt hij een speciaal, beperkt wezen ; dat is dus noodzakelijk een sterfelijk wezen. Men verlangt naar dat speciale wezen, dat wezen, dat…, kortom, een wezen, dat op die dag en op dat uur gestorven is. En dan bezit men het. ..dood. Als iemand geld wenst, dan verlangt hij een instelling, centen, of francs, dus iets, dat alleen maar verkregen kan worden in bepaalde omstandigheden, onder deze of gene voorwaarde. Dus verlangt hij ernaar in de mate, dat. ..Wel, in dié mate, heeft hij het al. .. Lijden, leegte zijn, in die gevallen, bestaanswijzen van de verlangens-objecten. Wij hebben de sluier van de onwerkelijkheid maar van hen weg te schuiven om te zien, dat zij ons op die manier al gegeven zijn.
Als wij dat zien, lijden wij nog wel, maar wij zijn gelukkig.
Te weten komen, maar dan precies, wat de vrek verloren heeft, wien zijn schat ontstolen is, zou ons veel leren. Lauzun en zijn taak als kapitein der musketiers. Hij wilde liever gevangen zijn én kapitein der musketiers, dan vrij en géén kapitein. Dat zijn kleren. « Zij waren beschaamd over hun naaktheid ».
Iemand verliezen : wij lijden erdoor, dat de dode of de afwezige iets onwaarachtigs en iets ingebeelds geworden is. Maar het verlangen, dat wij naar hen hebben is verre van ingebeeld. Dus moeten wij afdalen in onszelf, tot daar, waar het verlangen heerst, dat niét ingebeeld is. Als voorbeeld: honger. Men beeldt zich allerlei voedsel in, maar de honger zélf is reëel: zich dus die honger bewustworden. De tegenwoordigheid van een dode is verbeelding, maar zijn afwezigheid is zeer reëel; voortaan is dat zijn enige manier van verschijning.
Wij moeten de leegte niet zoéken, want dat zou God op de proef stellen zijn; door, namelijk, te tekenen op het bovennatuurlijk brood, dat die leegte moet opvullen. Maar wij moeten er ook niet voor op de vlucht gaan.
De leegte is de hoogste volheid, maar de mens heeft niet het recht, dit te weten. Het bewijs daarvan is, dat Christus zélf het volkomen niét-geweten heeft, op een bepaald ogenblik. Een deel van mijn ik moet het weten, maar de andere delen niet, want als zij het op hun manier van lagere aard zouden weten, dan bestond er geen leegte meer .
Christus heeft heel de menselijke ellende gehad, behalve de zonde. Maar hij heeft alles gehad, wat de mens tot de zonde in staat stelt. Wat de mens tot dit laatste in staat stelt, is de leegte. Al de zonden zijn een poging om die leegte op te vullen. Zo is dus mijn leven, vol bezoedeling, dicht bij het zijne, dat puur was; en dat geldt ook voor levens, die veel veiler zijn. Hoe laag ik ook zou vallen, veel zou ik me niet van hem verwijderen. Maar dat zou ik mij niet meer bewust zijn, als ik viel.
Handdruk van een vriend, die ik lang niet meer gezien heb. Ik kan niet eens meer voelen, of dit een plezier of een pijn is voor de tastzin: zoals een blinde onmiddellijk de voorwerpen aanvoelt aan het eind van zijn stok, zo voel ik me onmiddellijk in tegenwoordigheid van die vriend. Hetzelfde tussen alle omstandigheden van het leven, welke dan ook, en God. Dat sluit in, dat wij nooit naar een troost in de smart moeten zoeken. Want de gelukzaligheid ligt buiten het domein van de vertroosting en van het lijden. Zij wordt met een ander zintuig waargenomen, zoals ook het voelen van voorwerpen met het einde van een stok iets anders is dan het eigenlijke aanraken. Die andere zin wordt gevormd door het verplaatsen van de aandacht door middel van een leerschool, waar heel de ziel en heel het lichaam aan deelnemen. Daarom staat in het Evangelie: « Ik zeg u, dat deze hun loon ontvangen hebben.» Er moet geen compensatie zijn. De leegte in het zintuiglijk voelbare brengt ons buiten de grenzen van dit laatste.
De verloochening door Petrus. Alleen al door aan Christus te zeggen: ik zal u trouw blijven, verloochende hij hem reeds, want daarmee ging hij van de veronderstelling uit, dat de bron van de trouw zich in hemzelf en niet in de genade bevond. Daar hij een uitverkorene was, is die verloochening gelukkig openbaar geworden, aan ons allen en aan hem. Maar bij hoeveel mensen worden dergelijke verwaandheden volbracht – en zij begrijpen het niet en nooit. Het was moeilijk, Christus trouw te blijven. Omdat dit een trouw in de leegte betekende. Heel wat gemakkelijker was het, Napoleon totterdood trouw te blijven. En later, ook heel wat gemakkelijker voor de martelaren om trouw te blijven, want de Kerk was er al, die een krachtcentrum vertegenwoordigde met beloften in het tijdelijke. Men sterft voor wat sterk, en niet voor wat zwak is, of in ieder geval voor wat een aureool van sterkte om zich draagt, ook al is het voor het ogenblik zwak. De trouw aan Napoleon op St. Helena was geen trouw, die in de lucht hing. Sterven voor wat kracht uitstraalt ontneemt aan het sterven zijn bitterheid. En, tegelijkertijd zijn waarde.
Een mens smekend benaderen is een wanhopige poging om in de geest van die ander, door intensiteit, ons eigen systeem van waarden over te hevelen. God smeken, is precies omgekeerd: dat is een poging om goddelijke waarden in onze eigen zielover te brengen. En wel verre van zo intens mogelijk de waarden te denken, waaraan wij gehecht zijn, is het juist innerlijk leeg-zijn.
HET IK
Wij bezitten niets in deze wereld – want het toeval kan ons alles ontnemen -behalve de macht om ik te zeggen. En dat moet dus aan God gegeven worden, dat wil zeggen, het dient vernietigd te worden. Er is ons absoluut geen enkele andere vrije wilsdaad geoorloofd, dan de vernietiging van het ik.
Offer: niemand kan iets anders offeren dan zijn ik, en alles wat daarbuiten « offer » genoemd wordt, is niets anders dan een etiket, op een revanche van het ik geplakt.
, Niets ter wereld kan ons de macht ontnemen ik te zeggen. Niets ,behalve het uiterste ongeluk. Niets is erger dan het uiterste ongeluk, dat het ik van buitenaf vernietigt, omdat men het daarna niet zelf meer kan vernietigen. Wat gebeurt er met die mensen wier ongeluk hun ik van buitenaf vernietigd heeft ? Voor hen kan men zich nog slechts de totale vernietiging voorstellen op de manier van de atheïstische of materialistische opvatting. Dat zij hun ik verloren hebben, betekent nog niet, dat zij geen egoïsme meer bezitten. Integendeel. Zeker, het gebeurt wel eens, wanneer er sprake is van een toewijding, zoals een hond die heeft. Maar in alle andere gevallen wordt het menselijk wezen teruggebracht tot de staat van naakt, vegetatief egoïsme, een egoïsme zonder ik.
In hoe geringe mate iemand ook begonnen is met het proces van de ik-vernietiging, het bewerkstelligt, dat geen ongeluk hem meer kwaad doet. Want het ik wordt niet vernietigd door een druk van buiten zonder uiterste opstandigheid. Als iemand die opstandigheid uit liefde voor God weigert, dan vindt de vernietiging van het ik niet van buiten, maar van binnen uit plaats.
De verlossende smart. Wanneer het menselijk wezen in een staat van volmaaktheid is, en wanneer hij met behulp van de genade het ik in zichzelf vernietigd heeft, en als hij dan valt in de mate van ongeluk, die voor hem overeenkomt met de vernietiging van het ik van buiten-af, dan is dat de volheid van het kruis-lijden. Het ongeluk kan in hem niet meer het ik vernietigen, omdat dit reeds geheel verdwenen is en de ruimte aan God gelaten heeft. Maar het ongeluk heeft, op het niveau van de volmaaktheid, eenzelfde effect als de vernietiging van het ik van buiten uit. En wel de afwezigheid van God. « Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten ? » Wat is dit verlaten zijn van God, die door het uiterste ongeluk in een volmaakte ziel verwekt wordt ? Wat is de waarde, die daaraan verbonden is en die men het verlossend lijden noemt ? Het verlossend lijden is datgene, waardoor het kwaad werkelijk en in zijn volheid het wezen vervult, in de mate, waarin het die kan bevatten.  Door het verlossend lijden is God tegenwoordig in het uiterste kwaad. Want Gods afwezigheid is de wijze van Gods tegenwoordigheid, die overeenstemt met het kwaad – een gevoelde afwezigheid. Immers hij, die God niet in zich heeft. kan ook zijn afwezigheid niet voelen. Dit is de zuiverheid, de perfectie, de volheid, de afgrond van het kwaad, terwijl de hel een valse afgrond is (cf. Thibon). De hel is iets oppervlakkigs. De hel is een niets, dat de pretentie heeft en de illusie verwekt van te zijn. De vernietiging van het ik uitsluitend van buitenaf is een bijna hels lijden. De vernietiging van buitenaf, waaraan de ziel zich uit liefde onderwerpt, is een uitboetend lijden. Het ontstaan van Gods afwezigheid in een ziel, die zich volkomen van zichzelf ontledigd heeft, dat is het verlossend lijden.
In het ongeluk blijft het vitale instinct bestaan; en overleeft de losgerukte gehechtheden. Het klampt zich blindelings vast aan alles, wat het tot steun kan dienen, zoals een plant zich met zijn klimspiralen vasthaakt. In die staat zijn erkentelijkheid (behalve in haar laagste vorm ) en gerechtigheid niet denkbaar. Slavernij. De aanvullende hoeveelheid energie, die als steunpunt voor de vrije wil dient, en waarmee de mens in staat is afstand te nemen, is niet meer aanwezig. Onder deze gezichtshoek is het kwaad weerzinwekkend, zoals het naakte leven altijd is: een armstomp, of het gewriemel van insecten. Een leven zonder vorm. De enige gehechtheid is nog: in leven blijven. Daar begint het uiterste kwaad, als namelijk alle gehechtheden vervangen zijn door één enkele: die van het naakte leven te willen behouden. Dit is gehechtheid in haar naaktste vorm. Geen enkel ander doel meer, dan alleen het ik. De hel. Dit is het mechanisme, waardoor niets de ongelukkigen méér aantrekt en zoeter lijkt dan het leven, zelfs als dit leven in geen enkelopzicht te verkiezen lijkt boven de dood. In die toestand de dood aanvaarden betekent totale onthechting.
Bijna-hel op aarde. De uiterste ontworteling in het ongeluk. De menselijke ongerechtigheid levert gewoonlijk geen martelaren, maar schijn-verdoemden op. Wezens, die in de hel vallen, gelijken op de man, die door dieven uitgeplunderd en bestolen is. Zij hebben hun karakteristieke kleding verloren. Het grootste lijden, dat echter nog wortels overlaat, bevindt zich nog op een oneindige afstand van de schijn-hel. Als men aan dergelijke, ontwortelde wezens diensten ‘bewijst en daarvoor in de plaats slecht behandeld wordt: ondankbaarheid, verraad; dan ondergaat men slechts een klein deel van hun ongeluk. Wij hebben de verplichting, ons daaraan bloot te stellen, in beperkte mate althans  evenals wij verplicht zijn, ons aan het ongeluk bloot te stellen. Als zich dat voordoet, moeten wij het verdragen, zoals wij het ongeluk verdragen, zonder het te willen verbinden aan bepaalde personen. Het laat zich niet eraan verbinden. Er steekt in het ongeluk iets onpersoonlijks, iets van de hel, precies als in de volmaaktheid.
Voor degenen, bij wie het ik dood is, kan men niets doen, absoluut niets. Maar wij weten nooit, of bij een bepaald menselijk wezen, dat ik inderdaad geheel afgestorven is, of slechts bewusteloos. Als het niet geheel dood is, dan kan de liefde het weer ten leven wekken als door een injectie, maar dan alleen de volmaakt zuivere liefde, zonder het geringste spoor van laatdunkendheid, want de kleinste schaduw zelfs van minachting jaagt naar de dood. Als het ik van buitenaf verwond is, dan ondervindt het eerst een gevoel van uiterste opstandigheid, van bitter verzet, zoals een dier, dat zich verweert. Maar zodra het ik half dood is, verlangt het ernaar om afgemaakt te worden en het laat zich in een staat van bewusteloosheid zinken. Als de lichtste aanraking van de liefde het dan wekt, komt dat neer op een uiterste smart, die soms toorn oproept en soms ook haat tegen degene, die deze smart verwekt heeft. Vandaar die ogenschijnlijk onverklaarbare reactie van wraak, bij tot verval geraakte wezens, tegenover hun weldoener. Het komt ook voor dat bij die weldoener geen zuivere liefde bestond. Het ik, dat door die liefde gewekt is, ontvangt terstond een nieuwe wond, geslagen door de minachting en de meest bittere, de meest gerechtvaardigde haat ontstaat dan. Maar bij degene, wiens ik volkomen afgestorven is, verwekt de liefde, die men hem betoont, niet de minste hinder. Hij laat met zich doen, precies als honden en katten, die hun voedsel krijgen, of die liefkozend en met warmte bejegend worden en, precies als honden en katten, verlangt hij naar méér. Al naar gelang, raakt hij gehecht als een hond of hij laat zich doen met het soort onverschilligheid, dat katten eigen is. Zonder de minste wroeging drinkt hij heel de energie van wie zich ook maar met hem bemoeit, op. Ongelukkigerwijze loopt ieder liefdadigheidswerk gevaar, voor het merendeel mensen tot klanten te hebben, die geen scrupules kennen en vooral mensen, wier ik gedood is.
Het ik wordt vlugger gedood, naarmate degene, die het ongeluk ondergaat, een min of meer zwak karakter, heeft. Juister uitgedrukt: het ongeluk beperkt; het ongeluk, dat het ik vernietigt, plaatst zich min of meer veraf; volgens de aard van het karakter. En hoe verder het zich plaatst, des te sterker het karakter genoemd wordt. De min of meer verwijderde ligging van deze grens is waarschijnlijk een natuurlijk verschijnsel ; zoals de aanleg voor wiskunde dat is. Degene, die trots erop is -als hij geen geloof bezit -dat hij in moeilijke omstandigheden « zich er niet onder laat krijgen », heeft waarschijnlijk even weinig reden tot hoogmoed, als de jongeman, die er trots op is, dat hij aanleg voor wiskunde heeft. En degene, die in God gelooft, loopt het gevaar van een nog grotere zelfbegoocheling, door aan de genade toe te schrijven, wat niet anders is dan een volkomen natuurlijk verschijnsel.
De angst voor het hoogste ongeluk betekent de vernietiging van buitenaf van het ik. Arnolphe, Phêdre, Lycaon. Het is volkomen juist om zich op de knieën te werpen, en om doodgewoon te sméken, wanneer de gewelddadige dood, die aankomt, het ik van buitenaf gaat doden, voordat het leven zélf vernietigd is. « Ook Niobe met haar prachtige lokken, heeft er aan gedacht om te eten. » Dit is even subliem als de sensatie van ruimte in de fresco’s van Giotto. Een vernedering, die er toe brengt om zelfs van de wanhoop af te zien.
De zonde in mij zegt « ik ». Ik ben alles. Maar dat « ik » is God. En het is geen « ik »: Het kwaad maakt het onderscheid, en verhindert, dat God aan alles gelijk is. Mijn ellende maakt dat ik ik ben. De ellende van het universum maakt dat, in zekere zin, God een ik is ( dat wil zeggen, een persoon).
De Farizeeën waren lieden) die op hun eigen kracht bouwden, om deugdzaam te zijn.
De nederigheid bestaat daarin, dat men wéét  dat wat « ik » genoemd wordt geen enkele bron van energie bevat, die ons veroorlooft ons te verheffen. Alles wat er in mij van waarde woont, komt zonder één uitzondering van elders dan van mij zelf, niet als een geschenk, maar op de manier van een lening, die steeds vernieuwd moet worden.
Alles wat in mij is, bezit, zonder één enkele uitzondering” géén waarde; en alles wat ik mij toeeigen uit de van elders komende geschenken, verliest onmiddellijk zijn waarde.
, De volmaakte vreugde sluit het gevoel-zelf van vreugde uit, want in de ziel, die door het object vervuld wordt, is er geen hoekje meer beschikbaar voor het « ik ». Het is echter moeilijk zich dergelijke vreugden voor te stellen; vandaar dat iedere stimulans om ze te zoeken ontbreekt.
ONTSCHEPPING
Ontschepping: v ah het geschapene in het ongeschapene over laten gaan.
Vernietiging : van het geschapene in het niet over laten gaan. Schuldig Ersatz van de ontschepping.
De schepping is een daad van liefde en zij is eeuwig. Op ieder ogenblik is ons bestaan : liefde van God voor ons. Maar God kan alleen zichzelf liefhebben. Zijn liefde voor ons is liefde voor zichzelf dóór ons. Zo heeft Hij, die ons het zijn schenkt, in ons de bereidheid tot niet-zijn lief. Ons bestaan is slechts gemaakt uit zijn afwachten en onze bereidheid tot niet-zijn. Eeuwig bedelt hij van ons het bestaan af, dat hij ons gegeven heeft. Hij geeft het ons, om het ons af te bedelen.
De onwrikbare noodzaak, de ellende, de wanhoop, het verpletterend gewicht van de behoefte en het werk, dat uitput, wreedheid, martelingen, gewelddadige dood, onderdrukking, terreur, ziekten -dat alles is goddelijke liefde. Uit liefde voor ons trekt God zich van ons terug, opdat wij hem kunnen beminnen. Want als wij ons aan de directe straling van zijn liefde zouden blootstellen, zonder de ‘bescherming van de ruimte,
de tijd en de materie, zouden wij als water in de zon verdampen; er zou niet genoeg « ik » in ons zijn om ons ik uit liefde op te geven. De noodzaak is het scherm dat tussen ons en God opgetrokken is, opdat wij kunnen zijn. Aan ons, dit scherm te doorboren, teneinde op te houden te zijn.
Er bestaat een « Godvliedende » kracht. Anders zou alles God zijn. Aan de mens is een ingebeelde godheid gegeven, opdat hij er zich van kan ontdoen, zoals Christus zijn werkelijke Godheid afgelegd heeft.
Ontzegging. Nabootsing van onthechting door God in de schepping. In bepaalde zin ziet God ervan af om alles te zijn. Wij moeten er van af zien om iéts te zijn. Dat is het enige goed voor ons. Wij zijn als tonnen zonder bodem, zolang wij niet begrepen hebben, dat wij een bodem bezitten.
Verheffing en verlaging. Als een vrouw zich in een spiegel beziet en zich tooit, voelt zij de schande niet, zichzelf, dat oneindige wezen, dat alle dingen ziet, tot zulk een kleine ruimte te beperken. Op dezelfde manier betekent het een oneindige degradatie, telkens, als wij het ik verheffen (het sociale, het  psychologische ik, enz. )hoe hoog dan ook, doordat wij ons beperken om alleen maar dat te zijn. Wanneer het ik omlaag gebracht wordt (als tenminste de energie er niet naar streeft om het tot een verlangen te verheffen), weten wij, dat wij dat niet zijn. Een zeer schone vrouw, die haar beeld in de spiegel beschouwt, kan heel goed geloven, dat zij dat is. Een lelijke vrouw weet in ieder geval, dat zij het niet is.
« Alles wat door de natuurlijke vermogens gevat kan worden, is hypothetisch. Alleen de bovennatuurlijke liefde schept. Zo zijn wij dus medescheppers. Wij nemen deel aan de schepping van de wereld, door onszelf te ontscheppen.
«Wij bezitten alleen datgene, dat wij ons ontzeggen. Wat wij ons niet ontzeggen, ontsnapt ons. En in die zin kunnen wij alleen maar iets bezitten, wat dan ook, als het door God gegaan is.
Communie bij de katholieken. God is niet slechts éénmaal vlees geworden, iedere dag wordt hij materie om zich aan de mens te geven, als iets dat verteerd wordt. Omgekeerd wordt de mens materie en door God verteerd door afmatting, ongeluk en dood. Hoe zouden wij die wederkerigheid kunnen afwijzen?
Hij heeft zich van zijn godheid ontledigd. Wij moeten ons ontledigen van die valse godheid, waarmee wij geboren zijn. Als wij eenmaal begrepen hebben, dat wij niets zijn, bestaat het doel van al onze krachtsinspanningen erin: niets te worden. Voor dat doellijden wij met onderwerping, met dat doel handelen wij, en met dat doel bidden wij.
Mijn God, schenk mij de genade om niets te worden. In de mate waarin ik niets word, heeft God zichzelf door mij lief. Wat beneden is, lijkt op wat hoog is. Zodoende is de slavernij een afbeelding van gehoorzaamheid aan God; de vernedering een ‘beeld van de nederigheid, de physieke noodzaak een beeld van de onbedwingbare drang van de genade, de volledige overgave van de heiligen, iedere dag weer opnieuw, een afbeelding van het in kleine stukken hakken van de tijd bij misdadigers en prostituées. In dat opzicht dient men dus op zoek te gaan naar wat het laagste is; bij wijze van afbeelding. Wat er in ons laag is, moet dus naar het lage gaan, opdat wat hoog in ons is, omhoog kan gaan. Want wij zijn omgekeerden. Zo worden wij geboren. De orde weer herstellen betekent: ons van het schepselontdoen.
Omkering van het objectieve en het subjektieve. Op dezelfde wijze, omkering van het positieve en het negatieve. Dat is ook de betekenis van de philosophie der Upanishads.
Wij worden geboren en wij leven in tegengestelde zin, want wij worden geboren en wij leven in de zonde, die de omkering is van de hiërarchie. De eerste operatie is dus de omkering.
De bekering.
Als de graankorrel niet sterft… Hij moét sterven, om de energie vrij te maken, die hij in zich draagt, opdat er andere combinaties ontstaan. Zo moeten ook wij sterven, om die vastzittende energie vrij te maken, en om een vrije energie te bezitten, die ons in staat stelt, de ware verhouding der dingen te zien, en er ons aan aan te passen.
De buitengewone moeite, die ik ondervind, om ook maar de geringste handeling te verrichten, is een gunst, die mij geschonken wordt. Want zo kan ik, met gewone daden en zonder de aandacht te trekken, de wortels van de boom kappen. Iemand kan nog zo los zijn van de publieke opinie, buitengewone daden dragen in zich reeds een stimulans, die er niet van weg te nemen is. Deze stimulans ontbreekt geheel aan doorsnee handelingen. Een uitzonderlijke moeilijkheid vinden voor een uitzonderlijke daad is een gunst, waarvoor men dankbaar behoort te zijn. Wij moeten niet bidden, dat deze moeilijkheid moge verdwijnen; wij moeten er alleen voor bidden, de genade te verwerven, er gebruik van te maken. In het algemeen moeten wij niet naar de verdwijning van onze ellenden verlangen  maar om de genade bidden, die hen transfigureert.
Lichamelijk lijden en ontbering zijn voor moedige mensen dikwijls een op-de-proefstelling van hun uithoudingsvermogen en hun zielekracht. Maar er kan nog een beter gebruik van gemaakt worden. Zij mogen dat dan ook voor mij niet betekenen! Dat zij een voelbaar getuigenis zijn van de menselijke ellende. En dat ik ze moge ondergaan op volkomen passieve wijze. Wat er ook gebeuren moge, hoe zou ik ooit het ongeluk té groot kunnen vinden, omdat de diepe beet van het ongeluk in mij en de vernedering waartoe het mij dwingt juist de kennis van de menselijke ellenden mogelijk maken, een kennis,
die de toegangspoort is tot alle wijsheid ? Maar het genot, het geluk, de voorspoed getuigen evenzeer van de menselijke ellende, als men erin weet te ontdekken, wat van buiten komt ( toeval, omstandigheden, enz.) .Dat gebruik moet er óók van gemaakt worden. En zelfs van de genade, in zover zij waarneembaar, met de zinnen waarneembaar fenomeen is. .. Niets zijn, met het doel om in het geheel zijn ware plaats in te nemen.
De volkomen ontzegging eist, dat wij door angsten heengaan, die gelijk zijn aan die, welke ons in werkelijkheid het verlies van alle ge liefde wezens, van alle bezittingen, met inbegrip van wat wij kunnen en geleerd hebben in het domein van het verstand en van het karakter, van meningen en overtuigingen van wat goed en wat stabiel is, enz. zouden veroorzaken. Dat alles dienen wij ons niet zélf te ontnemen, maar te verliezen -zoals Job. Die, van zijn object losgemaakte energie mag niet verkwist worden in onzeker heen-en-weerslingeren ; en mag dus niet gedegradeerd worden. De angst moet dus nog veel dieper zijn dan bij een werkelijk ongeluk; hij mag niet in stukken verdeeld worden over een bepaalde periode, noch ook gericht zijn op een bepaalde verwachting. ..
, Als de liefdehartstocht tot aan de vegetatieve energie gaat, dan doen zich de gevallen voor van een Phêdre, een Arnolphe, enz. « En hierbinnen voel ik, dat ik creperen moet. ..»
Voor Phêdre’s leven is Hippolyte in de meest letterlijke zin van het woord véél meer noodzakelijk dan voedsel. Als de liefde van God zo diep doordringen zal, is het ook noodzakelijk, dat de natuur het allerhevigste geweld ondergaan heeft. Job, het kruis… De liefde van Phêdre en van Arnolphe is onzuiver. Een liefde, die zo laag afgedwaald is en die dan nog zuiver zou blijven. .. Niets worden, tot aan het vegetatieve niveau toe ; dan wordt God brood.
Als wij onszelf beschouwen op een bepaald ogenblik -dit ogen’blik, bijvoorbeeld, losgesneden van verleden en toekomst -zijn wij onschuldig. Op dit ogenblik kunnen wij niets anders zijn dan wat wij zijn: iedere voortgang sluit tijdsduur in. Het is volgens de orde van deze wereld, dat wij op dit ogenblik zijn, zoals wij zijn. Een ogenblik aldus isoleren uit de tijd, sluit vergeving in. Maar die afzondering is onthechting.
Er zijn in een menselijk leven maar twee ogenblikken van volmaakte zuiverheid en naaktheid: geboorte en dood. God kan niet aanbeden worden in menselijke gedaante zonder zijn godheid .te bevlekken, dan alleen als pasgeborene en als iemand in doodstrijd De dood is een momentopname, zonder verleden noch toekomst. Onontbeerlijk om de eeuwigheid binnen te gaan.
Als wij de volheid van de vreugde vinden in de gedachte, dat God bestaat, moeten wij dezelfde volheid vinden in het bewustzijn, dat wij zelf niets zijn, want het is precies  dezelfde gedachte. En deze wetenschap wordt pas zinnelijk waarneembaar door het lijden en door de dood.
Vreugde in God. Er is werkelijk volmaakte en oneindige vreugde in God. Mijn deelneming daaraan kan er niets aan toevoegen, en mijn niet-deelnemen eraan kan niets aan de werkelijkheid van deze volmaakte en oneindige vreugde afdoen. Wat voor belang heeft het dan, of ik eraan deelheb of niet? Absoluut géén belang.
Zij die hun heil verlangen, geloven niet werkelijk in de realiteit van de vreugde in God.
Het geloof in de onsterfelijkheid is schadelijk, want het ligt niet in onze macht om ons de ziel werkelijk onlichamelijk voor te stellen. Zo is dat geloof dan ook in werkelijkheid een geloof aan de verlenging van het leven en het nut van de dood wordt weggenomen.
, Tegenwoordigheid van God. Dat moet op twee manieren verstaan worden. In zoverre hij schepper is, is God aanwezig in ieder ding, dat bestaat, van af het ogenblik, dat het bestaat. De tegenwoordigheid, waarbij God de medewerking van het schepsel nodig heeft, is de tegenwoordigheid van God, niet in zoverre hij schepper is, maar in zover hij Geest is. De eerste soort van tegenwoordigheid is de tegenwoordigheid van de schepping. De tweede is de tegenwoordigheid van de ont-schepping. (Hij die ons geschapen heeft zonder ons, zal ons niet redden zonder ons. Sint Augustinus) .
God heeft slechts kunnen scheppen, door zichzelf te verbergen. Anders zou hij er alléén maar zijn. De heiligheid moet dus ook verborgen worden, zelfs, in zekere mate, voor het bewustzijn verborgen blijven. In ieder geval moet zij het in de wereld zijn.
Zijn en hebben. – De mens heeft geen zijn, hij heeft slechts hebben. Het zijn van de mens ligt achter het gordijn, aan de kant van het bovennatuurlijke. Wat hij van zichzelf kan kennen, is alleen maar datgene, wat hem door de omstandigheden geleend is. Ik is voor mij ( en voor anderen) verborgen ; het is aan de kant van God, het is in God, het is God. Hoogmoedig zijn betekent: vergeten dat men God is. ..Het gordijn is de menselijke ellende: zelfs voor Christus was er een gordijn.
Job. Satan spreekt tot God : houdt hij werkelijk van Je, zonder dat hij er iets tegenovergesteld wenst te zien ? Het gaat daarbij om het niveau van de liefde. Ligt dat niveau op de hoogte van de schapen, de  korenvelden, het talrijke kroost ? Of nog verder, in de derde dimensie, daarachter ? Hoe diep de liefde ook moge zijn, er is een ogenblik van afknappen waar zij ondergaat en dat is het ogenblik, dat transformeert, dat uit het eindige naar het oneindige losscheurt, en dat de liefde van de ziel voor God, in de ziel transcendent maakt. Dat is de dood van de ziel. Wee hem, bij wie de dood van het lichaam aan de dood van de ziel voorafgaat! Een ziel, die niet boordevol is van liefde, sterft een kwade dood. Waarom moet zo’n dood zonder dat hij opgemerkt wordt, geschieden? Het is inderdaad nodig. Alles moet onopgemerkt vallen.
De schijn kleeft aan het wezen vast en alleen het lijden kan de twee van elkander losscheuren. Wie het wezen heeft, kan de schijn niet hebben. De schijn legt het wezen in ketenen. De loop van de tijd rukt met geweld de schijn van het wezen en het wezen van de schijn. De tijd maakt kenbaar, dat hij geen eeuwigheid is. Wij moeten ons ontwortelen. De boom omhakken, er een kruis van maken en dat vervolgens alle dagen dragen.
Wij moeten niet ik zijn, maar nog veel minder wij. De staat geeft het gevoel van thuis te zijn. Wij moeten het gevoel leren van thuis te zijn in de verbanning. Vastgeworteld te zijn in afwezigheid van een bepaalde plek.
Sociaal en vegetatief ons ontwortelen. Zichzelf verbannen uit ieder aards vaderland.
Maar dit alles van buitenaf, aan anderen aandoen, is een Ersatz van ontschepping. Dat is het onwerkelijke verwekken. Door zich te ontwortelen zoekt men méér werkelijkheid.
MIJZELF UITVLAKKEN
God heeft mij het bestaan gegeven, opdat ik het hem teruggeve. Dat lijkt op een van die beproevingen en valstrikken in sprookjes en verhalen, waar mensen ingewijd moeten worden. Als ik dit geschenk aanvaard, is het een slecht en fataal cadeau; zijn innerlijke waarde blijkt, als ik weiger. God veroorlooft mij buiten hem te bestaan. Het is aan mij, die toestemming te welgeren. De nederigheid is de weigering om te bestaan buiten God. Zij is de koningin der deugden.
Het ik is niet anders dan de schaduw, die zonde en dwaling projecteren, en die het licht van God tegenhouden, en wat ik dan bovendien nog opvat als een zijn. Zelfs als wij gelijk God konden zijn, dan is het nog beter om slijk te zijn, dat aan God gehoorzaamt. Ik moet voor Christus zijn, wat het potlood is voor mij, wanneer ik er al tastend en met gesloten ogen mee over de tafel ga. Wij hebben de mogelijkheid om middelaars te zijn tussen God en het deel van de schepping, dat ons toevertrouwd is. Hij heeft onze instemming nodig om, dóór ons, zijn eigen schepping waar te nemen. En met onze toestemming kan hij dat wonder teweegbrengen. Het zou voldoende zijn, dat ik de kunst verstond om mij van mijn eigen ziel terug te trekken, opdat deze tafel, die ik voor mij heb, het onvergelijkelijk geluk heeft door God gezien te worden. God kan in ons alleen deze instemming om ons terug te trekken en hem te laten passeren, liefhebben, zoals hij zelf, schepper, zich teruggetrokken heeft om ons te laten bestaan. Deze tweevoudige actie kan alleen maar zin hebben door de liefde, zoals een vader aan zijn kind de middelen geeft, die het in staat stellen hem een cadeau te geven op zijn verjaardag. God is niet anders dan liefde en heeft niet anders geschapen dan liefde.
Alle dingen, die ik zie, hoor, adem, raak, eet ; alle wezens, die ik ontmoet beroof ik van het contact met God, en ik beroof God van het contact met dit alles in de mate, waarin iets in mij « ik » zegt. Voor dat alles kan ik iets doen, evenals voor God: mij terugtrekken, en het vertrouwelijk gesprek respecteren. De strikte vervulling van de louter menselijke plichten is een voorwaarde om mij te kunnen terugtrekken. Langzamerhand doet het de touwen slijten, die mij op de plaats vastbinden en die mij verhinderen mijzelf uit te  vlakken.
Ik kan de noodzaak niet vatten, waarom God mij liefheeft, terwijl ik heel duidelijk voel, dat genegenheid, zelfs ,bij de mensen, voor mij, niet anders dan minachting kan zijn. Ik kan mij echter zonder moeite voorstellen, dat hij dit perspectief op zijn schepping, – en dat hij slechts kan hebben vanuit het punt, waar ik mij bevind, – gaarne heeft. Maar ik  vorm een scherm. En ik moet mij dus terugtrekken, zodat hij het kán zien. Ik moet mij uitvlakken, opdat God in contact kan treden met de wezens, die het toeval op mijn weg plaatst en die hij liefheeft. Mijn aanwezigheid heeft iets onbescheidens, alsof ik me opstelde tussen twee gelieven of twee vrienden. Ik ben niet het meisje, dat op haar verloofde wacht, maar een lastige derde, die bij twee verloofden is en die weg moet gaan, zodat zij werkelijk samen kunnen zijn. Kon ik mij alleen maar uitvlakken, dan zou er liefde-eenheid kunnen bestaan tussen God en de aarde, waarop ik loop, de zee, die ik hoor. .. Wat doet het er toe, wat er in mij schuilt aan energie of gaven? Ik heb er altijd genoeg om te kunnen verdwijnen…
« De dood, die aan mijn ogenpaar het licht onttrekt, geeft weer zijn puurheid aan de dag, die het bevlekt… »
Ik moge verdwijnen, opdat de dingen, die ik zie volmaakt schoon worden, daar het geen dingen meer zullen zijn, die ik zie.
Ik verlang geenszins, dat deze geschapen wereld voor mij niet waarneembaar wordt,  maar ik verlang, dat zij mij niet langer voelbaar is. Mij kan zij haar geheim, dat te hoog is, niet vertellen. Als ik vertrek, dan kunnen zowel schepper als schepsel hun geheimen uitwisselen. Een landschap zien zoals het is, wanneer ik er niet ben… Als ik ergens ben, bezoedel ik de stilte van de hemel en van de aarde met mijn ademhaling en het kloppen van mijn hart.
NOODZAAK EN GEHOORZAAMHEID
De zon schijnt over goeden en bozen… God wordt noodzaak. Er zijn twee kanten aan de noodzaak : die uitgeoefend wordt en die ondergaan wordt. Zon en kruis.
Aanvaarden onderworpen te zijn aan de noodzaak en alleen maar handelen, door zich van de noodzaak te bedienen.
Ondergeschiktheid : besparing van energie. Dank zij haar, kan een heldendaad verricht worden zonder dat het nodig is, dat zowel hij die beveelt als hij die gehoorzaamt, helden zijn. Zover zien te komen, dat wij bevelen van God ontvangen.
In welke gevallen put de strijd tegen een bekoring de energie, verbonden aan het goede, uit, en in welke gevallen doet zij integendeel deze energie stijgen, op de trap van de verschillende energiekwaliteiten?
Dit moet afhangen van het belang van de rol, die wil en aandacht daarbij vervullen. Uit liefde, krachtens liefde, moet het ondergaan van een dwang verdiend worden.
Gehoorzaamheid is de hoogste deugd. De noodzaak liefhebben. De noodzaak is, wat zich op de onderste trap bevindt in verhouding tot het individu (dwang, kracht, een « harde noodzaak »); maar de algemene noodzaak verlost ons ervan.
Er zijn gevallen, waarin een ding noodzakelijk is vanwege het enkele feit, dat het mogelijk is. Bijvoorbeeld, wanneer wij honger hebben, of als wij te drinken geven aan een gewonde, die van dorst sterft, terwijl het water vlak bij de hand is. Geen bandiet en geen heilige zouden dat nalaten. Naar analogie daarvan moeten wij de verschillende gevallen leren onderscheiden, ofschoon dit niet altijd even duidelijk is op het eerste gezicht, waar mogelijkheid noodzaak insluit. In die gevallen handelen, in de andere niet. De pit van de granaatappel. Men verbindt zich er niet toe om God te beminnen: men stemt slechts in met de verplichting die in iemand zelf bewerkt is zonder hemzelf.
Op het gebied van daden van deugd alleen die verrichten, die men zich niet weerhouden kan te doen, dus die, welke men niet niet kan doen. Maar intussen zonder ophouden het aantal daden, die men niet niet kan stellen, vermeerderen, door een voortdurend goedgerichte aandacht.
Geen stap verzetten, zelfs niet naar het goede, over de grens heen van waartoe men onweerstaanbaar gedreven wordt door God. Dat geldt voor de daad, het woord en de gedachte. Daartegenover echter wel bereid zijn om onder Zijn dwang waar dan ook heen te gaan, tot aan de grens, de uiterste grens (het kruis…). Bereid zijn tot het allerhoogste, dat is gelijkelijk bidden om er toe gedreven te worden, zonder te weten tot waar.
Als mijn eeuwig geluk zich hier voor mij op deze tafel bevond, in de vorm van een of ander voorwerp en het alleen maar nodig was de hand uit te steken om het te grijpen, dan zou ik mijn hand niet uitstrekken zonder er bevel toe gekregen te hebben.
Onthechting van de vruchten van een daad. Zich aan die fataliteit onttrekken. Maar hoe? Niet voor iets handelen, maar uit noodzaak. Ik kan niet anders handelen dan 26. Het is geen actie, maar een soort van lijdzaamheid. Niet handelende actie.
In zekere zin is een slaaf daarvan het voorbeeld (het hoogste, en het laagste : steeds stoten wij op dezelfde wetten). De materie ook. Wij moeten de motieven van ons handelen buiten onszelf brengen. Gedwongen, gedreven worden. De volmaakt zuivere motieven (of de meest veile: altijd weer dezelfde wet !) schijnen van buiten te komen.
Voor iedere daad geldt, dat zij gezien moet worden, niet uit het oogpunt van het object, maar van de impuls. Dus niet: met welk doel ? Maar: waar komt dit vandaan?
« Ik was naakt en gij hebt mij gekleed ». Deze gave is alleen het teken van de staat waarin zich de mensen bevonden, die aldus gehandeld hebben. Zij waren in zo’n  staat, dat zij zich niet konden weerhouden om te voeden, die hongerig waren en te kleden, die naakt waren ; zij deden dat geenszins om Christus, zij konden eenvoudig niet anders doen, omdat Christus’ medelijden in hen woonde. Zoals de heilige Nicolaas met de heilige Cassianus dwars door de Russische steppe ging naar een afspraak met God en niet anders kon, dan op tijd aankomen om een moeziek te helpen, zijn kar uit het slijk te trekken. Het goede, wat op deze wijze gedaan wordt, bijna ondanks onszelf, bijna met schaamte en wroeging, dat is zuiver. Alle absoluut puur goed ontglipt volkomen aan de wil. Het goede is transcendent. God is het Goede.
« Ik was hongerig en gij bent mij te hulp gesneld. » Wanneer dat, Heer ? Zij wisten het niet. Wij dienen het ook niet te weten. Wij moeten de naaste niet te hulp komen om Christus, maar door Christus. Het ik moet zo verdwijnen, dat Christus door middel van het meester erop uit stuurt om een of andere ongelukkige te helpen. De hulp komt van de meester, maar is bestemd voor de ongelukkige. Christus heeft niet geleden voor zijn Vader. Hij heeft voor de mensen geleden, door de wil van zijn Vader.
Van de slaaf kan ook niet gezegd worden, dat hij hulp gaat brengen voor zijn meester. Hij doet niets. Zelfs als hij, om die ongelukkigen te bereiken, blootsvoets over spijkers moet lopen, dan lijdt hij pijn, maar hij doet nog niets. Want hij is slaaf.
« Wij zijn onnutte slaven », dat wil zeggen : wij hebben niets gedaan. In het algemeen is « voor God » een verkeerde uitdrukking. Wij moeten God niet in de datief zetten. Niet naar de naaste gaan voor God, maar door God gedreven worden naar de naaste, zoals de pijl door de boogschutter afgeschoten wordt naar zijn doel.
Alleen maar tussenschakel zijn tussen de onbewerkte aarde en het geploegde veld, tussen de gegevens van het probleem en zijn oplossing, tussen de onbeschreven bladzijde en het gedicht, tussen de ongelukkige, die honger heeft en de verzadigde ellendige.
Bij alle dingen is alleen wat ons zomaar, bij verrassing, als een geschenk van het lot en zonder dat wij er naar gezocht hebben, toevalt, Ware vreugde. Parallel daaraan kan het werkelijk goede ook alleen maar van buiten ons komen, en nooit door onze eigen kracht. Wij kunnen onder geen enkele voorwaarde iets maken, wat beter is dan wij zelf. Zo dient de waarlijk op het goede gerichte krachtsinspanning haar doel niet te bereiken : na een langdurige, vruchteloze spanning, die op wanhoop uitloopt, en als wij niets meer verwachten, dan komt van buiten de gave, als een wonderbaarlijke verrassing. Die krachtsinspanning is gedeeltelijk vernieler geweest van de verkeerde volheid, die in ons is. De goddelijke leegte, die voller is dan de volheid, is zich in ons komen vestigen.
De wil Gods. Hoe die te kennen? Als wij eerst de volkomen stilte in onszelf brengen, alle onze verlangens, alle meningen het zwijgen opleggen en dan met liefde, uit heel onze ziel en zonder woorden denken : « Dat Uw wil geschiede, »; en wat men dan zonder enige aarzeling voelt te moeten doen (zelfs als het in zekere opzichten fout zou zijn), dat is Gods wil. Want als wij hem brood vragen, geeft hij geen stenen.
Convergerend criterium. Een daad of een houding ten gunste waarvan de rede verschillende, convergerende motieven vindt, maar waarvan men voelt, dat zij alle voorstelbare motieven te boven gaat…
Bij het gebed dient men zich geen speciaal ding voor ogen te stellen, tenzij men er een bovennatuurlijke inspiratie toe gekregen heeft. Want God is het universele wezen. Zeker, hij daalt ook in bijzonderheden af. Hij is afgedaald en daalt nog af in de act van de schepping ; zo ook in de Incarnatie, de Eucharistie, de Inspiratie, enz. ; Dat is een dalende en nooit stijgende beweging, een beweging van God, niet van ons. Wij kunnen zo ’n binding niet tot stand brengen anders dan alleen door God voorgeschreven. Onze rol bestaat uit gekeerd te zijn naar het universele. Daar ligt misschien de oplossing van de moeilijkheid bij Berger over de onmogelijkheid om het relatieve aan het absolute te binden. Door een opgaande beweging is het misschien onmogelijk, maar het is mogelijk via een dalende beweging.
Wij kunnen nooit weten, of God dit of dat beveelt. De op gehoorzaamheid aan God gerichte intentie, redt ons, wat wij ook doen, als wij. God oneindig boven ons plaatsen, en verdoemt, wat wij ook doen, als men zijn eigen hart God noemt. In het eerste geval overweegt men nooit, of datgene wat men gedaan heeft, doet of zal doen het goede wel is.
Het gebruik van bekoringen. Het zit vast aan de verhouding tussen ziel en tijd. Een uitvoerbaar kwaad lange tijd beschouwen zonder het te verrichten veroorzaakt een soort van transsubstantiatie. Als wij er weerstand aan bieden met een eindige kracht, dan put die energie zich na verloop van een bepaalde tijd uit, en is zij uitgeput, dan bezwijkt men. Als wij onbeweeglijk en vol aandacht blijven staan, dan raakt de bekoring uitgeput – en wij halen de verloren energie weer in.
Als wij op dezelfde wijze een goede daad in ogenschouw nemen, op dezelfde manier – roerloos en aandachtig – vindt er eveneens een transsubstantiatie plaats van energie, en dank zij deze verricht men het goede. De transsubstantiatie van energie bestaat daaruit, dat er voor een goede daad een ogenblik aanbreekt, waarop wij haar niet meer niet kunnen verrichten.
Dat levert ons weer een criterium van het goede en het kwade op.
Ieder schepsel dat de volmaakte gehoorzaamheid bereikt heeft, vertegenwoordigt een op zichzelf staande, enige en onvervangbare wijze van Gods tegenwoordigheid, Gods kennis en werking in de wereld.
Noodzaak. Het verband der dingen zien en zichzelf, met inbegrip van de doeleinden, die men in zich draagt, als een van de termen. De daad vloeit er dan natuurlijkerwijze uit voort.
Er zijn twee soorten van gehoorzaamheid. Wij kunnen gehoorzamen aan de zwaartekracht of aan het verband der dingen. In het eerste geval doen wij dat, waartoe de leegtevullende inbeelding ons drijft. Dikwijls kunnen wij er, zelfs met een grote graad van waarschijnlijkheid, etiketten op plakken met inbegrip van het « goede » en « God ». Als wij de werking van die leegtevullende inbeelding stopzetten en onze aandacht vestigen op het verband der dingen, dan treedt een noodzaak te voorschijn, waaraan wij niet niet kunnen gehoorzamen. Maar tot aan L dit punt, hebben wij geen idee van de noodzaak en ook niet het gevoel voor de gehoorzaamheid. Zelfs als wij dan niet trots zouden kunnen zijn op wat wij tot stand brengen, dan verrichten wij niettemin wonderen.
Een uitdrukking van een Bretonse scheepsjongen tot een journalist, die hem gevraagd had, hoe hij zo iets had kunnen verrichten : « Het kon niet anders, het moest wel ! ». Dat is het zuiverste heldendom. Bij het volk stoten wij er meer op dan elders. De -gehoorzaamheid is het enige zuivere motief, het enige, dat in geen enkele graad de beloning insluit en de hele zorg om de beloning overlaat aan de Vader, die in het verborgene is, en die in het verborgene ziet.
Onder voorwaarde evenwel, dat het gehoorzaamheid is aan een noodzaak, en niet aan een dwang (die verschrikkelijke leegte bij slaven!).
Wat men van zichzelf aan anderen geeft, of voor een groot doel; welke moeite men zich er ook voor getroost, als het uit zuivere gehoorzaamheid geschiedt aan een duidelijk inzicht in het verband der dingen en aan de noodzaak, dan is het niet zwaar, een besluit er toe te nemen, al wordt het ook misschien met grote moeite tot stand gebracht. Men kan niet anders, er ontstaat geen enkele omkeer uit, er is geen leegte om op te vullen, geen verlangen naar beloning, geen wraakzucht en geen zelfverlaging.
De daad is de naald van weegschaal. Wij moeten niet aan die naald raken, maar aan de gewichten. Hetzelfde geldt voor opinies. Daarna is het alleen nog maar: verwarring of lijden.
Dwaze maagden – Dat betekent dat op het ogenblik waarop men zich bewust wordt, dat er gekozen dient te worden, de keuze al gedaan is, in de een of andere richting. Heel wat meer waar, dan de allegorie over Hercules aarzelend tussen de ondeugd en de deugd.
Wanneer in de mens de natuur, afgesneden van iedere vleselijke impuls en beroofd van alle bovennatuurlijk licht, handelingen volvoert, die conform zijn aan wat het bovennatuurlijk licht – zo het aanwezig was – zou opleggen te doen, dan is dat de volheid van de zuiverheid. Dat is het centrale punt van het Lijden van Christus.
De juiste verhouding met God is: bij de contemplatie de liefde, bij de actie de slavernij. Als slaaf handelen en tegelijk met liefde beschouwen…
ILLUSIES
Iemand wordt tot iets aangetrokken, omdat hij denkt, dat het goed is. Hij blijft er aan vastgebonden, omdat het tot een noodzaak geworden is. De zintuiglijk waarneembare dingen zijn werkelijkheid, in zover zij zintuiglijk waar te nemen zijn, maar onwerkelijk als bezittingen.
De schijn heeft de volheid van de werkelijkheid, maar slechts als schijn. Zij is een dwaling, in zover men haar beschouwt als iets anders.
De illusie betreffende de dingen van deze wereld betreft niet hun bestaan, maar hun waarde. Het beeld de spelonk slaat op de waarde. Wij bezitten alleen schimmen van afbeeldingen van het goede. Wij zijn ook gevangenen en geketen (anders gezegd: gehecht) met betrekking tot het goede. Wij aanvaarden valse waarden, die zich aan ons voordoen, en als wij denken te handelen, dan blijven wij in werkelijkheid onbeweeglijk, want wij blijven in een en hetzelfde systeem van waarden.
Daden, die werkelijk gesteld worden en niettemin imaginair zijn. Iemand pleegt zelfmoord, maar ontkomt aan de dood en toch is hij niet onthechter geworden dan voordien. Zijn zelfmoord was imaginair. Dat is zelfmoord trouwens altijd, vandaar dat hij verboden is.
Eigenlijk gesproken bestaat de tijd niet (hoogstens het huidige, dit ogenblik als begrenzing) en toch zijn wij aan hem onderworpen. Zo is onze toestand. Wij zijn onderworpen, aan wat niet bestaat. Of het nu de door ons passief gedulde en ondergane tijdsduur is – lichamelijke pijn, wachten, spijt, wroeging, angst – of de tijd, die wij behandelen en indelen – orde, methode, noodzaak, – in beide gevallen bestaat, waaraan wij onderworpen zijn, niet. Maar onze onderwerping bestaat wel. Wij zijn wezenlijk lastgeklonken met onwezenlijke ketens. Onwerkelijk als hij is, bedekt de tijd alle dingen en onszelf met een sluier van onwerkelijkheid.
Voor de gierigaard is zijn schat de schim van een afbeelding van het goed. Hij is op twee manieren onwerkelijk. Een middel (het geld) is reeds als zodanig iets anders als een bezit. Maar buiten zijn functie van middel genomen, en als doel gesteld, is het nog veel verder verwijderd van een positief goed. Gevoelens zijn onwerkelijk, gezien in het licht van waardeoordelen; als waarden zijn de dingen onwerkelijk voor ons. Maar het toekennen van een valse waarde aan een object, ontneemt ook werkelijkheid aan de waarneming van dat object, want de waarneming wordt aldus door haar verdronken in de verbeelding. Zo maakt alleen volledige onthechting het mogelijk, de dingen naakt te zien, buiten die mist van leugenachtige waarden. Zweren en mest waren dan ook nodig voor Job, opdat hem schoonheid van deze wereld onthuld werd is geen smart, die zonder haat en zonder leugen verdragen wordt, zonder dat er ook onthechting is.
De ziel, die haar hoofd buiten de hemel gestoken heeft, verslindt het wezen. De ziel die binnen is, verslindt de opinie.
Noodzaak is essentieel vreemd aan het ingebeelde.
Wat echt is in de waarneming en haar onderscheidt van de droom, zijn niet de gevoelens, maar de noodzaak, die door die gevoelens omhuld wordt.
« Waarom deze dingen en geen andere? » « Het is nu eenmaal zo.” In het geestelijk leven onderscheiden zich illusie en waarheid op dezelfde manier. Wat echt is in de waarneming en haar onderscheidt van de droom, dat zijn niet de gevoelens maar de noodzaak.
Onderscheid tussen hen, die in de spelonk blijven, hun ogen sluiten en zich een reis inbeelden, met hen die hem werkelijk maken. Werkelijkheid en verbeelding ook in het geestelijke; daar in maakt eveneens de noodzaak het verschil. Niet louter het lijden, want er bestaat ook ingebeeld lijden. Wat het inwendige sentiment betreft: er bestaat niets bedrieglijkers.
Hoe moet men het ingebeelde van het werkelijke onderscheiden op geestelijk terrein? De voorkeur dient gegeven te worden aan een werkelijke hel boven een ingebeeld paradijs.
Wat de hooggelegen zijnsstaat onderscheidt van de lage bestaat daarin: dat in de hoge zijnsstaat boven elkaar gelegen vlakken gelijktijdig bestaan.
De nederigheid heeft tot doel: in de geestelijke groei het denkbeeldige te vernietigen. Er is niet het minst bezwaar om te denken, dat iemand minder vooruitgang gemaakt heeft, dan hij in werkelijkheid gedaan heeft: het licht blijft even goed zijn effect behouden. De bron ervan ligt niet in de eigen opinie. Maar wel bestaat er bezwaar, als men gelooft zeer vooruitgegaan te zijn, Want dan heeft de opinie effect.
Een criterium van de werkelijkheid is, dat zij hard en ruig is. Men treft er vreugden aan, geen aangename verpozing. Wat aangenaam is, is dromerij.
Liefhebben zonder verbeelden. De naakte schijn liefhebben, zonder interpretatie. Dan heeft men werkelijk God lief. Eenmaal door het absolute goed heengegaan, vindt men nog slechts ingebeelde en gedeeltelijke goederen, maar dan in een hiërarchische orde, die de oorzaak is, dat men nog slechts een goed nastreeft binnen de begrenzing, die de zorg om een ander goed bepaalt. Deze orde is transcendent, in zover zij verschillende waarden aan elkander verbindt en aldus is zij een afschaduwing van het absolute goed.
De discursieve rede (het begrip van de verhoudingen) is reeds een steun om alle valse-afgodendienarij uiteen te slaan, door alle goed en kwaad als beperkt te beschouwen, en als onderling in elkander overlopend en gemengd. Het gaat erom, het punt te erkennen, waar het goed in het kwaad overgaat : in zoverre, in die mate als, ten opzichte van », enz. Wij dienen verder te gaan dan alleen de rekenkundige proef op de som.
Er is steeds sprake van een verband met de tijd. Wij dienen de illusie van het bezit van de tijd kwijt te raken. Ons “ incarneren” .
De mens moet de daad stellen van zich te incarneren, want de verbeelding trekt hem uit het vlees. Wat in ons van Satan groeit, is de verbeelding.
Geneesmiddel tegen de ingebeelde liefde: God-in-zich het strikte minimum geven, dat men hem absoluut niet kan weigeren – en het verlangen bezitten, dat dit strikte minimum op zekere dag, liefst zo spoedig mogelijk, alles wordt.
Transpositie : geloven, dat men zich verheft, doordat men aan lagere neigingen (bijvoorbeeld, het verlangen om iemand anders de baas te zijn) verhevener doeleinden gegeven heeft. Het tegendeel is waar: men verheft zich door aan lagere doeleinden verhevener neigingen te geven.
Iedere hartstocht kan wonderen teweegbrengen.
Een speler is in staat om te waken en te vasten, bijna als een heilige, hij heeft voorgevoelens, enz.
Het is zeer gevaarlijk God lief te hebben, zoals een speler gehecht is aan het spel. Gewaakt dient te worden, op welk niveau men het oneindige plaatst. Als men het daar stelt, waar alleen maar voor het eindige plaats is, dan doet het er niet toe, welke naam men er aan geeft.
Mijn lagere delen moeten van God houden, maar niet te veel. Het zou niet meer God zijn. Zij mogen alleen maar liefhebben, zoals men honger en dorst heeft. Alleen het hoogste kan aanspraak op verzadiging maken.
De vreze Gods bij de heilige Johannes van het Kruis. 1s dat niet de vrees om aan God te denken, terwijl men er eigenlijk niet waardig toe is? Hem te bezoedelen door Hem verkeerd te denken? Door de vrees verwijderen de lagere delen zich van God.
Het vlees is gevaarlijk in zoverre het weigert God te beminnen, maar ook in zoverre het zich onbescheiden in de liefde tot God inmengt. Waarom is de wil om een vooroordeel te bestrijden een zeker teken, dat men van dat vooroordeel doordrenkt is? Die wil komt noodzakelijk voort uit een obsessie. Zij getuigt van een volkomen steriele poging om zich ervan te bevrijden. Alleen het licht van de voortdurende waakzaamheid heeft in zo ’n geval zin en dat is niet in overeenstemming te brengen met een polemische bedoeling.
Het freudisme is geheel en al doordrenkt van het vooroordeel, dat het zich als missie gesteld heeft te bestrijden, nl. dat al het seksuele afkeurenswaardig en laag is. Er bestaat een essentieel verschil tussen de mysticus, die de eigenschap van het beminnen naar God richt, en de begeerte, waarvan de seksuele kracht de physiologische grondslag vormt; en de valse nabootsing van een mysticus, die wel aan deze eigenschap zijn natuurlijke oriëntatie laat, maar door haar een imaginair doel te stellen, aan dat doel het etiket van de naam van God hecht. Het onderscheiden tussen deze twee operaties – waarbij de tweede nog onder de losbandigheid gesteld dient te worden – is moeilijk, maar mogelijk.
God en het bovennatuurlijke zijn zonder vorm, verborgen in het heelal. Het is goed, dat zij naamloos verborgen zijn in de ziel. Anders loopt men gevaar onder die naam iets ingebeelds te verstaan (die Christus gekleed en gevoed hebben, wisten niet, dat het Christus was). Betekenis van de antieke mysteries. Het Christendom (protestanten en katholieken) praat te veel over heilige zaken.
Moraal en letterkunde. Ons werkelijke leven is voor meer dan driekwart uit verbeelding en fictie samengesteld. De echte contacten met het goede en het kwade zijn uiterst zeldzaam.
Een wetenschap, die ons niet dichter bij God brengt, is niets waard. Maar als zij ons er op een verkeerde manier dichterbij brengt, dat wil zeggen, dichter bij een ingebeelde God, dan is dat erger.
Het is niet juist om te denken, dat ik zelf de bewerker ben van wat de natuur mechanisch in mij tot stand brengt. Maar nog verkeerder is het aan te nemen, dat de Heilige Geest er de bewerker van is. Dat is nog verder van de waarheid verwijderd.
Verschillende soorten van betrekkingen tussen tegengestelden, en waar zij in elkaar overglijden: Op grond van volkomen toewijding aan een grote zaak ( God inbegrepen) iedere laagheid in zich de vrije teugel laten. Door de beschouwing van de oneindige afstand tussen zichzelf en wat groot is, van het ik een instrument van grootheid te maken. Volgens welk criterium kunnen zij onderscheiden worden? Naar mijn mening is het enige: de verkeerde correlatie maakt datgene ongelimiteerd, wat het niet moet zijn.
Met uitzondering van de hoogste vormen van heiligheid en van het genie, wekt datgene, wat echt is, bij de mensen bijna noodzakelijk de indruk van onecht.
Het is een ontzaglijk werk om het echte uit te drukken. En ook om het op te nemen. Het onechte, tenminste het oppervlakkige onechte, kan zonder moeite uitgedrukt en opgenomen worden.
Wanneer het echte minstens even echt schijnt te zijn als het onechte, dan moet dat de triomf van de heiligheid of van het genie genoemd worden. Zo kon Sint Franciscus zijn toehoorders laten schreien, precies als de eerste de beste theatrale prediker .
De tijdsduur – eeuwen, als het om beschavingen gaat, jaren, of tientallen jaren als het het individu betreft – bewerkt een op de Darwintheorie gelijkende uitschakeling van het ongeschikte. Wat tot alles geschikt is, is eeuwig. Daarin ligt ook alleen de waarde van wat men « ervaring » noemt. De leugen is echter een harnas, waardoor de mens dikwijls het ongeschikte veroorlooft, in hem de gebeurtenissen te overleven, die hem zonder dat harnas gedood zouden hebben (zo bijvoorbeeld de hoogmoed, om vernederingen te boven te komen) . Dit harnas wordt als het ware afgescheiden door het ongeschikte om het hoofd te bieden aan het gevaar (bij de vernedering omgeeft de hoogmoed de innerlijke leugen met een nog dikkere huid). In de ziel bestaat zoiets als een phagocytosis ; alles wat door de tijd bedreigt wordt, scheidt leugen af, om niet te sterven ; en in die mate, waarin doodsgevaar bestaat. Er bestaat dan ook geen waarheidsliefde zonder een volledige, ongelimiteerde bereidheid tot de dood. Het kruis van Christus is de enige toegangspoort naar de kennis.
Iedere zonde, die ik bedreven heb, moet ik kien als een gunst van Gd. In die zin, dat de wezenlijke onvolmaaktheid, die verscholen gaat in mijn diepste ik, zich althans gedeeltelijk aan mij geopenbaard heeft op die dag, dat uur, in die omstandigheid.  Ik verlang, ik smeek, dat mijn onvolmaaktheid zich in haar geheel aan mijn ogen opent, in die mate als de blik van de menselijke denkkracht daartoe in staat is. Niet, opdat zij geneze, maar opdat ik in de waarheid leve, zelfs al zou zij niet genezen.
Alles, wat geen waarde heeft, vlucht het licht. Op aarde kan men zich verbergen achter het vlees. Bij de dood niet meer. Naakt wordt men aan het licht overgeleverd. Al naar gelang is dat de hel, het vagevuur, of het paradijs.
Wat ons terug doet schrikken voor de inspanning om dichter bij het goede te komen, is de weerzin van het vlees, maar niet de weerzin van het vlees voor de inspanning. Als de prikkel maar sterk genoeg is, aanvaardt het vlees onverschillig wat, omdat het zich bewust is het het kunnen doen zonder gevaar van sterven. De dood zelf is niet echt de dood voor het vleselijke deel van de ziel, als hij om een slechte zaak ondergaan wordt. Wat dodelijk is voor het vleselijke deel van de ziel, dat is God van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen.
Daarom mijden wij de innerlijke leegte, uit angst, dat God er binnen zou kunnen glippen. Niet de zucht naar plezier en de afkeer van de inspanning brengen de zonde voort, maar de angst voor God. Wij weten, dat wij hem niet van aangezicht tot aangezicht kunnen aanschouwen zonder te sterven, en wij willen niet sterven. Wij zijn ons bewust, dat de zonde ons op zeer effectieve wijze verhindert om hem van aangezicht tot aangezicht te zien: vreugde en smart geven ons maar een zeer zwakke prikkel, die nodig is tot de zonde, en vooral verschaffen zij ons het nog veel onontbeerlijker voorwendsel of alibi. Zoals er voorwendsels nodig zijn voor onrechtvaardige oorlogen, zo zijn valse goederen nodig als voorwendsel voor de zonde, want de gedachte, dat wij ons recht op het kwaad af begeven, kunnen wij niet verdragen. Het vlees houdt ons niet van God verwijderd, het is de sluier die wij voor ons houden, bij wijze van scherm tussen God en ons.
Misschien is het echter pas zo van af een bepaald punt. Het beeld van de onderaardse spelonk lijkt er op te duiden. Wat pijn doet, is eerst de beweging. Komt men bij de uitgang, dan is er het licht. Niet alleen, dat het ons verblindt: het verwondt ons. De ogen komen ertegen in opstand.
Zou het niet zo kunnen zijn, dat men pas vanaf dat ogenblik doodzonden, uitsluitend doodzonden kan plegen? Want is het geen doodzonde om zich van het vlees als scherm tegen het licht te bedienen ? Afschuwelijke gedachte… Dan liever nog de melaatsheid.
Ik heb er behoefte aan, dat God mij met geweld neemt, want als nu, op dit ogenblik, de dood het scherm van het vlees zou wegrukken en mij van aangezicht tot aangezicht tegenover hem plaatste, zou ik wegvluchten…
AFGODENDIENST
Omdat wij dorst hebben naar het absolute goed, ontstaat afgoderij, want de bovennatuurlijke aandacht ontbreekt ons, of wij hebben niet voldoende geduld om die gerichtheid te laten groeien.
Bij gebrek aan afgoden moeten wij dikwijls – alle dagen of bijna alle dagen, – ons in de leegte aftobben. En dat kunnen wij niet doen zonder het ,brood van de bovennatuur. Afgodendienst is derhalve een vitale noodzaak in de spelonk. Zelfs bij de besten onder ons, is het onvermijdelijk, dat hij een enge beperking van ons verstand en van onze goedheid betekent.
Gedachten zijn wisselend en onderworpen aan hartstochten, grillen en vermoeidheid. Vele uren lang, en alle dagen lang moet het werk voortgezet worden. Er moeten dus voor dat werk motieven gevonden worden die aan de gedachten ontsnappen, dus buiten de onderlinge verhouding der dingen staan. En dat zijn idolen.
Alle mensen zijn bereid om te sterven voor hetgeen zij liefhebben. Het verschil ontstaat slechts door het niveau, waarop zich de zaak bevindt, die zij beminnen, en in de concentratie of versnippering van hun liefde. Maar niemand heeft zichzelf lief.
De mens zou egoïst willen zijn, maar hij kan het niet. Dat is de meest opvallende trek van zijn ellende en tevens de bron van zijn grootheid. De mens wijdt zich altijd aan een bepaalde orde. Maar behalve in het geval van ,bovennatuurlijke verlichting, heeft die orde als centrum ofwel de mens zelf, of een bepaald wezen (wat een abstractie kan zijn), waarin hij zichzelf overgeheveld heeft (Napoleon voor zijn soldaten, de wetenschap, de partij, enz.). Een orde, die hem naar iets uit doet zien.
Wij behoeven de nederigheid niet te verwerven. Zij is in ons. Maar wij vernederen ons voor valse goden.
LIEFDE
De liefde is een teken van onze ellende. God kan alleen zichzelf beminnen. Wij kunnen alleen maar iets Anders beminnen.
Niet omdat God ons liefheeft, moeten wij hem beminnen. Maar omdat God ons liefheeft, moeten wij onszelf beminnen. Hoe kunnen wij immers onszelf beminnen, zonder motief ? De eigenliefde is langs deze weg alleen mogelijk.
Als mijn ogen met een doek dichtgebonden worden en mijn handen vastgeketend aan een stok, dan scheidt die stok mij van de dingen, maar met hem onderzoek ik de dingen. Ik voel alleen maar de stok, en ik neem de muur alleen maar waar. Hetzelfde geldt voor de schepsels, wat betreft hun eigenschap tot liefhebben. De bovennatuurlijke liefde raakt slechts de schepsels en gaat slechts tot God. Die liefde heeft alleen de schepsels lief (wat hebben wij anders om lief te hebben?), maar dan als tussenpersoon. Onder deze gezichtshoek, heeft hij alle schepsels, zichzelf inbegrepen, gelijkelijk lief. Een vreemde beminnen sluit als tegenpool in : zichzelf liefhebben als een vreemde.
De liefde tot God is dan pas zuiver, als vreugde en lijden een volkomen gelijke dankbaarheid verwekken.
Bij diegene, die gelukkig is, bestaat de liefde uit de wil om het lijden te delen van de ongelukkige geliefde. Bij degene, die ongelukkig is, bestaat de liefde uit het vervuld zijn met de loutere wetenschap, dat de geliefde blij is, zonder deel te hebben aan die blijdschap en zelfs zonder het verlangen te bezitten, er deel aan te hebben.
In de ogen van Plato is de vleselijke liefde een op een lager plan staande afbeelding van de ware liefde. De kuise menselijke liefde (echtelijke trouw) is een beeld, dat op iets hoger peil Staat. Het idee van de sublimering van de menselijke liefde kon slechts voortkomen uit de stupiditeit van ons huidige gedacht.
Liefde van Phaidros. Deze oefent geen kracht uit, en kan haar ook niet ondergaan, Daar is loutere puurheid. De aanraking van het zwaard bezoedelt op dezelfde wijze, of men het aanpakt aan de zijde van de greep, of aan die van de punt. De koude aanraking van het metaal zal bij degene, die liefheeft, de liefde niet wegnemen, maar hem slechts het gevoel schenken van God verlaten te zijn. De bovennatuurlijke liefde heeft geen enkel contact met het geweld, maar zij beschermt dan ook niet tegen de koude van die kracht, de koude van het ijzer. De wapenrusting is, juist als het zwaard, van metaal gemaakt.
Wie met een zuivere liefde liefheeft, ondergaat een verkilling van de ziel door de moord, of hij er de dader of het slachtoffer van is. Ditzelfde geldt voor alles, wat betrekking heeft op het geweld, zelfs als het niet zover als de dood gaat. Wie naar een liefde verlangt, die de ziel tegen verwondingen beschermt, moet iets anders dan God liefhebben.
De liefde streeft naar steeds verder. Maar er bestaat een grens. Wanneer die grens overschreden is, verandert de liefde in haat. Om deze omkering te vermijden, moet de liefde Anders worden.
Slechts van die menselijke wezens erkent men ten volle het bestaan, die men liefheeft. Het geloof aan het bestaan van andere menselijke wezens als zodanig, heet liefde.
Niets dwingt de geest om aan het bestaan van wat dan ook te geloven. (Subjectivisme, absoluut idealisme, solipsisme, scepticisme : zelfs de Upanishads,  de Taoisten en Plato gebruiken alle dit philosophische standpunt om tot de hoogste graad van zuivering te komen). Daarom is het enige contactorgaan met het bestaan: de aanvaarding, de liefde. Daarom ook zijn schoonheid en werkelijkheid identiek. En daarom ook zijn vreugde en gevoel van de werkelijkheid identiek.
De behoefte om schepper te zijn van wat men bemint, is een behoefte tot nabootsing van God. Maar het is neiging tot de valse godheid. Behalve dan, als men zijn toevlucht neemt tot het voorbeeld, dat men heeft gezien aan de andere kan t van de hemel…
De zuivere liefde tot de schepselen is niet de liefde in God , maar liefde die door God, als door een vuur, heengegaan is. Dat is liefde, die zich geheel losmaakt van de schepselen om tot God op te stijgen en weer terug te komen, vervlochten met de scheppende liefde van God. Op deze wijze verenigen zich de twee tegenstellingen, die de menselijke liefde uiteenscheuren: het geliefde wezen beminnen zoals het is en de wil om het te herscheppen.
De ingebeelde liefde voor de schepselen: een touw bindt ons vast aan alle objecten, die bemind willen worden. Maar een touw kan altijd breken. Een touw bindt ons eveneens vast aan de ingebeelde God, de God voor wie de liefde ook aanhankelijkheid Maar aan de Ware God zit men niet vastgehecht en daarom is er ook geen touw, dat doorgesneden kan worden. Hij dringt in ons binnen. Hij alleen kan trouwens in ons binnendringen. Alle andere dingen blijven buiten en wij erkennen er slechts de graden van spanning en de variërende richting van, die voelbaar zijn aan het touw, als er sprake is van verplaatsing tussen die dingen en ons.
Liefde heeft behoefte aan werkelijkheid. Bestaat er iets afschuwelijkers dan door een lichamelijke verschijning een ingebeeld wezen te beminnen en dit op zekere dag gewaar te worden? Dit is afschuwelijker dan de dood, Want de dood verhindert de geliefde niet, geweest te zijn. Dat is de straf voor de misdaad : liefde gevoed te hebben met verbeelding.
Lafheid is het, om bij mensen, die men liefheeft, een andere troost te zoeken (of te verlangen, hun die te geven) dan die, welke kunstwerken ons schenken. Deze helpen ons door het blote feit, dat zij bestaan. Beminnen en bemind worden, die beiden maken dit bestaan wederzijds concreter en sterker bewust aan de geest. Dit bestaan echter moet bewust daar zijn als de bron van de gedachten, ni6t als hun object. Als het gewenst is, begrepen te worden, dan moet dat terwille van de ander zijn, om voor de ander te bestaan, en niet voor zich.
Alles wat veil en middelmatig in ons is, komt in opstand tegen de zuiverheid en heeft de behoefte, die zuiverheid te bezoedelen, om het eigen leven te redden.
Bezoedelen is gelijk aan wijzigen, aanraken het schone is wat men niet eens kan willen veranderen. Macht over iets verwerven is: het bezoedelen. Bezitten is bevlekken. Zuiver liefhebben is afstand toelaten, en die afstand, tussen zichzelf en wat men bemint, aanbidden.
De verbeelding is steeds vastgebonden aan een verlangen, dat wil zeggen, aan een waarde. Slechts het verlangen zonder object kent geen verbeelding. God is werkelijk tegenwoordig in ieder ding, dat niet gesluierd wordt door de verbeelding. Het schone maakt zich in ons meester van het verlangen en bevrijdt het van een object, door het object, dat in hen aanwezig is, aldus te verhinderen zich naar de toekomst te werpen. Dat is de prijs voor de kuise liefde. Alle verlangen naar lust ligt ergens in de toekomst en in het ingebeelde. In plaats van te verlangen, dat een wezen bestaat, bestaat het reeds: wat blijft er dan nog te verlangen over ? Het geliefde wezen is dan naakt en werkelijk, en niet door een imaginaire toekomst gesluierd. Een gierigaard kijkt nooit naar zijn schat zonder dat hij zich die X-maal groter voorstelt. Dood-zijn is nodig om de dingen naakt te zien. Zo is er in de liefde kuisheid of gebrek aan kuisheid, al naar gelang het verlangen wel of niet op de toekomst gericht is. In die zin, en op voorwaarde dat zij niet gericht is op een pseudo-onsterfelijkheid, naar het model van de toekomst, is de liefde tot de doden volmaakt zuiver. Want alleen het verlangen naar een eindig leven kan niets nieuws meer geven. Men verlangt, dat de dood bestaan heeft, en hij heeft bestaan.
Waar de geest ophoudt princiep te zijn, houdt hij eveneens op doeleind te zijn. Vandaar de zeer strakke band tussen de collectieve « gedachte » in al haar vormen en het verlies van de sensus en het respect voor de zielen. De ziel is immers: het menselijk wezen beschouwd, als een waarde in se bezittend. De ziel van een vrouw liefhebben betekent : niet denken aan die vrouw vanuit zijn eigen plezier. . Liefde kan niet meer beschouwen, liefde wil bezitten (verdwijnen van de platonische liefde).
Het is fout, te verlangen, begrepen te worden, als iemand niet eerst klaarheid over zijn eigen wezen en in zijn eigen ogen verworven heeft. Het komt er op neer, genoegdoeningen in de vriendschap te zoeken, die niet verdiend zijn. Het is iets, wat nog meer bederft dan de liefde. Je zoudt je ziel willen verkopen voor de vriendschap.
Je moet leren de vriendschap van je af te stoten, of beter : de waan van de vriendschap. Vriendschap verlangen is een grote fout. Vriendschap behoort een om-niet geschonken vreugde te zijn, zoals de kunsten, of het leven, die schenken. Zij dient geweigerd te worden, om waardig te zijn haar te verwerven (« Mijn God, verwijder U van mij. . ») Zij behoort tot die dingen, die als toegift worden gegeven. Iedere droom van vriendschap verdient gebroken te worden. Het is geen toeval, als je nooit bemind bent geworden … Verlangen om aan de eenzaamheid te ontkomen is een lafheid. Vriendschap wordt niet nagestreefd, wordt ook niet gedroomd of verlangd; zij wordt beoefend (want zij is een deugd). Daarom moet heel die rand van gevoel, dat troebel en onzuiver is, vernietigd worden. Schluss!
Beter nog (want het is verkeerd om met al te  grote gestrengheid in zichzelf schoonschip te maken), alles wat bij de vriendschap niet omgezet wordt in effectieve uitwisseling, moet omgezet worden in weloverwogen gedachten. Het is nutteloos, af te willen zien van de inspirerende kracht van de vriendschap. Alle dromen over de lusten van het gevoel moet streng uitgebannen worden. Dat is bederf. Het is trouwens even dom, als dromen over de muziek of de schilderkunst. Vriendschap kan niet losgemaakt worden van de werkelijkheid, evenmin als het schone. Precies als het schone, betekent: het een wonder. En het wonder zit alleen in het feit dat zij bestaat. Met vijfentwintig jaar is het ruimschoots tijd om radicaal aan de jongelingsjaren een eind te maken.
Laat je door geen enkele genegenheid in de gevangenis brengen. Behoud je eenzaamheid. Als de dag ooit aanbreekt, dat een werkelijke genegenheid je deel wordt, dan is er geen tegenstelling tussen je innerlijke eenzaamheid en de vriendschap, integendeel. Je zult haar zelfs aan dit onbedrieglijke teken herkennen. Alle andere genegenheden dienen echter streng in toom gehouden te worden.
Dezelfde woorden (bijv. een man zegt tot zijn vrouw : ik houd van je) kunnen plat of buitengewoon zijn al naar gelang de manier, waarop zij uitgesproken worden. En die manier hangt samen met de diepte van het bereik van het wezen, waaruit zij omhoogstijgen, zonder dat de wil er iets aan kan doen. En door een wonder van samenklank raken zij bij degene, die luistert, hetzelfde bereik. Als iemand onderscheidingsvermogen heeft kan hij, als hij luistert, de waarde van die woorden bepalen.
De weldaad is geoorloofd, omdat zij een nog diepere vernedering betekent dan de smart, en een nog intiemer bewijs, dat onweerlegbaar van afhankelijkheid getuigt. Om diezelfde reden is de dankbaarheid verboden, Want dat is het gebruik, dat men van de ontvangen weldaad maakt. Maar het moet de afhankelijkheid van het lot en niet van een bepaald menselijk wezen zijn. Daarom ook heeft degene die een weldaad bewijst de verplichting, volkomen los te zijn van zijn weldaad. En de dankbaarheid mag onder geen voorwaarde en in geen enkele mate een gehechtheid betekenen : dat is het soort  dankbaarheid, dat honden hebben.
De dankbaarheid is in de eerste plaats zaak van degene, die te hulp komt. Als die hulp tenminste zuiver is. Zij is aan degene, die zij aan zich verplicht, slechts verschuldigd op grond van wederkerigheid.
Om zuivere dankbaarheid te ondervinden (afgezien van het geval van vriendschap), moet ik kunnen denken, dat ik goed behandeld wordt, niet uit medelijden, of sympathie, of om een gril, noch bijwijze van gunst of privilege, en evenmin tengevolge van het natuurlijk effect van karakter- aanleg, maar uit verlangen om te doen wat de rechtvaardigheid eist. Aldus verlangt degene, die mij zo; behandelt, dat allen, die zich in mijn toestand bevinden, zo behandeld worden door aldegenen, die zich in zijn toestand bevinden.
HET KWAAD
De schepping is: het goed in stukken gehakt en verspreid dwars door het kwaad heen. Het kwaad is het onbegrensde, maar het is niet het oneindige. Alleen het oneindige beperkt het onbegrensde. Het kwaad is eentonig: niets nieuws en alles is er equivalent. Niets werkelijks, alles is inbeelding. Om die monotonie speelt de hoeveelheid zulk een belangrijke rol : veel vrouwen (Don Juan) of mannen (Celimene). Het is een veroordeling tot de valse oneindigheid. En dat is de hel zelf.
Het kwaad is de teugelloosheid, en daarom is het zo eentonig : alles dient men uit zichzelf te halen. Het is de mens echter niet gegeven om te scheppen. Het is een armzalige poging om God na te bootsen.
Het niet-kennen en aanvaarden van deze onmogelijkheid om te scheppen is bron van vele dwalingen. Wij moeten de scheppingsact nabootsen ; er zijn twee mogelijkheden om hem na te bootsen : de ene is echt, de andere schijn: in stand houden en vernietigen.
Bij de instandhouding is er geen spoor van « ik ». Maar wel bij de vernietiging. “ Ik” laat zijn spoor achter in de wereld door de vernietigingsact.
Litteratuur en moraal. Het ingebeelde kwaad is romantisch, gevarieerd. Het echte kwaad is doods, eentonig, vervelend als een woestijn. Het ingebeelde goed is vervelend ; het goede en echte goed is altijd nieuw, wonderlijk en bedwelmend.
Verbeeldingslitteratuur is derhalve of vervelend of immoreel (of een mengsel van deze beide). Zij ontsnapt aan dit alternatief, door de kunst, die haar als het Ware overglijden laat naar de kant van de werkelijkheid. Dat kan alleen het genie teweegbrengen.
Een bepaalde deugd van lagere soort is een ontaard beeld van het goed, en men dient er berouw over te hebben. Het is trouwens moeilijker daarvan berouw te hebben dan van het kwaad. Farizeeër en tollenaar.
Het goede als tegengestelde van het kwaad is er gelijkwaardig aan, in die zin, waarin alle tegengestelden equivalent zijn.
Wat het kwaad schendt, is niet het goede, want het goed is onschendbaar. Alleen een ontaard goed kan geschonden worden.
Wat direct tegenover het kwaad staat is nooit iets, dat tot de orde van het hoogste goed behoort.  Dikwijls steekt het zelfs nauwelijks boven het kwaad uit! Voorbeelden: diefstal en burgerlijk respect voor het bezit, overspel en « fatsoenlijke vrouw »; spaarbank en verspilling; leugen en “oprechtheid” .
Het goede is essentieel anders als het kwaad. Het kwaad is meervoudig en fragmentarisch, het goede is een ; het kwaad is altijd zichtbaar; het goede is mysterieus; het kwaad bestaat uit daden, het goede uit niet-handelen, uit een niet-handelende actie. . Het goede, beschouwd van het standpunt en op de hoogte van het kwaad en er tegenoverstaand als een tegengestelde, is het goede uit het wetboek van strafrecht. Daarboven staat het goede, dat in bepaalde zin meer op het kwaad gelijkt, dan op die lagere vorm van goed. Dit laat ruimte voor veel demagogie en vervelende paradoxen.
Het goede, dat zich laat definiëren op de wijze waarop het kwaad gedefinieerd wordt, dient afgewezen te worden. Het slechte wijst het af. Maar het wijst het slecht af.
Is het denkbaar, dat bij wezens, die het kwaad toegewijd zijn, verschillende, niet met elkaar verenigbare ondeugden toch verzameld zijn? Ik geloof van niet. Ondeugden zijn onderworpen aan de zwaartekracht, en vandaar is er geen diepte, geen transcendentie in het kwaad.
Het goed kan men slechts ervaren, door het te doen.
Het kwaad alleen, door zichzelf te verhinderen het te volbrengen, of door, als men het gedaan heeft, er berouw over te hebben. Wanneer het kwade verricht wordt, herkent men het niet, want het kwaad mijdt het licht.
Bestaat het kwade, zoals men het zich indenkt, maar het niet doet, in werkelijkheid? Lijkt het kwade, dat men doet, niet op iets volkomen natuurlijks en eenvoudigs, dat zich opdringt? Is het kwaad niet analoog met illusie ? Wanneer iemand slachtoffer is van een illusie, erkent hij haar niet als zodanig, maar ziet haar als een realiteit. Misschien is het ook zo met het kwaad. Wanneer men midden in het kwaad zit, wordt het niet als kwaad aangevoeld, maar als een noodzaak en soms zelfs als een plicht.
Zodra iemand het kwade verricht, lijkt het een soort plicht te zijn. De meeste mensen hebben het gevoel van een plicht te vervullen, zowel bij bepaalde slechte als bij sommige goede dingen. Eenzelfde man voelt het als zijn plicht aan, zo duur mogelijk te verkopen en niet te stelen… Het goede bij de mensen staat op hetzelfde plan als het kwaad: het is een goed zonder licht.
De gevoeligheid van de onschuldige, die lijdt, is gelijk aan een gevoelige misdaad. De echte misdaad is ongevoelig. De onschuldige, die lijdt, kent de waarheid omtrent zijn heul, de beul kent haar niet. Het kwaad, dat de onschuldige in zichzelf voelt, is in de beul, maar daar is het ongevoelig. De onschuldige kent het kwaad slechts als lijden. Wat in de misdadiger niet voelbaar is, dat is de misdaad. En wat niet voelbaar is in de onschuldige, dat is zijn onschuld. De onschuldige kan de hel voelen.
De zonde, die wij in ons dragen, treedt uit ons en plant zich daarbuiten voort, waarbij zij besmettend werkt in de vorm van zonde. Zo bijvoorbeeld, als wij geprikkeld zijn, is ook onze omgeving geprikkeld. Of ook van meester naar ondergeschikte: de toorn verwekt vrees. Maar in aanraking met een volmaakt zuiver wezen, heeft er transmutatie plaats: de zonde verandert in lijden. Dat is de functie van de Gerechte bij Isaias, van het Lam Gods. Dat is het verlossend lijden. Heel de misdadige gewelddadigheid van het Romeinse Rijk liep zich te pletter tegen Christus en werd door Hem in louter lijden omgezet. Slechte wezens daarentegen veranderen het louter lijden (bijvoorbeeld de ziekte) in zonde. Daaruit mag misschien aangenomen worden, dat de verlossende smart van sociale oorsprong is.
Zij moet onrecht en geweld zijn, uitgeoefend door menselijke wezens.
De valse God verandert lijden in gewelddadigheid. De Ware God verandert geweld in lijden.
Het uitboetende lijden is de terugslag van het gepleegde kwaad. En het verlossende lijden is de schaduw van het loutere goed, dat men nastreeft. De boze daad is een overdracht op anderen van de degradatie, die iemand in zichzelf meedraagt. Daarom neigt men er toe als tot een bevrijding.
Iedere misdaad is een overdracht van kwaad van de zijde, die de misdaad pleegt, naar degene die haar ondergaat. Dit geldt voor onwettige liefde evenzeer als voor moord. Het justitieapparaat is zozeer besmet met het kwaad, – en dat reeds sinds eeuwen, dat het in nauw contact met misdadigers is, zonder enige zuiverende compensatie, – dat een veroordeling dikwijls niet anders is dan een overdracht van het kwaad, dat het strafrechtapparaat aankleeft, op de veroordeelde. Dit is ook nog waar, als deze inderdaad schuldig is en als de straf in verhouding staat tot de misdaad. Verharde booswichten zijn de enige, op wie het strafapparaat geen kwaad kan overdragen. Maar het berokkent onschuldigen een afschuwelijk kwaad. Wanneer er sprake is van overdracht van het kwaad, dan wordt dit kwaad bij degene, van wie het uit gaat, niet verminderd, maar veeleer vergroot. Dit is een vermenigvuldigingsfenomeen. Hetzelfde geldt voor de overdracht van het kwaad op voorwerpen.
Waar ligt dan eigenlijk het kwaad ?
Het dient overgebracht te worden van het onzuivere deel, naar het zuivere deel van de persoon zelf, waardoor het in puur lijden omgezet wordt. De misdaad, die in iemand huist, moet men zichzelf aandoen. Op deze wijze bezoedelt men echter zeer spoedig de eigen innerlijke puurheid, als men tenminste niet tot vernieuwing ervan overgaat door het contact met een onaantastbare puurheid, die buiten alle scheiding staat.
Het geduld berust daarin, het lijden niet in misdaad om te zetten. Het is al genoeg, misdaad in lijden te veranderen. Het kwaad overdragen op dingen buiten ons, is de verhouding der dingen vervormen. Wat exact is en scherpomlijnd – getal, verhouding, harmonie – biedt weerstand aan die vervorming. Hoe groot ook mijn vermoeidheid, of mijn kracht is, over een af te leggen afstand van vijf kilometer, blijven er altijd vijf kilometerpalen. Daarom doet het getal pijn, als iemand lijdt: het verzet zich tegen de overdracht. Mijn aandacht vestigen op wat er in mij te straf is om door mijn innerlijke veranderingen vervormd te worden, betekent in mij : de verschijning van een onveranderlijk iets en de toegang tot het: eeuwige voorbereiden.
Wij moeten het kwaad, dat men ons aandoet aanvaarden als geneesmiddel voor hem, die het ons berokkent. Niet het lijden, dat men zichzelf oplegt is het ware geneesmiddel, maar het lijden, dat van buiten komt. Het is zelfs noodzakelijk, dat het onrechtvaardig is. Wanneer men gezondigd heeft door onrecht, is het niet voldoende om rechtvaardig te lijden : het lijden dient onrechtvaardig te zijn.
Zuiverheid is absoluut onaantastbaar als zuiverheid, in die zin, dat geen geweldpleging haar minder zuiver maakt. Maar zij is verwondbaar bij uitstek, in die zin, dat iedere aanraking van het kwaad haar doet lijden, en dat iedere zonde, die met haar in contact komt, in haar tot lijden wordt.
Ik moet er naar streven, dat het kwaad, dat mij aangedaan wordt mij niet omlaag trekt, en wel uit liefde voor degene, die het mij berokkent, opdat hij niet werkelijk kwaad verricht heeft.
Heiligen (bijna-heiligen) zijn meer blootgesteld als anderen aan de duivel, omdat de werkelijke kennis die zij van hun ellende bezitten, hun het licht bijna ondraaglijk maakt. De zonde tegen de Geest: bestaat uit het erkennen van een zaak, als goed en haar haten, in zoverre zij goed is. Het equivalent daarvan ondervindt men in de vorm van weerstand, telkens als men zich op het goede richt. Want ieder contact met het goede brengt inzicht voort in de afstand, die kwaad en goed van elkaar scheidt en tevens de aanvang van een moeizame poging tot assimilatie. Dat is smartelijk en men is er bang voor. Die angst is wellicht het teken voor de realiteit van het contact. De corresponderende zonde kan slechts ontstaan, wanneer het gemis aan hoop het bewustzijn van die afstand ondraaglijk maakt en de pijn in haat wijzigt. In dit opzicht is de hoop een geneesmiddel. Nog een beter geneesmiddel echter is de onverschilligheid tegenover zich zelf en er gelukkig om te zijn, dat het goede goed is, ofschoon men er van verwijderd is. Zelfs voor het geval, dat men voorbeschikt is om er zich oneindig van te verwijderen.
Wanneer eenmaal een atoom goed in de ziel gedrongen is, dan moet de grootste, de misdadigste zwakheid als oneindig minder gevaarlijk beschouwd worden, dan het geringste verraad, zelfs als dit laatste zich beperkt tot een zuiver inwendige beweging van de gedachte, een kort ogenblik duurt, maar vrijwillig is. Dit is deelneming aan de hel. Zolang de ziel niet van het zuivere goed geproefd heeft, is zij even ver verwijderd van de hel als van de hemel.
Keuze voor de hel is alleen mogelijk door gehechtheid aan het heil. Wie niet de vreugde van God verlangt, maar zich tevreden stelt met de wetenschap, dat er een werkelijke vreugde in God bestaat, valt wel, maar pleegt geen verraad.
Wie God liefheeft langs en door het boze als zodanig, heeft ook werkelijk God lief.
God liefhebben langs en door het kwaad als zodanig. God liefhebben langs en door het boze, dat men verafschuwt, terwijl men dit boze haat. God liefhebben, als oorsprong van het kwaad, dat men bezig is te haten. Het boze verhoudt zich tot de liefde, als het mysterie tot het verstand. Zoals het mysterie de deugd van geloof dwingt om bovennatuurlijk te zijn, zo dwingt het kwaad tot beoefening van de deugd van naastenliefde. De poging om compensaties te vinden, of ook verontschuldiging voor het kwaad is even schadelijk voor de naastenliefde, als de inhoud van de mysteries proberen te verklaren met het loutere mensenverstand.
Woorden van Iwan in de Gebroeders Karamazow : « Zelfs al zou deze enorme fabriek de meest buitengewone wonderen ter wereld voortbrengen, als zij dit zou doen ten koste van een kindertraan, dan weiger ik. Ik onderschrijf dit gevoelen in zijn volheid. Welk motief iemand mij ook zou kunnen opgeven, dat een kindertraan moet compenseren, het zou mij steeds verhinderen, die traan te aanvaarden. In ieder geval geen enkel motief, dat het verstand zich kan indenken. Een motief bestaat er, dat slechts begrepen kan worden door de bovennatuurlijke liefde: God heeft het gewild. En dit motief zou trouwens voldoende voor mij zijn om een wereld te accepteren, die uitsluitend uit kwaad bestaat. Ik zou haar evenzeer aanvaarden als die ene kindertraan.
De doodstrijd is de nacht van diepste donkerte, die zelfs de volmaakten nodig hebben om tot algehele puurheid te komen. Om die reden is het te verkiezen, dat hij bitter is.
Het onwerkelijke, dat aan het goede zijn goed ontneemt, dat is het kwaad. Het kwaad is altijd de vernietiging van voelbare dingen, waar er sprake is van waarachtige tegenwoordigheid van het goed. Het kwaad wordt verricht door hen, die geen kennis hebben van die waarachtige tegenwoordigheid. In die zin is het juist, dat niemand uit volle wil slecht is. De krachtsverhoudingen geven de afwezigheid het vermogen om de aanwezigheid te vernietigen.
Her is niet mogelijk zonder ontzetting de uitgestrektheid van het kwaad te overzien, dat de mens kan verrichten en kan ondergaan. Hoe kan iemand dan zo dwaas zijn te geloven, dat het mogelijk is een compensatie voor dit kwaad te vinden, als God, terwille van dit kwaad, de kruisiging heeft ondergaan?
Verhouding van goed en kwaad en werkelijkheid. Goed is wat een groter werkelijkheid aan de wezens en de dingen geeft, kwaad, wat hun die ontneemt. De Romeinen hebben kwaad verricht door de Griekse steden van hun beelden te beroven, omdat die steden zelf, die tempels, zowel als het leven van de Grieken minder werkelijk was zonder die beelden, en ook, omdat die beelden niet dezelfde werkelijkheid konden bezitten in Rome, als zij hadden in Griekenland.
De wanhopige smeekbeden, de nederige verzoeken van de Grieken om tenminste enkele beelden te mogen behouden waren een wanhopige poging om hun eigen waardebegrippen over te planten in de geest van anderen. Zo gezien, hadden die smeekbeden niets vernederends. Maar zij waren bijna uit de aard der zaak zonder effect. Wij moeten het waardesysteem van anderen begrijpen en afwegen tegen ons eigen systeem, op dezelfde weegschaal. Die balans zijn wij verplicht te smeden.
De verbeelding laten toeven bij het kwaad, impliceert een soort lafheid : het verraadt de verwachting te kunnen genieten, te kunnen groter worden door het onwerkelijke. Zelfs zijn verbeelding te laten spelen met de mogelijkheid van bepaalde dingen (hetgeen heel iets anders is, als er duidelijk de mogelijkheid van in te zien, wat een essentiële eis is voor de deugd), komt neer op een erop ingaan. Nieuwsgierigheid ligt daaraan ten grondslag. Wij moeten onszelf verbieden (niet om ze ons in te denken, maar om er onze verbeelding mee te laten spelen) sommige gedachten te koesteren. Eenvoudig niet denken. De mening bestaat, dat het denken tot niets verplicht. Maar alleen het denken verplicht. De vrijheid van denken, sluit iedere vrijheid in. Hoogste eigenschap is dus: niet denken aan. Zuiverheid is een negatieve deugd. Als wij onze verbeelding hebben laten toeven bij iets slechts en als wij daarbij andere mensen ontmoeten, die met hun woorden en door hun daden dat slechte iets objectief maken en aldus de sociale slagboom afbreken, dan zijn wij al bijna verloren. 1s er iets wat gemakkelijker is? Er is geen breukvlak; en komt de kloof in zicht, dan is men er al overheen. Voor het goede geldt precies het omgekeerde : de kloof is zichtbaar, wanneer hij over getrokken moet worden, op het ogenblik namelijk, van het losrukken en het losscheuren. Men « valt » niet in het goede. Het woord « laagheid » drukt deze eigenschap van het kwaad zeer goed uit.
Zelfs als het kwade eenmaal gepleegd is, blijft het dit karakter van onwerkelijkheid behouden. Vandaar waarschijnlijk die simpelheid van misdadigers; alles is immers simpel in de droom. Een simpelheid die “ pendant” is van de eenvoud van de hoogste deugd.
Noodzakelijk is, dat het kwaad puur gemaakt wordt – anders is het leven onmogelijk. Dat is de grondgedachte van de Gita. Dezelfde gedachte vindt men bij Mozes, Mohammed en in het Hitlerisme…
Maar Jehovah, Allah en Hitler waren aardse goden. De zuivering, die zij bewerken, is imaginair.
De deugd, die begeleid wordt door een klaar begrip van de mogelijkheid van het kwaad en van het kwaad in de gedaante van het goed, is essentieel anders als het kwaad. De bewustheid van opgegeven, maar nog steeds in het denken aanwezige illusies, kan wellicht als het criterium van de waarheid beschouwd worden.
Iemand kan dan pas afschuw hebben van anderen kwaad te berokkenen, als hij aangekomen is op het punt, waar anderen hem geen kwaad meer kunnen berokkenen. (Want dan heeft hij die anderen lief met een liefde, die de grens van de eigenliefde overschreden heeft) .
De overweging van de menselijke ellende rukt ons naar God. Die ellende wordt pas zichtbaar in een ander, die men als zichzelf liefheeft. Zij kan niet gezien worden in onszelf, als zodanig, noch in een ander, als zodanig.
Het hoogste ongeluk, dat menselijke wezens treft, schept niet de menselijke ellende, maar brengt haar slechts aan het daglicht. Zonde en « prestige van de kracht. Door het feit, dat de ziel niet in haar geheel de menselijke ellende heeft weten te onderkennen en aanvaarden, gelooft men, dat er verschil bestaat tussen de menselijke wezens. Daardoor zondigt men tegen de rechtvaardigheid, hetzij door een verschil te maken tussen ons en de anderen, hetzij door sommige Personen boven andere te plaatsen. Dit komt voort uit het feit, dat men niet weet, dat de menselijke ellende een constante kwantiteit is, die niet teruggebracht kan worden of vereenvoudigd, en die in ieder mens aanwezig is in precies dezelfde mate, als zij het kan zijn. Die maat komt van den enkele Gd, waardoor er identiteit is tussen een mens en een ander mens.
Wij verwonderen ons erover, dat het ongeluk niet veredelend werkt. Dit vloeit daaruit voort, dat wij bij het denken aan een ongelukkige, aan zijn ongeluk denken. Maar de ongelukkige denkt niet aan zijn ongeluk : zijn ziel wordt vervuld begeren kan.
Hoe zou er geen kwaad in de wereld kunnen bestaan ? De wereld dient volkomen vreemd te zijn aan onze verlangens. Als zij dat was zonder het boze in zich te dragen, dan zouden al onze verlangens volkomen slecht zijn. En dat moet niet.
Alle soorten afstanden bestaan er tussen het schepsel en God. Er is een afstand, waarop de liefde tot God onmogelijk is. Materie, planten, dieren. Het kwaad is daar zo volledig, dat het zichzelf vernietigt : Spiegel van de goddelijke onschuld. Wij bevinden ons op het punt, waarop de liefde net precies mogelijk is. Bat is een groot privilege, want de liefde, die verenigt, is evenredig aan de afstand.
God heeft een wereld geschapen, die niet de bestmogelijke is, maar die alle graden van goed en kwaad bevat. Wij bevinden ons op het punt, waar hij het slechtst is. Want even iets verder ligt het punt, waar het kwaad onschuld wordt.
ONGELUK
Lijden : waardoor de mens boven God uitsteekt. De Menswording was nodig om aan die superioriteit zijn ergerniswekkend karakter te ontnemen.
Ik moet niet van mijn lijden houden, omdat het nuttig is, maar omdat het is.
Aanvaarden, wat bitter is, maar deze aanvaarding moet geen terugslag op de bitterheid hebben, en deze laatste verminderen. Want daardoor vermindert in dezelfde graad de kracht en de zuiverheid van die aanvaarding. Het object van de aanvaarding is immers bitter, in zoverre het bitter is en niet in zoverre het iets anders is.
Als Iwan Karamazow zeggen : niets kan een tegenwicht vormen voor een enkele traan van een enkel kind. En toch Alle tranen aanvaarden en die talloze afschuwelijkheden, die tranen nog te boven en te buiten gaan. Deze dingen aanvaarden, niet in zoverre zij compensaties meebrengen, maar om henzelf. Aanvaarden, dat zij er zijn, eenvoudig omdat zij zijn.
Als er geen ellende in deze wereld was, zouden wij ons in het paradijs kunnen wanen.
Twee opvattingen van de hel: de normale (lijden zonder vertroosting); de mijne (valse gelukzaligheid, zich bij wijze van vergissing in het paradijs wanen).
Grotere zuiverheid van lichamelijk lijden (Thibon). En vandaar : grotere waardigheid van het volk.
Niet proberen om minder te lijden of niet te lijden, maar om door het lijden geen innerlijke verandering te ondergaan.
De geweldige grootheid van het christendom komt daaruit voort, dat het niet tracht een bovennatuurlijk middel tegen het lijden te zoeken, maar te leren er een bovennatuurlijk gebruik van te maken.
Wij moeten zoveel mogelijk ernaar streven het ongeluk te vermijden, opdat het ongeluk, dat ons overkomt volmaakt zuiver en volmaakt bitter zij.
Vreugde is het gevoel van de werkelijkheid in zijn volheid. Maar beter is lijden en tegelijk het gevoel van de werkelijkheid behouden. Lijden zonder in de nachtmerrie te verzinken. De smart moet in een zin zuiver uiterlijk, in een andere zin zuiver innerlijk zijn. Daarom dient zij alleen in het zinnelijk waarneembare te wonen. Zij is dan uiterlijk (in zoverre zij dan zich buiten de geestelijke delen van de ziel bevindt) en innerlijk (door volkomen geconcentreerd op onszelf te zijn, zonder haar terug te kaatsen op het universum, met het doel haar een wijziging te doen ondergaan).
Het ongeluk dwingt ons, datgene reëel te erkennen, wat wij niet voor mogelijk hielden.
Ongeluk: de tijd neemt het denkend wezen met zich mee naar wat het niet kan verdragen en wat toch zal komen. « Laat deze kelk aan mij voorbijgaan ». Iedere seconde, die voorbijvliedt, sleurt een wezen in de wereld naar iets, wat het niet kan uithouden.
Bij het ongeluk komt er een ogenblik, waarop wij niet meer in Staat zijn te verdragen, dat het voortgezet wordt, noch dat wij ervan verlost worden.
Het lijden is niets anders dan het verband tussen verleden en toekomst, maar is er iets werkelijkers voor de mens dan juist dit verband ? Het is de realiteit zelf.
Toekomst. Wij denken, dat het morgen zal gebeuren, tot het ogenblik, waarop wij denken, dat het nooit zal gebeuren. Twee overwegingen verlichten het ongeluk een weinig. Ofwel, dat het bijna onmiddellijk zal ophouden, ofwel dat het nooit meer zal ophouden. Onmogelijk of noodzakelijk. Maar wij kunnen niet denken, dat het eenvoudig is. Dat is onhoudbaar.
« Het is niet mogelijk ». Wat niet mogelijk is, dat is te denken aan een toekomst, waarin het ongeluk zal doorgaan te bestaan. Het natuurlijke elan van de gedachte naar de toekomst wordt onderbroken, de mens is verscheurd in zijn tijdsgevoel. « Hoe zullen wij over een maand, een jaar lijden? Een mens, die de gedachte aan het verleden en aan de toekomst niet verdragen kan, is tot het peil van de materie gezonken. De Wit-Russen bij Renault. Zo kunnen wij leren te gehoorzamen als de stof, maar ongetwijfeld fabriceerden zij voor zichzelf kortelings voorbije verledens en nabije, leugenachtige toekomsten…
Voor misdadigers en prostituees wordt de tijd in kleine stukjes gehakt; hetzelfde gebeurt bij slaven. Dit is dus een kenmerk van het ongeluk.
De tijd pleegt geweld; het enige geweld, dat bestaat. Een ander zal U omgorden en U heenvoeren, waarheen gij niet wilt gaan. De tijd brengt ons daarheen, waarheen wij niet willen gaan. Laat ik maar ter dood veroordeeld worden, als in de tussenpoos de tijd zou stilstaan, word ik niet geëxecuteerd. Maar mag men verlangen, dat, wat er ook gebeure, de tijd stilstaat en de sterren stilstaan ? Het geweld van de tijd, verscheurt de ziel ; door de aldus ontstane scheur komt de eeuwigheid binnen.
Alle problemen kunnen teruggebracht worden tot de tijd.
Uiterste smart : niet georiënteerde tijd: weg naar de hel of naar het paradijs. Voortduring of eeuwigheid.
Niet vreugde en smart staan tegenover elkaar, maar soorten van de een en van de ander. Er bestaan een helse vreugde en smart; een genezende vreugde en smart, een hemelse vreugde en smart.
Van nature vluchten wij het lijden en zoeken het plezier. Uitsluitend daardoor dient de vreugde tot afbeelding van het goede en de smart tot die van het kwaad. Vandaar al die voorstellingen van paradijs en hel. In feite echter vormen plezier en smart een onscheidbaar paar.
Lijden, onderricht en transformatie. Wie ingewijd wordt moet niet iets leren, maar een transformatie moet er in hem plaats vinden, die hem rijp maakt om onderricht te ontvangen. Pathos betekent tegelijk lijden (speciaal lijden totterdood) en wijziging, omvorming (speciaal transformatie in een onsterfelijk wezen).
Lijden en genot als bronnen van kennis. De slang spiegelde Adam en Eva kennis voor. De sirenen boden kennis aan Odysseus aan. Deze verhalen leren ons, dat de ziel zichzelf te gronde richt, als zij kennis in het plezier zoekt. Waarom ? Misschien is het plezier op zichzelf wel onschuldig, maar op voorwaarde, dat men er niet de kennis zoekt. Die mag alleen gezocht worden in het lijden.
Het oneindige in de mens is aan de genade van een klein stuk ijzer uitgeleverd. Dat is de menselijke conditie, en tijd en ruimte zijn er de oorzaak van. Dit stuk ijzer kan onmogelijk gehanteerd worden zonder meteen het oneindige in de mens te reduceren tot een punt van die punt, een punt aan de handgreep, ten koste van een verscheurende pijn. Een ogenblik lang wordt het hele wezen er door geraakt; er is geen plaats meer vrij voor God, zelfs bij Christus niet, bij wie de gedachte aan God niet meer is, dan die van een beroofd zijn van Hem. Tot dat punt moet gegaan worden om vleeswording mogelijk te maken. Het hele menselijk wezen wordt: beroofd zijn van God. Kan er nog daarbuiten gegaan worden ? Daarna is er alleen nog verrijzenis mogelijk. En om zover te komen, is het contact met het naakte staal nodig. Bij het contact met het staal moet men zich gescheiden voelen van God, zoals Christus, anders is er sprake van een andere God. De martelaren voelden zich niet gescheiden van God, maar dat was een andere God en het zou misschien beter zijn om maar geen martelaar te zijn. De God, in wien de martelaren hun vreugde vonden temidden van de kwellingen en de pijn en tenslotte de dood, staat dicht bij de God, die officieel door het Keizerrijk geadopteerd werd en die vervolgens door terreur opgedrongen werd.
De bewering, dat deze wereld niets waard is, dat het leven zinneloos is en daarvan als bewijs te geven, dat het kwaad bestaat, is absurd, want als dit alles inderdaad niets waard was, waarvan berooft het kwade ons dan? Zo zijn dus het lijden in het ongeluk en het medelijden met anderen des te zuiverder en intenser, naarmate wij beter de volheid van de vreugde kennen. Waarvan berooft het lijden iemand, die zonder vreugde is? En als wij de volheid van de vreugde begrijpen, dan staat het lijden tot de vreugde als de honger tot het voedsel.
Door de vreugde moeten wij de werkelijkheid ontdekt hebben, om in het lijden diezelfde werkelijkheid te kunnen ontdekken. Anders is het leven niet anders als een min of meer boze droom.
En wij moeten zover komen, dat wij een nog dieper werkelijkheid ontdekken in het lijden, dat niets en leeg is. Op dezelfde manier moeten wij het leven sterk liefhebben, om van de dood nog meer te kunnen houden.
GEWELD
Dat hangt ook van de tegenstander af. De dood is het kostbaarste geschenk wat de mens gegeven is. Hoogste goddeloosheid is het dus, er een slecht gebruik van te maken. Slecht sterven. Slecht doden. (Maar hoe tegelijk aan zelfmoord en moord te ontkomen?) Na de dood: liefde. Analoog probleem : geen slecht genot, geen slechte ontzegging. Oorlog en Eros zijn de twee illusiebronnen en leugenoorzaken onder de mensen. Hun mengsel betekent de grootste onzuiverheid.
Wij moeten er ons best voor doen om steeds meer effectief niet-geweld in de plaats te stellen van geweld in de wereld.
Niet-geweld heeft alleen zin, als het effectief is. Zo de vraag van de jongeman aan Gandhi betreffende zijn zuster. Het antwoord had moeten luiden : gebruik geweld, tenzij je zodanig iemand bent, dat je haar kunt verdedigen zonder gebruik te maken van geweld, met een even grote graad van kans op waarheid. Of: tenzij je een uitstraling bezit waarvan de energie (dat wil zeggen, de mogelijke doeltreffendheid in de meest materiele zin van het woord) in evenwicht is met die van je spieren.
Wij moeten dus ons best doen zo te worden, dat wij geen gewelddaden behoeven te gebruiken.
Oorzaak van oorlogen: iedere mens en iedere groep van mensen voelt zich terecht wettelijk meester en bezitter van het universum. Maar dat bezit wordt verkeerd opgevat, bij gebrek aan kennis omtrent het feit dat de toegang tot het heelal – voor zover dit mogelijk is voor een mens op aarde – voor iedereen langs de weg van zijn eigen lichaam gaat. Alexander verhoudt zich tot een boer-grondbezitter als Don Juan tot een gelukkige echtgenoot.
Oorlog. In ons de liefde voor het leven intact bewaren en nooit iemand de dood aandoen zonder bereid te zijn om hem zelf te ondergaan. Voor het geval dat de dood van N.. . aan de onze gebonden is, maar dan in een mate, waarop beide gelijktijdig plaats moeten hebben : willen wij dan nog, dat hij sterft? Als heel het lichaam en heel de ziel naar het leven hunkeren, en als wij dan nog, zonder onszelf te bedriegen, met ja kunnen antwoorden, dan hebben wij het recht om te doden.
HET KRUIS
Wie het zwaard opneemt, zal er door vergaan. En wie het zwaard niet opneemt (of het laat vallen) zal aan het kruis omkomen.
Toen Christus de zieken genas, de doden ten leven wekte, vervulde hij daarmee het nederigste, menselijke, bijna lage deel van zijn missie. Het bovennatuurlijke deel bestond uit het zweten van bloed, het onvoldane verlangen naar menselijke vertroosting, zijn smeekbede om gespaard te mogen worden, het gevoel van door God verlaten te zijn.
Welk een diepte van liefde, van beide zijden, die verlatenheid op het hoogste moment van de kruisiging!
« Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?)” Daar ligt het waarachtige bewijs, dat het christendom iets goddelijks is.
Om tot de gerechten te behoren, moet men naakt en dood zijn. Zonder inbeelding. Daarom moet ook het voorbeeld van de gerechtigheid naakt en dood zijn. Alleen het kruis is niet in staat tot een ingebeelde imitatie.
Het voorbeeld van een gerecht mens is nodig, opdat de navolging en nabootsing van God niet een ijdel woord blijve. Maar, om niet buiten de grenzen van onze wil gevoerd te worden, is het nodig, dat wij in staat zijn hem niet te willen nabootsen. Het kruis kunnen wij niet willen. Wij kunnen iedere graad van ascetisme of heldendom willen, maar niet het kruis, omdat het een straf-dood is. Wie de kruisiging alleen maar ziet als een offer(ande), verzwakken er het heilsmysterie en de heilzame bitterheid van. Naar het martelaarschap verlangen is veel te weinig. Het kruis is oneindig veel meer dan het martelaarschap. Het meest bittere lijden, het lijden als uitboeting en straf, als garantie voor de echtheid ervan.
Het kruis. De boom van de zonde was een echte boom, de levensboom was een balk. Iets wat geen vruchten draagt, iets wat alleen verticale beweging is. « De mensenzoon moet verheven worden, om U naar zich toe te trekken. Wij kunnen in ons de vitale energie doden en alleen die verticale beweging overhouden. Bladeren en vruchten zijn energieverspilling, als wij alleen maar willen stijgen.
Eva en Adam hebben de goddelijkheid gezocht in levensenergie. Een boom, een vrucht. Maar het god-worden is ons voorbereid op het dode hout, meetkundig juist onder een rechte hoek gebracht, waaraan een cadaver hangt. Het geheim van onze verwantschap met God moet in onze sterfelijkheid gezocht worden.
God put zich uit om, door de oneindig dikke laag van tijd en ruimte heen, de ziel te bereiken en haar te verlokken. En als de ziel zich ook maar voor de duur van een bliksemflits, tot zuivere en totale instemming laat losrukken, dan heeft God een overwinning behaald. En wanneer zij iets totaal van hem geworden is, laat hij haar in de steek. Hij laat haar volkomen aan haar lot over. Op haar beurt moet zij dan zoekend en tastend door de dikke, oneindige laag van tijd en ruimte gaan, op zoek naar hem, die zij liefheeft. Zo volbrengt de ziel in omgekeerde richting de reis, die God naar haar gedaan heeft. En dat is het kruis.
God werd alleen daarom gekruisigd, omdat eindige wezens, onderworpen aan de noodzaak, aan de ruimte en aan de tijd, denken. Ik dien mij bewust te zijn, dat ik, als denkend en eindig wezen, de gekruisigde God ben. Ik moet op God gelijken, maar dan op God aan het kruis.
Op de almachtige God , in zover hij gebonden is door de noodzaak.
Prometheus is de gekruisigde God, die de mensen te zeer heeft liefgehad. Hippolyte, de man, die gestraft is, omdat hij te puur was en te zeer door de goden bemind werd. Wanneer het menselijke en het goddelijke elkander naderen, roept dit de straf op. Wij zijn, wat zich het verst van God af bevindt, aan de uiterste grens, waarvan het echter niet onmogelijk moet zijn naar hem terug te keren. G dis in ons wezen uiteengescheurd. Wij zijn Gods kruisiging. Gods liefde voor ons is lijden. Hoe zou ook het goede het boze kunnen beminnen zonder te lijden ? Het boze lijdt ook door het goede te beminnen. De wederzijdse liefde tussen God en de mensen is lijden. Opdat wij de afstand tussen ons en God voelen, moet God een gekruisigde slaaf zijn. Want wij voelen afstand alleen, als die onder ons ligt. Het is veel gemakkelijker zich in verbeelding op de plaats te zetten van God-Schepper, dan op die van de gekruisigde Christus…
De afmetingen van Christus’ liefde zijn de afstand tussen God en het schepsel. De bemiddelaarsfunctie houdt op zichzelf de uiteenrijting in. .Daarom kunnen wij de afdaling van God naar de mens en de opklimming van de mens naar God niet begrijpen, zonder uiteenrijting.
God in de eerste plaats – want hij komt het eerst naar ons – maar ook wij, moeten de oneindige afstand van tijd en ruimte doorkruisen. In de betrekkingen tussen God en de mens, is de liefde de grootste. Even groot als de afstand, die doorkruist moet worden. Opdat deze liefde zo groot mogelijk kan zijn, dient de afstand eveneens zo groot mogelijk te zijn. Daarom kan het kwaad gaan tot aan de uiterste grens, waarbuiten zelfs de mogelijkheid voor het goede niet meer bestaat. Het staat het kwaad vrij om die grens te bereiken. En het lijkt soms zelfs, of het die grens overschrijdt.
In zeker opzicht is dit precies het tegengestelde van Leibniz gedachte. In ieder geval is het meer in overeenstemming met Gods grootheid, want als hij inderdaad de best denkbare wereld geschapen had, zou hij maar tot weinig groots in staat zijn.
God gaat door de dikte van de wereld om naar ons te komen.
Het Lijden is het bestaan van de volmaakte gerechtigheid zonder enige bijmenging van de schijn. De gerechtigheid is essentieel niet-handelend. Zij moet transcendent zijn of lijden. Dat is de zuiver bovennatuurlijke gerechtigheid, absoluut ontbloot van iedere voelbare steun, zelfs van Gods liefde in zover deze voelbaar kan zijn. Het verlossend lijden legt het lijden volkomen bloot en brengt het in zijn puurheid tot aan het bestaan. En dat is wat het bestaan redt.
Zoals God tegenwoordig is in de zintuiglijke waarneembaarheid van een stuk brood door de eucharistische consecratie, zo is hij aanwezig in het uiterste boze door de verlossende smart, door het kruis dus.
Van de menselijke ellende tot God. Maar niet bij wijze van compensatie of vertroosting; Alleen als correlatie.
Er zijn mensen voor wie alles, wat God nader tot hen brengt, een weldaad is. Voor mij is het alles, wat mij van hem verwijdert. Tussen hem en mij ligt de dikte van het universum – en die van het kruis voegt er zich nog aan toe.
Lijden is tegelijk volkomen buiten en essentieel voor de onschuld. Bloedvlekken op sneeuw. Onschuld en kwaad. Dat het kwaad zelf puur zij. Dat kan het alleen maar zijn in de vorm van onschuldig lijden. Een onschuldige die lijdt, giet over het kwaad het licht van het heil uit. Hij is het zichtbare beeld van de onschuldige God. Daarom moeten een God die de mens liefheeft en een mens, die God bemint, lijden.
Gelukkige onschuld. Maar tevens iets oneindig kostbaars. En tegelijk een uiterst broos geluk, een geluk als bij toeval. Appelbloesem. Het geluk zit niet vastgebonden aan de onschuld.
Onschuldig zijn betekent heel het gewicht van het universum dragen. Het betekent het uitwerpen van een tegenwicht. Als wij de leegte in ons scheppen, stellen wij ons bloot aan de druk van het universum rondom ons.
Op twee manieren geeft God zich aan de mensen : als de machtige, of als de volmaakte: aan hen de keuze.
WEEGSCHAAL EN HEFBOOM
Het kruis als weegschaal of als hefboom. Afdaling: voorwaarde om te stijgen. De hemel, die op de aarde daalt en de aarde naar de hemel opheft.
Hefboom. Neerdrukken om iets omhoog te brengen. Dat is hetzelfde als: «Wie zich vernedert, zal verheven worden. Op het gebied van de genade bestaan ook noodzaak en wetten. « De hel zelf heeft eigen wetten, » (Goethe). De hemel heeft de zijne.
Een strikte noodzaak, die iedere willekeur en ieder toeval uitsluit, regelt en beheerst alle stoffelijke fenomenen. Zo mogelijk bestaat er nog minder willekeur en toeval in geestelijke dingen, ofschoon zij « vrij » zijn.
Een is het kleinste van alle getallen. « De een is de enige wijze. » De een is het oneindige. Een getal, dat toeneemt, meent, dat het het oneindige zal bereiken. Maar het verwijdert zich er alleen maar van. Men moet zich vernederen om verheven te worden.
Als God 1 is, dan is ∞ de duivel.
Het geheim van de goddelijke wijsheid ligt in de menselijke ellende en niet in het plezier, of het genot. Alleen zoeken naar genot is zoeken naar een kustmatig paradijs, een bedwelming, een toename. Maar het levert ons niets op, behalve de ervaring, dat het tevergeefs was. Alleen de overweging van onze beperking en van onze ellende brengt ons op een hoger niveau. « Wie zich vernedert, zal verheven worden.” De opgaande beweging in ons heeft geen zin (en nog erger dan dat) als zij niet voorkomt uit een dalende beweging.
Statera facta corporis. Het gekruisigde lichaam is een juiste weegschaal, het lichaam teruggebracht tot zijn juiste punt in tijd en ruimte.
Niet oordelen. En dat op de manier van de hemelse Vader, die niet oordeelt: door hem spreken immers de menselijke wezens hun eigen oordeel uit. Alle mensen naar zich toe late komen; dan oordelen zij zichzelf. Zelf balans zijn. Dan zullen wij niet geoordeeld worden, omdat wij een afbeelding geworden zijn van de werkelijke rechter, die niet oordeelt.
Als heel het universum op ons weegt, dan is er geen ander tegenwicht mogelijk dan God alleen – de Ware God, want valse goden dienen daarbij tot niets, zelfs als zij zich aan ons onder het mom van de Ware God tonen. Het boze is oneindig in de zin van het ongedetermineerde: stof, ruimte, tijd. Boven dit soort oneindigheid Staat alleen het werkelijk oneindige. Daarom is het kruis een weegschaal, waarop een broos en licht lichaam, maar dat God was, het gewicht van de hele wereld legt. « Geef mij een steunpunt, en ik zal de hele wereld opheffen ». (Archimedes). Dat steunpunt is het kruis. Er kan er geen ander zijn. Het moet zich bevinden op het snijpunt van de wereld en wat niet de wereld is. Het kruis is dat snijpunt.
HET ONMOGELIJKE
Het menselijk leven is onmogelijk. Maar alleen het ongeluk maakt dit voelbaar. Het onmogelijke goede : « Het goede brengt het kwade voort, het kwade het goede; wanneer zal dat eindelijk ophouden?
Het goede is onmogelijk. – Maar de mens heeft steeds zijn verbeelding tot zijn beschikking om de onmogelijkheid van het goede in ieder bijzonder geval te verbergen (het is voldoende om bij iedere gebeurtenis die onszelf niet verbrijzelt, een deel van het kwaad met een sluier te bedekken en er een fictief goed aan ‘toe te voegen – sommige mensen kunnen dat ook, zelfs als zij totaal verbrijzeld zijn) ; tegelijk om niet te moeten zien « hoezeer het wezen van het goede zich onderscheidt van dat van de noodzaak tenslotte om zelf te verhinderen, dat zij God ontmoeten zouden, die immers niet anders is dan het Goede zelf, dat op deze wereld nergens gevonden kan worden.
De begeerte is onmogelijk : zij vernietigt haar object. Geliefden kunnen niet een worden en Narcissus niet twee. Don Juan; Narcissus. Want het is niet mogelijk iets te verlangen, en daarom moeten wij het niets verlangen. Ons leven is onmogelijkheid, onzinnigheid. Ieder ding, dat wij willen is in tegenspraak met de omstandigheden of de gevolgen, die eraan vastzitten, iedere bevestiging sluit de tegengestelde bevestiging in en al onze gevoelens zijn vermengd met hun tegengestelden. Wij zijn tegenspraak, omdat wij schepsels zijn, en omdat  we God zijn en tegelijkertijd oneindig anders dan Hij.
Alleen de tegenspraak levert het bewijs, dat wij niet Alles zijn. De tegenspraak is onze ellende en het gevoel van onze miserie is het gevoel van de werkelijkheid. Want onze ellende fabriceren wij niet zelf. Zij is echt, en daarom moeten wij haar koesteren. Al de rest is inbeelding. De onmogelijkheid is de poort naar het bovennatuurlijke. Wij kunnen er slechts aankloppen. Een ander opent.
Wij moeten de onmogelijkheid ervaren om uit de droom te komen. In de droom bestaat geen onmogelijkheid. Alleen maar onmacht. Onze Vader, die in de hemelen. » Daar zit iets van humor in. Hij is wel jullie Vader, maar probeer eens Hem daarboven te gaan zoeken! Wij zijn precies even weinig in staat ons van de aarde te verheffen als een worm. En hoe kan hij nu naar ons toekomen zonder naar beneden te gaan? Er bestaat geen enkele manier om zich een betrekking tussen God en de mens voor te stellen, die zo onbegrijpelijk is als de Incarnatie.
De Incarnatie laat die onbegrijpelijkheid op evidente wijze zien. Zij is de meest concrete manier om te begrijpen, dat deze neerdaling onmogelijk is. En waarom zou zij -dan niet waarheid zijn?
De banden, die wij niet kunnen knopen, zijn getuigenis van het transcendente.
Wij zijn kennende, willende en liefhebbende wezens en zodra wij onze aandacht richten op objecten van kennis, wil en liefde, komen wij tot het duidelijke inzicht, dat er geen zijn, die mogelijk zijn: De leugen alleen kan als sluier dienen voor deze evidentie. Het bewustzijn van deze  onmogelijkheid dwingt ons om voortdurend het ongrijpbare te grijpen door alles wat wij begeren heen, door alles wat wij kennen en willen.
Wanneer iets, ondanks alle aangewende pogingen, onmogelijk lijkt te verkrijgen, dan wijst dat op een zich op dat niveau bevindende onoverschrijdbare grens en dus op de noodzakelijkheid van niveau te veranderen, een doorbraak van het plafond. Doorgaan met zich uit te putten op dat niveau betekent een degradatie. Beter is het die begrenzing te aanvaarden, haar te beschouwen en er heel de bitterheid van te proeven.
De vergissing als stimulans en bron van energie. Ik meen dat ik daarginds een vriend zie. Ik loop vlug naar hem toe. Wat naderbij gekomen, bemerk ik, dat het iemand anders, een onbekende is, Zo  verwarren wij ook het betrekkelijke met het absolute, en de geschapen dingen met God.
Alle bijzondere motieven zijn vergissingen. Alleen de energie, die door geen enkele stimulans geleverd wordt is de enig goede: gehoorzaamheid aan God, hetgeen neerkomt op gehoorzaamheid aan niets, voor zover God alles, wat wij ons kunnen voorstellen of begrijpen, te boven gaat. Dat nu is onmogelijk en noodzakelijk tegelijk – of anders gezegd : bovennatuurlijk.
Een weldaad. Een goede daad, als wij bij de vervulling ervan, ons bewust zijn, – en dat met geheel onze ziel, – dat een weldaad een absoluut onmogelijk iets is. Het goede doen. Maar wat ik wat ik doe, ik weet volmaakt zeker en duidelijk, dat het het goede niet is. Want iemand, die niet goed is, kan het goede niet doen. En « God alleen is goed.”
In welke toestand dan ook, en wat men ook doet, Den doet het kwade en bovendien een ondraaglijk kwaad. Wij moeten er om bidden, dat al het kwaad, dat wij verrichten, uitsluitend en direct op onszelf neerkomt. Dat is het kruis.
Goed is de daad, die wij kunnen verrichten, als wij aandacht en intentie volkomen gericht kunnen houden op het zuivere en onmogelijke goed, zonder ons in de leugen of in de aantrekkelijkheid van het onmogelijke van het zuivere goede te hullen.
Langs deze weg is de deugd volkomen analoog aan artistieke inspiratie. Schoon is het gedicht, dat men schrijft als de aandacht voortdurend gericht is op de onuitdrukbare inspiratie, voor zover zij onuitdrukbaar is.
TEGENSPRAAK
De tegenspraken, waartegen de geest opbutst, zijn de enige werkelijkheden en de enige criteria van de werkelijkheid. In het ingebeelde bestaat geen tegenspraak. De tegenspraak is de proef voor de noodzaak.
De tegenspraak, die tot in het diepst van het wezen gevoeld wordt, is het kruis en de uiteenrijting.
Wanneer de aandacht, gevestigd op een bepaald iets er de tegenspraak in aan de dag brengt, dan doet zich iets voor dat op losscheuren lijkt. Als wij op die weg volhardend verdergaan, komen wij aan de onthechting toe.
De voorstelbare correlatie tussen tegenstellingen en is het beeld van de transcendente correlatie der tegenspraken.
Ieder werkelijk goed houdt condities in, die met elkaar in tegenspraak zijn en is dus onmogelijk.
Wie zijn aandacht werkelijk gericht houdt op die onmogelijkheid en dan handelt, verricht het goede.
Zo houdt ook iedere waarheid een tegenspraak in.
De tegenspraak is de punt van de pyramide.
Het woord « goed », als term van de correlatie « goed-kwaad » heeft niet dezelfde betekenis als wanneer het dienst doet als uitdrukking om het wezen zelf van God aan te geven. In de ziel van heiligen bestaan tegengestelde deugden. De metafoor van de verheffing komt daarmee overeen. Als ik tegen de helling van een berg oploop, kan ik eerst een meer zien, en na nog enige stappen, een bos. Nu moet ik kiezen: of het meer, of het bos. Als ik meer en bos tegelijkertijd wil zien, moet ik hoger  klimmen. Maar de berg bestaat niet. Hij is van lucht gemaakt. Ik kan er niet tegenop klimmen: ik kan alleen maar omhooggetrokken worden.
Experimenteel ontologisch bewijs. Ik heb in mijzelf geen opstijgings-princiep. Ik kan niet in de lucht naar de hemel opklimmen. Alleen als ik mijn gedachten richt op iets beters dan ik zelf, dan kan dat iets mij omhoogtrekken. En als ik werkelijk omhooggetrokken wordt, dan is dat iets: werkelijkheid. Geen enkele ingebeelde volmaaktheid kan mij omhoog trekken, zelfs geen millimeter. Want een ingebeelde volmaaktheid bevindt zich automatisch op mijn eigen niveau, niet hoger en niet lager.
De uitwerking van die gedachteoriëntatie kan in geen enkel opzicht vergeleken worden met de suggestie. Als ik iedere morgen tegen mijzelf zeg.: ik ben moedig, ik ben niet bang, ik…dan kan ik moedig worden. Maar dat is dan een moed, die conform is aan .wat ik mij in mijn tegenwoordige toestand van onvolmaaktheid voorstel onder dat woord en wat dus een moed zal zijn, die deze onvolmaaktheid niet overschrijden zal. Het komt neer op een wijziging op hetzelfde niveau, maar niet op een verandering van niveau.
De tegenspraak is het criterium. De suggestie is niet genoeg om ons dingen te verschaffen, die onverenigbaar met elkaar zijn. Alleen de genade kan dat. Een zachtaardig iemand, die door suggestie moedig wordt, verhardt zich, ja, dikwijls amputeert- hij zichzelf en snijdt met een soort woeste vreugde die zwakheid uit zichzelf. Alleen de genade kan moed geven, waarbij de zachtaardigheid intact gelaten wordt, of ook zachtaardigheid, waarbij moed intact blijft.
De grote smart van de mens, die bij zijn geboorte begint en doorgaat tot aan zijn dood, is het feit, dat kijken en eten twee verschillende functies zijn. De eeuwige gelukzaligheid is een staat, waar kijken hetzelfde als eten is. Dat wij hierbeneden zien is niet echt, het is maar een decor. Wat wij eten wordt vernietigd en is dus niet meer echt.
De zonde heeft die scheiding in ons teweeggebracht.
De natuurlijke deugden – als wij het woord « deugd » in zijn authentieke betekenis nemen, dat wil zeggen, met uitsluiting van de sociale imitaties van de deugd – zijn als voortdurende geesteshouding alleen mogelijk voor iemand, die de bovennatuurlijke genade in zich bezit. Hun duur is dan  bovennatuurlijk.
Tegenstellingen en tegenspraken. Wat de verhouding der tegenstellingen kan doen om het natuurlijk
wezen te raken, dat kunnen de samengedachte tegenspraken bereiken om God te raken. De mens die door God geïnspireerd is, is een mens, die gedragingen, gedachten en gevoelens heeft, welke onderling door een onvoorstelbare band gebonden zijn.
Pythagoreische gedachte: Het goede wordt altijd gedefinieerd door de vereniging van tegenstellingen. Als iemand het tegendeel van een kwaad voorstaat, blijft hij steeds op het niveau van dat kwaad. Want als hij het ervaren heeft, komt hij weer terug naar dat eerste. Dat noemt de Gita : « De dwaling verwekt door de tegenstellingen. » De marxistische dialectiek is een zeer sterk gedegradeerde en volkomen valse kijk daarop.
Verkeerde vereniging van tegenstellingen. Het arbeiders-imperialisme zoals het door het marxisme ontwikkeld is. Latijnse spreekwoorden over de brutaliteit van zojuist vrijgemaakte slaven. Brutaliteit en dienstbaarheid worden alleen maar door wederkerige invloed erger. Oprechte anarchisten, die door de mist heen het principe van de vereniging der contrasten half begrepen hebben, meenden, dat door aan de verdrukten macht te geven, het kwaad vernietigd zou worden. Dat is een onmogelijke droom. Wat is er dan voor specifieks in de verkeerde en de goede vereniging van tegenstellingen? De verkeerde – want leugenachtige, vereniging van contrasten is de vereniging die plaats vindt op het niveau zelf, waarop die contrasten zich bevinden. Zo dus bijvoorbeeld het verlenen van macht en overheersing aan onderdrukten: wij komen niet buiten de cirkel : onderdrukkingoverheersing.
De juiste vereniging van tegenstellingen kan alleen maar plaats hebben op het niveau daarboven.
Zo wordt . de oppositie : overheersingonderdrukking losgeknoopt op het niveau van de wet, die het evenwicht is. Ook het lijden – en dat is zijn eigenlijke functie – scheidt vereende tegenstellingen om ze weer te verenigen op een niveau dat ligt boven dat van hun aanvankelijke vereniging. De stoot van smart en vreugde. Maar automatisch heeft de vreugde altijd tenslotte de overhand. Smart is geweld, vreugde zachtheid, maar toch is de vreugde de sterkste van de twee. De vereniging van tegenspraken is uiteenscheuring, en zij kan slechts ten koste van de uiterste pijn plaatshebben…
De correlatie van tegenspraken is onthechting. De gehechtheid aan een bepaald iets kan alleen vernietigd worden door een heterogene gehechtheid. Daarom luidt het ook : « Hebt uw vijanden lief.. . Wie zijn vader en moeder niet haat.. . “ 0fwel wij hebben de tegenstellingen aan ons onderworpen, ofwel wij zijn zelf eraan onderworpen. Gelijktijdige bestaanbaarheid van onverenigbare dingen in de gedragingen van de ziel ; een weegschaal, die tegelijkertijd naar twee kanten doorbuigt : dat is de heiligheid, de verwerkelijking van de microcosmos, de nabootsing van de orde van de wereld.
Gelijktijdig bestaan van tegengestelde deugden in de ziel, bij wijze van tang om God te grijpen.
Ik moet bepaalde wetten van de menselijke conditie trachten te vinden en te formuleren, waaruit vele dingen zullen blijken, die op bijzondere gevallen een helder licht werpen. Zo bijvoorbeeld : wat geheel. boven is weerspiegelt wat geheel beneden is, maar transponeert het.
Verwantschap van het kwaad met de kracht en met het zijn ; verwantschap van het goede met de zwakheid, met het niets. En tegelijk is het kwaad ook ontbering. Trachten te belichten, hoe tegenspraken waar schijnen te zijn. Onderzoeksmethode: zodra wij iets gedacht hebben, nagaan in hoever het tegengestelde waar is.
Het kwaad is de schaduw van het goed. Ieder reel goed, dat soliditeit en dikte bezit, projecteert het kwaad. Alleen schijn-goed werpt geen schaduw, en geen kwaad. Als iemand het goede wil doen en niet tegelijk het corresponderende kwaad om zich heen wil verspreiden, dan is hij verplicht – aangezien ieder goed vastzit aan een kwaad – dit op zichzelf te concentreren, omdat het kwaad onvermijdelijk is. En zo impliceert het verlangen naar het volmaakt zuivere goed, dat wij voor onszelf de hoogste graad van ongeluk aanvaarden.
Als wij uitsluitend het goede verlangen, dan bevinden wij ons in tegenspraak met de wet, die het echte goede ,bindt aan het kwaad, zoals het verlichte voorwerp vastzit aan zijn schaduw ; en aangezien wij in tegenspraak zijn met de universele wereldwet, is het onvermijdelijk, dat wij in het ongeluk storten.
Het geheim van Christus’ Kruis schuilt in een tegenspraak, want het is op hetzelfde ogenblik een vrijwillig offer 6n een straf, die hij volkomen tegen zijn wil ondergaan heeft. Als wij er alleen maar het offer in zien, zouden wij zoiets ook voor onszelf best kunnen wensen. Maar het is onmogelijk een straf te willen, die wij ondanks onszelf en tegen onze wil ondergaan.
DE AFSTAND TUSSEN NOODZAAK EN GOED
De noodzaak is Gods sluier.
God heeft alle fenomenen zonder uitzondering aan het mechanisme van de wereld toevertrouwd.
Zoals er in God de analogie van alle menselijke deugden is, zo ook die van de gehoorzaamheid.
Dat is het vrije spel, dat hij in deze wereld aan de noodzaak overlaat.
De noodzaak is het voor het verstand bevattelijke beeld van Gods onverschilligheid en onpartijdigheid.
Zo is het gewone begrip van het wonder een soort goddeloosheid (nl. het te zien als een feit, dat geen tweede oorzaak, maar slechts een eerste « Causa » zou bezitten).
De afstand tussen noodzaak en goed is de afstand zelf tussen schepsel en schepper.
De afstand tussen noodzaak en goed. Iets om zonder ophouden in overweging te nemen. Het is de grote ontdekking van de Grieken. De val van Troje heeft hun dat zonder twijfel geleerd. Iedere poging om het kwaad te rechtvaardigen, anders dan door vast te stellen: het is zo, is een afbreuk van deze waarheid. Wij streven er slechts naar om het ondraaglijke juk van het paar: goed-kwaad van ons af te wentelen, de last, die Adam en Eva op zich genomen hebben. Om dat te bereiken moeten wij ofwel het wezen van de noodzaak en dat van het goed vereenzelvigen, ofwel uit deze wereld weggaan.
Om het kwaad te louteren bestaat alleen maar God, of het sociale beest. De zuiverheid loutert het kwaad. De kracht ook, maar heel anders. Aan wie alles kan, is alles geoorloofd. Wie in dienst Staat van een almachtige, kan alles door hem. Het geweld en de kracht kunnen ons van het tegenstellingen-paar: goed-kwaad verlossen. Zij bevrijden hen, die ze toepassen en zelfs hen, die ze ondergaan. Een meester bezit iedere vrijheid, een slaaf eveneens. Aan de kant van het handvest en van de punt verlost het zwaard van de verplichting, die het ondraaglijke gewicht uitmaakt. De genade verlost er ook van, maar slechts door de noodzaak heen. Aan de limiet ontsnappen wij slechts door naar de eenheid te stijgen, of door af te dalen naar het ongelimiteerde. De begrenzing is het getuigenis van Gods liefde.
De verwachting van het nabije einde van de wereld heeft de houding van de primitieve Kerk bepaald. Dit geloof verwekte in hen de «vergetelheid betreffende de afstand, die de noodzaak van het goede scheidt. De afwezigheid van God is het wonderlijkste getuigenis van de volmaakte liefde, en daarom is de noodzaak (de anangke!), maar dan de noodzaak die kennelijk onderscheiden is van het goede, zo schoon.
Het onbegrensde is de beproeving van het enkelvoudige. De tijd, die van het eeuwige. Het mogelijke, van het noodzakelijke. De variatie, van het niet-variërende. De waarde van een wetenschap, van een kunstwerk, van een moraal of van een ziel worden gemeten naar de graad van weerstand bij deze beproeving.
TOEVAL
De wezens, die ik liefheb, zijn schepsels. Zij zijn door het toeval geboren. Mijn ontmoeting met hen is eveneens een toeval. Zij zullen sterven. Wat zij denken, wat zij voelen en wat zij doen is beperkt en gemengd met goed en kwaad. Dit moeten wij met heel onze ziel begrijpen en hen er toch niet minder om liefhebben. Wij moeten God nadoen, die eindige dingen oneindig liefheeft, omdat zij oneindig zijn.
Wij zouden willen, dat alles, wat waarde bezit, eeuwig duurt. Maar alles, wat waarde heeft, is de vrucht van een ontmoeting, zijn duur wordt erdoor bepaald en houdt op, wanneer datgene, wat in contact kwam, gescheiden wordt. Dat is de centrale gedachte in het boeddhisme (de idee van Heraclites). En zij voert recht naar God toe. De overweging van het toeval, dat mijn vader en mijn moeder elkander heeft laten ontmoeten is nog heilzamer dan de overweging van de dood.
Is er in mij een enkel iets, dat zijn oorsprong niet vindt in deze ontmoeting ? God alleen. Maar zelfs zijn idee van God heeft zijn oorsprong in die ontmoeting. Vooruitgangstheorieen, de theorie over « het genie, dat altijd doorbreekt » komen voort uit het feit, dat het een ondraaglijke gedachte is om zich voor te stellen, dat wat het kostbarste op deze wereld is, aan het toeval overgeleverd zou zijn. Het moet overwogen worden, juist omdat het ondraaglijk is. Dat is de schepping zelf.
Het enige goed, dat niet aan het toeval onderworpen is, is het goede, dat buiten deze wereld bestaat.
De verwondbaarheid van kostbare dingen is schoon, omdat verwondbaarheid een bewijs van bestaan is.
Verwoesting van Troje. De val van bloesemblaren. Bewustzijn, dat het kostbaarste niet in het bestaan geworteld is. Dat is prachtig. Waarom? Omdat het de ziel buiten de tijd werpt.
Als een vrouw een kind verlangt, dat wit is als sneeuw en rood als bloed, krijgt zij het wel, maar zij sterft en het kind wordt aan een stiefmoeder overgeleverd. Sterren, en fruitbomen in bloei. De  duurzaamheid en de uiterste broosheid geven beide het gevoel van de eeuwigheid.
DIE WIJ BEMINNEN MOETEN, IS AFWEZIG
God kan in de schepping alleen tegenwoordig zijn door zijn afwezigheid. Het kwaad en Gods onschuld. God moet op een oneindige afstand geplaatst worden, willen wij hem onschuldig aan het kwaad zien ; omgekeerd wijst het kwaad erop, dat wij God op een oneindige afstand moeten plaatsen.
Voor zover deze wereld volkomen leeg van God is, is zij God zelf. De noodzaak, voor zover absoluut anders als het goede, is het goede zelf. Daarom is iedere vertroosting in het ongeluk verwijdering van liefde en waarheid. Dat is het grootste van alle mysteries. En als wij dat bereikt hebben, zijn wij in veiligheid.
« In de verlaten woestijn van het Oosten.. . Wij moeten in een woestijn zijn. Want, die wij liefhebben, is afwezig. Wie zijn leven legt in zijn geloof aan God, kan zijn geloof verliezen. Maar wie zijn leven legt in God zelf, die zal zijn geloof nooit verliezen. Wij moeten dus ons leven leggen in wat wij in het geheel niet kunnen bereiken. En dat is onmogelijk, het is een manier van dood zijn. En dat moet nu juist. Niets van wat bestaat is de liefde volkomen waardig.
Wat niet bestaat moet dus bemind worden. Maar dat voorwerp van liefde, dat niet bestaat, is geen fictie. Want onze ficties zijn niet meer liefde waardig dan wij zelf, die haar niet waardig zijn.
onderwerping aan en instemming met het goede, niet aan een of ander grijpbaar, voorstelbaar goed, maar onvoorwaardelijke onderwerping aan het absolute goed. Door ons te onderwerpen aan wat wij ons als het goede voorstellen, onderwerpen wij ons aan een mengsel van goed en kwaad ; en die instemming brengt goed en kwaad voort: de verhouding van goed en kwaad in ons verandert niet.
Maar de onvoorwaardelijke onderwerping daarentegen aan het goed, dat wij ons niet kunnen en ook nooit zullen kunnen voorstellen, is een zuiver goed en brengt alleen maar het goede voort, en het is alleen maar nodig, dat het blijft duren, opdat tenslotte de ziel in haar geheel niet anders dan goed is.
Het geloof – opgevat als een bovennatuurlijke interpretatie van het natuurlijke – is een « gissing naar analogie » gebaseerd op bovennatuurlijke ervaringen. Zo veronderstellen zij die het voorrecht van de mystieke contemplatie bezitten en die daarbij Gods barmhartigheid ervaren hebben, dat de geschapen wereld een werk van barmhartigheid is, omdat God barmhartig is. Maar om die barmhartigheid direct vast te stellen in de natuur, moeten wij ons blind, doof en harteloos maken, om te geloven, dat wij dat kunnen. Joden en Mohammedanen zijn dan ook meedogenloos, omdat zij in de natuur bewijzen van de goddelijke barmhartigheid willen aantreffen. Christenen trouwens ook, dikwijls. De mystiek is daarom de enige bron van de deugd van menselijkheid. Want: niet geloven, dat er achter het gordijn van deze wereld een oneindige barmhartigheid bestaat of geloven, dat die barmhartigheid v&r het gordijn te vinden is, maken wreed.
Er zijn vier getuigenissen van de goddelijke barmhartigheid op aarde. De gunsten die God schenkt aan de menselijke wezens, die de gave van contemplatie hebben (deze staat bestaat en maakt deel uit van hun ervaring van schepselen). De uitstraling van die wezens en hun meelijden, bewijs van de goddelijke meedogenheid in hen. De schoonheid van de wereld. En het vierde getuigenis is de volkomen afwezigheid van barmhartigheid op aarde.
Juist door deze antithese, die uiteenscheuring van de defecten van de genade in ons, de schoonheid van deze wereld en de onverbiddelijke noodzaak, die het universum regeert, voelen wij God tegelijk aanwezig voor de mens en als volmaakt onherleidbaar tot menselijke maatstaven.
Menswording. God is zwak, omdat hij onpartijdig is. Hij zendt zijn zon en zijn regen over goeden en slechten. Er is overeenkomst tussen de onverschilligheid van de Vader en de zwakheid van Christus. Het rijk der hemelen is gelijk een mosterdzaadje. . God wijzigt niets aan iets. Christus werd gedood, uit razernij, omdat hij alleen maar God was.
Als ik zou denken, dat God mij het lijden door een wilsact en voor mijn welzijn zendt, dan zou ik geloven iets te zijn en dan zou ik het voornaamste gebruik, dat van het lijden gemaakt moet worden, nl. eruit te leren, dat ik niets ben, verwaarlozen. Iets dergelijks moet ik dus niet denken. Maar ik moet God liefhebben door het lijden heen.
Ik moet leren er van te houden om niets te zijn. Wat verschrikkelijk zou het zijn, als ik iets was! Ik moet mijn niet-zijn liefhebben, ik moet het niet-zijn liefhebben. Dat wil zeggen met dat deel van de ziel, dat aan de andere kant van het gordijn ligt, want het deel van de ziel, dat waarneembaar is voor het bewustzijn kan het niets niet liefhebben ; het heeft er zelfs een afschuw van. Als dit deel van de ziel meent het niets lief te hebben, gaat het om iets anders dan het niets.
God zendt het ongeluk gelijkelijk naar bozen en goeden, zoals regen en zon. Hij heeft het geluk niet uitsluitend voor Christus voorbehouden. Hij treedt met het menselijk wezen als zodanig slechts in contact door de zuiver spirituele genade, die de op haar gerichte blik beantwoordt in precies dezelfde mate, waarin het individu ophoudt individu te zijn. Niets, wat van God komt is een gunst, behalve alleen de genade.
De communie is goed voor de goeden en slecht voor de slechten. Zo zijn de verdoemde zielen in het paradijs, maar voor hen is het paradijs de hel.
De smartelijke kreet : waarom? klinkt door heel de Ilias heen. Uitleg geven aan de smart, betekent haar troosten; zij dient dus niet verklaard te worden. Vandaar de bij uitstek grote verdienste van onschuldig lijden. Het gelijkt dan op de aanvaarding van het slechte in de schepping door God, die onschuldig is.
Het onherleidbare karakter van het lijden, waardoor men zich niet weerhouden kan het te verafschuwen in de ogenblikken, dat men het ondergaat heeft ten doel de wil tot stilstand te brengen, zoals het absurde het verstand remt en zoals de verwijdering de liefde doodt, opdat de mens, als hij aan het einde van zijn menselijke faculteiten gekomen is, de armen uitstrekt, Stil blijft staan, ziet en wacht.
« Hij spot met het ongeluk van onschuldigen ». Gods stilzwijgen. Het lawaai op aarde bootst die stilte na : het bedoelt niet iets te zeggen.
Pas als wij in het diepst van ons wezen behoefte hebben aan een geluid, dat wel iets zegt, als wij schreeuwen om een antwoord en als wij dat antwoord niet krijgen, raken wij Gods zwijgen.
Gewoonlijk tracht onze verbeelding woorden te leggen in geluiden, zoals wij, lui en bijwijze van spel, vormen trachten te zien in rookwolken. Maar als wij te afgemat zijn en geen moed meer hebben om te spelen, hebben wij echte woorden nodig. Wij schreeuwen om die woorden. Die kreet verscheurt ons binnenste. Maar wat wij verkrijgen is stilte.
Sommige mensen beginnen als krankzinnigen tegen zichzelf te praten, als zij eenmaal door die fase zijn. Wij dienen alleen maar medelijden met hen te hebben, wat zij daarna ook gaan doen. Anderen, maar zij zijn gering in aantal, schenken heel hun hart aan de stilte.
LOUTEREND ATHEÏSME
Gevallen van Ware tegenstrijdigheden. God bestaat, God bestaat niet. Waar ligt het probleem Ik ben er beslist van overtuigd, dat er een God bestaat, in die zin, als waarin ik er beslist zeker van ben, dat mijn liefde geen illusie is. Ik ben volkomen zeker, dat er geen God is, in die zin, waarin ik er volkomen zeker van ben, dat er niets reëels gelijkt op wat ik kan begrijpen, wanneer ik die naam uitspreek. Maar dat ik niet begrijpen kan, is geen illusie.
Er zijn twee atheïsmen waarvan het een een zuiverstelling is van het begrip God.
Misschien heeft alles wat slecht is nog een ander aspect en wel dat van de loutering op de weg naar het goede en nog een derde, die het hoogste goed is.
Drie aspecten, die duidelijk onderscheiden moeten worden, want er schuilt een groot gevaar in hen dooreen te halen, zowel voor het denken als voor het praktisch leven.
Van twee mensen, die geen van beiden de ervaring van God hebben, is misschien degene die hem loochent nog het dichtst bij hem.
De valse God, die in ieder opzicht op de werkelijke gelijkt behalve dat men hem niet bereiken kan, sluit voor altijd de toegang tot de waarheid af. Ik moet geloven in een God, die volkomen lijkt op de ware, behalve dat hij niet bestaat want wij zijn niet op een punt, waar God bestaat.
De dwalingen van onze eeuw liggen in een christendom zonder bovennatuur. Het laïcisme is er de oorzaak van – en voorop het humanisme.
In zoverre de godsdienst een bron van vertroosting is, betekent hij een hinderpaal voor het waarachtige geloof: en in die zin is het atheïsme een loutering. Ik moet atheïst zijn met dat deel van mijn ziel, dat niet voor God gemaakt is. Bij de mensen, wier bovennatuurlijk deel niet gewekt is, hebben de atheïsten gelijk en de gelovigen ongelijk.
Een man, wiens hele gezin de marteldood gestorven is, en die zelf lange tijd gemarteld is in een concentratiekamp; of een Indiaan, die als eenling in de 16e  eeuw ontsnapt is aan de uitroeiing van zijn volk: dergelijke mensen – zo zij al aan Gods barmhartigheid geloofd hebben -, geloven er niet meer in, of hebben er een geheel andere opvatting van als voordien. Ik heb door dergelijke verschrikkingen niet behoeven te gaan. Maar ik weet, dat zij bestaan: waar is dan het verschil?
Ik moet ernaar streven om van de goddelijke barmhartigheid een opvatting te verkrijgen, die niet vervaagt, die niet verandert, welke gebeurtenis het lot mij ook op mijn weg stuurt, en die meegedeeld kan worden aan welk menselijk wezen ook.
AANDACHT EN WIL
Het is niet belangrijk om nieuwe dingen te leren begrijpen, maar wel om met geduld, inspanning en methode evidente waarheden met heel zijn wezen te leren doorgronden. Verschillende niveaus van geloof. De meest doodgewone waarheid wordt tot een openbaring, als zij de gehele ziel in beslag neemt.
Wij moeten pogen onze fouten te verbeteren niet door de wil, maar door onze geestelijke aandacht.
De wil heeft slechts vat op zeer enkele bewegingen van een paar spieren, die verbonden zijn met de verplaatsing van dicht bijzijnde objecten. Ik ben in staat om mijn hand plat op tafel te willen leggen. Indien inwendige zuiverheid, inspiratie of waarheid in het denken, noodzakelijk met acten van dit soort te vereenzelvigen waren, dan zouden zij object van een wilsdaad kunnen zijn. Aangezien dit niet waar is, kunnen wij slechts erom smeken. En als wij erom smeken, getuigen wij tegelijk van ons geloof in een vader in de hemel.
Waar is het punt, waar wij op moeten houden hen te verlangen? En wat is er Erger? De innerlijke smeekbede is de enig-verstandige, want zij verhindert dat spieren, die niets met de zaak te maken hebben, zich spannen. Wat is er immers dwazer dan Spieren te spannen en kaken opeen te klemmen, als het om de deugd, poëzie of de oplossing van een vraagstuk gaat? Maar de concentratie van onze aandacht is heel iets anders.
De hoogmoed is zo ’n spierspanning. De genade ontbreekt aan een hoogmoedige, evenals « gratie ». Gevolg van een fout. In haar hoogste vorm is de aandacht hetzelfde als bidden. Zij vooronderstelt geloof en liefde.
Aandacht zonder de geringste bijmenging is gebed.
Als wij ons verstand op het goede richten, dan kan het niet anders of onze hele ziel wordt er langzaam en ondanks zichzelf toe getrokken. De sterkste concentratie van aandacht vertegenwoordigt bij de mens zijn vermogen tot scheppen, en er bestaat geen Sterke aandacht, die niet godsdienstig is. De hoeveelheid scheppend genie in een bepaalde eeuw is volstrekt evenredig aan de hoeveelheid aandachts-concentratie, dus authentieke godsdienstzin in die eeuw.
Een verkeerde manier van zoeken: de aandacht verbonden aan een probleem. Dit is nog een verschijnsel van de afschuw voor de leegte. Wij willen niet, dat een inspanning tevergeefs geweest is. Hardnekkig de jacht volhouden. Wij moeten niet willen vinden: evenals in het geval van een buitensporige toewijding, worden wij afhankelijk van het object van onze inspanning.
Wij hebben een van buiten komende beloning nodig, die het toeval ook dikwijls verschaft en die wij bereid zijn te aanvaarden, zelfs ten koste van de misvorming van de waarheid. Alleen de wensloze inspanning (die dus niet vastzit aan het object) draagt vast en zeker haar beloning in zichzelf.
Terugdeinzen voor het object, dat wij najagen. Alleen het indirecte is effectvol. Wij bereiken niets, als wij niet eerst achteruitgelopen zijn. Door aan de druiventros te trekken, vallen de druiven op de grond.
Er bestaan inspanningen, die het tegenovergestelde effect van het nagestreefde doel opleveren (voorbeeld: verzuurde kwezelvroomheid, vals ascetisme, sommige genegenheden) . Andere zijn steeds nuttig, ook al bereiken zij hun doel niet. Hoe daar nu onderscheid bij te maken? Misschien zo: de eerste gaan gepaard met een (leugenachtige) negatie van de innerlijke miserie. De anderen met een gerichtheid van de aandacht op de afstand, die er bestaat tussen wat wij zijn en wat wij zouden willen.
De liefde onderricht goden en mensen, want niemand leert zonder verlangen om te leren. De waarheid wordt niet zozeer nagestreefd om der waarheid wille, maar omdat zij een goed is. De aandacht is verbonden aan het verlangen. Niet aan de wil dus, maar aan het verlangen. Of nog nauwkeuriger: aan de innerlijke bereidheid…
Wij maken in onszelf energie los. Maar zonder ophouden hecht zij zich opnieuw vast. Hoe kunnen wij haar in haar geheel vrijmaken ? Wij moeten er naar verlangen, dat dit in ons gebeurt.
Het werkelijk wensen. Eenvoudig het wensen, maar niet proberen het zelf te volbrengen. Iedere poging in die richting wordt immers duur betaald en is vergeefs. En bij dit werk moet alles, wat «ik» geheten wordt, passief blijven. Alleen de aandacht, en wel een zo volledig geconcentreerde aandacht, dat het ik verdwijnt, wordt van mij gevraagd. Alles wat «ik» heet, moet van het licht der aandacht beroofd worden en ik moet haar uitsluitend op het onvatbare richten.
Het vermogen om eens en voor altijd een gedachte te verjagen is de toegang tot de eeuwigheid. En wel het oneindige in één enkel ogenblik.
Wat betreft de bekoringen moeten wij het voorbeeld volgen van de zeer kuise vrouw, die geen antwoord geeft aan de verleider, als hij tot haar spreekt; en doet, alsof zij hem niet hoort.
Wij moeten onverschillig zijn tegenover het goede en tegenover het kwade maar door onverschilligheid, dat wil zeggen door in dezelfde mate het licht van onze aandacht op het een, zowel als op het ander te werpen, behaalt het goede, door een automatisme, de overhand. Dat is werkelijk: genade. Het is definitie, criterium van het goede.
Een goddelijke inspiratie werkt onfeilbaar, onweerstaanbaar, als wij er onze aandacht niet van aftrekken of haar weigeren. Er is geen sprake van een keuze, die te harer gunste uitvalt. Voldoende is: niet weigeren te erkennen, dat zij is.
De liefdevol tot God gekeerde aandacht (of, in geringere mate, tot alles, wat werkelijk schoonheid bevat) maakt sommige dingen onmogelijk. Dat is de niet-handelende actie van het gebed in de ziel. Er bestaan bepaalde gedragingen, die deze aandacht zouden omsluieren, als zij zouden voorkomen, en die, omgekeerd, deze aandacht verhinderen en onmogelijk maken.
Zodra er een punt van de eeuwigheid, een partikeltje oneindigheid in onze ziel woont, blijft er niets anders te doen over dan het te beschermen en te bewaren, want het wordt vanzelf groter, als een graankorrel. Wij moeten er een gewapende lijfwacht om opstellen, die onbeweeglijk blijft staan; en haar in leven houden door de contemplatie van waarden en vaste, onschokbare hiërarchische verhoudingen.
Het onveranderlijke in de ziel wordt in leven gehouden, door de contemplatie van het onveranderlijke in het lichaam.
Schrijven gebeurt op dezelfde manier als baren; het is niet mogelijk, niet de hoogste krachtsinspanning te verrichten. Op dezelfde manier handelt men. Ik behoef niet bang te zijn om niet die uiterste inspanning te volbrengen, op voorwaarde, dat ik mijzelf niet bedrieg en dat ik mijn aandacht scherp gespannen houd.
De dichter brengt iets schoons voort, door zijn aandacht op het werkelijke gericht te houden. Hetzelfde geldt voor de liefde. De wetenschap, dat die man daar, die honger en dorst lijdt, even werkelijk bestaat als ik, is voldoende. De rest volgt vanzelf.
Authentieke waarden, die werkelijk zuiver zijn; het goede en het kwade in de activiteit van een menselijk wezen ontstaan door een en dezelfde act: een zekere toepassing van de volheid van de aandacht op het object.
Het onderwijs moest eigenlijk alleen ten doel hebben: de voorbereiding voor de mogelijkheid van een dergelijke act, door de oefening van de aandacht.
Alle andere voordelen van het onderwijs zijn zonder belang.
Studies en geloof. Aangezien het gebed aandacht in zijn puurste vorm is en studies alleen een gymnastiek voor de aandacht vormen, moet iedere school-oefening de weerkaatsing van het geestelijk leven zijn. Methode is nodig daarbij. Een bepaalde manier om een Latijnse vertaling te maken, een bepaalde methode voor oplossing van meetkundige problemen (en niet deze of gene manier) vormen een gymnastische oefening voor de aandacht, die haar steeds meer geschikt maken voor het gebed.
Een methode om beeldspraak, symbolen enz. te begrijpen: Niet proberen ze te interpreteren, maar ze zolang bezien, tot het licht eruit ontspringt. In het algemeen is de methode om het verstand te oefenen: kijken.
Deze methode dient toegepast te worden om onderscheid te maken tussen realiteit en illusie. Bij zintuiglijke waarneming verplaatst men zich al kijkend, als men niet heel zeker is van wat men ziet, en de werkelijkheid treedt te voorschijn. Bij het innerlijk leven neemt de tijd de plaats van de ruimte in. Met het voortgaan van de tijd veranderen wij en als wij door die veranderingen heen, onze blik gevestigd houden op hetzelfde ding, verdwijnt tenslotte de illusie en het werkelijke komt naar voren. Voorwaarde is, dat aandacht: zien is en niet gehechtheid.
Waar een strijd bestaat tussen de wil, verbonden aan een verplichting en een slecht verlangen, dan wordt de aan het goede verbonden energie afgesleten. De pijnlijke beet van het verlangen moet passief gedragen worden, als een smart, waarbij men zijn ellende ervaart en de aandacht moet op het goede gericht blijven. Dan heeft er een opgang plaats op de ladder van energie-kwaliteiten.
Aan de verlangens hun energie ontnemen, door hun oriëntatie in de tijd op hoger plan te brengen.
Onze verlangens zijn oneindig in wat zij nastreven, maar beperkt door de energie, waaruit zij voortkomen. Met de hulp van de genade kunnen wij ze beheersen en door ze af te slijten, vernietigen. Zodra wij dat duidelijk ingezien hebben, hebben wij ze in feite overwonnen, als wij tenminste de aandacht in voortdurend contact met deze waarheid weten te houden.
Video meliora… In deze Staat, lijkt men het goede te denken, en men denkt het ook in zekere zin, maar de mogelijkheid ervan wordt niet gedacht.
De leegte, die men vastgrijpt in de tang van de tegenspraken, is onbetwistbaar de leegte van boven, want wij grijpen haar des te beter vast, naarmate wij de natuurlijke vermogens van verstand, wil en liefde scherpen. De lage leegte is die, waarin wij neerstorten, als wij onze natuurlijke vermogens zich laten atrophieeren.
De ervaring van het transcendente: dat lijkt een tegenspraak te zijn en toch kan het transcendente slechts gekend worden door het contact, want onze vermogens kunnen het niet zelf fabriceren.
Eenzaamheid. Uit wat bestaat de prijs daarvoor? Want wij zijn in tegenwoordigheid van de simpele materie (zelfs de hemel, de sterren, de maan, de bloeiende bomen), van dingen die (misschien) van minder waarde zijn dan een menselijke geest. Wel, de prijs, de beloning ervoor bestaan in een hogere en betere mogelijkheid van aandachtsbepaling. Als wij even aandachtig konden zijn in tegenwoordigheid van een mens…!
Wij kunnen van God slechts één ding weten: dat Hij is, wat wij niet zijn. Alleen onze ellende is er een beeld van. Hoe meer wij die beschouwen, des te beter wij hem beschouwen…
De zonde is niet anders dan de miskenning van de menselijke ellende. Dat is onbewuste ellende en daardoor alleen de schuld. De geschiedenis van Christus is het experimentele bewijs ervoor, dat de menselijke ellende onherleidbaar is, en dat is bij de mens tonder enige zonde, even groot is ‘als bij de zondaar. Alleen is zij duidelijk belicht…
De kennis van de menselijke ellende is moeilijk voor de rijke en de machtige, omdat zij er onoverwinnelijk van overtuigd zijn, dat zij iets zijn. Maar ook voor de ellendige is zij moeilijk vatbaar, omdat hij onoverwinnelijk geneigd is te geloven, dat de rijke en de machtige iets zijn.
Niet de fout op zichzelf vormt de doodzonde, maar de mate van licht, die er in de ziel woont, op het ogenblik, dat de fout, welke deze ook zij, gemaakt wordt.
De zuiverheid is het vermogen om de bezoedeling te beschouwen.
De hoogste zuiverheid is bij machte zowel het zuivere als het onzuivere te beschouwen; de onzuiverheid kan noch het een noch het ander: de eerste maakt haar bang, en de tweede absorbeert haar. Zij heeft een mengsel van beide van node.
DRESSUUR
Het mogelijke moet volbracht worden om het onmogelijke te bereiken. De juiste beoefening, conform aan de taak van de natuurlijke vermogens (wil, liefde en kennis), is ten opzichte van geestelijke realiteiten precies wat de beweging van het lichaam is met betrekking tot de perceptie van zintuiglijk waar te nemen dingen. Een lamme kan niet tasten.
De vervulling van een strikt menselijke plicht is, van dezelfde orde als correctheid bij schrijven, vertalen, rekenen enz. Die correctheid verwaarlozen betekent een gebrek aan eerbied voor het object. Zo ook een plicht veronachtzamen.
Alleen dingen die betrekking hebben op inspiratie kunnen door uitstel groter worden en gevoed worden. Maar dingen, die met natuurlijke plichten en met de wil samenhangen, lijden geen uitstel.
Voorschriften worden niet gegeven om beoefend te worden, maar de praktijk wordt voorgeschreven om de voorschriften te begrijpen. Zij zijn als toonladders. Bach kan men niet spelen zonder toonladders geoefend te hebben. Maar de toonladder wordt niet gespeeld omwille van de toonladder.
Dressuur, training. – Bij elke ongewilde hoog moedige gedachte; die in ons opkomt, moeten wij enige ogenblikken de aandacht volledig richten op de herinnering aan een in het verleden ondergane vernedering, en daaruit de bitterste en de ondraaglijkste kiezen.
Wij moeten niet trachten, in ons zelf verlangens, afkeer, vreugde en smart te veranderen of zelfs uit te roeien. Wij moeten ze passief ondergaan, zoals kleurindrukken en zonder hun meer waarde dan deze toe te kennen. Als het venster in mijn kamer rood is, kan ik mijn kamer niet anders dan roze gekleurd zien, al zou ik een jaar doorbrengen met erover te piekeren. Ik weet trouwens, dat het noodzakelijk, billijk en goed is, dat ik haar aldus zie. En tegelijk ken ik die kleur, in zoverre als zij een te mijner kennis gekomen feit is, slechts een beperkt belang toe, beperkt door mijn kennis omtrent haar verband met het venster. Zo moeten wij ook begeerten, afkeer, vreugde en smart, van welk soort zij ook mogen zijn, aanvaarden en niet anders.
Maar daar wij in ons ook een geweldsprinciep bezitten, moeten wij in beperkte mate, maar dan in de volheid van die beperkte mate, gewelddadig gebruik maken van dit geweldsprinciep;  dus onszelf dwingen om zo te handelen, alsof wij een bepaalde begeerte, een bepaalde afkeer niet hebben, zonder evenwel te proberen onze sensibiliteit te overreden, door haar te forceren om te gehoorzamen. Want dan komt zij in opstand, en die opstand moet ook passief ondergaan worden, zij moet geproefd en genoten worden en aanvaard als iets van buiten komend, zoals de roze kleur van het vertrek, dat een rood venster heeft.
Telkens als wij ons in deze geest geweld aandoen, maken wij geringe of ook veel vooruitgang, maar in ieder geval werkelijk voortgang in het dressuurwerk van het beest in ons.
Die geweldpleging op zichzelf moet, wel te verstaan, uitsluitend middel blijven, wil zij werkelijk dienen als dressuur. Als wij een hond dresseren om er een « geleerde » hond van te maken, dienen wij hem geen zweepslagen toe om hem te slaan, maar om hem te dresseren en wij slaan hem dus alleen, als hij een bepaald kunststukje slecht uitvoert. Als wij hem zonder enig systeem slaan, maken wij hem tenslotte ongeschikt voor iedere dressuur. En ditzelfde doet zich voor bij een verkeerd ascetisme.
Geweldpleging op ons zelf is alleen geoorloofd, als het verstandig gebeurt (en met het doel om, wat wij ons als een plicht voorstellen, ook goed uit- te voeren) – of ook, als het ons opgelegd wordt door een onweerstaanbare drang van de genade (maar in dat geval komt het geweld niet uit onszelf voort).
De bron van mijn moeilijkheden ligt in het feit, dat ik onder het niveau van normale activiteit blijf door uitputting en gebrek aan vitale energie. En als iets mij pakt en meesleept, bevind ik mij er boven. Dan lijkt het me tijdverkwisting om mijn activiteit voor dagelijkse dingen te gebruiken. In andere tijden zou ik mijzelf geweld moeten aandoen, een geweld, dat mij niet gelukt uit mijzelf te halen.
Ik zou genoegen kunnen nemen met de anomalie van de gedraging, die daaruit voortvloeit. Maar ik weet, ik geloof te weten tenminste, dat ik het niet moet doen. Want het betekent, dat zij nalatigheidsfouten tegenover anderen meebrengt.
En wat mijzelf betreft: zij sluit mij in een gevangenis op.
Welke methode moet ik dan toepassen?
“eav thelys dunasai me kai arison” “Indien gij wilt kunt gij mij zuiveren”
Ik moet mij erin oefenen, het gevoel van een inspanning te verrichten, om te zetten in het passieve gevoel van lijden. Ofschoon ik dit bezit, ben ik wel gedwongen, als God mij het lijden toezendt, om alles, tot de laatste droppel te lijden, wat er te lijden valt. Waarom handel ik dan niet op dezelfde manier, als het om een plicht gaat, door alles te doen, wat er te doen valt?
Bergen, rotsen, valt op ons en verbergt ons voor de toorn van het Lam. Want die toorn verdien ik op dit ogenblik.
Ik mag niet vergeten, dat influisteringen, die mij afhouden van de vervulling van eenvoudige en gemakkelijke taken, van de verkeerde kant komen, volgens de H. Johannes van het Kruis. De plichten zijn ons gegeven om het ik te doden. En zo ’n prachtig werktuig laat ik roesten! Wij moeten onze plicht vervullen op het voorgeschreven ogenblik, om te kunnen geloven aan de realiteit van de wereld buiten ons.
Wij moeten geloven aan de realiteit van de tijd. Anders dromen wij.
Jarenlang ben ik mij bewust van die zwarte vlek in mij, sinds jaren ook erken ik er het belang van en sinds jaren doe ik niets om hem te verwijderen. Welke verontschuldiging zou ik daarvoor kunnen laten gelden? En is die fout niet groter geworden sinds mijn tiende jaar? Maar hoe groot ook, zij is eindig. En dat is genoeg. Als zij zo groot is, dat ik de mogelijkheid niet heb om haar uit te vlakken in dit leven en zij mij dus verhindert om de Staat van volmaaktheid te bereiken, dan dien ik dat te aanvaarden, zoals alles wat is, met een met liefde gepaarde gaande wil tot aanvaarding. Het is voldoende als ik weet, dat zij bestaat, dat zij slecht en dat zij eindig is. Effectief weten echter, dat deze drie zo zijn en dat zij gelijktijdig zijn, sluit echter begin en voortzetting zonder enige onderbreking van het proces van zelfverloochening in. Als dit proces niet op een of andere wijze kenbaar wordt, is dat een bewijs, dat ik niet eens weet, wat ik nu op dit ogenblik neerschrijf.
De nodige energie is in mijzelf aanwezig, want ik heb er om te leven. Ik moet die uit mij rukken, al zou ik erdoor moeten sterven.
Er is geen ander evenzo volmaakt criterium van het goede en het kwade als het ononderbroken innerlijk gebed. Alles wat dat niet onderbreekt is geoorloofd, alles wat het onderbreekt, verboden. Het is onmogelijk om een ander kwaad te berokkenen, als men in die Staat van gebed handelt. Op voorwaarde, dat het een werkelijk gebed is. Maar voor iemand tover komt, moet hij zijn wil stuk gesleten hebben op de inachtneming van de regels.
De hoop is de wetenschap, dat het kwade, dat in ons woont, eindig is en dat de geringste oriëntatie van onze ziel op het goede, ook al duurt die slechts een seconde, er een weinig van vernietigt.
Voorts, dat op geestelijk terrein, uit ieder goed onfeilbaar het goede voortspruit. Wie dat niet weten, zijn onderworpen aan de Danaïdenkwelling.
Onfeilbaar spruit uit het goede het goede voort en uit het kwade het kwaad, op zuiver geestelijk terrein. Daarentegen brengen op natuurlijk terrein (met inbegrip van het psychologische) goed en kwaad elkander afwisselend en wederzijds voort. Daarom bestaat er pas zekerheid, als wij geestelijk terrein hebben weten te bereiken – en dat is juist het gebied, waar niemand iets uit zichzelf kan voortbrengen en waar alles van elders verwacht wordt.
VERSTAND EN GENADE
Wij weten, door middel van het intellect, dat wat het intellect niet (be-)grijpen kan, werkelijker is dan wat het begrijpt.
Het geloof is het ervaringsbewijs ervoor, dat het verstand verlicht wordt door de liefde. Alleen het verstand moet door de middelen, die het eigen zijn: vaststelling en bewijsvoering, de voorrangsplaats van de liefde erkennen. Het moet zich slechts onderwerpen, wanneer het de reden weet waarom, en dat op een volmaakt heldere en scherpe wijze. Zonder dat, is haar onderwerping een dwaling en waaraan zij zich onderwerpt is ondanks het er op geplakte etiket, iets anders als de bovennatuurlijke liefde. Het kan bijvoorbeeld de sociale invloed zijn.
Op het gebied van het intellect is de deugd van nederigheid niet anders dan het vermogen van aandachtsconcentratie.
De valse nederigheid leidt tot de overtuiging, dat men niets is, gezien van het eigen ik uit of als bepaald menselijk wezen.
De Ware nederigheid is het inzicht, dat men niets is, gezien als menselijk wezen en, in het algemeen, als schepsel.
Het intellect draagt daartoe grotelijks bij. Het universele moet begrepen kunnen worden.
Wanneer wij naar Bach of naar een gregoriaanse  melodie luisteren, richten zich alle zielsvermogens vermogens zwijgend op het begrijpen’ van een dergelijke volmaakt schone zaak, ieder op zijn wijze. Onder andere dus ook het intellect: maar hij treft er niets aan, dat bevestigd of ontkend zou moeten worden en het trekt er dus alleen zijn voedsel uit.
Moet het geloof nu niet juist een totale, instemmende gerichtheid zijn van dit soort?
De mysteries van het geloof worden op een te laag niveau geplaatst als men er object van instemming of ontkenning van maakt, terwijl zij uitsluitend voorwerp van contemplatie moeten zijn.
De bevoorrechte rol van het intellect op het gebied van de waarachtige liefde spruit voort uit de natuur van het intellect zelf, en die bestaat uit het feit, dat zij iets is, dat zichzelf uitvlakt, naarmate het zichzelf oefent. Ik ben in staat inspanning te verrichten om de waarheden te benaderen, maar als zij eenmaal daar zijn, zijn zij en ik speel er zelfs geen enkele rol meer in.
Niets bevindt zich dichter bij de Ware nederigheid dan het intellect. Het is ons niet mogelijk trots op ons intellect te zijn, wanneer wij het werkelijk oefenen. Als wij het oefenen, zijn wij er niet aan vastgebonden. Want wij weten, dat de waarheid doorgaat met te bestaan, ook al zouden wij op dit ogenblik en voor de hele rest van ons verdere leven zwakzinnig worden.
De mysteries van het katholieke geloof zijn er niet om door alle delen van de ziel geloofd te worden. De tegenwoordigheid van Christus in de Hostie is niet een feit van dezelfde orde als de aanwezigheid van de ziel van Piet in het lichaam van Piet (beide zijn trouwens volkomen onbegrijpelijk, maar niet op dezelfde manier).
De Eucharistie moet dus niet geloofsobject vormen voor dat deel van mijzelf, dat feiten begrijpt. Daarin heeft het protestantisme gedeeltelijk gelijk. De tegenwoordigheid van Christus in de Hostie is echter geen symbool, want een symbool is de combinatie van een abstract iets van een beeld, iets dus, wat de mens zich in zijn verstand kan voorstellen, en derhalve niet bovennatuurlijk.
Daarin hebben de katholieken gelijk en niet de Protestanten. Alleen het deel van ons ik, dat voor het bevatten van het bovennatuurlijke gemaakt is, moet deze geheimen aanhangen.
Het aandeel van het intellect – het deel van ons wezen dus, dat instemt en ontkent, dat opinies uit – bestaat uitsluitend uit onderwerping. Alles, wat ik als waar kan begrijpen is minder waar, dan de dingen, waarvan ik de waarheid niet vatten kan, maar die ik liefheb. De Heilige Johannes van het Kruis noemt het geloof: een diepe nacht. Bij de mensen, die een christelijke opvoeding gehad hebben, hechten de lagere delen van de ziel zich aan die mysteries, terwijl zij er eigenlijk geen enkel recht toe bezitten. Daarom hebben juist zij een loutering van node, waarvan de heilige Johannes van het Kruis de verschillende etappen beschrijft. Atheïsme en ongelovigheid vormen een equivalent van deze loutering.
De lust tot het ontdekken van het nieuwe, ongekende verhindert het denken om stil te blijven staan bij de transcendente, niet voorstelbare betekenis van wat al ontdekt is. Ik heb niet de geringste aanleg tot zulk een lust en dat is een grote gunst, die ik ontvangen heb. Erkende en aanvaarde afwezigheid van intellectuele gaven dwingt iemand tot de onbaatzuchtige beoefening van het intellect.
Het object van onze onderzoekingen moet niet met bovennatuurlijke zijn, maar de wereld. Het bovennatuurlijke is het licht en als wij er een object van maken, brengen wij het op een te laag niveau.
De wereld is een tekst, die voor verschillende betekenissen vatbaar is en wij gaan van de ene in de andere interpretatie over door werken. Een werk, waaraan het lichaam steeds deel heeft, op de manier waarop men het alfabet leert of een vreemde taal: dat alfabet moet in de hand gaan zitten, alleen door het voortdurend schrijven van letters. Daarbuiten is iedere wijziging in de manier van denken illusoir.
Er bestaat geen keuze tussen verschillende meningen: wij moeten ze alle aanvaarden, maar ze dan verticaal opstellen, ieder op het passende niveau.
Zo bijvoorbeeld: toeval, noodlot, Voorzienigheid.
Het intellect kan nooit doordringen tot in het mysterie, maar het kan rekenschap afleggen van de woorden, die er uitdrukking aan moeten geven, en van de toepasbaarheid daarvan. Dat kan het trouwens alleen. Om het verstand daarvoor te gebruiken, moet het scherper, indringender, preciezer en strikter, vooral veeleisender zijn, dan voor elk ander ding.
De Grieken geloofden, dat alleen de waarheid paste op dingen van goddelijke aard, en niet de vergissing of het ten naaste bije, en wanneer iets deze goddelijke aard bezat, maakte hen dat nog veeleisender waar het nauwkeurigheid betrof.
(Wij doen precies het omgekeerde, gedeformeerd als wij zijn door voortdurende propaganda). Zij hebben de strikte bewijsvoering uitgevonden, omdat zij in de meetkunde een goddelijke openbaring zagen.
Een méér dan wiskundige nauwkeurigheid moet nagestreefd worden op het gebied van de verhoudingen tussen de mens en het bovennatuurlijke; nog preciezer, dan zuiver wetenschappelijke methoden.
Het rationele in cartesiaanse zin, dus het mechanisme of de menselijk voorstelbare noodzaak, moet overal daar voorondersteld worden, waar het mogelijk is, om licht te kunnen werpen op datgene, wat er niet toe herleid kan worden.
Het gebruik van het verstand maakt de dingen doorzichtig voor de geest. Maar het transparante kan men niet zien. Het dichte kan gezien worden door het transparante heen, Want het ondoorzichtige was verborgen, zolang het doorzichtige niet doorzichtig was. Op een venster kunnen alleen de stofjes of het landschap achter het venster gezien worden, maar, nooit het venster zelf. Stof wegnemen dient alleen om het landschap beter re zien. De rede moet haar functie slechts uitoefenen met het doel om de Ware mysteries te bereiken, de realiteiten die onbewijsbaar en daarom reëel zijn. Het onbegrepene verbergt het onbegrijpbare en dient om die reden geëlimineerd te worden.
De wetenschap moet in onze dagen derhalve een inspiratiebron zoeken, die boven haar ligt, wil zij niet ondergaan.
Er zijn maar drie punten van belang bij de wetenschap: 1. praktische toepassingen van de techniek; 2. het schaakspel; 3. de weg naar God. (Het schaakspel wordt aantrekkelijk gemaakt door wedstrijden, prijzen en medailles).
Pythagoras. Alleen deze mystieke conceptie van de meetkunde heeft een voldoende graad van aandacht kunnen opleveren, die nodig was voor de eerste stappen van deze wetenschap. Algemeen wordt immers erkend, dat de astronomie voortgesproten is uit de astrologie en de scheikunde uit de alchimie. Deze verwantschap wordt echter als een vooruitgang gekenmerkt, terwijl het een afname van de aandacht is. Astrologie en alchimie, voorzover zij transcendent zijn, zijn de contemplatie van eeuwige waarheden in de symbolen, die sterrebeelden en combinaties van elementen opleveren. Astronomie en scheikunde zijn er degradaties van. Astrologie en alchimie, voor zover zij « zwarte kunst » zijn, vormen er nog lagere degradaties van. Volheid van de aandacht is slechts te vinden in de godsdienstige geestelijke concentratie.
Galilei. Aangezien de moderne wetenschap als basis de rechtlijnige, ongelimiteerde beweging had, en niet meer de cirkelvormige, kon zij niet langer een brug naar God zijn.
Er is nooit een filosofische schoonmaak gehouden in de katholieke godsdienst. Maar om dat te kunnen doen, zou men er in en erbuiten moeten zijn.
INTERPRETEREND LEZEN (« LECTURES »)
Anderen. Ieder menselijk wezen (beeld van onszelf) zien als een gevangenis, waarin een gevangene woont, met heel het universum rondom hem.
Electra, dochter van een machtig vader, tot slavernij gebracht, verwacht haar redding van haar broer. Zij ziet een jonge man, die haar de dood van haar broer aankondigt – en, op het ogenblik van haar diepste wanhoop, blijkt het dat deze jonge man haar broer is. « Zij meenden, dat het de tuinman was ». In een onbekende zijn broer herkennen, in het universum God herkennen…
Gerechtigheid. Voortdurend bereid zijn om toe te geven, dat een ander iets anders is dan wat wij in hem lezen, wanneer hij ter plaatse is (of als wij aan hem denken). Of liever nog, eruit lezen, dat hij zeker iets anders is, misschien heel iets anders, als wat wij in hem lezen.
Ieder mens schreeuwt in stilte om anders gelezen te worden.
Wij lezen in anderen, maar wij worden ook door anderen gelezen. Onderlinge storing van die interpretaties. Iemand dwingen om zich zelf te lezen, zoals wij hem lezen (slavernij). Anderen dwingen om ons te lezen, zoals wij onszelf lezen (verovering). Mechanisme. Meestentijds, gesprek tussen doven.
Naastenliefde en onrecht worden alleen door interpretering gedefinieerd, en daardoor ontsnappen zij aan iedere mogelijkheid tot definitie.
Het wonder bij de goede moordenaar was niet, dat hij aan God dacht, maar dat hij God erkende in de man, die naast hem hing. Voor het kraaien van de haan erkende Petrus God niet meer in Christus.
Anderen laten zich voor valse profeten doden, in wie zij, ten onrechte, God lezen.
En wie kan er zich op beroemen, dat hij juist leest?
Wij kunnen ongerecht zijn, door onze wil om het recht te schenden of door verkeerde interpretatie van het recht. Meestal is dit laatste het geval. Hoe groot moet onze liefde voor de gerechtigheid zijn om ons te vrijwaren voor die verkeerde interpretatie?
Welk verschil is er tussen de gerechte en de ongerechte, als beide zich altijd overeenkomstig het recht gedragen, dat zij « lezen »?
Jeanne d’Arc: die thans prat gaan op haar, zouden haar destijds bijna allen veroordeeld hebben. Haar rechters hebben echter niet de heilige, de maagd, enz; veroordeeld, maar de heks, de ketterse, enz.
Oorzaak van verkeerde beoordeling: publieke opinie van haar tijd aflezen. Maar zij voelde zich niet buitengewoon zeker. En Christus…  Bij fictieve morele kwesties, is laster afwezig.
Welke hoop kan de onschuld hebben, als zij niet erkend wordt?
Lectuur. Het interpreterend lezen – behalve een bepaalde aandachtskwaliteit – gehoorzaamt aan de wet van de zwaartekracht. Wij lezen opinies, die door de zwaartekracht gesuggereerd worden (overwegend aandeel van de hartstochten en van het sociale conformisme in de oordelen, die wij hebben omtrent mensen en gebeurtenissen).
Met een betere aandachts-kwaliteit, kunnen wij de zwaartekracht zelf en verschillende Systemen van mogelijk evenwicht lezen.
Boven elkander geplaatste lezingen: achter de sensatie de noodzaak lezen, achter de noodzaak de ordening der dingen, en achter deze God…
« Oordeelt niet ». Christus zelf oordeelt niet. Hij is het oordeel. De lijdende onschuld als maatstaf.
Oordeel, perspectief. In die zin oordeelt ieder oordeel degene, die het uitspreekt. Niet oordelen. Dat is geen onverschilligheid of onthouding, maar transcendent oordeel, nabootsing van het goddelijk oordeel, dat ons onmogelijk is.
DE RING VAN GYGES
Andere beschavingen. De gebreken die er aankleven worden dikwijls aangehaald als bewijs voor de ontoereikendheid van de godsdiensten, waaraan zij gebonden zijn. Toch zouden wij gemakkelijk in de twintig eeuwen geschiedenis van Europa minstens even grote gebreken vinden.
De vernietiging van Amerika door massale uitroeiing, die van Afrika door de slavernij en de massamoorden in het Zuiden van Frankrijk wegen wel op tegen de homosexualiteit in Griekenland of de orgiën van het Oosten. Gezegd wordt evenwel, dat deze gebreken in Europa bestonden ondanks de volmaaktheid van het Christendom en in andere streken, vanwege de onvolmaaktheid van de godsdienst.
Dit is een voorbeeld bij uitstek van het mechanisme in de dwaling, en dat waard is om lang overwogen te worden. Er wordt een distinctie gemaakt. Want bij de beoordeling van India of Griekenland, wordt het kwaad in verbinding gebracht met het goede. Bij de beoordeling van het christendom echter neemt men het kwaad afzonderlijk.’
Het gevaar schuilt juist daarin, dat dit onderscheid maken gebeurt zonder dat men het weet. Ofwel, die distinctie wordt gemaakt door een wils-act, wat nog erger is, een wat steelse wils-act, ietwat ondanks onszelf. En daarna weten wij niet meer, dat wij het gedaan hebben. Wij willen het niet weten, en op grond van het niet willen weten, komen wij zover, dat wij het niet meer kunnen weten.
Dit vermogen tot opzijzetten maakt mijn baan voor alle misdaden. Voor alles, wat buiten het domein van de opvoeding en de dressuur ligt, waar deze vaste bindingen gemaakt heeft, ligt daar de sleutel voor totale vrijheid van handelen. En dat geeft de mensen ook die onsamenhangende, onlogische gedragingen, in het bijzonder telkens als er sprake is van sociale en collectieve sentimenten (oorlog, haat tussen naties en klassen, patriotisme van een partij, van een kerk, enz.) Alles wat onder de prestige-dekmantel van een sociaal iets gebeurt, wordt ergens anders gezet en onder bepaald opzicht aan de rest onttrokken.
Die sleutel wordt eveneens gebruikt, als wij toegeven aan de aantrekkingskracht van het genot. Ik maak er gebruik van, als ik de vervulling van een plicht de ene dag na de andere uitstel. Ik maak een scheiding tussen die verplichting en het wegvloeien van de tijd.
Niets dient meer nagestreefd te worden, dan het weggooien van die sleutel. Wij moeten die sleutel op de bodem van een diepe put werpen, waar wij haar onmogelijk weer kunnen terugvinden.
De ring van Gyges, die hem onzichtbaar maakt: dat is nu precies wat wij doen met dit opzij zetten. Onszelf en de misdaad, die wij begaan als iets afzonderlijks beschouwen, er geen verband tussen zien, geen binding tussen beide maken.
Die sleutel, die ring van Gyges weggooien betekent nu juist een daad, die specifiek aan de wil eigen is. Het is de smartelijke en blindelingse weg buiten de spelonk.
Gyges. Ik ben koning geworden en de andere koning is vermoord. Geen enkel verband tussen deze beide dingen. Dat is de ring.
Een fabrieksdirecteur: Ik heb bepaalde pleziertjes, die mij veel geld kosten en mijn werklui lijden honger. Hij kan teer oprecht medelijden hebben met zijn arbeiders en toch geen enkel verband tussen beide dingen leggen.
Er ontstaat namelijk nooit een verband, als het denken het niet te voorschijn brengt. Twee en twee blijven eindeloos twee en twee, als het denken ze niet bij elkaar voegt om er vier van te maken.
Wij haten mensen, die ons er toe zouden willen brengen verband te leggen, waar wij het niet willen doen.
De gerechtigheid bestaat daarin, dat wij tussen analoge zaken, in hun homothetische termen een identiek verband leggen, zelfs als sommige van die zaken ons persoonlijk aangaan en voor ons voorwerp van gehechtheid vormen.
Deze deugd vindt zijn juiste plaats ergens tussen het natuurlijke en bovennatuurlijke. Zij hoort thuis in het gebied van de wil en van het klare intellect, dus in de spelonk (want onze klaarheid zijn juist de duisternissen) maar het is niet
mogelijk zich er staande te houden zonder eerst door het licht gegaan te zijn.
ZIN VAN HET UNIVERSUM
Wij zijn een deel dat het geheel moet nabootsen.
De Atman. Dat de ziel van een mens als lichaam het gehele universum neme. Dat er tussen haar en het hele universum hetzelfde verband besta als tussen een verzamelaar en zijn verzameling, en als tussen een der Soldaten die stierven met de kreet: « Leve de Keizer ! » en Napoleon. Buiten het eigen lichaam wordt de ziel hooggeheven in iets anders. Dat zij zich dan verheffe tot heel het universum.
Ons vereenzelvigen met het universum zelf. Alles wat minder is dan het universum is onderworpen aan het lijden.
Ik kan dan wel sterven, maar het universum gaat door. En het brengt mij geen  troost, als ik iets anders ben dan het universum. Maar als het universum voor mijn ziel een ander lichaam is, dan heeft mijn dood voor mij niet langer enige betekenis meer dan de dood van een onbekende. Hetzelfde geldt voor mijn lijden.
Dat het gehele universum voor mij, in verband met mijn lichaam, niet anders zij, als wat de stok van een blinde voor zijn hand is. Zijn tast-vermogen schuilt inderdaad niet meer in zijn hand, maar in het puntje van zijn stok. Er is echter een leerschool voor nodig. Onze liefde beperken tot het ene, zuivere subject en haar uitstrekken tot het gehele universum, is precies hetzelfde.
De verhouding tussen onszelf en de wereld door deze oefenschool zo wijzigen, als de arbeider de verhouding tussen zichzelf en het werktuig verandert.
Verwonding: het hele vak dringt het lichaam binnen. Dat ieder lijden het hele universum in ons lichaam late binnendringen. Gewoonte, handigheid: overdracht van het bewustzijn op een ander object als het eigen lichaam. Of dit object nu het universum, de jaargetijden, de zon of de sterren zij.
De verhouding tussen lichaam en werktuig verandert in de leertijd. De verhouding tussen lichaam en wereld moet gewijzigd worden. Dit is geen losmaken, alleen wijziging van gehechtheid. Zich aan alles hechten.
Door iedere sensatie heen, het universum voelen. Wat doet het er dan nog toe of dat genot of smart is? Als een geliefd wezen onze hand in de zijne klemt, na langdurige afwezigheid, wat doet het er dan toe of hij onze hand zo vast grijpt, dat het pijn doet?
Er is een graad van lijden, waarbij men de wereld verliest. Maar daarna komt de vrede. En als het paroxysme terugkomt, dan komt ook weer daarna de verstilling. Die graad zelf wordt wachten op de vrede, als men het begrepen heeft en snijdt dientengevolge het contact met de wereld niet af.
Er zijn twee uiterste grens-tendenzen: het ik ten voordele van het universum vernietigen of het universum vernietigen ten voordele van het ik. Iemand, die er niet in geslaagd is om niets te worden, loopt het gevaar een ogenblik te bereiken, waarop alle andere dingen buiten hem ophouden te bestaan.
Uiterlijke noodzaak of dwingende innerlijke behoefte, zoals de ademhaling. « Laat ons centrale adem worden ». Zelfs als een pijn aan de borst de ademhaling uiterst moeilijk maakt, ademen wij toch, omdat wij niet anders kunnen.
Het ritme van het leven aanpassen aan dat van de wereld, zich deze band voortdurend bewust zijn en ook de voortdurende wisseling van de stof voelen, waardooi de mens in deze wereld baadt.
Iets, wat niets een menselijk wezen kan ontnemen, zolang hij leeft: als beweging waar de wil vat op heeft, de ademhaling; als waarneming, de ruimte (zolang als wij leven, nemen wij de ruimte waar, zelfs in een kerker, zelfs als de ogen uitgestoken en de trommelvliezen doorgestoken zijn).
Daaraan de gedachten verbinden, die wij in geen enkele omstandigheid wensen te verliezen. De naaste liefhebben als zichzelf betekent nog niet alle wezens gelijkelijk te beminnen, want ik houd niet op dezelfde wijze van alle bestaanswijzen van mijzelf. Evenmin hen nooit te laten lijden, want ik verzet mij er niet tegen om mijzelf te laten lijden. Maar met ieder hunner de verhouding hebben, die er bestaat tussen twee verschillende manieren om het universum te denken en niet een deel van het universum.
Een gebeurtenis in de wereld niet aanvaarden komt neer op het verlangen, dat de wereld niet bestaat. Dit nu ligt in mijn vermogen ; als ik het pril, verkrijg ik het. Ik ben dan een abces van de wereld.
Wensen uiten in de sprookjes : er zit aan de verlangen deze gevaarlijke kant : zij worden verhoord. De wens, dat de wereld niet bestaat betekent de wens, dat ik, zoals ik ben, alles zij.
Moge het hele universum, vanaf dit keisteentje aan mijn voeten, tot de verst verwijderde sterren voor mij op ieder ogenblik even sterk bestaan,
als Agnes voor Arnolphe of het geldkistje voor Harpagon.
Als ik wil kan de wereld mij toebehoren zoals de schat toebehoort aan de vrek.
Maar zij is een schat, die niet toeneemt.
Dat onherleidbare «ik», dat de onherleidbare basis van mijn lijden vormt, moet ik universeel maken.
Wat geeft het, dat er nooit vreugde in mij is, als er eeuwig volmaakte vreugde in God is! Hetzelfde geldt voor de schoonheid, het intellect en alle dingen.
Ons zieleheil te verlangen is verkeerd, niet omdat het egoïstisch is (het ligt niet in de macht van den mens om egoïstisch te zijn), maar omdat het een oriëntering van de ziel op een enkele speciale mogelijkheid is, in plaats van op de volheid van het zijn en in plaats van op het-goede, dat geen voorwaarden kent.
Alles wat ik verlang bestaat, heeft bestaan of zal ergens bestaan. Want ik kan niets geheel verzinnen. Dientengevolge kan ik niet anders als volledig voldaan zijn.
Ik kon mijzelf niet weerhouden hem mij levend in te denken en mij zijn woning voor te stellen als een plaats, die mij de mogelijkheid gaf tot goede gesprekken met hem. Het bewustzijn van zijn dood veroorzaakte een afgrijselijk gevoel van verlatenheid. Een kilte als van metaal. Wat kon het mij uitmaken, dat er nog andere mensen waren, die ik lief kon hebben? De liefde die ik hem toedroeg, die vergezeld ging van innerlijke ontwikkelingsmogelijkheden en van uitwisselingen, die slechts met h6m plaats konden hebben, was zonder object geworden. Nu echter stel ik mij hem niet langer levend voor en zijn dood is mij niet meer onverdraaglijk. De herinnering aan hem is mij zoet. Er waren echter anderen, die ik toen niet kende, en wier dood op mij dezelfde uitwerking zou hebben.
D… is niet dood, maar de vriendschap, die ik voor hem had is dood, en wordt vergezeld door een gelijksoortige smart. Hij is niet meer dan een schim.
Dezelfde transformatie kan ik mij echter niet voorstellen voor X…, Y… en Z…, die mij, nog kort geleden niet bekend waren.
Zoals ouders zich niet kunnen voorstellen dat hun kind drie jaar geleden niets was, zo kunnen wij ons niet voorstellen, dat wij geliefde wezens niet altijd gekend hebben.
Ik geloof dat ik niet op de juiste manier liefheb, anders zouden de dingen in mij anders verlopen. Mijn liefde zou niet aan een paar wezens gehecht zijn. Zij zou klaar staan voor alles wat verdient bemind te worden. « Weest volmaakt, zoals uw hemelse vader … » Hebt lief, zoals de zon verlicht. Wij moeten onze liefde tot onszelf terugbrengen, om haar over alles te kunnen uitbreiden. Alleen God heeft alle dingen lief en hij heeft slechts zichzelf lief.
In God liefhebben, is heel wat moeilijker dan men denkt.
Ik kan heel het universum met mijn ellende bevlekken en haar toch niet merken of in mij verzamelen.
De splijting tussen inbeelding en feit verdragen.
“Ik lijd”. Dat is beter dan “dit landschap is lelijk”.
Niet er naar streven zijn eigen gewicht in de wereldbalans te veranderen – de goudweegschaal van Zeus.
De koe in haar geheel geeft melk, ook al wordt zij alleen uit de uier gemolken. Zo is ook de wereld voortbrengster van heiligheid.
METAXU’S
Alle geschapen dingen verzetten zich er tegen, voor mij doeleinden te vormen. Dat is wel de hoogste uiting van barmhartigheid van God te mijnen opzichte. En het is tevens het kwaad. Het kwaad is de vorm, die in Gods barmhartigheid deze wereld aanneemt.
Deze wereld is de gesloten deur. Een slagboom. En, tegelijkertijd, de doorgang.
Twee gevangenen, in aangrenzende cellen, onderhouden met elkander verbinding door kloppen op de muur. Die muur scheidt hen van elkaar, maar stelt hen tevens in staat met elkander te corresponderen. Zo is het ook met ons en God. Iedere scheiding is een verbinding.
Door heel ons verlangen naar het goede in een bepaald ding te stellen, maken wij daarvan een voorwaarde van ons bestaan. Maar daarom maken wij er nog geen goed van. Wij willen altijd iets anders dan bestaan.
Het wezenlijke van geschapen dingen is, dat zij middelaars zijn. Zij zijn dat  onderling, het ene naar het andere, en dat eindeloos. Zij zijn het eveneens naar God. Als zodanig dienen wij ze te controleren, aan de tand te voelen.
De brug der Grieken. – Wij zijn er de erfgenamen van. Maar het gebruik ervan kennen wij niet meer … Wij hebben gedacht dat het was om er huizen op t e bouwen. Wij hebben wolkenkrabbers opgericht, waar wij steeds maar meer verdiepingen aan toevoegen. Wij hebben vergeten, dat het bruggen zijn, dingen gemaakt om er overheen te gaan, en wij hebben vergeten, dat wij daarlangs naar God gaan.
Alleen wie God . met een bovennatuurlijke liefde bemint, kan middelen ook alleen maar als middelen beschouwen.
De macht (en het geld, het passe-partout van de macht) is het middel bij uitstek. Daarom is het ook het hoogste doel voor al degenen, die niet begrepen hebben.
Deze wereld, die het domein van de blinde noodzaak is, biedt ons absoluut niets anders aan dan middelen. Onze verlangens worden zonder ophouden van het ene naar het andere middel gestuurd, als een biljartbal.
Alle verlangens zijn in tegenspraak met elkaar, precies als het verlangen naar voedsel. Ik zou willen dat degene die ik bemin, mij bemint. Maar als hij mij met hart en ziel toegewijd is, bestaat hij niet meer, en ik houd op hem te beminnen. En in zoverre hij mij niet geheel toegewijd is, bemint hij mij niet voldoende. Honger en verzadiging.
De begeerte is slecht en leugenachtig, maar zonder de begeerte zouden wij het absoluut waarachtige, het ongelimiteerd waarachtige niet nastreven. Wij moeten er dus doorheen. Wee hen, wien de uitputting deze aanvullende energie ontneemt, die de bron van de begeerte is.
Wee hen, die de begeerte verblindt.
Het verlangen moet aan de as tussen twee polen opgehangen worden.
Wat is heiligschennis om te vernietigen? Niet wat laag is, Want het is van geen belang. Ook niet wat hoog is, want al zouden wij het wil wij kunnen het niet bereiken. Maar de mexatu.
De mexatu’s zijn het gebied van goed en kwaad.
Geen menselijk wezen mogen wij beroven van zijn mexatu, dat wil zeggen, van zijn betrekkelijke, gemengde goederen (huis, vaderland, tradities, cultuur enz.) die de ziel voeden en verwarmen en zonder welke, buiten de heiligheid, geen menselijk leven mogelijk is.
De echte aardse goederen zijn mexatu. Wij kunnen slechts eerbied voor de bezittingen van anderen hebben in de mate, waarin wij onze eigen bezittingen uitsluitend als mexatu beschouwen, hetgeen insluit, dat wij reeds op weg zijn naar het punt, waarop wij ze missen kunnen. Om bijvoorbeeld eerbied te hebben voor het vaderland van anderen, moeten wij van ons eigen vaderland geen afgod, maar een trap naar God maken.
Alle vermogens spelen vrij en zonder vermenging, vanaf het één-(heids-)principe. Dat is een nabootsing van de wereld, de microkosmos. Christus volgens Sint Thomas. De Gerechte in « de Staat ». Als Plato spreekt over de specialisatie, dan spreekt hij over de specialisatie van de vermogens in de mens en niet over die van de mensen zelf; hetzelfde geldt voor de hiërarchie. Het tijdelijke, dat slechts zin heeft door en voor het geestelijke, maar niet vermengd is met het geestelijke. Het leidt ertoe langs de weg van de nostalgie en door ons boven onszelf te verheffen.
Zo is het tijdelijke een brug, een mexatu. En het is de roeping van Griekenland en van de Provence.
Griekse beschaving. Geen verheerlijking van het geweld. Het tijdelijke was slechts een brug. In de verschillende zielestaten werd niet de intensiteit maar de puurheid gezocht.
SCHOONHEID
Schoonheid is harmonie tussen toeval en goed.
Het schone is de noodzaak, die gehoorzaamt aan het goede, terwijl het aan zijn eigen wet, en alles aan deze, gehoorzaamt.
Object van de wetenschap: het schone (dat wil zeggen : orde, proportie, harmonie) voor zover bovenzinlijk en noodzakelijk.
Object van de Kunst: het waarneembare schone, gezien door het netwerk van toeval en kwaad heen.
Het schone in de natuur: samensmelting van de zintuiglijk-waarneembare indruk en het bewustzijn van noodzaak. Het moet zo zijn (in de eerste plaats) en zie, het is zo.
De schoonheid bekoort het vlees om aldus de Bestemming te krijgen tot de ziel door te dringen. ‘ Onder vele andere eenheden van tegenstelling sluit het schone ook die van het korte ogenblik en de eeuwigheid in.
Het schone is wat beschouwd kan worden.
Een beeld, een schilderij kunnen wij urenlang beschouwen.
Het schone is iets, waarop men zijn aandacht kan richten.
Gregoriaanse muziek. Wanneer wij dezelfde dingen iedere dag en jarenlang zingen, dan wordt, wat maar even onder de grens van de hoogste volmaaktheid ligt, onverdragelijk en schakelt zichzelf uit.
De Grieken kijken naar hun tempels. Wij kunnen de aanwezigheid van de beelden in het Luxemburg-park alleen maar uithouden, omdat wij er nooit naar kijken.
Een schilderij, dat opgehangen kan worden in de cel van een tot levenslang veroordeelde, en dat geen verschrikking voor hem wordt; integendeel.
Het onbeweeglijke toneel is het enige, dat werkelijk schoon is. De tragedies van Shakespeare zijn van de tweede rang, behalve Lear. Die van Racine zijn derderangs, behalve Phèdre. Die van Corneille zijn x-te rangs…
Een kunstwerk heeft een maker, en toch heeft het iets wezenlijk anoniems, als het volmaakt is. Het imiteert het anonieme in de goddelijke kunst. Zo bewijst de schoonheid in de wereld het bestaan van een God, die tegelijk persoonlijk en onpersoonlijk is, en noch het een, noch het ander.
Het schone bezit een vleselijke aantrekkingskracht die op afstand houdt en tegelijk een ontzegging inhoudt. Met inbegrip van de ontzegging van het aller-innigste, die van de verbeelding.
Alle andere voorwerpen van begeerte willen wij opeten. Het schone verlangen wij, zonder het op te willen eten. Wij verlangen alleen maar dat het is.
Onbeweeglijk blijven en zich verenigen met wat men verlangt en wat men toch niet benadert. Dat is de wijze van vereniging met God: wij kunnen hem niet naderen.
De afstand is de ziel van het schone.
Zien en aandachtig zijn, dat is de houding die voor het schone past. Zolang wij kunnen bevatten, willen, wensen, vertoont het schone zich niet. Daarom ligt er in alles wat schoon is, een tegenspraak, bitterheid, en onherleidbare afwezigheid.
Poëzie: onmogelijke smart en vreugde. Stekend-pijnlijke aanraking, nostalgie. Zo is de Provencaalse en Engelse dichtkunst: een vreugde, die pijn doet, juist omdat zij zuiver en zonder enige bijmenging is. Een smart, die kalmeert, omdat zij zuiver en zonder bijmenging is.
Schoonheid: een vrucht die men beschouwt zonder de hand er naar uit te strekken.
Hetzelfde voor een ongeluk, dat men beschouwt zonder terug te wijken.
Dubbele dalende beweging: uit liefde opnieuw doen, wat de zwaartekracht doet. Is de dubbele dalende beweging niet de sleutel tot alle kunst?
De neerdalende beweging, die een afspiegeling is van de genade, maakt het wezen van de muziek uit. De rest dient alleen om haar te encadreren. De opklimming van de noten, is alleen maar een zintuiglijk waar te nemen opklimming. De afdaling is tegelijk waarneembare afdaling en geestelijke stijging. Dat is het Paradijs, waarnaar ieder wezen streeft: dat de afdalende helling van de natuur ons naar het goede laat opklimmen.
In alles, wat in ons het gevoel van het zuiver en echte schone wekt, is sprake van reële tegenwoordigheid van God. Er is een soort incarnatie van God in de wereld en de schoonheid is er het merkteken van.
De schoonheid is het experimentele bewijs van de mogelijkheid van de incarnatie.
Vanaf dat ogenblik is iedere kunst van de eerste rang essentieel religies. (Dat weet men tegenwoordig niet meer). Een gregoriaanse melodie legt even sterk getuigenis af, als de dood van een martelaar.
Als het schone inderdaad waarachtige tegenwoordigheid van God in de materie is, en als het contact met het schone in de volle zin van het woord een sacrament is, hoe komt het dan, dat er zoveel perverse estheten zijn? Nero is dat misschien te vergelijken met de honger, die liefhebbers van « zwarte missen » hebben naar geconsacreerde hosties? Of, simpeler gezien, en waarschijnlijker, klampen deze lieden zich vast, niet aan het authentieke schone, maar aan een slechte imitatie ? Want inderdaad: zogoed als er een goddelijke kunst bestaat, is er een duivelse.
En Nero hield ongetwijfeld van deze laatste. Een groot deel van onze kunst is duivels. Een hartstochtelijk muziek-amateur kan zeer goed een pervers iemand zijn – maar ik zou het moeilijk kunnen aannemen van iemand die dorst naar gregoriaanse muziek.
Wij moeten inderdaad wel misdaden begaan hebben, die ons tot gevloekten gemaakt hebben, want wij hebben heel de poëzie van het universum verloren.
De kunst heeft geen onmiddellijke toekomst, want iedere kunst is collectief en er is geen collectief leven meer (er zijn alleen nog maar dode collectiviteiten), en verder ook nog vanwege de breuk in het waarachtige pact tussen lichaam en ziel. De Griekse kunst viel Samen met het begin van de ontwikkeling van meetkunde en athletisme de kunst der Middeleeuwen met de kunstnijverheid de kunst van de Renaissance met de eerste .stappen van de mechanica, enz.. . Sinds 1914 bestaat er een totale breuk. Het toneel is bijna onmogelijk geworden : er is alleen nog plaats voor de satire (wanneer is het ooit gemakkelijker geweest om Juvenalis te begrijpen?). De kunst kan alleen nog herboren worden uit de schoot van de anarchie – die zonder twijfel episch is, want het ongeluk zal heel wat dingen gemakkelijker gemaakt hebben.. . Onnodig dus om da Vinci of Bach te benijden. In onze dagen moet de grootheid andere wegen gaan. Zij kan trouwens alleen maar eenzaam zijn, en duister en zonder weerklank… (welnu, er bestaat geen kunst zonder weerklank) .
ALGEBRA
Geld, machine, algebra. De drie monsters van de huidige beschaving. Volkomen analoog.
Algebra en geld zijn beide essentieel nivellerend. De eerste intellectueel, het tweede effectief.
Het leven van de Provencaalse boeren heeft sedert ongeveer vijftig jaar opgehouden te gelijken op dat van de Griekse boeren, die Hesiodes beschrijft. Vernietiging van de wetenschap, zoals de Grieken haar opvatten, ongeveer in dezelfde periode. Geld en algebra hebben gelijktijdig getriomfeerd.
Het verband tussen het teken en wat het betekenen moet is verloren gegaan; het spel van uitwisseling van tekens vermenigvuldigt zich door zichzelf en voor zichzelf. En de groeiende complicatie maakt tekens van tekens nodig…
Onder de karakteristieke trekken van de moderne wereld niet te vergeten de onmogelijkheid om concreet het verband tussen inspanning en resultaat van die inspanning te denken. Er zijn teveel tussenschakels. Zoals in andere gevallen: het verband ligt niet meer in welke gedachte dan ook, maar in één ding: geld.
Daar de collectieve gedachte niet als gedachte kan bestaan, is zij overgegaan op andere dingen (tekens, machines…). Vandaar deze paradox: het ding denkt en de mens is tot de staat van ding teruggebracht.
Er bestaat geen collectieve gedachte. Maar daartegenover is onze wetenschap collectief geworden, precies als onze techniek. Specialisatie. Wij nemen niet alleen resultaten over, maar bovendien nog methoden, waarvan wij niets begrijpen.
Die twee zijn trouwens onafscheidelijk, want de resultaten van de algebra leveren methoden aan de andere wetenschappen.
Wat betekent dat: de inventaris opmaken van of kritiek uitoefenen op onze beschaving? In een helder daglicht stellen en zo nauwkeurig mogelijk, waar de valstrik opgesteld is, die van de mens de slaaf van zijn eigen scheppingen maakt. Waarlangs is de onbewustheid in de methodische wijzen van denken en handelen binnengeslopen In de wildernis vluchten is een te gemakkelijke oplossing. Het oorspronkelijke pact tussen geest en wereld moet in de beschaving zelf, waarin wij leven, teruggevonden worden. Dit is trouwens een onmogelijk te volbrengen taak vanwege de korte duur van ons leven, en vanwege de onmogelijkheid van samenwerking en opeenvolging. Maar dat zijn geen redenen om die taak niet op ons te nemen.
Wij bevinden ons allen in een toestand analoog aan die van Socrates, toen hij op de dood wachtte in zijn gevangenis en op de lier leerde spelen… Wij hebben tenminste geleefd… Wanneer de geest bezwijkt onder het gezicht van de hoeveelheid heeft hij geen andere maatstaf meer dan de doeltreffendheid.
Het moderne leven is overgeleverd aan de mateloosheid. Die neemt alles in beslag: handelen en denken, openbaar en persoonlijk leven.
Vandaar de decadentie in de kunst. Er is nergens meer evenwicht. De katholieke beweging is er een gedeeltelijke reactie op: de katholieke ceremonieën zijn tenminste intact gebleven. Maar zij hebben dan ook geen enkel verband met de rest van het bestaan. Het kapitalisme heeft de bevrijding van de menselijke collectiviteit in haar gebondenheid aan de natuur bereikt. Maar deze collectiviteit heeft ten opzichte van het individu de voordien door de natuur uitgeoefende functie van onderdrukking overgenomen.
Dat is zelfs in stoffelijke zin waar. Vuur, water…  De collectiviteit heeft zich van al deze natuurkrachten meester gemaakt.
Vraag: kan deze bevrijding, door de maatschappij verkregen, overgedragen worden op het individu?
HET SOCIALE PROBLEEM …
De mens is slaaf in zoverre als tussen de daad en haar resultaat, tussen de inspanning en het beëindigde werk, de inmenging van wils-invloeden buiten hem blijken te staan.
Dat is het geval zowel voor de slaaf als voor de meester, in onze tijd. Nooit staat de mens van aangezicht tot aangezicht tegenover de condities van zijn eigen activiteit. De maatschappij vormt een scherm tussen de natuur en de mens.
De enige discipline bestaat in het gekeerd zijn naar de natuur en niet naar de mensen. Het betekent slavernij, als wij afhangen van een wil buiten ons. Dit nu is het lot van alle mensen. De slaaf hangt van zijn meester en de meester van zijn slaaf af. Dit is een toestand die ons tot onderdanig smeken of tot tyrannie leidt, of tot beide tegelijk (omnia serviliter pro domminatione). Daarentegen heeft men tegenover de natuur slechts één hulpmiddel: dat van het denken.
Het begrip onderdrukking is alles bijeengenomen niet meer dan een onzinnige dwaasheid: wij hebben de Ilias er maar op na te slaan. En a fortiori het begrip van onderdrukkende klasse. Er kan alleen maar gesproken worden van een onderdrukkende structuur van de maatschappij.
Verschil tussen de slaaf en de burger, citoyen (Montesquieu, Rousseau…): de slaaf is onderworpen aan zijn meester, de « citoyen » aan de wetten. De meester kan een zeer zachte hand hebben en de wet kan hard zijn, dat verandert niets aan de zaak. Alles ligt in de afstand tussen gril en regel.
Waarom is de ondergeschiktheid aan de gril slavernij? De diepste oorzaak schuilt in het verband tussen de ziel en de tijd. Wie aan willekeur overgeleverd is, hangt met een draad aan de tijd; hij wacht (wat de meest vernederende toestand is…) op wat het volgende ogenblik zal brengen. Hij beschikt niet over zijn ogenblikken en het nu is voor hem niet langer een hefboom, die op de toekomst drukt.
Het is een bevrijding voor de geest, als wij ons tegenover de dingen bevinden. Maar het verlaagt de mens, als hij tegenover andere mensen staat en als hij van hen afhankelijk is, of deze afhankelijkheid nu de vorm van onderwerping of die van commandopost bezit.
Waarom staan er al die mensen tussen mij en de natuur?
Nooit rekening te moeten houden met een ongekende gedachte… (want dan zijn wij aan het toeval overgeleverd) .
Geneesmiddel: de mensen als een schouwspel opvatten, buiten de banden van broederschap, en nooit op vriendschap uit zijn. Temidden van de mensen leven als in de trein tussen Saint-Etienne naar Le Puy… En vooral zichzelf niet veroorloven van vriendschap te dromen. Alles moet betaald worden. Stel alleen verwachtingen in jezelf.
Vanaf een zekere graad van onderdrukking komen de machtigen noodzakelijk aan het punt, waarop zij zich laten vereren door hun slaven. Want de gedachte van onder absolute dwang te staan en het speeltuig van een ander te zijn, is ondraaglijk en onhoudbaar voor de mens. Vandaar: als alle middelen om aan die dwang te ontkomen hem ontroofd zijn, blijft hem geen andere toevlucht meer over, dan zichzelf te overreden, dat hij de dingen, waartoe hij gedwongen wordt, vrijwillig uitvoert; of anders gezegd, om de gehoorzaamheid door toewijding te vervangen.
Zelfs zal hij in die staat zich er dikwijls toe inspannen om méér te doen, dan hem opgelegd is en hij zal er minder door lijden, waarbij hetzelfde verschijnsel een rol speelt, dat kinderen lachend fysieke pijn laat verdragen, wanneer zij spelen; pijnen, die hen zwaar zouden lijken, als die hen bijwijze van straf opgelegd zouden worden. Langs deze omweg onteert de slavernij de ziel. Inderdaad, deze toewijding berust op een leugen, Want deze redenen kunnen geen ernstig onderzoek verdragen. (In dit opzicht moet het katholieke princiep van de gehoorzaamheid als bevrijdend beschouwd worden, terwijl het protestantse op de idee van offer en toewijding berust). De enige uitkomst bestaat daarin het ondraaglijke idee van de dwang te vervangen, niet door de illusie van de toegewijdheid, maar door het begrip van de noodzaak.
Daarentegen verandert de opstandigheid altijd in haar tegendeel, als zij niet terstond overgaat tot duidelijk omschreven en succesvolle daden, tengevolge van het gevoel van radicale onmacht, dat er het gevolg van is. Of anders gezegd: het voornaamste steunpunt voor een onderdrukker zit juist in de machteloze  opstandigheid van de onderdrukte.
In deze zin zou het mogelijk zijn de roman van een soldaat van Napoleon te schrijven. En de leugen van de toegewijdheid bedriegt de meester eveneens…
De mensen die aan de macht zijn, moeten wij steeds beschouwen als gevaarlijke dingen. Er voor schuilgaan in de mate, waarin wij dat kunnen zonder minachting voor ons zelf -te moeten hebben. En als wij op een dag gedwongen worden om ons te pletter te lopen tegen hun macht, daar wij anders lafaards zouden zijn, dan moeten wij ons beschouwen als door de natuur der dingen overweldigd te zijn en niet door mensen. Wij kunnen gevangen zitten en in ketenen geklonken worden, maar wij kunnen ook door blindheid of verlamming getroffen worden, Er is geen verschil tussen. Het enige middel om onze waardigheid bij gedwongen onderwerping te behouden: de chef beschouwen als een ding.
Iedereen is slaaf van de noodzaak, maar de bewuste slaaf staat heel wat hoger.
Het sociale probleem. Tot een minimum het aandeel van het bovennatuurlijke terugbrengen, onontbeerlijk om het sociale leven draaglijk te maken. Alles wat er naar streeft om het te vermeerderen is verkeerd (het is God verzoeken).
Uit het maatschappelijk leven moet het ongeluk zoveel mogelijk geweerd worden, want het ongeluk komt alleen de genade te nutte en de maatschappij is geen maatschappij van uitverkorenen. Er zal altijd genoeg ongeluk zijn voor de uitverkorenen.
HET DIKKE BEEST
Het dikke beest is het enige voorwerp van afgoderij, het enige ersatz voor God, en de enige imitatie van een object, dat oneindig ver van mij verwijderd is en dat ik zelf ben.
Wat zou het prettig zijn als wij egoïstisch konden zijn. Dat zou onze rust betekenen. Maar het kan letterlijk niet.
Het is mij niet mogelijk mijzelf als einddoel te beschouwen, en, dientengevolge evenmin om mijn naaste aldus te zien, juist omdat hij mijn gelijke is. Noch ook enig materieel voorwerp, want de materie is nog minder dan menselijke wezens in staat finaliteit te ontvangen. Een ding hier op aarde kan als einddoel gezien worden, omdat het een soort transcendentie bezit ten opzichte van de mens: het collectief. Het collectief is object van iedere afgoderij, en ketent ons aan de aarde vast. Gierigheid: het goud is sociaal. De eerzucht: macht is sociaal. De wetenschap en de liefde eveneens. En de liefde? De liefde maakt min of meer een uitzondering; en daarom kunnen wij naar God gaan door de liefde, maar niet via geldzucht of ambitie. Toch is het sociale ook in de liefde aanwezig (hartstochten gewekt door vorsten, beroemde lieden en allen, die prestige hebben…).
Er bestaan twee goede zaken, die weliswaar dezelfde naamsaanduiding hebben, maar radicaal anders zijn: het goede, dat het tegengestelde van het kwade vormt, en het goede, dat het absolute is. Want het absolute heeft geen tegengestelde. Het betrekkelijke is niet het tegengestelde van het absolute; het wordt ervan afgeleid door een verband, dat echter geen verbinding tussen het een en het ander maakt. Wat wij willen bereiken is het absolute goed. Maar wat wij kunnen bereiken is het goede dat correlatief is met het kwade.
Het is een dwaling, dat wij er ons op richten, zoals de Prins zich in zijn liefde vergist, die niet de meesteres maar het dienstmeisje bemint. De kleren veroorzaken die vergissing. Het sociale geeft aan het betrekkelijke de kleur van het absolute. Het geneesmiddel ligt in het idee van de betrekking en het verband. Met geweld springt de betrekking uit het sociale, Want zij is het monopolie van het individu. De maatschappij is de spelonk, en eruit gaan betekent eenzaamheid.
Het inzicht in de betrekkingen der dingen behoort aan de eenzame geest. Geen massa kan dit inzicht in de verhoudingen bevatten. Dit is goed of niet goed ten opzichte van… in de mate, waarin… Dat zijn overwegingen die aan de massa ontgaan. Een massa kan geen optelling maken. Wie boven het sociale leven uitsteekt, kan er binnentreden naar willekeur, maar niet wie er onder blijft. Voor alles geldt dit trouwens. Er is geen betrekking van vervangbaarheid tussen het betere en het minder goede.
Het vegetatieve en het sociale zijn twee gebieden waar het goede geen toegang heeft. Christus heeft het vegetatieve losgekocht, maar niet het sociale.
Het sociale is onherleidbaar het domein van de vorst dezer wereld. Wij hebben ten opzichte van het sociale geen andere plicht, dan te pogen het kwaad te beperken. (Richelieu: het heil van Staten bevindt zich alleen in déze wereld).
Een maatschappij met een goddelijke doelstelling, zoals de Kerk, is misschien gevaarlijker door het ersatz van het goede, dat zij in zich draagt, dan door het kwaad, dat haar bezoedelt. Een goddelijk etiket op het sociale: een bedwelmend
mengsel, dat iedere losbandigheid veroorlooft. De vermomde duivel.
Het geweten wordt door het sociale misbruikt. Méér-energie (ingebeeld) hangt voor een groot deel aan het sociale. Zij dient er van losgemaakt te worden. Maar het is de moeilijkste onthechting.
De overweging van het sociale mechanisme betekent in dit opzicht een loutering van de eerste orde.
Over het sociale nadenken is een even goed middel, als zich uit deze wereld terugtrekken. Daarom heb ik geen ongelijk gehad, mij zo lange tijd met politiek te bemoeien.
Uitsluitend door de poort van het transcendente, het bovennatuurlijke en het authentiek geestelijke slaagt de mens erin boven liet sociale uit te komen. Maar tot voor die poort, wat de mens ook probeert te doen, is het sociale transcendent ten opzichte van het individu.
Op niet-bovennatuurlijk niveau vormt het sociale de scheiding met het kwade (althans sommige vormen van het kwade) bij wijze van slagboom; maar een vereniging van misdadigers of verdorven lieden, neemt die slagboom weg, ook al wordt zij door slechts enkele mensen gevormd. Wat brengt er iemand toe om zich bij zo een vereniging aan te sluiten? De noodzaak of de lichtzinnigheid, in de meeste gevallen een mengsel van beide; Wij denken ons tot niets te verbinden, want wij  weten niet, dat, met uitzondering van het bovennatuurlijke, alleen de maatschappij ons verhinderen kan, om natuurlijkerwijze, te vervallen tot ondeugd en misdaad in hun afschuwelijkste vorm. Wij weten niet, dat wij anders worden, want wij weten niet tot hoever in onszelf het gebied zich uitstrekt van wat van buiten af gewijzigd kan worden. Iedereen neemt trouwens verplichtingen op zich zonder te weten welke.
Rome is het dikke, materialistische en atheïstische heest, dat alleen zichzelf aanbidt. Israël is het dikke godsdienstige beest. Geen van beiden zijn beminnenswaard. Een dik beest werkt altijd afstotend.
Kan een maatschappij, waar alleen de wet van de zwaartekracht heerst, bestaanbaar zijn, of is een beetje van het bovennatuurlijke noodzakelijk voor haar levensvatbaarheid? Te Rome, bestond er misschien alleen de zwaartekracht. Bij de Hebreeën waarschijnlijk ook. Hun God was zwaar.
Er heeft in de Oudheid misschien maar één volk absoluut zonder mystiek bestaan: Rome. Door welk mysterie? Kunstmatige Staat, samengesteld uit voortvluchtigen, precies als Israël.
Het dikke beest bij Plato. – Voor zover het marxisme waarheid bevat, is het geheel te vinden op die bladzijde van Plato over het dikke beest: maar zijn weerlegging treffen wij er ook aan.
Kracht van het sociale. Het akkoord tussen meerdere mensen sluit het gevoel van realiteit in zich. Eveneens het gevoel van licht. Iedere afwijking van die overeenkomst draagt het kenmerk van een zonde. Dientengevolge zijn alle omkeringen mogelijk. Een toestand van conformiteit is een nabootsing van de genade.
Op grond van een eigenaardig mysterie – dat samenhangt met de machtsuitstraling van het sociale – geeft het beroep aan de gemiddelde mens voorzover het objecten betreft, die met dit beroep samenhangen, deugden, die, als zij zich zouden uitstrekken tot alle levensomstandigheden, er een held of een heilige van konden maken.
Maar die macht van het sociale brengt tevens mee, dat het natuurlijke deugden zijn. En zij hebben dan ook compensatie nodig.
Farizeeërs : « Voorwaar ik zeg U, zij hebben hun loon reeds ontvangen. »  Omgekeerd kon Christus van de tollenaars en lichtekooien zeggen: voorwaar, ik zeg U, zij hebben hun straf reeds ontvangen – dat wil zeggen, de afkeuring, die hun van de maatschappij gewerd. In de mate waarin zij inderdaad hun straf reeds gekregen hebben, zal de Vader, die in het verborgene ziet, hen ook niet straffen. Terwijl daarentegen de zonden, die niet vergezeld gaan van die sociale afkeuring, de volle maat van hun straf zullen krijgen door de Vader, die in het verborgene ziet. En zo is deze afkeuring dus een gunst van het lot. Maar zij kan tot een extra kwaad worden voor degenen, die onder de druk van deze afkeuring, een excentriek sociaal milieu scheppen, waarbinnen alles geoorloofd is. Misdadigersmilieux, homosexuelen-verenigingen, enz.
De dienst aan de valse God (het sociale Beest, in willekeurig welke vorm van incarnatie) zuivert het kwade door er de afschuw van weg te nemen. Niets lijkt slecht te zijn aan wie dit Beest dient, behalve tekortkomingen in die dienst.
Maar de dienst aan de Ware God laat de afschuw van het kwaad bestaan en maakt die zelfs intenser. En het kwade, waarvoor wij afgrijzen hebben, beminnen wij tevens, omdat het uit de wil van God voortvloeit. Wie heden ten dage geloven, dat het recht Staat aan de kant van een der strijdende partijen, zijn er ook van overtuigd, dat deze de overwinning zal behalen. Het is een ondraaglijke smart, een als zodanig bemind goed veroordeeld te zien door de loop der gebeurtenissen.
De gedachte, dat iets, wat in het geheel niet meer bestaat, een goed kan zijn is pijnlijk en wij stoten haar van ons af. Dat is onderwerping aan het dikke beest.
De ziele-kracht van de communisten spruit voort uit het feit dat zij niet alleen streven naar wat zij geloven dat goed is, maar ook naar wat zij menen, dat onvermijdelijk en zeer binnenkort zal gebeuren. Zo kunnen zij zonder heiligen te zijn – en daar ontbreekt nog wel wat aan – gevaren en folteringen verdragen, die alleen een heilige, alleen omwille van de gerechtigheid, zou kunnen uithouden.
In zekere opzichten is de mentaliteit van de communisten sterk analoog aan die van de eerste christenen.
Deze eschatologische propaganda verklaart uitstekend de vervolgingen uit de eerste tijden.
“Aan wie weinig vergeven is, bemint weinig.”  Het gaat daarbij om iemand bij wie de sociale deugd een grote plaats inneemt. In hem vindt de genade maar weinig vrije ruimte. De gehoorzaamheid aan het grote beest conform aan het goede, dat is sociale deugd. Farizeeër is hij, die deugdzaam is uit gehoorzaamheid aan het dikke beest.
De naastenliefde kan en moet in alle landen beminnen wat voorwaarde is tot de geestelijke ontwikkeling van de individuen, dat wil zeggen, enerzijds de sociale orde, zelfs als zij slecht is, – maar minder slecht dan de wanorde, – anderzijds, de taal, de ceremonieën, de zeden en gewoonten, alles wat deel heeft aan het schone en aan de poëzie, die het leven in dat land omsluiten.
Een natie kan echter geen voorwerp van bovennatuurlijke liefde zijn. Zij bezit geen ziel. En zij is een dik beest.
En toch… een stad… Ja, maar dat is niet iets sociaals; dat is een menselijk milieu, dat men zich even weinig bewust is als de lucht, die men inademt. Een contact met de natuur, met het verleden, met de traditie. Het ingeworteld-zijn is iets anders als het sociale.
Patriotisme. Wij moeten geen andere liefde bezitten dan de naastenliefde. Een natie kan geen object van naastenliefde vormen. Maar een land kan dat wel, in zoverre het een milieu is, dat drager is van eeuwige tradities. Alle landen kunnen dat zijn.
ISRAËL
De Christenheid is totalitair, veroverend en tot verdelgster geworden, omdat zij het begrip van Gods afwezigheid en niet-handelen hier beneden niet ontwikkeld heeft. Zij heeft zich evenzeer vastgehecht aan Jehovah als aan Christus: haar opvatting van de Voorzienigheid is volgens de wijze van het Oude Testament. Alleen Israël
kon het hoofd bieden aan Rome, omdat het op Rome geleek en het christendom, dat geboren werd, droeg aldus de Romeinse vlek, voordat het officieel tot godsdienst van het Rijk afgekondigd werd. Het kwaad door Rome aangericht is nooit werkelijk hersteld.
God heeft Mozes en Josue zuiver tijdelijke beloften gedaan in de tijd, dat Egypte zich gericht had op het eeuwige zieleheil. Daar de Hebreeën de Egyptische openbaring van de hand gewezen hadden, kregen zij van God wat zij verdienden: een collectieve God van vlees en bloed, die tot aan het ogenblik van de verbanning tot niemands ziel gesproken heeft (misschien toch, in de Psalmen?). Onder de personen uit het Oude Testament zijn Abel, Henoch, Noë, Melchisedech, Job en Daniel de enige zuivere. Het is geenszins verbazingwekkend, dat uit wat ontstaan was door het harde werk van opeenvolgende beschavingen, waaraan zij part noch deel hadden, en waaraan zij de bewoners te vuur en te zwaard verdelgden, – dat uit zo ’n volk niet veel goeds voortspruiten kon. En om van God te spreken als de  “opvoeder” van dit volk, is een sombere grap.
Evenmin verbazingwekkend is, dat er zoveel kwaads steekt in een beschaving – de onze -, die in de grond verdorven is en tot in zijn geestelijke grondslag toe door deze afschuwelijke leugen. De vloek van Israël drukt op de christenheid. De wreedheden, de Inquisitie, de uitroeiing van ketters en ongelovigen, dat was allemaal Israël. Het kapitalisme, ook dat was Israël (en is het nog tot op zekere hoogte…). Het totalitarisme is Israël, in het bijzonder bij zijn ergste vijanden.
Er kan geen persoonlijk contact tussen de mens en God bestaan anders dan in de persoon van de Middelaar. Buiten de Middelaar kan Gods tegenwoordigheid voor de mens geen andere dan een collectieve, een nationale zijn. Israël heeft op hetzelfde ogenblik een nationale God verkozen en een Middelaar afgewezen; misschien heeft het bij tijd en wijle werkelijk gestreefd naar het waarachtige monotheïsme, maar steeds verviel het, en dat kon ook niet anders, tot de stam-God. De mens, die contact heeft met het bovennatuurlijke, is essentieel koning, want hij vertegenwoordigt in de maatschappij, op oneindig kleine schaal, een transcendentale orde voor de maatschappij.
De plaats, die hij in de sociale hiërarchie inneemt, doet daarbij echter in het geheel niet ter zake. Wat het grote en machtige in de sociale orde betreft, daarvoor is alleen hij ontvankelijk, die een belangrijk deel van de energie van het dikke beest in zich heeft weten te concentreren. Maar deelhebben aan het bovennatuurlijke kan hij niet. Mozes, Josue, dat is het aandeel in het bovennatuurlijke van hen, die veel sociale energie in zich hebben weten te verzamelen.
Israël is een poging tot bovennatuurlijk sociaal leven. Men mag veronderstellen, dat het er in geslaagd is, het beste op dat gebied voort te brengen. Onnodig om de proef te herhalen. Het resultaat toont duidelijk, tot welke goddelijke openbaring het dikke beest in Staat is. Als eerste brengt Isaias zuiver licht.
Israël heeft aan Rome weerstand geboden, omdat zijn God, ofschoon onstoffelijk, een tijdelijke souverein was op het niveau van de Caesar en dank zij deze omstandigheid is het Christendom geboren kunnen worden. Israëls godsdienst was niet voldoende verheven om broos te zijn en, dank zij deze soliditeit, heeft het de groei van wat verhevener was kunnen beschutten.
Opdat het Lijden van Christus mogelijk was, moest Israël het begrip van de Incarnatie niet kennen. Rome evenmin (het waren misschien de twee enige volken, die het niet kenden). Maar toch moest Israël enig deel hebben aan God. Het deel dat mogelijk was zonder spiritualiteit noch bovennatuur. Uitsluitend collectieve godsdienst. Door deze onwetenheid en door deze duisternissen werd het tot uitverkoren volk. En zo kunnen wij het woord van Isaias ook begrijpen: “Ik heb hun gemoed verhard, opdat zij mijn woord niet horen.” Daarom is alles door de zonde bezoedeld in Israël, want er kan niets puurs bestaan zonder deelname aan de geïncarneerde God, en opdat het ontbreken van deze deelname duidelijk zou blijken.
Is de grote bezoedeling niet de strijd van Jacob met de engel: “De Eeuwige … zal Jacob recht doen wedervaren volgens zijn werken. Vanaf de moederschoot verving hij zijn broer reeds en in zijn volwassenheid, triomfeerde hij over een God. Hij worstelde met een engel en overwon; de engel weende en vroeg om genade…”
Bestaat het grootste ongeluk juist niet daarin, dat men in de strijd tegen God, niet overwonnen wordt?
Israël. Alles is bezoedeld en vol afschuwelijke wreedheid, als met een vooropgezette bedoeling, vanaf en met inbegrip van Abraham (behalve enkele profeten). Alsof om met niet mis te verstane duidelijkheid aan te geven: Opgepast!
Daar is het kwaad! Volk, uitverkoren tot de verblinding, uitverkoren om beul van Christus te zijn.
Die handvol ontwortelden, de Hebreeën, hebben de ontworteling van heel de aardbol veroorzaakt. Hun aandeel in het christendom heeft van de christenheid iets ontwortelds gemaakt ten opzichte van haar verleden. De poging om het opnieuw wortels te laten slaan door de Renaissance heeft schipbreuk geleden, omdat deze antichristelijk georiënteerd was. De « verlichting », 1789, het laïcisme, enz., hebben door het bedrog van de vooruitgang oneindig veel bijgedragen tot deze ontworteling. En het ontworteld Europa heeft de rest van de wereld ontworteld door de koloniale veroveringen. Kapitalisme en totalitarisme vormen deel van deze voortgang der ontworteling; volkomen natuurlijk bevorderen antisemieten de invloed van het jodendom. Maar voor zij door het gif ontwortelden, hadden Assyrië in het Oosten en Rome in het Westen daartoe het zwaard gebruikt.
Het primitieve christendom heeft het gif gebrouwd van het vooruitgangsbegrip, door de idee van een goddelijke pedagogie, die de mens moest vormen om hen ontvankelijk te maken voor de boodschap van Christus. Dit sloot volkomen aan bij de hoop om alle naties ter wereld te bekeren en de verwachting van het spoedige
einde der wereld. Maar toen geen van beide verwachtingen vervuld werden, werd het begrip van de vooruitgang na zeventien eeuwen verder verplaatst, en nu het ogenblik van de christelijke Openbaring. Vanaf dit ogenblik moest het zich wel tegen het christendom keren. De andere gifstoffen, die zich met de waarheid van het christendom vermengd hebben, zijn van joodse oorsprong. Maar de zo even genoemde is specifiek christelijk.
De metafoor van de goddelijke pedagogie laat de individuele bestemming, die alleen van belang is voor het heil, verloren gaan in die van de volken.
Het Christendom heeft een harmonie in de historie willen zoeken. Dat is de kiem van Hegel en Marx . De opvatting van de geschiedenis als geleide continuïteit is christelijk.
Ik geloof, dat er weinig begrippen bestaan, die zo totaal mis zijn. Het zoeken van de harmonie in wat wordt, in wat het tegendeel van de eeuwigheid is. Verkeerde vereniging van tegengestelden. Het humanisme en wat erop gevolgd is, is geen terugkeer tot de Oudheid, maar een ontwikkeling van de in het christendom schuilgaande vergiften.
De bovennatuurlijke liefde is alleen vrij. Maar door haar te dwingen, vervangen wij haar door een natuurlijke liefde. Omgekeerd echter is vrijheid zonder bovennatuurlijke liefde – die van 1789 volkomen leeg, niets meer dan een simpele abstractie, zonder de geringste kans om ooit werkelijkheid te worden.
SOCIALE HARMONIE
Ten opzichte van – een willekeurige orde kan een hogere orde, dus een die oneindig boven de eerste uitsteekt, daarin slechts voorgesteld worden door iets oneindig kleins: het mosterdzaadje, het ogenblik als beeld van de eeuwigheid, enz. Contactpunt van de cirkel en de rechte lijn (tangens). Dat is een voorstelling van de hogere orde in de lagere, in de vorm van iets oneindig kleins.
Christus is het aanrakingspunt tussen de mensheid en God.
De bescheidenheid, het oneindig-kleine karakter van het pure goed…
Het evenwicht is de ondergeschiktheid van een orde aan een andere, een orde die transcendent is aan de eerste, in de vorm van iets oneindig kleins.
Zo zou een waarlijk koningschap de volmaakte staat zijn.
Ieder lid van de maatschappij is het oneindig kleine, dat de transcendente orde in het sociale vertegenwoordigt en tegelijk oneindig veel groter is.
De liefde van de burger voor zijn stad en van de vazal voor zijn heer, zou een bovennatuurlijke liefde moeten zijn.
Alleen het evenwicht vernietigt en annuleert de kracht. De sociale orde kan niet anders als een evenwicht -van krachten zijn.
Aangezien men niet kan verwachten dat een man, die de genade niet bezit, rechtvaardig is, moet een goed-georganiseerde maatschappij zodanig zijn, dat de ongerechtigheden elkander wederzijds in een voortdurende oscillatie straffen.
Alleen het evenwicht vernietigt de kracht. Als wij weten, waar ergens de maatschappij uit haar evenwicht is, moeten wij er alles aan doen om gewicht toe te voegen in de schaal, die te licht is. Zelfs als dit meer-gewicht het kwaad is, bezoedelen wij ons misschien niet, als wij het tot dat doel hanteren. Maar het evenwicht moet goed begrepen zijn, steeds klaar om van zijde te veranderen, precies als het recht, “die voortvluchtige uit het kamp der overwinnaars.”
Betekenis van de bekende Passage uit de Gorgias over de meetkunde. Geen enkele onbeperkte ontwikkeling is mogelijk in de natuur der dingen; de wereld in haar geheel berust op maat en evenwicht, en het zelfde geldt voor de samenleving. Iedere ambitie is mateloosheid, dwaasheid.
“geometrias gar ameleis” Wat de eerzuchtige vergeet is het begrip der verhoudingen.
« Peuple stupide à qui ma puissance m’enchaîne,.. Hélas! mon orgueil même a besoin de tes bras. » “Dwaas volk, waaraan mijn macht mij ketent, Helaas ! Mijn hoogmoed heeft uw armkracht nodig…”
door van de gehoorzaamheid een ding van mens tot mens te maken, vermindert de feodale band in sterke mate het aandeel van het dikke beest. Beter nog de wet.
Wij moesten slechts hebben te gehoorzamen aan de wet of aan een mens. Dat is bijna het geval in de monniken-orden. De Staat diende naar dit model gebouwd te worden. Gehoorzamen aan een heer, aan een man, die naakt is en slechts bekleed met alleen de majesteit van de eed, en niet met die, afgeleid van het dikke beest.
Een goed-georganiseerde maatschappij zou zo zijn, dat de Staat alleen maar een negatieve functie bezat, gelijkend op die van het roer: een lichte druk op het juiste ogenblik om een begin van onevenwichtigheid tegen te gaan.
De zin van de Politiek van Plato is, dat de macht uitgeoefend dient te worden door een sociaal milieu, dat samengesteld is uit overwinnaars en overwonnenen. Dit is echter tegen de natuur, behalve als de overwinnaars barbaren zijn. In dit opzicht is de overwinning van de barbaren op de beschaafden vruchtbaarder – als zij tenminste niet al-verwoestend is -, dan die van de beschaafden op barbaren. Deze regeneratie wordt onmogelijk door de techniek, die kracht en beschaving aan één zijde stelt. Zij is gevloekt. Buiten deze perioden van omwenteling, kan de kracht alleen maar verdeeld worden over sterken en zwakken door tussenkomst van een bovennatuurlijke factor.
Wat bovennatuurlijk is in de maatschappij, is de wettelijkheid in haar tweevoudige vorm: de wet zelf, en de toekenning van de hoogste macht. En door wetten gematigde monarchie zou misschien het mengsel, voorgesteld in de Politiek, kunnen bewerkstelligen. Maar er kan geen wettelijkheid bestaan zonder godsdienst.
Gehoorzaamheid aan een man, wiens gezag niet door wettelijkheid verlicht wordt, is een nachtmerrie.
Alleen het denken kan zuivere wettelijkheid, een idee, dat volkomen ontbloot van geweld en iets souvereins is, voortbrengen. Dat is altijd zo geweest en het zal altijd zo blijven.
Daarom moet een her- of omvorming altijd de indruk wekken van, hetzij een terugkeer naar een verleden, dat men heeft laten verliederlijken, hetzij de aanpassing van een instelling aan nieuwe omstandigheden. En deze aanpassing moet geen wijziging tot doel hebben, maar integendeel de handhaving van een onveranderlijke verhouding, alsof men te doen heeft met de wiskundige verhouding 12:4 en daarbij de 4 in een 5 verandert. De echte behoeder en beschermer is niet degene, die de verhouding 12:5 wil, maar die van de 12, 15 maakt.
Het bestaan van een legitiem gezag schenkt een doeleinde aan het werk en de daden in het sociale leven, een doeleinde, dat iets anders is als alleen de dorst om zich uit te breiden (het enige, door het liberalisme erkende motief). De wettelijkheid is de continuïteit in de tijd, de voortduur, een onveranderlijk iets. Zij schenkt aan het maatschappelijke leven als doeleinde iets, dat bestaat en dat beschouwd wordt als altijd bestaan te hebben en ook altijd te moeten blijven bestaan. Zij verplicht de mensen om precies dat te willen, wat is.
De breuk van de wettelijkheid, de ontworteling, als deze niet het gevolg is van een verovering en zich voordoet in een land tengevolge van misbruik van wettig gezag, doet onvermijdelijk de obsederende gedachte aan « vooruitgang » ontstaan, want de doelstreving keert zich dan naar de toekomst.
Het atheïstisch materialisme is noodzakelijk revolutionair, want om het zich te laten richten naar een absoluut goed, hier op aarde, moet dat goed ergens in de toekomst geplaatst worden. Opdat het dan volledig kan zijn, is een middelaar tussen de toekomstige perfectie en de tegenwoordige staat van zaken nodig. Die middelaar is de chef: Lenin, enz. Hij is onfeilbaar en volmaakt zuiver. Door hem heen wordt het kwaad, goed.
Men kan dus alleen maar of zo zijn, of God beminnen, of zich laten heen en weer slingeren door de kleine en onbetekende goede en kwade dingen van het dagelijkse leven.
De band tussen de vooruitgang en het lagere niveau (want wat een generatie kan voortzetten op het ogenblik, dat de vorige opgehouden heeft te bestaan, is noodzakelijk iets buiten haar) is een voorbeeld van de verwantschap tussen geweld
en laagheid. De grote dwaling van de marxisten en trouwens van heel de  negentiende eeuw was de overtuiging, dat men door alleen maar recht voor zich uit te lopen, omhoog de lucht in liep.
De bij uitstek atheïstische grondgedachte is die van de vooruitgang, die de ontkenning is van het experimentele ontologische bewijs, dat het middelmatige uit zichzelf niet het betere kan voortbrengen. Welnu, heel de moderne wetenschap
werkt aan de vernietiging van de vooruitgangsgedachte. Darwin heeft de illusie van de interne vooruitgang vernietigd, die wij bij Lamarck vinden. De mutatie-theorie laat alleen nog maar het toeval en de eliminatie bestaan. De energetica stelt, dat de energie minder wordt en nooit toeneemt en dat is zelfs van toepassing op het vegetatieve en animale leven.
Psychologie en sociologie kunnen alleen maar wetenschappelijk heten, als op haar een aan het begrip van energie analoog iets toegepast wordt, en de toepassing daarvan is onverenigbaar met iedere vooruitgangs-gedachte. Dan pas zullen zij stralen in het volle licht van het ware geloof.
Alleen het eeuwige kan niet door de tijd geschonden worden. Er is een inspiratie nodig, die neerdaalt van de andere kant van de hemel, opdat een kunstwerk steeds bewondering kan blijven wekken; opdat een liefde en een vriendschap een leven lang kunnen duren (zelfs misschien gedurende één dag hun zuiverheid kunnen bewaren) en opdat een conceptie van de menselijke conditie dezelfde kan blijven dwars door alle ervaringen en wisselvalligheden van de fortuin heen.
Een volkomen onmogelijke toekomst, zoals die het ideaal was van de Spaanse anarchisten, verlaagt veel minder en verschilt veel minder van het eeuwige, dan een mogelijke toekomst.
Zij verlaagt zelfs in het geheel niet, hoogstens door de illusie van de eventuele verwerkelijkingsmogelijkheid. Als zij gezien wordt als onmogelijk, voert zij zelfs naar het eeuwige.
Het mogelijke is het gebied van de inbeelding en dientengevolge van de degradatie. Wat wij moeten willen is, wat nu juist bestaat, of wat helemaal niet kan bestaan, beter nog beide tegelijk. Wat is en wat niet kan zijn, staat buiten iedere wordings-mogelijkheid. Als de verbeelding er zich niet met genoegen in rondwentelt, wanneer een of andere ontmoeting het in zijn volle zuiverheid doet herrijzen, dan is het verleden: tijd met een eeuwigheidskleur. Het gevoel van werkelijkheid is- zuiver daarbij. Pure vreugde, pure schoonheid. Proust.
Wij zitten vastgeklonken aan het tegenwoordige. De toekomst scheppen wij in onze verbeelding. Op voorwaarde dat wij het verleden niet herscheppen, is het zuiver.
De tijd verslijt en vernietigt alles wat tijdelijk is, in zijn voorbijgaan. Er is dan ook meer eeuwigheid in het verleden- dan in het tegenwoordige. Dat is de waarde van de goedbegrepen historie, analoog aan die van de herinnering bij Proust. Zo toont het verleden ons iets, dat tegelijk reëeler en beter-,is dan. wijzelf zijn. Het kan ons omhoogtrekken, iets wat de toekomst nooit doet.
Verleden: realiteit, maar volkomen buiten ons bereik; wij kunnen er geen stap naar toe zetten; wij kunnen ons er alleen op oriënteren, opdat er een uitstraling van tot ons kan komen. Daardoor is het de afbeelding bij uitstek van de eeuwige, bovennatuurlijke realiteit.
Is dat de reden, waarom er vreugde en schoonheid steekt in de herinnering als zodanig?
Vanwaar kan ons de hernieuwing komen, voor ons, die heel de aardbol bezoedeld en leeggehaald hebben? Alleen uit het verleden, als wij het liefhebben.
Tegenstellingen: Heden bestaat tegelijk de dorst naar en de walging voor het totalitarisme, en bijna ieder houdt van een totalitarisme en haat een ander totalitarisme.
Is er altijd identiteit tussen wat wij beminnen en wat wij haten? Voelen wij altijd de behoefte om te beminnen, wat wij haten, onder een andere vorm en omgekeerd?
De voortdurende illusie van de Revolutie bestaat in het geloof, dat als de macht in handen gegeven wordt van de slachtoffers, die onschuldig zijn aan de gepleegde gewelddaden, deze door hen op rechtvaardige wijze gehanteerd zal worden. Maar met uitzondering van de zielen, Die dicht genoeg genaderd zijn tot de heiligheid, worden slachtoffers evenzeer als hun beulen door macht bezoedeld. Het kwaad, dat zich aan de greep van het zwaard bevindt, wordt naar de punt ervan overgedragen. Wanneer dan de slachtoffers op het schild geheven worden en dronken zijn door die verandering, stichten zij evenveel of nog meer kwaad, en vallen weldra zelf ook.
Het socialisme plaatst het goede bij de overwonnenen, het racisme bij de overwinnaars. Maar de vleugels van het socialisme bedienen zich van hen, die ofschoon van lage afkomst, van nature en uit roeping overwinnaars zijn, en zo eindigt het met dezelfde ethiek.
Het moderne totalitarisme staat tot het katholieke totalitarisme uit de 12e eeuw, als de laïcistische en vrijmetselaarsgeest staat tot het humanisme van de Renaissance. Bij iedere slinger wordt de mensheid iets meer gedegradeerd. Tot hoever zal dat doorgaan?
Na de ineenstorting van onze beschaving kunnen er twee dingen gebeuren: ofwel zij gaat geheel ten gronde zoals beschavingen uit de oudheid, of zij zal zich aan een gedecentraliseerde wereld aanpassen.
Her is aan ons, niet om de centralisatie te doorbreken (want deze gedraagt zich automatisch als een sneeuwbal, tot aan de catastrofe), maar de toekomst voor te bereiden.
Onze eeuw heeft de innerlijke hiërarchie vernietigd. Hoe zou zij dan de sociale hiërarchie kunnen laten voortbestaan, die er slechts een ruwe afbeelding van is?
Je zoudt in geen beter tijdperk geboren kunnen zijn, dan het huidige, waarin alles verloren is.
MYSTIEK VAN DE ARBEID
Het geheim van de menselijke conditie bestaat daarin, dat er geen evenwicht is tussen de mens en de hem omringende natuurkrachten, die oneindig ver boven hem uitsteken in werkeloosheid; er bestaat slechts evenwicht in de Actie; waardoor
de mens zijn eigen leven herschept in het werk.
De grootheid van de mens bestaat in de voortdurende herschepping van zijn leven. Hij herschept, wat hem gegeven is. Door zijn arbeid, brengt hij zijn eigen natuurlijk bestaan voort. Hij smeedt, wat hij ondergaat. Met de wetenschap herschept hij het heelal door middel van symbolen. Door de kunst herschept hij de band tussen zijn lichaam en zijn ziel (zie de rede van Eupalinos). Opgemerkt dient te worden, dat ieder van die dingen iets arms, leegs en ijdels is, als zij op zichzelf genomen worden en buiten verband staan van ieder van de twee anderen. De vereniging van de drie is arbeidscultuur… maar daarop kan men nog lang wachten…
Plato zelf is niet meer dan een voorloper. De Grieken kenden de kunst, de sport, maar niet de arbeid. De meester is slaaf van zijn slaaf in die zin, dat de slaaf zijn meester fabriceert.
Twee taken: de machine individualiseren, de kunst individualiseren (haar onder het volk brengen, een volksuniversiteit naar socratisch schema betreffende de grondslagen van ieder vak) .
Handenarbeid. Waarom is er nooit een mysticus geweest uit arbeiders- of boerenkringen, die geschreven heeft over wat men noemt de walging voor de arbeid? De ziel tracht steeds deze afkeer, die zo dikwijls aanwezig is en in ieder geval steeds dreigend op de loer ligt, te ontvluchten en tracht dit te bereiken, door zich met een vegetatieve reactie eraan te onttrekken. Het is levensgevaarlijk om dit eerlijk aan zichzelf te bekennen. Daar ligt de bron van de leugen, die aan volksmilieu eigen is. (Iedere bevolkingslaag kent haar eigen leugen).
Die afkeer is de last van de tijd. Hem aan zich: zelf bekennen zonder er aan toe te geven, brengt de mens omhoog.
De walging in al zijn vormen is een van de meest kostbare ellenden, die de mens gegeven zijn om de ladder-omhoog te bestijgen. Wat mij betreft heb ik een ruim deel aan die gunst. Alle afkeer dient men in afkeer voor zichzelf om te zetten.
De eentonigheid is een van de schoonste en gelijktijdig een van de afschuwelijkste dingen op aarde. Het schoonste, als, het een weerspiegeling is: van de eeuwigheid: Het afschuwelijkste, als het een teken is van een eindeloze duur zonder verandering. Tijd, waarboven men uit gestegen is, of steriele tijd. De cirkel is het symbool van de schone eentonigheid. De slingering van de pendel is het zinnebeeld van de afgrijselijkste monotonie.
De spiritualiteit van de arbeid. Op pijnlijke manier laat de arbeid het fenomeen van de finaliteit voelen, die als een bal teruggekaatst wordt: werken om te eten, eten om te werken…
Als een van beide als einddoel beschouwd wordt, of ook als men de een van de ander scheidt, is men verloren. De cyclus alleen houdt de waarheid in.
Een eekhoorn, die in zijn kooi ronddraait, en de rotatie van het heelal zijn beide afbeelding van de uiterste ellende en de uiterste grootheid. Als de mens zich zelf ziet als een eekhoorn, die in zijn ronde kooi draait, is hij dicht bij zijn heil – als hij tenminste niet tegen zichzelf liegt.
De grote smart van handenarbeid bestaat uit de dwang om urenlang voortdurende krachtsinspanning te verrichten, alleen om te blijven bestaan.
Slaaf is hij, wie geen ander goed geboden wordt voor zijn inspanning, dan het loutere bestaan. Hij kan dan alleen: of volkomen onthecht zijn, of tot het vegetatieve stadium terugvallen.
Geen enkele aardse finaliteit scheidt de werkers van God. Zij zijn trouwens de enigen, die in die toestand verkeren. Alle andere menselijke condities sluiten bijzondere doeleinden in, die een scherm vormen tussen de mens en het loutere goed. Maar voor hen bestaat een dergelijk scherm niet. Zij hebben niet iets te veel, waarvan zij zich moeten losmaken.
Een inspanning verrichten uit noodzaak en niet, ten einde, – er toe gedreven, niet aangetrokken, – een goed te verwerven, – om dus alleen het bestaan te rekken, zoals het is – betekent steeds slavernij.
In die zin is de slavernij van handarbeiders onherroepelijk.  Zij betekent: inspanning verrichten zonder doeleinde.
Als die finaliteit geen doel heeft is dit iets verschrikkelijks – of ook het schoonste wat er bestaat. Alleen het schone veroorlooft ons voldaan te zijn met wat is.
Arbeiders hebben meer behoefte aan poëzie dan aan brood. Behoefte, dat hun leven poëzie is. En behoefte aan een licht uit de eeuwigheid. Alleen de godsdienst kan bron zijn van deze poëzie.
Niet de godsdienst, maar de revolutie is opium voor het volk. Het gemis van deze poëzie is verklaring voor alle vormen van demoralisatie.
Slavernij is werk zonder licht uit de eeuwigheid, zonder poëzie, zonder godsdienst.
Het eeuwige licht moge dus niet argument zijn voor leven en werken, maar de volheid, die het zoeken naar dit argument overbodig maakt. Bij gebreke daarvan blijven als prikkels nog slechts de dwang en het winstbejag over. De dwaling is wat het volk onderdrukt. De jacht naar geld, wat het bederf van het volk uitmaakt.
Handenarbeid is de tijd, die ingang vindt in het lichaam. Door zijn werk wordt de mens materie, zoals Christus in de Eucharistie. Het werk is een soort sterven.
Wij moeten door de dood heen. Wij moeten gedood worden en de zwaartekracht van de wereld ondergaan. Is het verwonderingwekkend, dat de mens pijn heeft, als het heelal op zijn lendenen drukt?
Arbeid is dus een soort dood, als de prikkel ontbreekt. Wij moeten handelen en daarbij tegelijk de vruchten van onze actie opgeven.
Werken; en als men uitgeput raakt, dan betekent dat onderwerping aan de tijd zoals de materie eraan onderworpen is. Het denken wordt gedwongen om van het ene ogenblik in het andere over te glijden zonder zich vast te kunnen haken, noch aan het verleden noch aan de toekomst. Dat is gehoorzamen.
Er zijn vreugden, die gelijke tred houden met de vermoeidheid. Zintuiglijke vreugden. Eten, uitrusten, zondagsgenoegens. Maar het geld niet. Geen zie, die het volk raakt kan echt zijn, als de vermoeidheid, als dorst en honger, voortgesproten uit die vermoeidheid, er geen deel aan hebben.
Uit: Simone Weil, Zwaartekracht en genade, Tielt 1954 (Lannoo)
oorspronkelijke titel: La Pesanteur et la grace 1947 – uit het Frans vertaald door Louis Thijssen – uitgekozen en geclassificeerd uit de nagelaten werken uit de periode voor mei 1942 door Gustave Thibon
Simone Weil: Parijs 1909- Londen 1943

 

iceland

If you want to buy one of this paintings, please visit: http://www.saatchiart.com/canandanann
If you don’t find a piece, please contact me. Not all my work is found on Saatchi (I posted only a small collection). Collectioners in Holland, Belgium or Germany can contact me directly.

A collection of my paintings you find also on my website: http://johnhacking.weebly.com

More information about my work and my paintings, and my vison on art, you can find on: www.canandanann.nl